Maak een selectie

727 van 727

   

Moeder klaagt onder andere op de wijze waarop door een raadsonderzoeker een Verzoek Tot Hulpverlening is opgesteld. Het College van Toezicht verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
de heer E.H. Weise, lid-beroepsgenoot,
mevrouw I. de Jongh – Stols, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 12 juni 2018, met de bijlagen en de aanvullingen hierop van 4 juli en 10 juli 2018;
– het verweerschrift ontvangen op 25 september 2018, met de bijlagen.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van de klacht in zaaknummer 18.075Ta, plaatsgevonden op 22 november 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Van de zijde van beklaagde zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht twee collega’s als toehoorder aanwezig geweest. Daarnaast is de beklaagde in zaaknummer 18.075Ta, eveneens vergezeld door twee toehoorders, aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 3 januari 2019 verstuurd zal worden.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Klaagster is de moeder van een minderjarige zoon die is geboren in 2006. De zoon is geboren uit het huwelijk tussen klaagster en haar ex-partner, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders. Het huwelijk tussen de ouders is in december 2016 ontbonden. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de zoon.

2.2 Bij beschikking van 22 mei 2016 is – voor zover relevant – de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en zijn de ouders verwezen naar [de instelling] voor deelname aan het traject [naam traject]. In de beschikking is daarnaast opgenomen dat bij voortijdige beëindiging van het voornoemde traject, door de rechtbank bij tussenbeschikking een (beschermings-)onderzoek door de RvdK zal worden verzocht. Voorts is in de beschikking een voorlopige zorgregeling bepaald die inhoudt dat de zoon van woensdag uit school tot zaterdag 18:00 uur bij klaagster verblijft en van zaterdag 18:00 uur tot woensdag na school (in de vakanties tot 13:00) bij zijn vader verblijft.

2.3 Bij beschikking van 31 mei 2017 heeft de kinderrechter de RvdK verzocht een vervolg- en beschermingsonderzoek te verrichten, waarbij de RvdK is verzocht in ieder geval te rapporteren en te adviseren ten aanzien van de actuele situatie, het gezag (gezamenlijk dan wel eenhoofdig gezag), de hoofdverblijfplaats, de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (waaronder de informatieregeling) en de benodigde hulpverlening al dan niet in het kader van een ondertoezichtstelling. Ten grondslag aan het verzoek aan de RvdK ligt het verslag van [naam traject] van 6 april 2017. Uit dit verslag blijkt dat het maken van afspraken met de ouders moeizaam is verlopen waardoor het niet mogelijk is gebleken om alle facetten van het voortraject goed te doorlopen. Geconstateerd is dat er veel spanningen zijn tussen de ouders, zij moeizaam met elkaar communiceren en de zoon in een loyaliteitsconflict zit.

2.4 Beklaagde is, met een collega raadsonderzoeker, op 25 oktober 2017 gestart met het onderzoek naar het gezag en de omgang. In een multidisciplinair overleg (MDO) met een gedragsdeskundige en jurist op 19 december 2017 is besloten het onderzoek ambtshalve uit te breiden met een beschermingsonderzoek en dat het nodig wordt geacht om gedurende het onderzoek hulp in te zetten in de vorm van preventieve jeugdbescherming. Per e-mail van 19 januari 2018 zijn de ouders over dit besluit geïnformeerd en is een ingevuld Verzoek tot Hulpverlening (VTH), gedateerd van 9 januari 2018, bij deze e-mail gevoegd. Op 9 februari 2018 is er een aangepast VTH opgesteld.

2.5 Op 27 februari 2018 heeft klaagster klachten ingediend bij de RvdK. Op 5 juni 2018 is een klachtbeslissing gegeven. Van de zes klachtonderdelen is er een deels gegrond verklaard. In deze klachtbeslissing is eveneens besloten het raadsonderoek verder door andere raadsonderzoekers uit te laten voeren. Klaagster heeft op 3 juli 2018 beroep tegen de klachtbeslissing ingesteld bij de klachtencommissie van de RvdK. Deze beroepsprocedure loopt nog.

2.6 Het VTH is door beklaagde en haar collega, als gevolg van de door klaagster ingediende klachten bij de RvdK, niet ingebracht bij de [beschermingstafel] en de raadsonderzoeken zijn opgeschort.

2.7 Beklaagde is sinds [datum] als jeugdzorgwerker bij het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd.

3     De klacht, het verweer en de beoordeling

  • Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 Klaagster klaagt over de gang van zaken rondom het raadsonderzoek en het opstellen van het VTH. De essentie van de klacht is dat het VTH onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat beklaagde ten aanzien hiervan verwijtbaar heeft gehandeld.

3.1.4 Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.1.5 Beklaagde heeft in de onderhavige situatie nauw samengewerkt met een collega, beklaagde in zaaknummer 18.075Ta. Hoewel zij gedurende de werkzaamheden voornamelijk samen hebben gehandeld, verschilt de toelichting op de klachtonderdelen en het verweer op enkele punten van het klaagschrift en verweerschrift in zaaknummer 18.075Ta. De beklaagden hebben tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd kenbaar gemaakt dat zij zich, gelet op de nauwe samenwerking, verantwoordelijk voelen voor elkaars handelen. Gelet op het voorgaande worden alle klachtonderdelen gelijkelijk van toepassing geacht op de beklaagden en als zodanig beoordeeld.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1 Klaagster verwijt beklaagde het stellen van diagnoses.

Toelichting:
In het VTH van 9 januari 2018 wordt onder het kopje ‘2. De bedreigde ontwikkeling’ het volgende opgenomen: “Hij heeft een onverschillige, enigszins antisociale houding richting de raadsonderzoekers en weigert op een respectvolle wijze met hen in gesprek te gaan.” Nadat aan de collega van beklaagde wordt aangegeven dat de zoon in januari een psycholoog heeft gezien, wordt in de aangepaste versie ‘antisociaal’ en ‘respectloos’ weggelaten. Voorts is er onder het kopje ‘4. Redenen waarom hulpverlening in een vrijwillig kader ontoereikend is’ het volgende opgenomen: “Momenteel is er sprake van complexe echtscheidingsproblematiek en mogelijk eigen problematiek bij ouders, waardoor zij onvoldoende zicht hebben en in staat zijn in het belang van [de zoon] te handelen.”

3.2.2 Beklaagde betwist dat er door haar diagnoses zijn gesteld. Het stellen van diagnoses behoort niet tot haar taak en/of bevoegdheid. De omschrijving in het VTH betreft een beschrijving van de houding die beklaagde heeft waargenomen bij de zoon tijdens een gesprek met hem. In verband met de kritiek van klaagster op deze omschrijving is de tekst aangepast en is hiermee tegemoet gekomen aan de onvrede van klaagster hierover. Ook de omschrijving dat er mogelijk eigen problematiek bij de ouders is waargenomen, is evenmin het stellen van een diagnose. Het betreft hier een beeld dat bij beklaagde is ontstaan naar aanleiding van de gesprekken met beide ouders. Dat klaagster zich mogelijk niet in dit beeld kan vinden, betekent nog niet dat beklaagde en haar collega onzorgvuldig hebben gehandeld door dit als zodanig te beschrijven.

3.2.3 Het College overweegt ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde kenbaar gemaakt dat de beschrijving dat de zoon een enigszins antisociale houding heeft, bedoeld is om antisociaal gedrag jegens de raadsonderzoekers te beschrijven en niet is bedoeld als diagnose. Daarnaast is gebleken dat beklaagde, na overleg met de jurist en gedragswetenschapper van de RvdK, de terminologie in het VTH heeft aangepast en dit op 9 februari 2018 opnieuw aan klaagster heeft voorgelegd. Uit deze versie van het VTH blijkt aantoonbaar dat de beschrijving van het gedrag van de zoon op dit punt is aangepast. Hoewel het College de beschrijving van het gedrag van de zoon in het eerste VTH ongelukkig geformuleerd acht, is het van oordeel dat, nu beklaagde dit heeft erkend en gecorrigeerd, er adequaat door haar is gehandeld. Ook de beschrijving dat mogelijk sprake is van ‘eigen problematiek’ bij de ouders, kan naar het oordeel van het College niet gelden als een diagnose gesteld door beklaagde. Het College volgt hierin het verweer van beklaagde. Daarnaast heeft de woordkeuze van beklaagde  geen nadeel toegebracht nu dit VTH, en de aangepaste versie, niet zijn ingebracht bij de [beschermingstafel]. Het handelen van beklaagde ten aanzien van het eerste VTH had mogelijk beter gekund, maar dat is niet wat er bij een tuchtrechtelijke toetsing centraal staat. Het College is van oordeel dat beklaagde ten aanzien van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

3.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1 Beklaagde heeft verwijtbaar gehandeld.

Toelichting:
In het eerste VTH heeft beklaagde aangegeven dat in verband met de schoolvakanties het niet is gelukt om contact te leggen met de school. Beklaagde had hiervoor ruim een maand de tijd. Na het opvragen van het dossier bij de RvdK blijkt uit ‘het interne activiteiten overzicht’ dat er op 3 en 11 januari 2018 al contact is geweest met de school. Op 16 januari 2018 heeft beklaagde daarnaast een ingevulde vragenlijst van de school ontvangen. Hetgeen geschreven is in het VTH is dan ook onjuist.

3.3.2 Beklaagde stelt dat dit klachtonderdeel ook bij de interne klachtencommissie van de RvdK aan de orde is geweest. In deze procedure is toegelicht dat beklaagde en haar collega op het moment van schrijven van het VTH de school wel al als informant hadden gesproken, maar dat de school het gespreksverslag nog niet had geaccordeerd. Gelet hierop kon beklaagde de informatie nog niet gebruiken in het onderzoek. Volledigheidshalve merkt beklaagde op dat er op 20 december 2017 door haar collega contact is gezocht met de school. De contactpersoon was echter niet aanwezig. Vanwege de kerstvakantie is er vervolgens op 3 januari 2018 opnieuw contact gezocht. Tussen beklaagde en haar collega was een taakverdeling gemaakt. Haar collega had de school benaderd, maar daar was beklaagde ten tijde van het schrijven van het VTH niet van op de hoogte. Reden waarom er in het VTH is opgenomen dat er wegens de kerstvakantie nog geen contact met de school is geweest. In de nieuwe versie van het VTH is het volgende opgenomen: “Uit contact met de school is gebleken dat zij geen zorgen hebben met betrekking tot [de zoon]. Zij ervaren geen problemen met hem.”

3.3.3 Het College stelt vast dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat er op 19 december 2017 in een MDO is besloten tot het ambtshalve uitbreiden naar een beschermingsonderzoek. Uit de stukken blijkt dat (de collega van) beklaagde in ieder geval op 3 en 11 januari 2018 contact heeft opgenomen met de school. Nog los van het antwoord op de vraag of er op 20 december 2017 daadwerkelijk contact heeft plaatsgevonden met school, acht het College de periode van contact opnemen gelet op de tussenliggende (nationale) feestdagen niet (verwijtbaar) lang. Het College sluit voorts wat betreft het gebruiken van de verkregen informatie van de school in het VTH aan bij het oordeel van de beslissing van de klachtbehandelaar van de RvdK van 5 juni 2018. In deze beslissing is geoordeeld dat beklaagde de verkregen informatie pas kan gebruiken indien deze is geaccordeerd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de verklaring door de school op 16 januari 2018 is geaccordeerd, reeds na het opstellen van het eerste VTH. Het College is van oordeel dat beklaagde juist heeft gehandeld door deze informatie in het eerste VTH nog niet te vermelden nu deze ten tijde van het opstellen daarvan nog niet was geaccordeerd. In de tweede versie van het VTH is er wel informatie met betrekking tot de school vermeld. Gelet op het voorgaande is het in het licht van dit klachtonderdeel niet van belang dat beklaagde en haar collega op dat moment er van elkaar niet van op de hoogte waren dat er reeds contact gelegd was met de school. Nadat de informatie door de school is geaccordeerd is deze vermeld in de tweede versie van het VTH. Het is het College dan ook niet gebleken dat beklaagde ten aanzien van het contact met de school verwijtbaar heeft gehandeld.

3.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III en VII

3.4.1 Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft klaagster desgevraagd kenbaar gemaakt dat de klachtonderdelen III en VII dezelfde strekking hebben, maar dat deze door haar anders zijn geformuleerd. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht ingestemd met een gezamenlijke beoordeling van de klachtonderdelen III en VII.

3.4.2 Klaagster verwijt beklaagde dat zij haar projecties, aannames en (mis)interpretaties gebruikt als uitgangspunt en geen onderscheid maakt tussen feiten en meningen.

Toelichting:
Er wordt door beklaagde een beeld geschetst van de zoon dat niet klopt. In het eerste VTH is het volgende opgenomen: “In het gesprek met [de zoon] ziet de RvdK een jongen die enorm in de knel lijkt te zitten met zijn gevoelens jegens beide ouders [..] Hij haalt zijn schouders op, heft zijn armen ten hemel en kijkt de raadsonderzoekers vragend en machteloos aan.” Klaagster stelt dat er op een onverklaarbare wijze een verband wordt gelegd tussen ‘handen ten hemel heffen’ en ‘machteloosheid’. In het gespreksverslag, waar de zoon zijn opmerkingen bij heeft geplaatst, komt dit beeld niet naar voren. Op aanraden van klaagster heeft hij een brief naar beklaagde gestuurd dat hij het niet eens is met de conclusies en de beschrijving van zijn gedrag. De zoon benadrukte in deze brief dat hij gewoon geen zin had in het gesprek met beklaagde. Dit vertaalde zich in zijn gedrag. Door de observatie en aanname is aldus een verkeerd beeld geschetst van de zoon. Zijn mening is niet verwoord in het VTH, maar de beschrijving van zijn gedrag heeft wel consequenties.

3.4.3 De reden dat de RvdK heeft besloten een VTH in te dienen, is dat er een klinisch beeld is ontstaan n.a.v. gesprekken met en indrukken van de ouders en de zoon, en de informatie verkregen van informanten gedurende het gezag en omgang. Naar aanleiding van deze gegevens heeft de RvdK in een MDO besloten het onderzoek ambtshalve uit te breiden naar een beschermingsonderzoek. Er is geen sprake van projecties, aannames en (mis)interpretaties nu het besluit hiertoe door de RvdK goed is afgewogen in een MDO en op basis van alle informatie van de ouders, de zoon en de informanten. Gespreksverslagen worden niet in een VTH opgenomen. De gespreksverslagen, inclusief die met kinderen worden gevoerd, worden met de aangebrachte wijzigingen bij de afronding van het onderzoek in het raadsrapport verwerkt. Gedurende de betrokkenheid van beklaagde zijn er, vanwege de klachten van klaagster als gevolg waarvan de onderzoeken zijn opgeschort, geen raadsrapporten geschreven.

3.4.4 Het College stelt vast dat in beide versies van het VTH de betreffende passage is opgenomen. Het College volgt klaagster echter niet in haar standpunt dat beklaagde projecties, (mis)interpretaties en aannames als uitgangspunt heeft gebruikt en aldus een beeld heeft geschetst van de zoon dat niet klopt. Het College leest (de passage in) het VTH zo dat beklaagde een interpretatie heeft gegeven aan het gedrag dat zij bij de zoon heeft waargenomen en dit als zodanig heeft verwoord. Naar het oordeel van het College past een dergelijke beschrijving bij het karakter van een VTH. Het betreft immers (nog) geen raadsonderzoek en het VTH is enkel een middel om te bezien welke hulpverlening er eventueel tijdens het raadsonderzoek dient te worden ingezet. Gelet op het feit dat het raadsonderzoek ten tijde van het indienen van een VTH nog loopt, en derhalve de situatie en zorgen niet volledig in kaart zijn gebracht, is het gebruikelijk dat de indruk en/of interpretatie van een raadsonderzoeker onder andere als grondslag voor het verzoek wordt gebruikt. Het College volgt beklaagde dan ook in haar standpunt dat gespreksverslagen niet in een VTH worden opgenomen, maar enkel, nadat betrokkenen hiertoe akkoord hebben gegeven, in een raadsrapport. Nu er hier geen sprake van was is het College van oordeel dat beklaagde terecht het gespreksverslag, en/of de visie van de zoon daarop, terecht niet in het VTH heeft opgenomen.

3.4.5 Het College verklaart de klachtonderdelen III en VII ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1 Klaagster verwijt beklaagde het stellen van suggestieve vragen.

Toelichting:
Tijdens het gesprek op 28 november 2017 waarin klaagster aangeeft dat zij samen met de zoon situaties evalueert, wordt gevraagd of zij geen onderwerpen voor volwassenen met hem bespreekt. Vervolgens wordt dit in het gespreksverslag als volgt vermeld: “Daarnaast wordt [de zoon] betrokken in volwassen zaken, welke niet passend zijn voor de leeftijd van [de zoon].” Klaagster kan zich niet meer herinneren welke raadsonderzoeker deze vraag heeft gesteld.

3.5.2 Beklaagde betwist dat er suggestieve vragen zijn gesteld aan klaagster. Beklaagde kan zich niet meer precies herinneren wat er in het gesprek met klaagster is besproken, maar uit haar persoonlijke aantekeningen komt nergens naar voren dat er een onderwerp aan bod is gekomen waarin is gevraagd of klaagster volwassen zaken met de zoon bespreekt. Beklaagde wil daarbij wel opmerken dat op basis van de persoonlijke gesprekken met de ouders, de zoon en de informatie welke bij de start van het onderzoek bekend was, de RvdK de indruk heeft gekregen dat er volwassen zaken worden besproken met de zoon welke gezien de sociaal-emotionele ontwikkeling van de zoon niet wenselijk zijn en niet passend bij zijn huidige ontwikkeling. Tevens heeft de RvdK in eerder onderzoek op 8 september 2016 het volgende benoemd: “De [RvdK] zou [de zoon] gunnen dat hij minder alert hoeft te zijn en minder belast wordt met volwassen perikelen.”.

3.5.3 Het College stelt vast dat is gebleken dat het VTH is voort gekomen uit al langer bestaande zorgen over de zoon en de relatie tussen de ouders. Desgevraagd heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt dat met ‘volwassen zaken’ problemen tussen de ouders zijn bedoeld, waar de zoon in wordt betrokken. Hieronder vallen onder andere de gevolgen van de scheiding en wat er geregeld dient te worden. Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat beklaagde met ‘volwassen zaken’, zaken heeft bedoeld die ze niet met haar zoon mag bespreken. Zij is echter van mening dat een scheiding automatisch het regelen van zaken meebrengt die ook met haar zoon besproken moeten worden. De vragen zijn door beklaagde echter op een dusdanige manier gesteld dat ze een negatieve lading hebben gekregen en als zodanig zijn verwoord in het VTH.

Het College acht het niet onnavolgbaar dat beklaagde, gelet op de aanwezige zorgen, geprobeerd heeft die zorgen uit te spreken en daar vragen over te stellen. Het College is niet aanwezig geweest bij het gesprek tussen beklaagde en klaagster en kan derhalve niet nagaan of er suggestieve vragen zijn gesteld. Nu beklaagde dit betwist en er geen stukken ter onderbouwing zijn waaruit blijkt dat er suggestieve vragen zijn gesteld, kan dit klachtonderdeel niet gegrond worden verklaard. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt dat ze termen als volwassen zaken in de toekomst sterker zal onderbouwen voor een VTH zodat hier ook bij de ouders geen onduidelijkheid over kan bestaan. Het College is van oordeel dat het hier handelen betreft waar beklaagde op heeft gereflecteerd, en wat mogelijk beter had gekund, maar niet maakt dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

3.5.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1 Klaagster verwijt beklaagde manipulatie.

Toelichting:
Door het selectief vermelden van informatie met betrekking tot de intelligentietest van de zoon, heeft beklaagde een situatie van de zoon geschetst die haar aannames, interpretaties en beweringen lijken te onderbouwen. Er is daarnaast sprake van het bagatelliseren van het onderzoek waar twee psychologen aan hebben meegewerkt. Aan het rapport hebben de ouders een bijdrage geleverd door vragenlijsten in te vullen. Door het stellen van controlevragen worden tegenstrijdigheden, overdrijvingen en inconsistenties bij het beantwoorden van de vragen in kaart gebracht. Klaagster heeft zich tijdens de mondelinge behandeling van de klacht daarnaast op het standpunt gesteld dat toen de informatie beschikbaar kwam van de psycholoog, terwijl het besluit tot ambtshalve uitbreiding van het raadsonderzoek in het MDO al was genomen, dit aanleiding gaf voor beklaagde om ten aanzien van het onderzoek ‘een pas op de plaats’ te maken.

3.6.2 Beklaagde stelt zich op het standpunt, net zoals dat bij de interne klachtencommissie is gedaan, dat zij en haar collega ten tijde van het schrijven van het VTH nog niet over het persoonlijkheidsonderzoek c.q. intelligentieonderzoek van de zoon beschikte. Het onderzoek kon daarnaast niet gebruikt worden voor de aangepaste versie van het VTH, omdat deze eerst door een gedragswetenschapper binnen de RvdK beoordeeld diende te worden. Beklaagde betwist dat zij toegezegd zou hebben dat het onderzoek meegenomen zou worden in het VTH, wel is haar kenbaar gemaakt dat het meegenomen zou worden in de raadsonderzoeken. In reactie op hetgeen door klaagster tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar is gemaakt, reageert beklaagde als volgt. Met de informatie die er lag zagen beklaagde en haar collega voldoende zorgen om een VTH in te dienen. Een persoonlijkheidsonderzoek zorgt er niet direct voor dat de geconstateerde zorgen niet meer aanwezig zijn. De uitkomst van het persoonlijkheidsonderzoek wordt na toetsing door de gedragswetenschapper wel meegenomen in het raadsonderzoek.  Kort nadat het persoonlijkheidsonderzoek werd voorgelegd aan de gedragswetenschapper, heeft klaagster een klacht ingediend waardoor het onderzoek is stopgezet en de gedragswetenschapper het persoonlijkheidsonderzoek uiteindelijk niet meer heeft ingezien.

3.6.3 Het College heeft uit de overgelegde stukken niet op kunnen maken op welke datum beklaagde het persoonlijkheidsonderzoek heeft ontvangen. De begeleidende brief bij het persoonlijkheidsonderzoek, gericht aan klaagster en de vader, is gedateerd van 2 februari 2018. Uit het aangeleverde contactoverzicht blijkt dat er op 5 februari 2018 contact is geweest tussen Veilig Thuis en beklaagde in verband met een aangifte die klaagster tegen de vader heeft gedaan. Voorts blijkt dat op 8 februari 2018 (intern) overleg is geweest of het VTH aangepast dient te worden in verband met de reactie van klaagster hierop. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de tweede versie van het VTH welke op 9 februari 2018 naar klaagster is verzonden. Voor zover de klacht van klaagster er op ziet dat het persoonlijkheidsonderzoek niet is vermeld in het VTH stelt het College vast dat in de klachtbeslissing van 5 juni 2018 is geoordeeld dat het persoonlijkheidsonderzoek ten tijde van het schrijven van het VTH nog niet in bezit was van beklaagde. Gelet op het hierboven genoemde tijdspad tussen het versturen van het persoonlijkheidsonderzoek naar klaagster en het versturen van de tweede versie van het VTH, acht het College dit niet onaannemelijk. Het College is derhalve concluderend van oordeel dat van manipulatie door beklaagde niet is gebleken.

3.6.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1 Klaagster verwijt beklaagde onzorgvuldigheid

Toelichting:
Beklaagde heeft informatie niet geverifieerd. Het gevolg is dat er een vertekend beeld is ontstaan. Dit baseert klaagster op meerdere formuleringen zoals opgenomen in het VTH en gespreksverslagen. Het is onduidelijk wanneer de beschreven gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en in welke mate er een verband is met de ‘bedreigde ontwikkeling’ van de zoon. Beklaagde vormt haar mening aan de hand van informatie van informanten. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft klaagster kenbaar gemaakt dat vader zaken heeft aangehaald uit 2015, terwijl er tussen de ouders in 2017 een positieve omslag heeft plaatsgevonden. Klaagster heeft in het begin van het gesprek met beklaagde gezegd dat die positieve omslag had plaatsgevonden en er daarom ook geen beschermingsonderzoek nodig was.

3.7.2 Beklaagde stelt dat haar collega de gespreksverslagen van het eigen gesprek aan ouders heeft gemaild ter verificatie. De verkregen informatie van informaten is bij de desbetreffende informant geverifieerd en geaccordeerd, eerder konden beklaagde en haar collega het niet gebruiken in de rapportages van de raadsonderzoeken. De bevindingen van de RvdK in een raadsonderzoek worden neergelegd in een raadsrapport. In het rapport wordt ook de informatie van de informanten weergegeven. Er wordt eerst een conceptrapportage opgesteld waar betrokkenen hun reactie op kunnen geven. Via deze weg kunnen zij ook hun reactie geven op informatie van informanten. Tot het opstellen van een raadsrapport heeft het echter niet kunnen komen. Een VTH bevat alleen een onderbouwing van het verzoek van de RvdK om hulpverlening gedurende het raadsonderzoek in te zetten.

3.7.3 Het College overweegt ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde desgevraagd bevestigd dat de gespreksverslagen ter verificatie aan de betrokkenen zijn toegestuurd. Het was de bedoeling dat deze gespreksverslagen uiteindelijk zouden worden verwerkt in het raadsrapport. Naar het oordeel van het College is de verwachting van klaagster in dit stadium, waarin enkel informatie is opgesteld ten behoeve van het VTH, niet reëel. Nu dit enkel een onderbouwing is van het verzoek tot hulpverlening is hier geen ruimte noch noodzaak voor het verifiëren van informatie zoals dit ten behoeve van een raadsrapport zou gebeuren. Het is het College gelet op het voorgaande dan ook niet gebleken dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld.

3.7.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.8 Klachtonderdeel VIII

3.8.1 Beklaagde is nalatig geweest en heeft klaagster moedwillig in gevaar gebracht. Op basis van vage formuleringen, aannames, interpretaties en projecties wil beklaagde het advies acceptabel maken, wat de ex-partner van klaagster als een aanmoediging ziet.

Toelichting:
In januari 2018 heeft klaagster een melding bij de politie gemaakt dat zij zich onveilig voelde. In een telefoongesprek van 30 januari 2018 is beklaagde van de melding bij de politie op de hoogte gesteld. Beklaagde gaf aan met een veiligheidsplan de veiligheid van klaagster te kunnen waarborgen. Op het verzoek van klaagster om dit schriftelijk vast te leggen, gaf beklaagde aan dat het niet 100% mogelijk was om haar veiligheid te garanderen. Klaagster heeft daarop aangegeven dat zij beklaagde persoonlijk aansprakelijk zou stellen indien haar iets zou overkomen. In het dossier van de RvdK heeft klaagster voorts met ontsteltenis de volgende passage gelezen: “Vader geeft aan dat hij in oktober 2016, ten gevolge van de situatie tot heden depressieve klachten heeft gehad, zonder zelfmoordneigingen, maar wel moordneigingen uit pure wanhoop en machteloosheid vanwege het onberekenbare, irrationele en paranoïde gedrag van moeder.” Op 27 december 2017 heeft de vader beklaagde gemaild met het verzoek om hem en klaagster uit te nodigen voor een gesprek om het loyaliteitsconflict te bespreken. Klaagster acht het kwalijk dat beklaagde risico’s neemt zonder klaagster daar vooraf van op de hoogte te stellen. Als de situatie uit de hand was gelopen waren de raadsonderzoekers ongetwijfeld buiten schot gebleven. De gevolgen voor de zoon waren dan echter niet te overzien geweest en de zoon zou dan inderdaad ‘in de knel’ zijn geweest ‘jegens beide ouders’ en zich ‘machteloos’ hebben gevoeld. Klaagster verwijt beklaagde dat zij uitdrukking heeft gegeven aan de mening van vader. Vader heeft zich daardoor gesterkt gevoeld en heeft daarop klaagster lastig gevallen. Deze dreiging vanuit vader valt beklaagde dan ook aan te rekenen.

3.8.2 Beklaagde betwist dat in het telefoongesprek dat zij met klaagster heeft gevoerd door haar zou zijn gesproken over het kunnen garanderen van de veiligheid van klaagster. Er is door haar wel iets gezegd in de trant van dat het onveilig voelen van klaagster reden is om hulpverlening in te zetten zodat er gezamenlijk gekeken kan worden wat te doen om het onveilige gevoel weg te nemen en een inschatting van de onveiligheid te maken. Er is echter niet gegarandeerd dat hulpverlening dit kan bieden. Er is aangegeven dat enkel ouders hierin iets kunnen, nu zij hiervoor verantwoordelijk zijn. De beslissing om met beide ouders een gesprek te laten plaatsvinden op het kantoor van de RvdK is in goed overleg binnen het multidisciplinair team overwogen en tot stand gekomen. Hierbij is zeker de veiligheid van partijen meegenomen. De uitlatingen van vader in het gespreksverslag waren gedaan in een periode lang geleden waarin hij tevens therapie had. Op het moment van de beslissing tot een gezamenlijk gesprek waren er geen signalen dat klaagster, of vader, in gevaar zou komen wanneer dit gesprek zou plaatsvinden.

3.8.3 Het College overweegt ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat de klacht voornamelijk ziet op de wijze waarop het VTH was geschreven en dit uitdrukking gaf aan de mening van de vader. Het College volgt dit standpunt van klaagster niet. Ook in het geval beklaagde de mening van vader deelde ten aanzien van de zorgen, en deze als zodanig heeft geformuleerd, maakt niet dat gesteld kan worden dat beklaagde de bedreigingen vanuit vader gestimuleerd heeft c.q. zij hier verantwoordelijk voor gehouden kan worden. Uit het aangeleverde activiteitenoverzicht blijkt dat de beslissing tot het plannen van de afspraak met beide ouders zorgvuldig tot stand is gekomen. In verband met de gedane aangifte door klaagster is er contact geweest met Veilig Thuis. Voorts blijkt uit de aantekening van een MDO van 8 februari 2018 dat de jurist van de RvdK betrokken is bij het besluit om een gezamenlijk gesprek met de ouders te voeren en dat is besloten dat dit gesprek gevoerd zal worden met een raadsonderzoeker en een gedragswetenschapper. Al het voorgaande in overweging genomen is het College van oordeel dat beklaagde ten aanzien van dit klachtonderdeel zorgvuldig heeft gehandeld en geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

3.8.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 3 januari 2019 aan partijen toegezonden.

 

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris