Maak een selectie

100 van 100

   

Een jeugdprofessional wordt verweten dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door geen (juiste) informatie te verstrekken aan de moeder en onvoldoende te communiceren.

Klager is [de moeder], hierna te noemen: de moeder. Haar gemachtigde is [de gemachtigde], vertrouwenspersoon bij AKJ.

Beklaagde is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als medewerker bij [de GI], hierna te noemen: de GI. De jeugdprofessional is van [datum] 2016 tot [datum] 2021 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanaf [datum] 2021 staat zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

Het College gaat uit van het aangepaste klaagschrift (ontvangen op 17 februari 2022).

1     De beoordeling van de klachtonderdelen

De moeder heeft in het klaagschrift vijf klachtonderdelen geformuleerd.

De voorzitter oordeelt dat de klachtonderdelen 2 en 4 geen feitelijk handelen (of nalaten) bevatten. Hierdoor blijkt onvoldoende duidelijk welk individueel handelen (of nalaten) de jeugdprofessional in de klachtonderdelen 2 en 4 precies verweten wordt. Om die reden voldoen de klachtonderdelen 2 en 4 niet aan de eis van het Tuchtreglement (versie 1.5), geformuleerd in artikel 7.4.2 onder c. Met toepassing van artikel 7.7.1 onder a van het Tuchtreglement zal de voorzitter de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in de klachtonderdelen 2 en 4.

Anders dan bij de klachtonderdelen 2 en 4 oordeelt de voorzitter dat er bij de klachtonderdelen 1, 3 en 5 wél sprake is van een omschrijving van feitelijk handelen (of nalaten), zodat ten aanzien van deze klachtonderdelen verweer zal worden opgevraagd bij de jeugdprofessional, zoals bedoeld in artikel 8.1 van het Tuchtreglement.

2     De beslissing

De voorzitter van het College komt tot de volgende beslissing:

  • verklaart de moeder niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 2 en 4;
  • stelt de jeugdprofessional in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen tegen de klachtonderdelen 1, 3 en 5;
  • bepaalt dat tegen deze beslissing geen beroep open staat.

Deze beslissing is op 14 maart 2022 genomen door de voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw S.C. van Duijn.

 

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter