Maak een selectie

727 van 727

   

Moeder stelt beroep in tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep oordeelt dat de raadsonderzoeker niet in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld en neemt het oordeel van het College van Toezicht volledig over.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter;

De heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, lid-jurist;

De heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot;

Mevrouw B. Huizing, lid-beroepsgenoot;

Mevrouw S.P. van Buuren, lid-beroepsgenoot.

over het door:

[moeder], klaagster in eerste aanleg, appellante in beroep, hierna te noemen: moeder,

ingediende beroepschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, verweerster in beroep, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, (locatie [locatie]), hierna te noemen: de RvdK.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. D.Th.G. Thuijs, advocaat te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het door moeder bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift ontvangen op 12 juni 2018 met de bijlagen en de aanvullingen hierop ontvangen op 4 juli en 11 juli 2018;

– het door de jeugdprofessional bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 25 september 2018 met de bijlagen;

– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 18.075Ta van 3 januari 2019;

– het door moeder ingediende beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 19 maart 2019 met bijlagen;

– het door de jeugdprofessional ingediende verweerschrift ontvangen op 6 mei 2019.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

1.3 Tegen deze beslissing is door moeder op 19 maart 2019 tijdig, op grond van artikel 12.7 van het Tuchtreglement (versie 1.2), beroep aangetekend.

1.4 De jeugdprofessional heeft op 6 mei 2019 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 juni 2019 in aanwezigheid van moeder, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder van de zijde van de jeugdprofessional is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep een collega, tevens verweerster in zaaknummer 19.008Bb, aanwezig geweest.

1.6 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 Moeder heeft een minderjarige zoon, hierna te noemen: de zoon, die is geboren in 2006. Moeder en haar ex-partner, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, zijn sinds 2016 gescheiden. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de zoon.

2.2 Bij beschikking van de rechtbank van 22 mei 2016 zijn de ouders doorverwezen naar [naam jeugdhulporganisatie] voor deelname aan het traject [trajectnaam] en is bepaald dat de rechtbank bij een voortijdige beëindiging van dit traject bij tussenbeschikking de RvdK om een (beschermings) onderzoek zal verzoeken.

2.3 Bij beschikking van de rechtbank van 31 mei 2017 is de RvdK verzocht een vervolg- en beschermingsonderzoek te verrichten. Ten grondslag aan het verzoek aan de RvdK ligt het verslag van ‘[trajectnaam]’ van 6 april 2017.

2.4 De jeugdprofessional is, samen met haar collega, tevens verweerster in zaaknummer 19.008Bb tegen wie moeder een gelijkluidende klacht heeft ingediend, op 25 oktober 2017 gestart met het onderzoek naar het gezag en de omgang. In een multidisciplinair overleg (MDO) met een gedragsdeskundige en jurist op 19 december 2017 is besloten het onderzoek ambtshalve uit te breiden met een beschermingsonderzoek en om gedurende het onderzoek hulp in te zetten in de vorm van preventieve jeugdbescherming. Naar aanleiding van dit besluit heeft de jeugdprofessional samen met haar collega in zaaknummer 19.008Bb, een Verzoek tot Hulpverlening (hierna: VTH) geschreven dat bij de Jeugdbeschermingstafel zou worden besproken. Voornoemde collega heeft in een e-mail van 19 januari 2018 de ouders over dit besluit geïnformeerd en een ingevuld VTH d.d. 9 januari 2018 bijgevoegd

2.5 Op 9 februari 2018 is er een aangepast VTH opgesteld.

2.6 Op 27 februari 2018 heeft moeder klachten ingediend bij de RvdK. Het VTH is door de jeugdprofessional, als gevolg hiervan, niet ingebracht bij de Jeugdbeschermingstafel. Tevens zijn de raadsonderzoeken opgeschort. Ook heeft de RvdK de rechtbank verzocht om aanhouding van de zitting van 16 april 2018. Bij beschikking van 24 juli 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling van de verzoeken met betrekking tot het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg -en opvoedingstaken, de informatieregeling, het beheer van de financiën en de proceskosten zal worden voortgezet op de zitting van 8 oktober 2018.

2.7 Op 5 juni 2018 heeft de klachtbehandelaar van de RvdK een beslissing gegeven. Van de zes klachtonderdelen is er één deels gegrond verklaard. In deze klachtbeslissing is eveneens besloten dat het raadsonderzoek verder door andere raadsonderzoekers moet worden uitgevoerd. Moeder heeft op 3 juli 2018 beroep tegen de beslissing ingesteld bij de klachtencommissie van de RvdK. De uitkomst van de beroepsprocedure is bij het College van Beroep niet bekend.

2.8 De nieuwe raadsonderzoekers hebben op 12 december 2018 een concept raadsrapport opgesteld.

2.9 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2013 bij het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Vanaf [datum] 2018 tot op heden is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beroep, het verweer en de beoordeling

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van alle klachtonderdelen die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

3.1.4 Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd:

”[Moeder] verwijt [de jeugdprofessional] het stellen van diagnoses.

Toelichting:

In het VTH van 9 januari 2018 wordt onder het kopje ‘2. De bedreigde ontwikkeling’ het volgende opgenomen: “Hij heeft een onverschillige, enigszins antisociale houding richting de raadsonderzoekers en weigert op een respectvolle wijze met hen in gesprek te gaan.” Nadat aan de collega van [de jeugdprofessional] wordt aangegeven dat de zoon in januari een psycholoog heeft gezien, wordt in de aangepaste versie ‘antisociaal’ en ‘respectloos’ weggelaten. Voorts is er onder het kopje ‘4. Redenen waarom hulpverlening in een vrijwillig kader ontoereikend is’ het volgende opgenomen: “Momenteel is er sprake van complexe echtscheidingsproblematiek en mogelijk eigen problematiek bij ouders, waardoor zij onvoldoende zicht hebben en in staat zijn in het belang van [de zoon] te handelen.”.

3.2.2 Het College van Toezicht heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld.

”Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft [de jeugdprofessional] kenbaar gemaakt dat de beschrijving dat de zoon een enigszins antisociale houding heeft, bedoeld is om antisociaal gedrag jegens de raadsonderzoekers te beschrijven en niet is bedoeld als diagnose. Daarnaast is gebleken dat [de jeugdprofessional], na overleg met de jurist en gedragswetenschapper van de RvdK, de terminologie in het VTH heeft aangepast en dit op 9 februari 2018 opnieuw aan [moeder] heeft voorgelegd. Uit deze versie van het VTH blijkt aantoonbaar dat de beschrijving van het gedrag van de zoon op dit punt is aangepast. Hoewel het College [van Toezicht] de beschrijving van het gedrag van de zoon in het eerste VTH ongelukkig geformuleerd acht, is het van oordeel dat, nu [de jeugdprofessional] dit heeft erkend en gecorrigeerd, er adequaat door haar is gehandeld. Ook de beschrijving dat mogelijk sprake is van ‘eigen problematiek’ bij de ouders, kan naar het oordeel van het College [van Toezicht] niet gelden als een diagnose gesteld door [de jeugdprofessional]. Het College [van Toezicht] volgt hierin het verweer van [de jeugdprofessional]. Daarnaast heeft de woordkeuze van [de jeugdprofessional] geen nadeel toegebracht nu dit VTH en de aangepaste versie niet zijn ingebracht bij de Jeugdbeschermingstafel. Het handelen van [de jeugdprofessional] ten aanzien van het eerste VTH had mogelijk beter gekund, maar dat is niet wat er bij een tuchtrechtelijke toetsing centraal staat. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat [de jeugdprofessional] ten aanzien van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.”.

Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.2.3 Moeder voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat “de woordkeuze van [de jeugdprofessional] geen nadeel heeft toegebracht nu dit VTH en de aangepaste versie, niet zijn ingebracht bij de Jeugdbeschermingstafel.” Volgens moeder is het van ondergeschikt belang of de zoon en zij wel of geen nadeel hebben ondervonden van het feit dat het VTH niet is ingediend. Het VTH is onderdeel van het raadsonderzoek. Tevens heeft de jeugdprofessional een diagnose vastgesteld bij de zoon. Het is aannemelijk dat de termen antisociaal en respectloos uit het eerste VTH in het MDO zijn gebruikt om hem te karakteriseren. Daarnaast heeft de jeugdprofessional niet onderbouwd waarom de echtscheiding van ouders complex is en er mogelijk eigen problematiek bij de ouders bestaat. Bovendien is het VTH als bron gebruikt door de jeugdprofessional om het verzoek tot een combinatiezitting bij de rechtbank in te dienen.

3.2.4 De jeugdprofessional betwist dat het VTH onderdeel is van het raadsonderzoek. Het is een separaat verzoek aan de gemeente om, na overleg met de ouders, gedurende het raadsonderzoek al hulpverlening in te (kunnen) zetten.

De jeugdprofessional betwist ook dat zij diagnoses heeft gesteld. De omschrijving in het eerste VTH is enkel bedoeld als een beschrijving van de houding die de jeugdprofessional en haar collega hebben waargenomen bij de zoon tijdens het gesprek met hem.

De jeugdprofessional kan zich voorstellen dat het voor moeder niet prettig was om een dergelijke beschrijving te lezen maar het is geen vaststelling van een aandoening, ziekte of klacht op grond waarvan een bepaalde medische behandeling en/of therapie wordt voorgeschreven. Het is bedoeld als beschrijving van hetgeen is geconstateerd ter onderbouwing van een verzoek aan een derde die zal bepalen of de hulpverlening ook daadwerkelijk wordt ingezet.
De opmerkingen van de jeugdprofessional dat mogelijk eigen problematiek bij de ouders is waargenomen is evenmin als het stellen van een diagnose bedoeld. Het is een beeld dat is ontstaan naar aanleiding van de gesprekken met de ouders.

De jeugdprofessional begrijpt dat de gekozen formulering in het eerste VTH meer toegelicht had moeten worden en ook ongelukkig is geweest en veel discussie heeft uitgelokt. Om moeder ter wille te zijn, is de terminologie in het eerste VTH aangepast en opnieuw aan moeder voorgelegd.

3.2.5 Het College van Beroep overweegt het volgende. Een VTH wordt ter bespreking ingebracht bij de Jeugdbeschermingstafel en heeft als doel om te bezien of met instemming van beide ouders de hulpverlening in het vrijwillig kader kan plaatsvinden. Een VTH maakt geen onderdeel uit van het raadsonderzoek. Het is duidelijk dat moeder moeite heeft met de beschrijving van de houding van de zoon in het eerste VTH. Het College van Beroep is met het College van Toezicht van oordeel dat de woordkeuze van de jeugdprofessional in het eerste VTH ongelukkig is geweest. Uit de wijze waarop de houding van de zoon is omschreven, kan niet worden geconcludeerd dat de jeugdprofessional een diagnose heeft gesteld. De jeugdprofessional heeft het eerste VTH aangepast en heeft hierdoor correct gehandeld. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat naar aanleiding van de gesprekken met ouders het beeld is ontstaan dat de echtscheiding complex is en dat bij ouders mogelijk eigen problematiek is waargenomen. Het College van Beroep heeft geen verwijtbaar handelen van de jeugdprofessional kunnen vaststellen. Het College van Toezicht heeft in het oordeel alle omstandigheden van het geval meegewogen en heeft in dit licht geoordeeld dat de woordkeuze van de jeugdprofessional geen nadeel aan moeder en haar zoon heeft toegebracht nu het VTH en de aangepaste versie niet zijn ingebracht bij de Jeugdbeschermingstafel. Dat, zoals moeder heeft gesteld, zij en haar zoon wel degelijk nadeel hebben ondervonden omdat het VTH als bron is gebruikt en tot een negatieve beeldvorming heeft geleid, is niet uit de stukken en evenmin uit de mondelinge behandeling van het beroep gebleken. Het College van Beroep heeft in het dossier en op basis van de mondelinge behandeling ook geen aanknopingspunten kunnen vinden waaruit blijkt dat het VTH als bron is gebruikt voor het verzoek tot een combinatiezitting bij de rechtbank. De grief faalt.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd:

“[de jeugdprofessional] heeft verwijtbaar gehandeld.

Toelichting:
In het eerste VTH heeft [de jeugdprofessional] aangegeven dat in verband met de schoolvakanties het niet is gelukt om contact te leggen met de school. [De jeugdprofessional] had hiervoor ruim een maand de tijd. Na het opvragen van het dossier bij de RvdK blijkt uit ‘het interne activiteiten overzicht’ dat er op 3 en 11 januari 2018 al contact is geweest met de school. Op 16 januari 2018 heeft [de jeugdprofessional] daarnaast een ingevulde vragenlijst van de school ontvangen. Hetgeen geschreven is in het VTH is dan ook onjuist.”.

3.3.2 Het College van Toezicht heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld.

“Het College [van Toezicht] stelt vast dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat er op 19 december 2017 in een MDO is besloten tot het ambtshalve uitbreiden naar een beschermingsonderzoek. Uit de stukken blijkt dat [de jeugdprofessional] in ieder geval op 3 en 11 januari 2018 contact heeft opgenomen met de school. Nog los van het antwoord op de vraag of er op 20 december 2018 daadwerkelijk contact heeft plaatsgevonden met school, acht het College [van Toezicht] de periode van contact opnemen gelet op de tussenliggende (nationale) feestdagen niet (verwijtbaar) lang. Het College [van Toezicht] sluit voorts wat betreft het gebruiken van de verkregen informatie van de school in het VTH aan bij het oordeel van de beslissing van de klachtbehandelaar van de RvdK van 5 juni 2018. In deze beslissing is geoordeeld dat [de jeugdprofessional] de verkregen informatie pas kan gebruiken indien deze is geaccordeerd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de verklaring door de school op 16 januari 2018 is geaccordeerd, reeds na het opstellen van het eerste VTH. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat [de jeugdprofessional] juist heeft gehandeld door deze informatie in het eerste VTH nog niet te vermelden nu deze ten tijde van het opstellen daarvan nog niet was geaccordeerd. In de tweede versie van het VTH is er wel informatie met betrekking tot de school vermeld. Gelet op het voorgaande is het in het licht van dit klachtonderdeel niet van belang dat [de jeugdprofessional] en haar collega op dat moment er van elkaar niet van op de hoogte waren dat er reeds contact gelegd was met de school. Nadat de informatie door de school is geaccordeerd is deze vermeld in de tweede versie van het VTH. Het is het College [van Toezicht] dan ook niet gebleken dat [de jeugdprofessional] ten aanzien van het contact met de school verwijtbaar heeft gehandeld.”.

Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.3.3 Moeder voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat het College van Toezicht de uitspraken van de Nationale ombudsman niet in acht heeft genomen. Daarnaast is het volgens moeder wel degelijk verwijtbaar dat in het eerste VTH staat vermeld dat er geen contact is geweest met de school. Het verbaast moeder dat het College van Toezicht de periode waarin contact is opgenomen, gelet op de tussenliggende (nationale) feestdagen, in de bestreden beslissing niet (verwijtbaar) lang acht. Het VTH en de manier waarop het onderzoek is verricht, dient getoetst te worden aan de Jeugdwet.

3.3.4 De jeugdprofessional is van mening dat moeder de stelling dat er geen acht is geslagen op de uitspraken van de Nationale ombudsman niet heeft uitgewerkt. De jeugdprofessional had op het moment van schrijven van het VTH de school als informant gesproken, maar de school had het gespreksverslag nog niet geaccordeerd. Daarom kon de jeugdprofessional de informatie niet gebruiken. De klachtbehandelaar van de RvdK en het College van Toezicht hebben de juistheid van deze handelswijze bevestigd.

3.3.5 Het College van Beroep overweegt het volgende. Moeder is van mening dat het de jeugdprofessional valt te verwijten dat zij in het eerste VTH niet heeft vermeld dat zij contact met school heeft gehad. Het College van Beroep is met het College van Toezicht van oordeel dat niet geaccordeerde informatie niet in stukken terecht mag komen. Tussen de jeugdprofessional en haar collega was kennelijk sprake van een miscommunicatie nu zij niet van elkaar wisten dat er contact met school was opgenomen. De jeugdprofessional heeft de grenzen van het beroepsmatig handelen niet overschreden. Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel II.

3.4 Klachtonderdeel III en VII

3.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht zijn klachtonderdelen III en VII met instemming van moeder samengevoegd en als volgt geformuleerd:

“[Moeder] verwijt [de jeugdprofessional] dat zij haar projecties, aannames en (mis)interpretaties gebruikt als uitgangspunt en geen onderscheid maakt tussen feiten en meningen.

Toelichting:
Er wordt door [de jeugdprofessional] een beeld geschetst van de zoon dat niet klopt. In het eerste VTH is het volgende opgenomen: “In het gesprek met [de zoon] ziet de RvdK een jongen die enorm in de knel lijkt te zitten met zijn gevoelens jegens beide ouders [..] Hij haalt zijn schouders op, heft zijn armen ten hemel en kijkt de raadsonderzoekers vragend en machteloos aan.” [Moeder] stelt dat er op een onverklaarbare wijze een verband wordt gelegd tussen ‘handen ten hemel heffen’ en ‘machteloosheid’. In het gespreksverslag, waar de zoon zijn opmerkingen bij heeft geplaatst, komt dit beeld niet naar voren. Op aanraden van [moeder] heeft hij een brief naar [de jeugdprofessional] gestuurd dat hij het niet eens is met de conclusies en de beschrijving van zijn gedrag. De zoon benadrukte in deze brief dat hij gewoon geen zin had in het gesprek met [de jeugdprofessional]. Dit vertaalde zich in zijn gedrag. Door de observatie en aanname is aldus een verkeerd beeld geschetst van de zoon. Zijn mening is niet verwoord in het VTH, maar de beschrijving van zijn gedrag heeft wel consequenties.”

3.4.2 Het College van Toezicht heeft ten aanzien van de klachtonderdelen als volgt geoordeeld.

”Het College [van Toezicht] stelt vast dat in beide versies van het VTH de betreffende passage is opgenomen. Het College [van Toezicht] volgt [moeder] echter niet in haar standpunt dat [de jeugdprofessional] projecties, (mis)interpretaties en aannames als uitgangspunt heeft gebruikt en aldus een beeld heeft geschetst van de zoon dat niet klopt. Het College [van Toezicht] leest (de passage in) het VTH zo dat [de jeugdprofessional] een interpretatie heeft gegeven aan het gedrag dat zij bij de zoon heeft waargenomen en dit als zodanig heeft verwoord. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] past een dergelijke beschrijving bij het karakter van een VTH. Het betreft immers (nog) geen raadsonderzoek en het VTH is enkel een middel om te bezien welke hulpverlening er eventueel tijdens het raadsonderzoek dient te worden ingezet. Gelet op het feit dat het raadsonderzoek ten tijde van het indienen van een VTH nog loopt, en derhalve de situatie en zorgen niet volledig in kaart zijn gebracht, is het gebruikelijk dat de indruk en/of interpretatie van een raadsonderzoeker onder andere als grondslag voor het verzoek wordt gebruikt. Het College [van Toezicht] volgt [de jeugdprofessional] dan ook in haar standpunt dat gespreksverslagen niet in een VTH worden opgenomen, maar enkel, nadat betrokkenen hiertoe akkoord hebben gegeven, in een raadsrapport. Nu er hier geen sprake van was is het College [van Toezicht] van oordeel dat [de jeugdprofessional] terecht het gespreksverslag, en/of de visie van de zoon daarop, niet in het VTH heeft opgenomen.”.

Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen ongegrond verklaard.

3.4.3 Moeder voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat het College van Toezicht de manier waarop het VTH tot stand is gekomen, verdedigt. Moeder heeft geen klacht ingediend omdat er geen raadsrapport is geschreven zoals het College van Toezicht vermeldt, maar tegen hetgeen in het VTH wordt beweerd. Het beeld dat wordt geschetst komt niet overeen met de werkelijkheid. Het is niet toegestaan om projecties, aannames en (mis)interpretaties als uitgangspunt te gebruiken en geen onderscheid te maken tussen feiten en meningen. Het VTH is onderdeel van het raadsonderzoek en moet daarom getoetst worden aan de hiervoor geldende wetten.

3.4.4 De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de rechtbank bij beschikking van 31 mei 2017 heeft gesteld dat er spanningen zijn tussen de ouders, dat zij moeizaam met elkaar communiceren en dat de zoon in een loyaliteitsconflict zit. De rechtbank heeft ook gewezen op het mislukken van het hulpverleningstraject ‘[trajectnaam]’ en in het verlengde daarvan de RvdK heeft verzocht te rapporteren en te adviseren over de actuele situatie. Het VTH is naar zijn aard veel minder uitgebreid dan een raadsrapport en de beschrijvingen in het VTH zijn een interpretatie van het gedrag van de zoon. De beschrijvingen passen bij het specifieke karakter van het VTH. Het is enkel een middel om te bezien welke hulpverlening eventueel tijdens het raadsonderzoek moet worden ingezet. De jeugdprofessional betwist dat er sprake was van projecties, aannames en misinterpretaties en zij betwist eveneens dat er geen onderscheid gemaakt is tussen feiten en meningen.

3.4.5 Het College van Beroep overweegt het volgende. De jeugdprofessional heeft in het eerste en tweede VTH beschreven hoe de zoon zich heeft gedragen en wat hij heeft gezegd. Dat moeder het hier niet mee eens is, is zonneklaar, maar hieruit kan niet worden geconcludeerd dat de jeugdprofessional verwijtbaar heeft gehandeld. Het College van Beroep is met het College van Toezicht van oordeel dat de wijze waarop het gedrag van de zoon is beschreven, past bij het karakter van een VTH. Het College van Beroep wenst te benadrukken dat het VTH geen raadsonderzoek is. Het VTH is een stuk dat wordt ingebracht bij de Jeugdbeschermingstafel en heeft als doel om in aanwezigheid van de ouders een gesprek te voeren om zo te bezien welke hulpverlening er kan worden ingezet terwijl het raadsonderzoek loopt. In deze fase waren de gezinssituatie en de zorgen nog niet volledig in kaart gebracht zodat het gebruikelijk is dat de indruk of interpretatie van de jeugdprofessional in het VTH wordt vastgelegd. Het College van Beroep oordeelt dat de jeugdprofessional niet in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdelen III en VII. De grief faalt.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel IV als volgt geformuleerd:

“[Moeder] verwijt [de jeugdprofessional] het stellen van suggestieve vragen.

 Toelichting:
Tijdens het gesprek op 28 november 2017 waarin [moeder] aangeeft dat zij samen met de zoon situaties evalueert, wordt gevraagd of zij geen onderwerpen voor volwassenen met hem bespreekt. Vervolgens wordt dit in het gespreksverslag als volgt vermeld: “Daarnaast wordt [de zoon] betrokken in volwassen zaken, welke niet passend zijn voor de leeftijd van [de zoon].” [Moeder] kan zich niet meer herinneren welke raadsonderzoeker deze vraag heeft gesteld.”

3.5.2 Het College van Toezicht heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld. “Het College [van Toezicht] stelt vast dat is gebleken dat het VTH is voort gekomen uit al langer bestaande zorgen over de zoon en de relatie tussen de ouders. Desgevraagd heeft [de jeugdprofessional] tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt dat met ‘volwassen zaken’ problemen tussen de ouders zijn bedoeld, waar de zoon in wordt betrokken. Hieronder vallen onder andere de gevolgen van de scheiding en wat er geregeld dient te worden. [Moeder] heeft zich op het standpunt gesteld dat [de jeugdprofessional] met ‘volwassen zaken’, zaken heeft bedoeld die ze niet met haar zoon mag bespreken. Zij is echter van mening dat een scheiding automatisch het regelen van zaken meebrengt die ook met haar zoon besproken moeten worden. De vragen zijn door [de jeugdprofessional] echter op een dusdanige manier gesteld dat ze een negatieve lading hebben gekregen en als zodanig zijn verwoord in het VTH.

Het College [van Toezicht] acht het niet onnavolgbaar dat [de jeugdprofessional], gelet op de aanwezige zorgen, geprobeerd heeft die zorgen uit te spreken en daar vragen over te stellen. Het College [van Toezicht] is niet aanwezig geweest bij het gesprek tussen [de jeugdprofessional] en [moeder] en kan derhalve niet nagaan of er suggestieve vragen zijn gesteld. Nu [de jeugdprofessional] dit betwist en er geen stukken ter onderbouwing zijn waaruit blijkt dat er suggestieve vragen zijn gesteld, kan dit klachtonderdeel niet gegrond worden verklaard. [De jeugdprofessional] heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt dat ze termen als volwassen zaken in de toekomst sterker zal onderbouwen voor een VTH zodat hier ook bij de ouders geen onduidelijkheid over kan bestaan. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat het hier handelen betreft waar [de jeugdprofessional] op heeft gereflecteerd, en wat mogelijk beter had gekund, maar niet maakt dat [de jeugdprofessional] een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.”

Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.5.3 Moeder voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan dat reflectie op eigen handelen van de jeugdprofessional niet voldoende is wanneer het handelen leidt tot een onrechtmatig ingrijpen in het leven van moeder en de zoon. Door het stellen van suggestieve vragen is het onderzoek beïnvloed in het voordeel van de andere partij. Daarnaast heeft het College van Toezicht zich niet aan de wet gehouden.

3.5.4 De jeugdprofessional is van mening dat zij in eerste aanleg al heeft toegelicht dat zij geen suggestieve vragen heeft gesteld. Zij heeft moeder en de informanten niet gevraagd of moeder ‘volwassen zaken’ met de zoon bespreekt. Op basis van de persoonlijke gesprekken met moeder, vader, de zoon en de informatie die bij de start van het onderzoek bij de RvdK bekend was, heeft de RvdK de indruk gekregen dat er volwassen zaken besproken worden met de zoon die, gezien de sociaal-emotionele ontwikkeling van de zoon, niet wenselijk zijn omdat deze niet passend zijn bij de ontwikkelingsfase waar de zoon op dit moment in zit. Omdat de term ‘volwassen zaken’ aanleiding heeft gegeven voor discussie, heeft de jeugdprofessional op dit punt gereflecteerd.

3.5.5 Het College van Beroep overweegt het volgende. Het tuchtrecht beoogt dat een jeugdprofessional wordt beoordeeld op zijn professionele handelen. Het heeft ook als doel dat de jeugdprofessional en daarmee de gehele beroepsgroep van deze toetsing kan leren en zichzelf kan verbeteren. Reflectie is hierbij noodzakelijk. Het College van Beroep heeft op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van het beroep geen nieuwe gezichtspunten kunnen ontdekken die de stellingen van moeder ondersteunen en neemt het oordeel van het College van Toezicht volledig over. Het College van Beroep handhaaft aldus het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel IV. De grief faalt.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel V als volgt geformuleerd:

“[Moeder] verwijt [de jeugdprofessional] manipulatie.

Toelichting:
Door het selectief vermelden van informatie met betrekking tot de intelligentietest van de zoon, heeft [de jeugdprofessional] een situatie van de zoon geschetst die haar aannames, interpretaties en beweringen lijken te onderbouwen. Er is daarnaast sprake van het bagatelliseren van het onderzoek waar twee psychologen aan hebben meegewerkt. Aan het rapport hebben de ouders een bijdrage geleverd door vragenlijsten in te vullen. Door het stellen van controlevragen worden tegenstrijdigheden, overdrijvingen en inconsistenties bij het beantwoorden van de vragen in kaart gebracht. [Moeder] heeft zich tijdens de mondelinge behandeling van de klacht daarnaast op het standpunt gesteld dat toen de informatie beschikbaar kwam van de psycholoog, terwijl het besluit tot ambtshalve uitbreiding van het raadsonderzoek in het MDO al was genomen, dit aanleiding gaf voor [de jeugdprofessional] om ten aanzien van het onderzoek ‘een pas op de plaats’ te maken.”.

3.6.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt:

“Het College [van Toezicht] heeft uit de overgelegde stukken niet op kunnen maken op welke datum [de jeugdprofessional] het persoonlijkheidsonderzoek heeft ontvangen. De begeleidende brief bij het persoonlijkheidsonderzoek, gericht aan [moeder] en de vader, is gedateerd van 2 februari 2018. Uit het aangeleverde contactoverzicht blijkt dat er op 5 februari 2018 contact is geweest tussen Veilig Thuis en [de jeugdprofessional] in verband met een aangifte die [moeder] tegen de vader heeft gedaan. Voorts blijkt dat op 8 februari 2018 (intern) overleg is geweest of het VTH aangepast dient te worden in verband met de reactie van [moeder] hierop. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de tweede versie van het VTH welke op 9 februari 2018 naar [moeder] is verzonden. Voor zover de klacht van [moeder] er op ziet dat het persoonlijkheidsonderzoek niet is vermeld in het VTH stelt het College [van Toezicht] vast dat in de klachtbeslissing van 5 juni 2018 is geoordeeld dat het persoonlijkheidsonderzoek ten tijde van het schrijven van het VTH nog niet in bezit was van [de jeugdprofessional]. Gelet op het hierboven genoemde tijdspad tussen het versturen van het persoonlijkheidsonderzoek naar [moeder] en het versturen van de tweede versie van het VTH, acht het College [van Toezicht] dit niet onaannemelijk. Het College [van Toezicht] is derhalve concluderend van oordeel dat van manipulatie door [de jeugdprofessional] niet is gebleken.”

Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

3.6.3 Moeder voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat in het tweede VTH de informatie van het persoonlijkheidsonderzoek niet is opgenomen. Het niet delen van het persoonlijkheidsonderzoek tijdens het MDO op 8 februari 2019 voordat het tweede VTH de volgende dag zou worden verstuurd, is manipulatie. De jeugdprofessional had voldoende tijd om het rapport in het MDO in te brengen.

3.6.4 De jeugdprofessional stelt dat zij ten tijde van het schrijven van het eerste VTH nog niet over het persoonlijkheids-/intelligentieonderzoek beschikte. Deze is ontvangen na het opmaken van het eerste VTH. Het persoonlijkheids-/intelligentieonderzoek kon tevens niet gebruikt worden voor de aangepaste versie van het VTH omdat deze eerst beoordeeld diende te worden door een gedragsdeskundige binnen de RvdK. De jeugdprofessional betwist dat zou zijn toegezegd dat het persoonlijkheids-/intelligentieonderzoek opgenomen zou worden in het VTH. Wel is moeder te kennen gegeven dat het meegenomen zou worden in de raadsonderzoeken.

3.6.5 Het College van Beroep oordeelt als volgt. Nu de tijd tussen het eerste VTH en het tweede VTH kort was en het persoonlijkheidsonderzoek nog niet was afgestemd met de gedragswetenschapper, is het voorstelbaar dat het geen onderdeel heeft uitgemaakt van het VTH. De jeugdprofessional heeft moeder toegezegd dat het persoonlijkheidsonderzoek meegenomen zou worden in de raadsonderzoeken. Het College van Beroep heeft op grond van de stukken en de mondelinge behandeling niet kunnen vaststellen dat de jeugdprofessional heeft gemanipuleerd.

Het College van Beroep verwerpt de grief gericht tegen klachtonderdeel V en handhaaft aldus het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van dit klachtonderdeel.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VI als volgt geformuleerd:

“[Moeder] verwijt [de jeugdprofessional] onzorgvuldigheid.

 Toelichting:
[De jeugdprofessional] heeft de informatie niet geverifieerd. Hierdoor is er een vertekend beeld ontstaan. Dit baseert [moeder] op meerdere formuleringen zoals opgenomen in het VTH en gespreksverslagen. Het is onduidelijk wanneer de beschreven gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en in welke mate er een verband is met de ‘bedreigde ontwikkeling’ van de zoon. [De jeugdprofessional] vormt haar mening aan de hand van informatie van informanten. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft [moeder] kenbaar gemaakt dat vader zaken heeft aangehaald uit 2015, terwijl er tussen de ouders in 2017 een positieve omslag heeft plaatsgevonden. [Moeder] heeft in het begin van het gesprek met [de jeugdprofessional] gezegd dat die positieve omslag had plaatsgevonden en er daarom ook geen beschermingsonderzoek nodig was.”.

3.7.2 Het College van Toezicht heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld. ”Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft [de jeugdprofessional] desgevraagd bevestigd dat de gespreksverslagen ter verificatie aan de betrokkenen zijn toegestuurd. Het was de bedoeling dat deze gespreksverslagen uiteindelijk zouden worden verwerkt in het raadsrapport. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] is de verwachting van [moeder] in dit stadium, waarin enkel informatie is opgesteld ten behoeve van het VTH, niet reëel. Nu dit enkel een onderbouwing is van het verzoek tot hulpverlening is hier geen ruimte noch noodzaak, voor het verifiëren van informatie zoals dit ten behoeve van een raadsrapport zou gebeuren. Het is het College [van Toezicht] gelet op het voorgaande dan ook niet gebleken dat [de jeugdprofessional] onzorgvuldig heeft gehandeld.”

Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

3.7.3 Moeder voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat de werkzaamheden van de jeugdprofessional in wetten verankerd zijn. Het VTH is onzorgvuldig tot stand gekomen. De woorden van vader zijn soms letterlijk overgenomen in het VTH. Informatie die een genuanceerder of een ander beeld schetsen van de situatie is ter zijde geschoven. De intentie van het VTH was niet om na te gaan of de zoon hulp nodig had, maar om verplichte hulpverlening op te leggen. Dat is de reden waarom het VTH zorgvuldig tot stand moet komen.

3.7.4 De jeugdprofessional is van mening dat moeder in eerste aanleg heeft erkend dat de gespreksverslagen aan ouders zijn gemaild ter verificatie. De verkregen informatie van informanten is geverifieerd en geaccordeerd. De verkregen informatie wordt, samen met de bevindingen van de RvdK uit een raadsonderzoek, neergelegd in een raadsrapport. Tot het opstellen van een raadsrapport heeft het in casu niet kunnen komen.

3.7.5 Het College van Beroep overweegt het volgende. Nu de jeugdprofessional heeft toegelicht dat de verkregen informatie van informanten is geverifieerd en geaccordeerd en moeder niet heeft betwist dat zij in eerste aanleg heeft erkend dat gespreksverslagen van de ouders zijn geverifieerd, kan niet worden geconcludeerd dat informatie terzijde is geschoven. Het College van Beroep volgt dan ook het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel VI waardoor de grief faalt.

3.8 Klachtonderdeel VIII

3.8.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VIII als volgt geformuleerd: ”[De jeugdprofessional] is nalatig geweest en heeft [moeder] moedwillig in gevaar gebracht. Op basis van vage formuleringen, aannames, interpretaties en projecties wil [de jeugdprofessional] het advies acceptabel maken, wat de ex-partner van [moeder] als een aanmoediging ziet.

Toelichting:
In januari 2018 heeft [moeder] een melding bij de politie gemaakt dat zij zich onveilig voelde. In het verslag van een gesprek van [de jeugdprofessional] en haar collega met vader is het volgende opgenomen: “Vader geeft aan dat hij in oktober 2016, ten gevolge van de situatie tot heden depressieve klachten heeft gehad, zonder zelfmoordneigingen, maar wel moordneigingen uit pure wanhoop en machteloosheid vanwege het onberekenbare, irrationele en paranoïde gedrag van moeder.” [De jeugdprofessional] heeft weliswaar het telefoongesprek waarin [moeder] werd uitgenodigd voor een gezamenlijk gesprek niet met [moeder] gevoerd, maar zij is wel bij het raadsonderzoek betrokken en daarom acht [moeder] haar medeverantwoordelijk voor de uitnodiging voor het gezamenlijk gesprek. [Moeder] acht het kwalijk dat [de jeugdprofessional] risico’s neemt zonder [moeder] daar vooraf van op de hoogte te stellen. Als de situatie uit de hand was gelopen waren de raadsonderzoekers ongetwijfeld buiten schot gebleven. De gevolgen voor de zoon waren dan echter niet te overzien geweest. [Moeder] verwijt [de jeugdprofessional] dat zij uitdrukking heeft gegeven aan de mening van vader. Vader heeft zich daardoor gesterkt gevoeld en heeft daarop [moeder] lastig gevallen. Deze dreiging vanuit vader valt [de jeugdprofessional] dan ook aan te rekenen.”

3.8.2 Het College van Toezicht heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld.

”Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat de klacht voornamelijk ziet op de wijze waarop het VTH was geschreven en dit uitdrukking gaf aan de mening van de vader. Het College [van Toezicht] volgt dit standpunt van [moeder] niet. Ook in het geval [de jeugdprofessional] de mening van vader deelde ten aanzien van de zorgen, en deze als zodanig heeft geformuleerd, maakt niet dat gesteld kan worden dat [de jeugdprofessional] de bedreigingen vanuit vader gestimuleerd heeft c.q. zij hier verantwoordelijk voor gehouden kan worden. Uit het aangeleverde activiteitenoverzicht blijkt dat de beslissing tot het plannen van de afspraak met beide ouders zorgvuldig tot stand is gekomen. In verband met de gedane aangifte door [moeder] is er contact geweest met Veilig Thuis. Voorts blijkt uit de aantekening van een MDO van 8 februari 2018 dat de jurist van de RvdK betrokken is bij het besluit om een gezamenlijk gesprek met de ouders te voeren en dat is besloten dat dit gesprek gevoerd zal worden met een raadsonderzoeker en een gedragswetenschapper. Al het voorgaande in overweging genomen is het College [van Toezicht] van oordeel dat [de jeugdprofessional] ten aanzien van dit klachtonderdeel zorgvuldig heeft gehandeld en geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.”

Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

3.8.3 Moeder voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat de jeugdprofessional onzorgvuldig heeft gehandeld. Uit het conceptrapport van de RvdK van het tweede raadsonderzoek komt naar voren dat ouders zich flexibel tonen en voldoende in staat zijn om de zorgen over de zoon weg te nemen, de nodige hulp te accepteren, de huidige situatie van gezamenlijk gezag in stand willen houden waardoor de RvdK heeft besloten om geen ondertoezichtstelling te verzoeken. Moeder heeft verder aangegeven dat zij zich door vader bedreigd voelde terwijl de collega in zaaknummer 19.008Bb tijdens een zitting aangeeft dat er geen signalen waren dat moeder of vader in gevaar zou komen wanneer een gezamenlijk gesprek met hen zou plaatsvinden.

3.8.4 De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat zij in eerste aanleg al heeft toegelicht dat het onveilig voelen van moeder een reden kan zijn om hulpverlening in te zetten zodat gezamenlijk kan worden gekeken hoe dit onveilige gevoel kan worden weggenomen en er een inschatting van de (on)veiligheid kan worden gemaakt. Er is nooit gegarandeerd dat hulpverlening dit kan bieden. Enkel ouders kunnen hierin iets voor elkaar betekenen. Zij zijn immers verantwoordelijk. De geplande afspraak met ouders is zorgvuldig tot stand gekomen en er is contact geweest met Veilig Thuis.

 3.8.5 Het College van Beroep overweegt het volgende. Het College van Beroep heeft op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van het beroep geen nieuwe gezichtspunten kunnen ontdekken en neemt aldus het oordeel van het College van Toezicht over ten aanzien van klachtonderdeel VII. De grief faalt.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht van 3 januari 2019 in zaaknummer 18.075Ta.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 29 juli 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink                                                               mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                             secretaris