Maak een selectie

727 van 727

   

Jeugdbeschermer had contactjournaals die betrekking hadden op klager na zijn verzoek daartoe moeten toesturen. Overige klachten over overige werkzaamheden van de jeugdbeschermer zijn ongegrond.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [plaatsnaam],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [GI], locatie: [plaatsnaam], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. M. Krol, advocaat te Rotterdam.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn advocaat de heer mr. E.J.C. de Jong, werkzaam als advocaat te Utrecht.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met bijlagen ontvangen op 12 december 2017;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 6 april 2018;
– het verweerschrift met bijlagen ontvangen op 27 februari 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van drie minderjarige zonen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. De oudste zoon is geboren in 2004, de middelste zoon is geboren in 2006 en de jongste zoon is geboren in 2009.

2.2

De relatie tussen klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder is beëindigd. De kinderen wonen sindsdien bij moeder.

2.3

Bij beschikking van de rechtbank van 23 september 2011 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd en op 23 maart 2018 beëindigd.

2.4

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij namens de GI de ondertoezichtstelling van maart 2016 tot en met maart 2018 heeft uitgevoerd.

2.5

Op 28 juli 2015 zijn de kinderen onder begeleiding van de politie door de GI opgehaald bij klager thuis. Het besluit is in multidisciplinair overleg genomen.

2.6

Tot 23 juni 2016 waren klager en moeder belast met het gezamenlijk gezag. Bij beschikking van de rechtbank van 23 juni 2016 is het gezamenlijk gezag voor de periode van één jaar geschorst. Moeder is tijdens deze periode belast geweest met het eenhoofdig gezag. Na 23 juni 2017 is de schorsing van het gezamenlijk gezag van rechtswege opgeheven. Bij beschikking van de rechtbank van 21 september 2017 is het gezamenlijk gezag beëindigd en heeft moeder het eenhoofdige gezag over de kinderen.

2.6

Bij beschikking van de rechtbank van 23 juni 2016 is een begeleide omgangsregeling tussen klager en de kinderen vastgesteld op iedere woensdagmiddag van 15:15 uur tot 17:00 uur. Bij beschikking van de rechtbank van 21 september 2017 is vervolgens een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen klager en de jongste twee kinderen, die nader kan worden ingevuld door beklaagde. De definitieve beslissing met betrekking tot de omgangsregeling is tot 23 maart 2018 aangehouden.

2.7

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2014 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht van klager heeft, kort samengevat, betrekking op het uit huis halen van de kinderen bij klager, het opnieuw benoemen van beklaagde als gezinsvoogd, onvoldoende handelen in het belang van de oudste zoon, het weigeren van een gesprek tussen klager en zijn oudste zoon, het niet verstrekken van contactjournaals, niets doen aan de indoctrinaties van moeder, niet ingegaan op de uitnodiging voor de verjaardag van klager, gesjoemeld te hebben met een sms-bericht, de school ten onrechte geïnstrueerd hebben om geen informatie te verstrekken, de RvdK onvoldoende geïnformeerd te hebben en onbewust een aantal vragen onbeantwoord hebben gelaten.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager stelt dat de GI onder leiding van beklaagde op 28 juli 2015 totaal onnodig en te rigoureus heeft ingegrepen door de kinderen onder begeleiding van drie politieagenten bij hem weg te halen. Vervolgens is er gerommeld met de contactjournaals om het handelen van de GI te rechtvaardigen.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij op afstand aanwezig is geweest bij het uit huis halen van de kinderen op 28 juli 2015. Zijn rol beperkte zich tot het opvangen van moeder en de kinderen en hen te vervoeren naar het huis van moeder.

3.2.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft in het verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zijn betrokkenheid uitsluitend heeft gezien op het vervoeren van de kinderen en moeder naar het huis van moeder. Het College heeft in het dossier geen aanknopingspunten kunnen vinden die leiden tot de conclusie dat beklaagde inhoudelijk bij de beslissing is betrokken om de kinderen uit huis te halen. Beklaagde is ook niet direct betrokken geweest bij het uit huis halen van de kinderen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager is van mening dat beklaagde ten onrechte opnieuw als gezinsvoogd bij zijn gezin betrokken is geweest.

3.3.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij sinds maart 2016 opnieuw is aangesteld omdat er binnen de GI geen andere mogelijkheden meer waren.

3.3.3

Naar het oordeel van het College is het van belang dat beklaagde tot een weloverwogen besluit is gekomen. Het daadwerkelijke besluit om beklaagde opnieuw aan te stellen, is een besluit van de GI. Nu de samenwerking al meerdere malen met verschillende gezinsvoogden is stuk gelopen, is het aannemelijk dat een nieuwe gezinsvoogd binnen deze GI beperkt was. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat er op dat moment geen belemmering was voor hem of klager, waarna beklaagde heeft besloten om de zaak aan te nemen. Hij heeft hiermee de continuïteit voor de kinderen in deze zaak willen waarborgen. Klager heeft toen beklaagde opnieuw werd benoemd geen bezwaren geuit. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde een zorgvuldig en weloverwogen besluit genomen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager stelt dat beklaagde onvoldoende heeft gedaan om de zelfmoordpoging van zijn oudste zoon te voorkomen. De conclusie die beklaagde in het raadsrapport van 17 maart 2017 heeft getrokken is van negatieve invloed op zijn oudste zoon geweest. Kort voor de zelfmoordpoging in oktober 2016 heeft klager zijn zorgen bij beklaagde geuit maar beklaagde heeft hier niet naar geluisterd.

3.4.2

Beklaagde heeft uiteengezet dat de verwardheid en emotionele druk die de oudste zoon ervaart in relatie tot zijn situatie ook bij beklaagde bekend is. De oudste zoon krijgt van moeder in overleg met beklaagde alle zorg die nodig is en op geen enkele wijze is in te zien hoe beklaagde van negatieve invloed is geweest op het handelen van de zoon.

3.4.3

Het College kan beklaagde volgen in wat hij in zijn verweer heeft aangevoerd. Uit de overgelegde stukken is niet gebleken dat beklaagde onvoldoende heeft gedaan om de zelfmoordpoging van de oudste zoon te voorkomen. De stellingen van klager worden ook niet ondersteund door het overgelegde raadsrapport van 17 maart 2017. Door toedoen van beklaagde is hulpverlening ingezet en is de huisarts op de hoogte van de situatie. De oudste zoon ervaart druk vanuit de toenaderingspogingen van klager. Beklaagde heeft klager geadviseerd geen druk te leggen op de relatie om te grote loyaliteitsproblemen te voorkomen. Naar het oordeel van het College heeft klager zijn stelling dat beklaagde tekort is geschoten ten opzichte van de oudste zoon onvoldoende onderbouwd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager is van mening dat beklaagde een gesprek tussen klager en zijn oudste zoon in aanwezigheid van een neutrale derde heeft geweigerd.

3.5.2

Beklaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat de oudste zoon samen met beklaagde wilde praten met klager. De oudste zoon heeft gezegd dat hij geen onafhankelijke derde bij het gesprek wilde.

3.5.3

Het College overweegt dat de oudste zoon het initiatief heeft genomen voor het voeren van een gesprek met klager. Klager heeft hier in eerste instantie voor opengestaan en is hier vrij snel op terug gekomen omdat hij geen vertrouwen had in dat wat besproken zou worden. Hij wilde dat een onafhankelijke derde bij het gesprek zou aansluiten. Nu het gesprek op initiatief was van de oudste zoon en hij ouder is dan twaalf jaar heeft beklaagde de oudste zoon geïnformeerd. Beklaagde heeft hem daarom niet hoeven verplichten om akkoord te gaan met het verzoek van klager. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde zorgvuldig gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klager stelt dat beklaagde weigert contactjournaals aan klager te verstrekken waar hij recht op heeft. Op 27 september 2016 heeft klager om de contactjournaals verzocht. Als reactie kreeg klager te horen dat een ouder zonder gezag geen recht op inzage heeft. Klager is van mening dat hij altijd recht heeft op zijn eigen contactjournaals. Toen klager weer belast was met het gezag en om contactjournaals verzocht, heeft hij ze ook niet ontvangen. Het heeft er alle schijn van dat klager niet geïnformeerd mag worden. Beklaagde is verplicht om het verzoek binnen dertig dagen af te handelen. Tot op de dag van vandaag heeft klager geen contactjournaals ontvangen ondanks de toezegging van de leidinggevende.

3.6.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat het door klager opvragen van contactjournaals mogelijk is. Nu de vraag is gesteld in een periode waarin klager geen gezag had dient aan de gezaghebbende moeder toestemming te worden gevraagd. Moeder heeft hiervoor geen toestemming gegeven omdat in het verleden het verstrekken van de contactjournaals heeft geleid tot diverse procedures en ongemak bij de kinderen en moeder.

Klager heeft recht op de contactjournaals van 24 juni 2017 tot en met 25 september 2017, aangezien het gezag op dat moment hem via rechtswege was toegekend. Klager zal de betreffende contactjournaals nog ontvangen.

3.6.3

Het College overweegt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen het inzagerecht van klager en het verstrekken van gegevens over derden aan klager.
Onder het inzagerecht voor klager wordt verstaan het recht op inzage in zijn eigen gegevens. Het gaat hierbij om gegevens die informatie bevatten over klager. Hieronder vallen de contactjournaals die alleen betrekking hebben op klager. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht het zwart-wit beoordeeld te hebben en alleen gekeken te hebben of klager belast was met het gezag. Nu het verzoek in de periode zonder gezag is gedaan had klager volgens beklaagde geen recht op contactjournaals. Het College is van oordeel dat beklaagde de contactjournaals die alleen betrekking hebben op klager zo spoedig mogelijk, na het verzoek, had moeten verstrekken aan klager. Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot dit gedeelte van het klachtonderdeel een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en artikel F van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) heeft geschonden. Dit gedeelte van het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

Het verzoek van klager tot het verstrekken van de contactjournaals die gaan over de kinderen en/of moeder geldt dat dit verzoek is gedaan in een periode waarin klager niet belast was met het gezag. Op deze contactjournaals zijn de regels van derdenverstrekking van toepassing. Het College kan beklaagde volgen in wat hij in zijn verweer hierover naar voren heeft gebracht. Het is correct dat indien een ouder zonder gezag de contactjournaals opvraagt, die niet alleen betrekking hebben op hemzelf, beklaagde hiervoor toestemming diende te vragen aan de cliënt dan wel de wettelijk vertegenwoordiger. Nu moeder voor het verstrekken van deze contactjournaals geen toestemming heeft gegeven heeft beklaagde zorgvuldig gehandeld. Daarbij tekent het College aan dat het Burgerlijk Wetboek weliswaar voorschrijft dat ook als de moeder geen toestemming geeft, de ouder zonder gezag desgevraagd recht heeft op informatie van beroepskrachten over ‘belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen’, maar dat is niet de informatie die klager vroeg. De contactjournaals omvatten immers meer dan dat. Het klachtonderdeel wordt deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klager is van mening dat beklaagde weigert iets te doen aan de vele indoctrinaties van moeder bij de kinderen.

3.7.2

Beklaagde heeft uiteengezet dat berichten vanuit de kinderen die verontrustend kunnen zijn voor klager, besproken worden met moeder. Dat de kinderen mogelijk op de hoogte zijn van een zitting kan komen omdat er telefoongesprekken hebben plaats gevonden met een advocaat. De kinderen waren in een andere ruimte maar kunnen mogelijk zaken hebben opgevangen. Moeder is zich hiervan bewust en probeert zo veel als mogelijk hier rekening mee te houden. Er zijn in relatie tot moeder en de kinderen geen indoctrinaties .

3.7.3

Het College overweegt dat klager dit klachtonderdeel onvoldoende heeft geconcretiseerd. Het klachtonderdeel is niet onderbouwd met relevante stukken. Het College constateert dat de stellingen van klager niet aannemelijk zijn geworden, zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1

Klager stelt dat hij de kinderen en moeder heeft uitgenodigd op zijn verjaardag en dat beklaagde niets met deze uitnodiging heeft gedaan. Klager heeft geen enkele reactie ontvangen.

3.8.2

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat er vanuit de kinderen en de moeder geen wens was om de verjaardag van klager bij te wonen. Op dat moment vond er geen omgang plaats. Beklaagde heeft telefonisch contact opgenomen met klager.

3.8.3

Het College overweegt dat beklaagde in zijn verweer en tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat hij telefonisch op het verzoek van klager heeft gereageerd. Klager heeft dit tijdens de mondelinge behandeling niet betwist. Hij heeft gezegd dat hij graag een schriftelijke reactie wilde ontvangen. Klager heeft dit niet eerder dan tijdens de mondelinge behandeling aan beklaagde kenbaar gemaakt. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende en zorgvuldig gehandeld door telefonisch te reageren op het verzoek van klager. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Klager stelt dat beklaagde gesjoemeld heeft met bewijsmateriaal door te stellen dat op 27 september 2016 een sms-bericht is gestuurd aan klager. Het sms-bericht echter toont de datum van 27 september 2026.

3.9.2

Beklaagde is verbaasd dat klager zich beklaagd over het sms-bericht. Eerder heeft klager gesteld dat hij geen sms-bericht heeft ontvangen. Beklaagde ziet geen belang in het frauderen met informatie en ontkent dit te hebben gedaan.

3.9.3

Het College oordeelt als volgt. Beklaagde heeft ontkend met sms-berichten te hebben gesjoemeld. In gevallen als deze is het vaste tuchtrechtspraak dat het verwijt van klager ongegrond is omdat niet vastgesteld kan worden welke feiten hieraan ten grondslag liggen. Ook heeft het College geen aanknopingspunten gevonden in het dossier die tot de conclusie kunnen leiden dat beklaagde zou hebben gesjoemeld met een sms-bericht. Het klachtonderdeel is ongegrond .

3.10 Klachtonderdeel IX

3.10.1

Klager is van mening dat beklaagde ten onrechte de school van de oudste zoon heeft geïnstrueerd dat zij geen informatie, waaronder de informatie voor de schoolkeuze, met derden of met klager mocht delen. Het verzoek is door beklaagde op 19 mei 2017 herhaald. School mocht ook nadat klager zijn gezag van rechtswege had verkregen geen informatie verstrekken. Beklaagde heeft hiermee misbruik gemaakt van zijn machtspositie.

3.10.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat in overleg met moeder besloten was om klager met enige frequentie te e-mailen betreffende de algemene zaken rondom de kinderen. Klager heeft geen inzage gehad in de informatievoorziening van school. Nu moeder belast was met het gezag heeft zij het belang van de oudste zoon gediend bij de schoolkeuze.

3.10.3

Het College overweegt dat beklaagde een actieve rol heeft gespeeld bij het adviseren van school over het (niet) verstrekken van informatie. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het advies aan school over het verstrekken van informatie geen bindend advies is geweest nu de school een eigen verantwoordelijkheid heeft voor het verstrekken van informatie, ook aan een ouder zonder gezag. Beklaagde heeft de regie bij moeder willen laten en haar de verantwoordelijkheid gegeven om de informatie door te geven aan klager. Uit het dossier is niet gebleken dat moeder hier niet aan heeft meegewerkt. Daarnaast heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat klager door school betrokken wordt bij activiteiten en geïnformeerd wordt over zaken. Klager heeft dit tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd. Het College is van oordeel dat beklaagde onder deze omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.11 Klachtonderdeel X

3.11.1

Klager is van mening dat beklaagde de RvdK onvoldoende heeft geïnformeerd over de erbarmelijke positie van de oudste zoon. De feiten zijn bewust verdraaid om de RvdK de indruk te geven dat het een rustig jaar is geweest voor de kinderen.

3.11.2

Beklaagde betwist dat hij RvdK onvoldoende heeft geïnformeerd.

3.11.3

Het College overweegt dat klager dit klachtonderdeel onvoldoende heeft geconcretiseerd en niet heeft onderbouwd met relevante stukken. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft klager desgevraagd dit klachtonderdeel niet toegelicht zodat niet aannemelijk is geworden dat beklaagde de RvdK onvoldoende heeft geïnformeerd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.12 Klachtonderdeel XI

3.12.1

Klager stelt dat beklaagde een aantal vragen van klager bewust onbeantwoord heeft gelaten. Klager wenst hier alsnog antwoord op te krijgen.

3.12.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat klager met de GI contact heeft gehad over de afhandeling van zijn klachten. Beklaagde is niet bij deze procedures betrokken geweest.

3.12.3

Voor het College is het onduidelijk om welke vragen het gaat. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij altijd op de vragen van klager heeft gereageerd. Het College komt op grond van het dossier en de mondelinge behandeling tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.13 Klachtonderdeel XII

3.12.1

Klager stelt dat beklaagde weigert de beschikking van de rechtbank van 21 september 2017 na te leven. Klager heeft een middag per week en een weekend per maand recht op onbegeleide omgang met de jongste kinderen De omgang is echter begeleid en is wekelijks met een tijdsduur van 1 uur en 45 minuten .

3.12.2

Beklaagde heeft in het verweerschrift uiteengezet dat de invulling van de omgang kan geschieden naar de wensen en mogelijkheden van de kinderen, en dat beklaagde een uitdrukkelijke stem heeft in de vormgeving van de omgang.

3.12.3

Het College kan beklaagde volgen in wat hij in zijn verweer over de omgangsregeling uiteen heeft gezet. In de beschikking van 21 september 2017 is over de omgangsregeling vermeld dat: ‘de vader heeft omgang met de minderjarigen […] en […], als nader concreet door de gezinsvoogd in te vullen, met inachtneming van hetgeen daaromtrent hiervoor is overwogen.’ Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde toegelicht dat de omgangsregeling vanaf de eerste beschikking tot het einde van de ondertoezichtstelling zo goed mogelijk is uitgevoerd. Hij heeft met de agenda’s van alle betrokkenen, waaronder de sport activiteiten van de kinderen, rekening gehouden. Nu de ondertoezichtstelling is beëindigd, regelt moeder de invulling van de omgangsregeling tussen klager en zijn twee jongste kinderen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.14 Conclusie

3.14.1

Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdeel V deels een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het had op de weg van beklaagde gelegen om zich goed op de hoogte te stellen van het recht op informatie. Het College houdt echter rekening met het feit dat de schending van de Beroepscode slechts ziet op beperkt handelen. Voor het overige komt het College tot de slotsom dat beklaagde in lijn met de beroepsnorm heeft gehandeld en dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Tot slot heeft beklaagde ter zitting blijk van reflectie gegeven door aan te geven dat hij bij de juridische dienst gaat navragen op welke contactjournaals klager recht heeft en deze aan hem gaat verstrekken. Dit is voor het College aanleiding om af te zien van oplegging van een maatregel.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I, II, III, IV, (deels)V, VI, VII, VIII, IX, X, XI en XII ongegrond;
– verklaart klachtonderdeel (deels) V gegrond;
– ziet af van oplegging van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 30 juli 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel             mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                     secretaris