Maak een selectie

727 van 727

   

Wrakingsverzoek is gegrond. Er is een gerechtvaardigde vrees voor objectieve partijdigheid.

De wrakingskamer van het College van Toezicht, hierna te noemen: de wrakingskamer, heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van het op 7 november 2016 bij het College van Toezicht, hierna te noemen: het College binnengekomen verzoek van:

De heer […], hierna te noemen: verzoeker,

tot wraking van:

mevrouw mr. […]., voorzitter van het College ter zitting van 7 november 2016, hierna te noemen: voorzitter.

1.       Het verloop van de procedure

1.1         Verzoeker heeft op 15 juni 2016, aangevuld op 11 juli 2016, een klacht ingediend. Op 7 november 2016 heeft de mondelinge behandeling van de tuchtklacht plaatsgevonden bij het College.

1.2         Verzoeker heeft tijdens deze mondelinge behandeling van de klacht een verzoek gedaan tot wraking van de voorzitter. Hij heeft ter zitting mondeling de feiten en omstandigheden genoemd die hieraan ten grondslag liggen.

1.3          De hoorzitting is vervolgens tot nader orde geschorst.

1.4         Verzoeker heeft op 9 november 2016 zijn wrakingsverzoek per e-mail nader toegelicht.

1.5         De secretaris heeft op 23 november 2016 een verslag opgemaakt van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden. Dat is op diezelfde datum aan de verzoeker toegezonden.

1.6          De voorzitter heeft verweer opgesteld op 29 november 2016. Dat is op
1 december 2016 bij het College binnengekomen.

1.7         De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • het wrakingsverzoek dat ter zitting is gedaan en dat is opgetekend in het verslag van 23 november 2016;
  • de toelichting op het verzoek in de e-mail van verzoeker van 9 november 2016;
  • het verweer van de voorzitter van 29 november 2016.

1.8         Het wrakingsverzoek is op 9 december 2016 door de wrakingskamer behandeld.

1.9         Verzoeker heeft ter zitting zijn wrakingsverzoek toegelicht. De voorzitter heeft zich voor de hoorzitting afgemeld.

1.10       De wrakingskamer van het College was als volgt samengesteld: Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns als voorzitter, mevrouw N. Baljet en de heer E.A.J. Ouwerkerk als leden en mevrouw mr. E.C. Abbing als secretaris.

2.                  Het verzoek om wraking

2.1 Ter zitting van 7 november 2016 zijn voor de wraking van de voorzitter de volgende gronden aangevoerd.

  1. De voorzitter is niet goed voorbereid op deze zitting.
  2. De voorzitter is er alleen op uit om de klachten ongegrond te verklaren.
  3. De voorzitter is partijdig.
  4. De verzoeker voelt zich niet gehoord door de voorzitter.
  5. De verzoeker begrijpt niet waarom deze voorzitter op de zaak zit.

2.2 In de e-mail van 9 november 2016 van verzoeker, waarin hij zijn wraking nader toelicht, komen de volgende gronden nog naar voren.

  1. De hoorzitting stond gepland om 13.00 uur. De wederpartij verscheen om 14.00 uur. De hoorzitting van de klacht begon pas om 15.30 uur.
  2. Na 17 augustus 2016 werd het verzoeker verboden om nog aanvullende stukken te sturen. Op 24 september 2016 heeft verzoeker de schriftelijke weergave van zijn mondelinge toelichting gestuurd. Het College retourneerde op 3 november 2016 de door hem ingediende pleitnotitie.
  3. Verzoeker heeft geen inventarisatielijst ontvangen van de ingediende stukken.
  4. De samenstelling van het College is te elfder uren significant gewijzigd.

3.                  De toelichting van de voorzitter

De voorzitter heeft schriftelijk het volgende naar voren gebracht.

3.1 Behandeling van de klachten van verzoeker tegen de jeugdprofessional stond geappointeerd om 13.00 uur. Verzoeker was aanwezig maar de beklaagde en zijn gemachtigde niet. Telefonische informatie leerde dat beklaagde en zijn gemachtigde meenden dat de behandeling om 15.00 uur zou beginnen, zoals eerder aan partijen was medegedeeld. De verzoeker is toen verzocht te wachten tot 15.00 uur. Het leek het College in ieders belang om de behandeling op die dag door te laten gaan.

Het College heeft vervolgens de zaak van 14.00 uur behandeld. Deze behandeling duurde wat langer, zodat pas om 15.20 uur begonnen kon worden met de zaak van verzoeker.

De voorzitter geeft aan de zitting begonnen te zijn met het aanbieden van excuses voor deze gang van zaken aan verzoeker en heeft de beklaagde en zijn gemachtigde te kennen gegeven dat dit van hun zijde een bijzondere ongelukkige omissie was.

3.2 De voorzitter vond het begrijpelijk dat de verzoeker nog meer onvrede heeft gekregen over de hele gang van zaken en de voorzitter heeft geprobeerd daar tijdens de zitting zoveel mogelijk rekening mee te houden. De voorzitter verwijst daarvoor naar het verslag van de zitting van 7 november 2016, waarin een beknopte weergave staat van het besprokene, alsmede van de wrakingsgronden.

3.3 De kern van de wraking is “u bent er alleen op uit om mijn klachten ongegrond te verklaren”. De onderbouwing van deze grond ontbreekt en voor het overige betreffen de door de verzoeker aangevoerde gronden voornamelijk de regie van de zitting. Verzoeker was het met name niet eens met het feit dat het College de door hem voor 7 november toegezonden pleitnota(s) met aanvullende stukken niet aan het dossier heeft willen toevoegen. Dat is hem tijdig voor de zitting per e-mail medegedeeld en tevens is hem verteld dat hij de inhoud van zijn pleitnotitie op de zitting zou kunnen voordragen. De door de voorzitter gegeven toelichting op deze gang van zaken aanvaardde hij niet en vervolgens ging hij over tot wraking.

3.4 Naar het oordeel van de voorzitter dient het wrakingsverzoek dan ook te worden afgewezen.

4.                  De beoordeling van het verzoek

4.1 Op grond van artikel 4.12 van het Tuchtreglement kunnen de leden van de tuchtcolleges door partijen worden gewraakt als zich feiten en omstandigheden voordoen waardoor hun onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt van tuchtrechtspraak is dat de beoordeling van de onpartijdigheid in de eerste plaats bij de voorzitter (en de leden) van het College zelf ligt en dat zij zich zelf ervan moeten vergewissen of zij in verband daarmee vrij staan aan de behandeling van een zaak deel te nemen.

4.2 Wanneer de voorzitter en/of leden van het College zich niet verschonen, moet in beginsel van hun onpartijdigheid worden uitgegaan, tenzij door een betrokkene in de procedure bijzondere omstandigheden worden aangevoerd, die een aanknopingspunt opleveren om de onpartijdigheid in twijfel te trekken (subjectieve partijdigheid).

4.3 Onder omstandigheden kan worden gewraakt, als geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de voorzitter en/of leden van het College in een zaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die voorzitter en/of leden objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (objectieve partijdigheid). Het subjectieve oordeel van verzoeker is daarbij niet doorslaggevend, de vrees moet objectief gerechtvaardigd zijn. Bij objectieve aspecten gaat het om feiten of omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van het lid van het College, grond geven voor de vrees van partijdigheid.

4.4 Gelet op de onder nummer 4.1 en 4.2 vermelde uitgangspunten voor de beoordeling van een wrakingsverzoek oordeelt de wrakingskamer dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waardoor de subjectieve partijdigheid van de voorzitter in twijfel moet worden getrokken.

4.5 Aan de orde is vervolgens nog de vraag of er sprake is van (objectieve) feiten en omstandigheden die bij verzoeker een gerechtvaardigde schijn van partijdigheid heeft gewekt. Hierover overweegt de wrakingskamer het volgende.

Volgens de wrakingskamer is de vrees voor partijdigheid van de verzoeker gelegen in de wijze waarop hij in de aanloop naar de mondelinge behandeling, direct voorafgaand aan de mondelinge behandeling en tijdens de mondelinge behandeling van zijn klacht is behandeld en bejegend.

Ter zitting heeft verzoeker aan de wrakingskamer verklaard dat de voorzitter onvoldoende blijk heeft gegeven van kennis van relevante stukken uit het dossier. Het ging de verzoeker met name om een verslag van 17 mei 2015 en een e-mail van 3 juli 2015. De voorzitter vertelde de verzoeker dat de aanvullende stukken die met de pleitnotitie enkele dagen voor de hoorzitting aan het College per mail zijn gezonden niet aan het dossier waren toegevoegd. Dat zelfde gold voor de pleitnotitie die hij de dag voor de zitting heeft gestuurd. Op grond van het Tuchtreglement was de termijn voor het indienen van stukken verstreken. De voorzitter gaf aan dat het College de stukken niet had gelezen, maar dat hij ter zitting gelegenheid kreeg de inhoud daarvan voor te dragen.

De wrakingskamer is van oordeel dat er in de toeloop naar de hoorzitting, vlak voor de hoorzitting, en tijdens de hoorzitting sprake is geweest van een optelsom van omstandigheden, waardoor bij de verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de behandeling ter zitting niet meer zonder vooringenomenheid plaats vond. De wrakingskamer wijst er in willekeurige volgorde, en zonder dat zij streeft naar volledigheid, op dat meerdere keren stukken zijn terug gestuurd aan de verzoeker zonder voldoende, nadere toelichting. Dat de zittingskamer een aantal weken voor de hoorzitting zonder nadere motivering is gewijzigd en dat de door de verzoeker gevraagde opheldering hierover niet is gegeven, dat de hoorzitting twee en een half uur later is begonnen dan in de uitnodiging voor de hoorzitting stond vermeld, waarbij bovendien met de niet tijdig verschenen beklaagde telefonisch contact is opgenomen, hetgeen uit oogpunt van zorgvuldigheid en procesbelang zeker te verdedigen valt, maar voor verzoeker mede heeft bijgedragen aan het gevoel niet gelijk behandeld te worden, en dat vervolgens ter zitting  de voorzitter van het College aangeeft geen kennis genomen te hebben van de na- en teruggestuurde stukken, maar dat verzoeker de pleitnotitie ter zitting mocht voordragen.

Nogmaals, de wrakingskamer twijfelt niet aan de subjectieve onpartijdigheid van de gewraakte voorzitter, maar kan zich voorstellen dat door genoemde optelsom van omstandigheden bij de verzoeker een gerechtvaardigde schijn van partijdigheid is gewekt.

4.6 Ten aanzien van de klacht van verzoeker dat er geen inventarisatielijst is overgelegd, merkt de wrakingskamer op dat binnen de tuchtprocedure van SKJ geen inventarisatielijst aan partijen wordt verstuurd. Het dossier bestaat uit de klacht en het verweer, door partijen zelf ingebracht. De processtukken worden over en weer aan partijen doorgestuurd. Het College mag er redelijkerwijs van uitgaan dat partijen op de hoogte zijn van door henzelf ingebrachte stukken, en derhalve van de inhoud van het dossier. Het College neemt voor de behandeling van de klacht kennis van dit dossier.

4.7 Ten aanzien van de uit de stukken nog naar voren komende klacht dat de voorzitter het proces-verbaal heeft opgemaakt, wenst de wrakingskamer op te merken dat er van een hoorzitting van het College geen proces-verbaal wordt opgemaakt, en dat in een voorkomend geval van wraking slechts de wrakingsgronden vastgelegd moeten worden.

4.8 De klacht dat de voorzitter er alleen op uit zou zijn om de klachten ongegrond te verklaren, is door verzoeker niet onderbouwd. Deze klacht wordt om die reden afgewezen.

4.9 Het wrakingsverzoek wordt gegrond verklaard.

5. De beslissing

De wrakingskamer van het College wijst het verzoek tot wraking van de voorzitter toe.

Aldus door de wrakingskamer van het College op 30 december 2016 verstuurd.

 

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter                   Mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris

 

Deze beslissing is in afschrift op 30 december 2016 aangetekend verzonden aan:

  • De verzoeker
  • De voorzitter
  • De gemachtigde van beklaagde met zaaknummer 16.068T.