Maak een selectie

191 van 191

   

Moeder is niet-ontvankelijkheid in haar beroep omdat haar klacht ziet op de periode voorafgaand aan de betrokkenheid van de jeugdprofessional

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[moeder], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als maatschappelijk werker bij Veilig Thuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. M.J.I. Assink, advocaat te Rijswijk.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift, met de bijlagen, dat de moeder op 29 januari 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
  • het verweerschrift, met de bijlagen, dat de jeugdprofessional op 28 maart 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
  • de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.301T van 22 mei 2019;
  • het beroepschrift, met de bijlagen, dat de moeder op 15 juli 2019 heeft ingediend;
  • het verweerschrift, met de bijlagen, dat de jeugdprofessional op 25 september 2019 heeft ingediend.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de moeder niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel II, de klachtonderdelen I, III, IV, V en VIII gegrond verklaard en de klachtonderdelen VI en VII ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3 De moeder heeft op 15 juli 2019 tegen deze beslissing – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 De jeugdprofessional heeft op 25 september 2019 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 Op 7 oktober 2019 zijn partijen bericht dat het College van Beroep voornemens is om de zaak schriftelijk af te doen. In dit bericht zijn partijen in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 12.14 Tuchtreglement (versie 1.2) binnen twee schriftelijk bezwaar te maken tegen dit voornemen. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen het voornemen.

1.6 Partijen zijn op 28 oktober 2019 door de secretaris bericht dat de beslissing uiterlijk op 9 december 2019 aangetekend aan partijen wordt verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft twee minderjarige dochters. De oudste dochter is geboren in 2012 en de jongste dochter is geboren in 2014.

2.2 De relatie tussen de moeder en de vader van de dochters, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, is in mei 2018 beëindigd. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de dochters. De dochters hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Tussen de vader en de dochters is sprake van een omgangsregeling.

2.3 De moeder heeft op 4 mei 2018 telefonisch contact opgenomen met Veilig Thuis, zoals ook erkend door de jeugdprofessional in beroep. Aanleiding voor dit telefonisch contact was dat de moeder voornemens was de vader te vertellen dat zij wilde gaan scheiden. De moeder wist niet hoe de vader op dit bericht zou reageren. Veilig Thuis heeft de moeder in het telefonisch contact een tweeledig advies gegeven: enerzijds dat de moeder contact op kan nemen met de wijkagent en anderzijds dat de moeder hulp kan zoeken, bijvoorbeeld bij [instelling 1].

2.4 De politie heeft op 7 mei 2018 een melding gemaakt bij Veilig Thuis, vanwege een eenzijdig ongeluk dat de vader opzettelijk veroorzaakt had. Veilig Thuis heeft de melding doorgezet naar [instelling 1].

2.5 Op 14 mei 2018 heeft de moeder (nogmaals) telefonisch contact opgenomen met Veilig Thuis. Een collega van de jeugdprofessional verwijst de moeder in dit telefoongesprek naar [instelling 1].

2.6 Nadat [instelling 1] de zaak terugverwijst naar Veilig Thuis, besluit Veilig Thuis op 5 juli 2018 over te gaan tot het doen van onderzoek. Op 25 juli 2018 start het onderzoek van Veilig Thuis. De jeugdprofessional is vanaf deze datum namens Veilig Thuis belast geweest met het doen van het onderzoek.

2.7 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is hij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van het College van Toezicht van klachtonderdeel II waarin de moeder niet-ontvankelijk is verklaard.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 Hierna zal het in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdeel worden besproken en beoordeeld. Ten aanzien van dit klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grief in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de moeder in het beroepschrift nieuwe klachtonderdelen heeft opgenomen zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en kan het College van Beroep daar dus ook geen oordeel over geven.

4.2 Klachtonderdeel II

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “Er is geen gehoor gegeven aan de gestelde hulpvraag van [de moeder] en de [dochters].”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Voorop gesteld wordt dat het voor het College [van Toezicht] niet vast te stellen is of [de moeder] al dan niet op 4 mei 2018 contact heeft gehad met Veilig Thuis, nu slechts de aantekening in het registratiesysteem van 14 mei 2018 is overgelegd. Vaststaat dat [de jeugdprofessional] vanaf 25 juli 2018 het onderzoek namens Veilig Thuis heeft uitgevoerd. Het valt [de jeugdprofessional] dan ook niet tuchtrechtelijk te verwijten dat de al dan niet eerder gedane melding niet in het systeem van Veilig Thuis is geregistreerd en dat er met de hulpvraag van [de moeder] niets gedaan zou zijn. Nu het verwijt ziet op de periode voorafgaand aan de betrokkenheid van [de jeugdprofessional], wordt [de moeder] niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel verklaard.”

4.2.3 De moeder stelt – verkort en zakelijk weergegeven – dat zij al op 4 mei 2018 telefonisch contact heeft gehad met Veilig Thuis, wat blijkt uit de door haar overgelegde telefoonspecificaties. De moeder heeft in dit gesprek duidelijk aangegeven dat een melding van het gesprek gemaakt moest worden. Hoewel Veilig Thuis heeft toegezegd dit te doen, is dit nagelaten. De jeugdprofessional is meerdere malen geattendeerd op het niet vastleggen van de melding, maar hij heeft hier nooit op gereageerd. De moeder stelt zich op het standpunt dat Veilig Thuis in gebreke is gebleven of dat het systeem is gemanipuleerd.

4.2.4 De jeugdprofessional geeft allereerst over zijn betrokkenheid aan dat hij vanaf 25 juli 2018 belast is geweest met het onderzoek van Veilig Thuis. Verder stelt de jeugdprofessional dat, blijkens artikel 2.1 van het Tuchtreglement (versie 1.2), de kwaliteit van het handelen van de jeugdprofessional in het jeugddomein jegens betrokkenen centraal staat en dat het College van Toezicht terecht heeft vermeld dat het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm wordt getoetst. Het College van Toezicht wijst er daarbij op dat het niet bevoegd is het handelen en nalaten van andere personen buiten de jeugdprofessional of van de instelling te toetsen. De jeugdprofessional geeft tot slot aan dat het hierdoor tuchtrechtelijk bezien irrelevant is of er op 4 mei 2018 telefonisch contact is geweest en wat de inhoud daarvan is geweest, nu de jeugdprofessional niet betrokken is geweest bij dit gesprek. Voor zover de moeder meent dat hierin niet goed of onvoldoende zou zijn gehandeld, betreft dit dan ook een klacht tegen de instelling of een andere persoon.

4.2.5 Het College van Beroep wijst er allereerst op dat in de beroepsprocedure vast is komen te staan, zoals ook opgenomen onder 2.3 van deze beslissing, dat er op 4 mei 2018 telefonisch contact is geweest tussen de moeder en Veilig Thuis. Het College van Beroep volgt de jeugdprofessional in zijn standpunt dat dit voor de tuchtrechtelijke toets echter niet relevant is. De jeugdprofessional was op dat moment immers nog niet met het onderzoek gestart en dus niet bij de zaak betrokken. Voor zover de moeder stelt dat Veilig Thuis door het niet registreren van deze melding in gebreke is gebleven, is het College van Beroep van oordeel dat dit een klacht tegen Veilig Thuis, dan wel tegen een ander persoon betreft. De tuchtcolleges van SKJ kunnen alleen over het individuele handelen van een jeugdprofessional een oordeel geven. Bij dit klachtonderdeel is er geen sprake van een klacht tegen het individuele handelen van de jeugdprofessional. Het College van Beroep is dan ook van oordeel dat het College van Toezicht terecht en op goede gronden de moeder niet-ontvankelijk heeft verklaard in dit klachtonderdeel.

4.2.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel II.

 

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • handhaaft de beslissing van het College van Toezicht van 22 mei 2019 in zaaknummer 19.301T.

 

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 9 december 2019 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. M.M. Brink                                                               mevrouw mr. T. Kuijs

voorzitter                                                                                             secretaris