Maak een selectie

727 van 727

   

Klagers – tante en oom van twee broers – starten een tweede tuchtprocedure tegen de voogd van de oudste broer. De drie klachtonderdelen gaan over het niet tot stand brengen van contact tussen twee broers, over het contact tussen de oudste broer en zijn vader en over het niet regelen van de zorg voor de oudste broer op het moment van meerderjarig worden (het mentorschap).

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw mr. S.C. van Duijn, lid-jurist,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M.L.F. Grijseels, lid-beroepsgenoot,
de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager 1] en [klager 2], hierna te noemen: klagers, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdprofessional bij de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift, op verzoek van het College opnieuw geformuleerd en ingediend, ontvangen op 29 januari 2019, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 29 maart 2019, met de bijlagen.

1.2

Op 2 april 2019 is aan partijen kenbaar gemaakt dat het College voornemens is de klacht op grond van artikel 8.10 van het Tuchtreglement (versie 1.2) schriftelijk af te doen. Door partijen is binnen de gestelde termijn geen bezwaar gemaakt tegen dit voornemen. De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 24 april 2019. Partijen zijn hierover op 16 april 2019 per e-mailbericht geïnformeerd. De beslissing is op 27 mei 2019 aan partijen verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klagers zijn de tante (vaderszijde) en oom (aangetrouwd) van twee broers. De ene broer is geboren in 2001 en thans meerderjarig, hierna te noemen: de oudste broer, de andere broer is geboren in 2004, hierna te noemen: de jongste broer, en gezamenlijk aan te duiden als: de broers.

2.2

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 december 2006 de broers onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing van de broers verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn nadien verlengd. Beklaagde is sinds de ondertoezichtstelling belast met de uitvoering hiervan.

2.3

De oudste broer is op 30 januari 2013 in een gezinshuis geplaatst. De jongste broer is op 26 juli 2014 bij klagers, als zijnde netwerkpleegouders, geplaatst.

2.4

De rechtbank heeft bij beschikking van 22 december 2014 de ouders ontheven van het gezag over de broers en [de gecertificeerde instelling 2], met als uitvoeringsorgaan de GI, benoemd tot voogdes over de broers. Beklaagde is door de GI aangesteld als voogd over de kinderen.

2.5

In 2015 is voor de jongste broer een andere voogd toegewezen, in de regio waar hij woonachtig is. Beklaagde is tot aan de meerderjarigheid van de oudste broer, tot [datum] 2019, zijn voogd geweest.

2.6

Klagers dienen in 2017 bij het College van Toezicht van SKJ tegen beklaagde een tuchtklacht in bestaande uit vier klachtonderdelen. Klachtonderdelen I “[klachtonderdeel I]” en II “[klachtonderdeel II]” verklaart het College van Toezicht ongegrond. Klachtonderdelen III “[klachtonderdeel III]” en IV “[klachtonderderdeel IV]” verklaart het College van Toezicht gegrond. Bij beslissing van [datum] wordt aan beklaagde de maatregel van waarschuwing opgelegd.

2.7

In 2018 stellen klagers bij het College van Beroep van SKJ beroep in tegen de beslissing van het College van Toezicht, waarbij het beroep zich richt tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdelen I en II. Klachtonderdeel II verklaart het College van Beroep alsnog gegrond. Bij beslissing van [datum] wordt aan beklaagde, onder intrekking van de maatregel van waarschuwing, de maatregel van berisping opgelegd.

2.8

Op 12 december 2018 starten klagers een e-mailwisseling en uiten hun wens voor een contactmoment tussen de beide broers en henzelf tijdens de kerstvakantie. Bij de mailwisseling zijn ook betrokken de beide voogden en de gezinshuisouders van de oudste zoon. Het contactmoment komt niet tot stand.

2.9

Met het oog op zijn meerderjarigheid op [datum] 2019 is de oudste broer op [datum] 2019 in een vervolgvoorziening geplaatst.

2.10

Beklaagde is van [datum] 2014 tot en met [datum] 2019 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klagers hebben drie klachtonderdelen ingediend die – samengevat – betrekking hebben op de wijze van uitvoering van de voogdijmaatregel van de oudste zoon door beklaagde in de periode na de beslissing van het College van Beroep tot aan de meerderjarigheid van de oudste broer.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klagers verwijten beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Ook na de opgelegde maatregel draagt beklaagde nog steeds niets bij aan het tot stand laten komen van contact tussen de broers.

Toelichting:
Na de beslissingen van de tuchtcolleges van SKJ is door beklaagde geen stap gezet om het contact tussen de broers te herstellen. Na het e-mailbericht van klagers van 12 december 2018, met het verzoek tot contact, blijkt opnieuw dat beklaagde de regie in handen van de vader legt. De rol van vader is in dit kader irrelevant, hij is uit de ouderlijke macht ontzet. De stelling van beklaagde “ik kan [de vader] natuurlijk hiertoe niet verplichten” is daarom niet houdbaar. Beklaagde heeft voorts zowel klagers als de voogd van de jongste zoon verzocht niet in contact te treden met het gezinshuis waar de oudste broer verbleef. Deze houding van beklaagde getuigt volgens klagers van kwaadwilligheid.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft positief gereageerd op het verzoek tot contact van 12 december 2018. Hij heeft aan de voogd van de jongste zoon gevraagd of de vader ook was uitgenodigd, omdat de oudste broer zich vertrouwd voelt in aanwezigheid van de vader. Beklaagde verwijst naar een eerder contactmoment in 2018 in aanwezigheid van klagers en de vader. Beklaagde heeft het verzoek tot contact voorgelegd aan de vader. Omdat zijn aanwezigheid niet gewenst was, weigerde de vader zijn toestemming te verlenen. Klagers lijken geen respect te tonen voor de gevoelens van de oudste zoon, zij weten immers dat hij de aanwezigheid van de vader nodig heeft tijdens de contacten. Het expertisecentrum van de GI heeft eerder aangegeven dat het geen zin heeft om afspraken te maken waarbij familieleden betrokken zijn. De bezoeken tussen de broers moeten begeleid worden door de betrokken voogden op neutraal terrein, iets wat klagers structureel verhinderen.
De gezinshuisouders hebben aan beklaagde aangegeven rechtstreeks contact met klagers niet op prijs te stellen. Zij willen geen standpunt innnemen danwel betrokkenheid hebben in het conflict tussen klagers en de vader. Ook hebben klagers zich over hen negatief uitgelaten en gedreigd met inschakeling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Om die reden heeft beklaagde klagers verzocht de gezinshuisouders niet rechtstreeks te benaderen.

3.2.3

Het College overweegt als volgt:
Het College stelt voorop dat het oog heeft voor het belang van het realiseren van contactmomenten tussen de broers en dat beklaagde dient te handelen overeenkomstig de inhoud van de hierboven genoemde tucthrechtelijke uitspraken.
Uit de in het verweer overgelegde mailwisseling tussen klagers, beklaagde en de voogd van de jongste zoon concludeert het College als volgt. Gelet op de korte tijdspanne die zat tussen de datum van het voorstel tot contact, zijnde 12 december 2018, en het voorgestelde contactmoment, zijnde de kerstvakantie, kan volgens het College niet in redelijkheid van beklaagde worden gevergd een contactmoment in de kerstvakantie tot stand te laten komen. Temeer gezien de onderlinge complexe familieverhoudingen. Het College overweegt tevens dat het tot stand brengen van het noodzakelijk geachte contact tussen de beide broers een gezamenlijke verantwoordelijkheid vormt van de beide voogden. Daarnaast acht het College het gedane verzoek van klagers onvoldoende neutraal, in die zin dat het verzoek niet ziet op een contactmoment tussen enkel de broers. Immers, blijkens de overgelegde e-mailcorrespondentie was het de bedoeling van klagers dat zij zelf ook aanwezig zouden zijn bij het contactmoment. Voorts valt uit de overgelegde producties bij het verweerschrift niet op te maken dat beklaagde zich niet voor het contactmoment zou hebben ingezet. Beklaagde heeft het verzoek voorgelegd aan de oudste zoon (en de vader). De oudste zoon heeft in het telefonisch contact met beklaagde aangegeven het leuk te vinden om zijn broer weer te zien en dat hij wilde dat de vader zou instemmen met het contactmoment. Het College is van mening dat, in lijn met de bedoelingen van de Jeugdwet, de wens van de bijna meerderjarige oudste zoon zwaar dient te wegen en gerespecteerd dient te worden. De oudste zoon heeft een licht verstandelijke beperking en een stoornis in het autisme-spectrum. De aard van zijn problematiek vergt naar het oordeel van het College eens te meer dat met zijn wensen rekening wordt gehouden waar het de inrichting van de ontmoetingen betreft.
Voor wat betreft het verwijt dat ziet op het verzoek geen contact op te nemen met de gezinshuisouders, acht het College het verweer van beklaagde voldoende navolgbaar en om die reden het verwijt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

3.2.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klagers verwijten beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde volhardt in het langdurig en onbegeleid toestaan van contact tussen de vader en de oudste broer.

Toelichting:
Uit de e-mailcorrespondentie blijkt dat de oudste broer bij de vader zou verblijven tijdens de kerstdagen. Met betrekking tot de onbegeleide omgang tussen de vader en de oudste broer heeft het College van Beroep geoordeeld dat beklaagde in strijd gehandeld heeft met artikel A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker doordat hij niet (voldoende) heeft toegezien op begeleide contactmomenten, maar daarentegen de onbegeleide contactmomenten fors heeft uitgebreid. Beklaagde volhardt in zijn houding om de vader ongelimiteerd omgang met de oudste broer te laten hebben en hem de regie over de bezoeken tussen de broers te geven.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist dat de onbegeleide contactmomenten fors zijn uitgebreid. Zelfs voordat de jongste broer bij klagers ging wonen, gingen de beide broers al vrijwel elk weekend en delen van vakanties naar de vader toe. Dit is voor de oudste broer altijd zo gebleven. Van een uitbreiding van onbegeleid contact is geen sprake. De beslissing van het College van Beroep berust in die zin dus op een misvatting.

3.3.3

Het College overweegt als volgt:
Reeds vanwege de korte periode die gelegen is tussen de beslissing van het College van Beroep tot aan de meerderjarigheid van de oudste broer, namelijk [aantal] maanden, en mede gelet op de persoonlijke problematiek van de oudste broer, zoals omschreven onder 3.2.3 van deze beslissing, acht het College het voldoende aannemelijk dat beklaagde geen mogelijkheden heeft gehad om de contacten tussen de vader en de oudste broer op een andere wijze vorm te geven.

3.3.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klagers verwijten beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Niet voldoen aan de verplichting om voldoende zorg te regelen op het moment dat de oudste broer meerderjarig werd.

Toelichting:
Beklaagde heeft voor de oudste broer niet tijdig een aanvraag voor een mentor ingediend bij de rechtbank. Beklaagde is hierdoor nalatig geweest in zijn functie als voogd en is er op dit moment geen mentor toegewezen. De oudste broer kan de verantwoordelijkheden die inherent zijn aan het bereiken van de meerderjarige leeftijd niet aan. De aanstelling van een mentor als wettelijk vertegenwoordiger gaat nog maanden duren.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist dat hij de aanvraag voor een mentor niet tijdig heeft ingediend. Hiertoe wordt een brief van [financiële organisatie] van 27 februari 2019 en van [naam mentorschap] van 4 maart 2019 overgelegd. Uit de brieven blijkt dat de aanvraag voor een mentor in november 2018 is ingediend, maar dat deze aanvraag is blijven liggen door achterstanden en slechte communicatie bij de rechtbank.

3.4.3

Het College overweegt als volgt:
Op grond van de overgelegde stukken blijkt dat beklaagde de aanvraag voor het mentorschap op 15 maart 2018 bij [naam mentorschap] in gang heeft gezet en dat na contact met de oudste zoon de aanvraag in november 2018 naar de rechtbank is verzonden. Dat de procedure rond het mentorschap bij de rechtbank vervolgens door diverse oorzaken vertraagd is, valt buiten de invloedssfeer van beklaagde. Beklaagde valt hierin tuchtrechtelijk niets te verwijten.

3.4.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 27 mei 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris