Maak een selectie

100 van 100

   

De klacht van de vader is kennelijk ongegrond; de raadsonderzoeker mag (binnen bepaalde regels/randvoorwaarden/Kwaliteitskader) zelf bepalen hoe hij het raadsonderzoek uitvoert, en de reactie van de vader op het onderzoek mocht als bijlage bij het rapport aan de rechtbank worden gestuurd.

De voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, heeft in de onderhavige zaak beslist over de door:

mevrouw K. Koole van AKJ, namens [klager] (vader),

op 7 april 2021 ingediende klacht tegen:

[de jeugdprofessional] (jeugdprofessional), raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds
[datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

1     Het verloop van de procedure

De voorzitter heeft kennisgenomen van het aangepaste klaagschrift, ontvangen op 3 juni 2021, en heeft op grond van artikel 7.8 lid a van het Tuchtreglement, versie 1.4, besloten om direct over te gaan tot de beoordeling van het klaagschrift.

2     Omschrijving van de situatie

2.1 Op 5 februari 2019 heeft de rechtbank de RvdK verzocht een onderzoek uit te voeren om te adviseren omtrent het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorg- of omgangsregeling met betrekking tot de twee kinderen van de vader. De jeugdprofessional heeft dit onderzoek uitgevoerd.

2.2 Op 18 maart 2019 heeft de RvdK dit onderzoek ambtshalve uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. Op 10 mei 2019 is dit onderzoek afgerond.

2.3 Op 14 april 2020 heeft de vader klachten ingediend over de jeugdprofessional bij de RvdK en zijn de klachten voor advies voorgelegd aan de klachtadviescommissie.

2.4 Op 21 juli 2020 heeft de klachtadviescommissie een advies uitgebracht aan de directeur van de RvdK. Daarin staat onder meer: Niet duidelijk uitgewerkt wordt óf en hóe de zorgen die de RvdK heeft ten aanzien van [de vader] en de moeder worden geduid in pedagogisch opzicht en wat nodig is om de situatie voor de kinderen te verbeteren dan wel de bedreiging van de ontwikkeling af te wenden, waardoor het onder punt 7 voorspelde “duidelijk beeld van de veiligheid van de kinderen in de huidige situatie” niet helder naar voren komt. De vraag is daarmee ook of in het rapport inhoudelijk voldoende aandacht is besteed aan de zorgen die [de vader] heeft geuit op het gebied van ouderverstoting. Ongeacht of hiervoor, in de optiek van de RvdK, al dan niet aanwijzingen zijn, mist de commissie dat de RvdK in haar conclusies is ingegaan op deze hypothese van [de vader]. Ook mist de commissie een visie van de RvdK op het thema “ouderverstoting” in het algemeen en in relatie tot de situatie van [de vader]. Nu dit onderwerp door [de vader] zo nadrukkelijk en herhaaldelijk naar voren is gebracht, en dit in de conclusies min of meer genegeerd wordt, kan de commissie begrijpen dat dit voor [de vader] onbevredigend is en hij het gevoel heeft niet gehoord te zijn. Dat de reactie van [de vader] op het conceptrapport, met daarin een heel aantal opmerkingen en vragen, slechts [is] meegezonden naar de rechtbank als bijlage bij het rapport draagt daar niet aan bij. Een inhoudelijke toelichting hierop had volgens de commissie meer in lijn gelegen.

3     De klacht en de beoordeling

De klacht

3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional onzorgvuldig gehandeld te hebben door in het raadsrapport inhoudelijk geen aandacht te besteden aan de zorgen van de vader. De vader heeft soms meerdere keren per dag naar de jeugdprofessional gebeld om zijn zorgen over ouderverstoting te delen. De jeugdprofessional omschrijft dit als: “waarin hij zijn visie over het probleem, en zijn conclusie ten aanzien van ouderverstoting, blijft herhalen”. De vader voert aan dat hij zichzelf bleef herhalen, omdat hij zich niet gehoord voelde. De vader is zich er inmiddels van bewust dat de jeugdprofessional vrij is om – binnen de kaders van het Kwaliteitskader van de RvdK (hierna: het Kwaliteitskader) en de protocollen – zelf invulling te geven aan de inhoud van het onderzoek. Wat de vader echter mist, is dat de jeugdprofessional in het rapport ingaat op de zorgen van de vader over ouderverstoting. Daarmee heeft zij onvoldoende oog gehad voor de veiligheid van de kinderen.

De jeugdprofessional heeft volgens de vader ook onzorgvuldig gehandeld door de vragen die de vader had naar aanleiding van het conceptrapport, als bijlage bij de rapportage mee te sturen naar de rechtbank. De klachtadviescommissie heeft bevestigd dat de zorgen van de vader over ouderverstoting zijn genegeerd en dat de jeugdprofessional hem niet heeft uitgelegd waarom zij ervoor heeft gekozen daar niet verder op in te gaan.

Beoordeling

3.2 De voorzitter leest in de klacht van de vader twee verwijten, namelijk 1. dat de jeugdprofessional onzorgvuldig heeft gehandeld omdat zij in het raadsrapport inhoudelijk geen aandacht heeft besteed aan zijn zorgen, en 2. dat zij de vragen van de vader als bijlage bij het raadsrapport naar de rechtbank heeft gestuurd.

Ten aanzien van het eerste verwijt overweegt de voorzitter als volgt. Omdat raadsonderzoekers – zoals de vader ook benoemt in zijn klacht – binnen bepaalde regels en randvoorwaarden (waaronder het Kwaliteitskader) zelf bepalen hoe het onderzoek wordt uitgevoerd, acht de voorzitter van het College van Toezicht een tuchtrechtelijke beoordeling of de jeugdprofessional onzorgvuldig heeft gehandeld daarom niet aan de orde. De voorzitter acht dit deel van de klacht kennelijk ongegrond, waarbij zij wijst op het raadsrapport van 10 mei 2021, pagina 4 (kopje 7: ‘Relevante factoren tijdens het verloop van het onderzoek’). Hier is aandacht besteed aan de wens van de vader MASIC-3 (Mediator’s Assessment of Safety Issues and Concerns) in te zetten, omdat hiermee volgens hem ouderverstoting vastgesteld zou kunnen worden. Op dezelfde pagina staat beschreven dat multidisciplinair is besloten deze methode niet in te zetten en de redenen die tot dat besluit hebben geleid. Dit maakt dat er in het raadsrapport inhoudelijk wel aandacht is besteed aan de zorgen van de vader over ouderverstoting, maar dat de jeugdprofessional – in overleg – een bepaalde afweging heeft gemaakt. De klachtadviescommissie heeft reeds erkend dat de jeugdprofessional de vader meer tegemoet had kunnen komen.

Voor wat betreft het tweede verwijt van de vader dat de jeugdprofessional zijn vragen naar aanleiding van het conceptrapport als bijlage bij het rapport heeft meegestuurd naar de rechtbank, overweegt de voorzitter als volgt. Voorop gesteld wordt dat het recht op inzage en correctie voortvloeit uit artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de jeugd- en gezinsprofessional. In lijn met dit artikel is het volgens de voorzitter zorgvuldig als de reactie of een correctie van een ouder wordt verwerkt in de rapportage vóórdat de stukken aan de rechtbank worden verstuurd. Het komt in de praktijk echter voor dat de reactie van (een) ouder(s) als bijlage aan de rechtbank wordt (na)gestuurd, mede vanwege de (hoge) werkdruk en de gestelde termijnen van de rechtbank. In het Kwaliteitskader staat ook vermeld dat feitelijke onjuistheden moeten worden aangepast, en dat overige aanvullingen of opmerkingen aan het einde van het raadsrapport worden verwerkt of als bijlage aan het rapport wordt toegevoegd. Dit laatste heeft de jeugdprofessional gedaan. Daarom is ook dit deel van de klacht kennelijk ongegrond. Wel was het naar het oordeel van de voorzitter beter geweest indien de jeugdprofessional een inhoudelijke toelichting had gegeven op de vragen van de vader, zoals ook de klachtadviescommissie schrijft. Dit had mogelijk meer recht gedaan aan de vader. Echter, bij tuchtrechtelijke toetsing gaat het niet om het antwoord op de vraag of het handelen beter had gekund.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter op grond van artikel 7.8 lid a van het Tuchtreglement tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus gedaan door de voorzitter en op 19 juli 2021 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter