Maak een selectie

727 van 727

   

Klager verwijt beklaagde dat zij structureel heeft ingezet op beëindiging van het gezag van de klager en dat zij de dringende adviezen van ketenpartners structureel naast zich neer heeft gelegd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.A. Pires, Lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 2 oktober 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.M. Haverkort.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. A.J. Oskam, advocaat te Rotterdam.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam bij EnJeugd te Haarlem.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift, ontvangen op 2 oktober 2020;
  • het verweerschrift, ontvangen op 22 december 2020.

1.2 De klacht is digitaal behandeld op basis van de Tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona). De digitale mondelinge behandeling (hierna te noemen: de behandeling) heeft plaatsgevonden op woensdag 7 april 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden van partijen.

1.3 Na afloop van de behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk zes weken wordt verstuurd.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een minderjarige dochter die is geboren in 2011.

2.2 De ouders zijn gehuwd geweest. Na de echtscheiding zijn de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over de dochter blijven uitoefenen. De dochter heeft haar hoofdverblijf bij de vader. Er is een zorgregeling met de moeder.

2.3 In maart 2014 heeft de dochter de pijnstiller [naam pijnstiller] voorgeschreven gekregen in verband met aanhoudende buikpijn. In november 2014 is zij opgenomen geweest in het ziekenhuis waar bleek dat de ouders haar [naam pijnstiller] hadden gegeven. Volgens de behandelend arts is toen de afspraak gemaakt om [naam pijnstiller] niet meer te gebruiken.

2.4 Op 25 januari 2015 is de dochter weer opgenomen in het ziekenhuis vanwege een trage ademhaling, lage zuurstofspanning en verminderd bewustzijn. Na vier dagen in het ziekenhuis ontdekte de behandelend kinderarts sporen van [naam pijnstiller] in het bloed van de dochter. Dit medicijn was op dat moment niet voorgeschreven en niet toegediend door het ziekenhuispersoneel. Om die reden vermoedde de kinderarts dat de moeder met opzet de dochter ziek heeft gemaakt door [naam pijnstiller] toe te dienen.

2.5 Op 29 januari 215 deed de kinderarts een zorgmelding bij Veilig Thuis vanwege het vermoeden van (Abuse by) Paediatric Condition Falsification, hierna te noemen: PCF. In de volksmond is PCF ook bekend als het münchhausen-by-proxysyndroom.

2.6 Op 30 januari 2015 vond een gesprek plaats tussen de ouders en Veilig Thuis. Diezelfde dag zijn de ouders op verzoek van Veilig Thuis door de rechtbank geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag. De GI werd belast met de voorlopige voogdij. Op 3 februari 2015 is de dochter geplaatst in een netwerkpleeggezin, bij de broer van de vader en zijn vrouw (hierna te noemen: de pleegouders).

2.7 Op 4 februari 2015 heeft Veilig Thuis melding gedaan van het vermoeden van PCF bij de districtsrecherche [woonplaats] en de politie is een onderzoek gestart.

2.8 Op 12 februari 2015 zijn de ouders gehoord door de rechtbank in het kader van de voorlopige voogdij. Tijdens de zitting is besproken dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK) onderzoek zal doen naar de vraag of een voorziening in het gezag is geboden.

2.9 Op 13 augustus 2015 heeft de kinderrechter de dochter voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend.

2.10 In de eerste helft van 2015 heeft de GI getracht een NIFP onderzoek te starten naar de opvoedingsvaardigheden van de ouders, dat niet kon worden uitgevoerd zolang het strafrechtelijk onderzoek nog liep.

2.11 Op 2 juni 2017 heeft de GI aan de RvdK verzocht om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel met betrekking tot de moeder, hierna te noemen: het verzoek gezagsbeëindiging. Ten aanzien van de vader heeft de GI gevraagd om te onderzoeken of hij alleen het gezag over de dochter kan dragen of dat een andere oplossing passender is. Daarbij heeft de GI vermeld dat het perspectief voor de dochter in het pleeggezin ligt.

2.12 Op 28 november 2017 heeft het gerechtshof op verzoek van de moeder een deskundige benoemd om – via het NIFP – een onderzoek te (doen) verrichten naar de moeder. In opdracht van de GI heeft de benoemde deskundige tevens een onderzoek ingesteld omtrent de persoon van en/of de opvoedvaardigheden van de vader.

2.13 De deskundige adviseert in haar rapport van 12 maart 2018 om niet tot terugplaatsing van de dochter bij de moeder over te gaan. Wel adviseert zij een geleidelijke uitbreiding naar een ruime omgangsregeling, mits de draagkracht van de moeder dit toelaat.

2.14 Per 17 juli 2018 is de uithuisplaatsing beëindigd en woont de dochter bij de vader. In het ouderschapsplan hebben de ouders een zorgregeling vastgesteld tussen de moeder en de dochter.

2.15 Het strafrechtelijk onderzoek is na twee jaar beëindigd in 2018 door het besluit van de Officier van Justitie om de zaak te seponeren.

2.16 Op 26 september 2018 heeft de GI het verzoek gezagsbeëindiging ingetrokken.

2.17 De jeugdprofessional is betrokken geweest bij de dochter als jeugdbeschermer in de periode van 30 januari 2015 tot het einde van de maatregel ondertoezichtstelling op 13 augustus 2019.

2.18 De jeugdprofessional stond [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Ontvankelijkheid

3.1. Voor de vraag naar de ontvankelijkheid van de klacht is versie 1.3 van het Tuchtreglement van toepassing. In artikel 6.5 van dit Tuchtreglement is bepaald dat het indienen van een klacht mogelijk is tot drie jaar ná het handelen dat de jeugdprofessional wordt verweten. Na verloop van drie jaar is een klager niet-ontvankelijk in de klacht, wat betekent dat de klacht niet inhoudelijk door het College wordt beoordeeld.

3.2 De klacht van de moeder is ingediend op 2 oktober 2020 en ziet op de periode van 30 januari 2015 tot 13 augustus 2019. Op grond van de verjaringstermijn is de klacht voor zover het betreft het handelen van de jeugdprofessional tot 2 oktober 2017 in beginsel verjaard.

3.3 Op deze verjaringstermijn is een uitzondering mogelijk op grond van artikel 6.7 van het toepasselijke Tuchtreglement. De voorzitter van het College kan bepalen dat de moeder alsnog ontvankelijk is in haar klacht als blijkt dat zij niet in de gelegenheid is geweest om de klacht eerder in te dienen. De moeder dient hiertoe een gemotiveerd verzoek voor te leggen aan de voorzitter van het College van Toezicht.

3.4 De moeder stelt dat een beroep op artikel 6.7 van het toepasselijk Tuchtreglement ‘succesvol dient te zijn’. Handhaving van de verjaringstermijn leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De klacht gaat niet om één specifieke handeling maar om een voortdurend klachtwaardig handelen over de gehele periode van de maatregel. Uit vrees dat haar verstandhouding met de jeugdprofessional verder zou escaleren met het indienen van een tuchtklacht, was de moeder pas na afloop van het traject, dus ná 13 augustus 2019, in staat om een voldoende en gefundeerde klacht in te dienen. Daarbij werd de verjaringstermijn op 5 maart 2019 ineens met twee jaar ingekort, van vijf naar drie jaar, zonder dat een overgangsrecht is vastgesteld. Deze wijziging valt niet goed te begrijpen omdat klachttermijnen in deze tijd eerder worden verlengd dan verkort. Als voorbeeld verwijst de moeder naar de accountancy waar de klachttermijn onlangs is uitgebreid van zes naar tien jaar.

3.5 Voor zover de stellingen van de moeder kunnen worden aangemerkt als een gemotiveerd verzoek als bedoeld in artikel 6.7 van het Tuchtreglement versie 1.3., geldt het volgende.

Het College stelt voorop dat zij oog heeft voor de positie van partijen. De moeder heeft het recht om het handelen van de jeugdprofessional tuchtrechtelijk te laten toetsen. De termijn om een klacht in te dienen moet enerzijds voldoende zijn om via bemiddeling een oplossing te beproeven, en anderzijds om advies in te winnen en de klacht op te stellen. Echter, de kans op een tuchtklacht kan belastend werken in de dagelijkse werkzaamheden van de jeugdprofessional. Om die reden dient de periode van onzekerheid bij de jeugdprofessional niet langer te duren dan de klager redelijkerwijs nodig heeft om een klacht in te dienen. Gelet op de belangen van partijen en in het kader van rechtszekerheid is de verjaringstermijn op 5 maart 2019 gewijzigd van vijf naar drie jaar. Iedere beroepsgroep maakt hierin zijn eigen afwegingen en om die reden passeert het College het argument van de moeder dat binnen de accountancy de klachttermijn juist is verruimd.

3.6 Van de driejarige verjaringstermijn kan alleen worden afgeweken als blijkt dat de moeder niet in de gelegenheid is geweest om de klacht eerder in te dienen. Ter beoordeling aan het College ligt voor of hiervan sprake is.

Naar het oordeel van het college is vooreerst niet gebleken dat de vrees voor escalatie de moeder er aanvankelijk van heeft weerhouden de klacht in te dienen. De moeder heeft geen concrete feiten en/of omstandigheden aangevoerd die hierop zouden wijzen. De op 6 september 2018 door de advocaat van de moeder naar de jeugdprofessional verzonden e-mail getuigt in ieder geval niet van vrees voor escalatie als zij schrijft “Het is in het belang van alle betrokkenen dat je nu je verantwoordelijkheid neemt op dit punt. (…) Gebeurt dit niet, dan zal ik mij richten tot de directie van [de GI] en een aantal nader aan te kondigen acties ondernemen. Ik vertrouw erop dat het zo ver niet hoeft te komen.”

Daarnaast is het zo dát de moeder al eerder, namelijk op 27 april 2020, een klacht tegen de jeugdprofessional heeft ingediend (die op grond van artikel 7.8 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk is verklaard). Bij die gelegenheid is de moeder erover geïnformeerd dat een deel van de klacht in beginsel is verjaard, maar het heeft vervolgens tot 2 oktober 2020 geduurd alvorens een aangepaste klacht werd ingediend. Zonder een verklaring voor die vertraging, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom, juist met het oog op verdere verjaring, niet voortvarender te werk is gegaan. Dit dient voor rekening van de moeder te blijven. De conclusie van het voorgaande is dat niet gebleken is dat de moeder niet in de gelegenheid is geweest haar klacht eerder in te dienen. Het College zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar klacht zover deze ziet op de periode voorafgaande aan 2 oktober 2017. Voor zover de klacht betrekking heeft op het handelen van de jeugdprofessional vanaf die datum, zal de moeder in haar klacht worden ontvangen.

4     Het beoordelingskader

4.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard ten tijde van het klachtwaardig handelen. Hieronder valt in ieder geval de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de toepasselijke richtlijnen en de veldnormen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

4.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan -onder meer- de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat zij gedurende haar betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals vermeld onder 2.18 van deze beslissing. Gelet hierop dient in deze beslissing onder ‘de Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen te worden. De artikelen in deze beroepscodes komen overeen.

5     De klacht, het verweer en de beoordeling

De twee in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden vanwege de samenhang gezamenlijk besproken en beoordeeld. De toelichting op de klacht van de moeder en aansluitend het verweer van de jeugdprofessional worden samengevat weergegeven in zoverre dit ziet op de ontvankelijke periode. Daarna volgt het oordeel van het College.

5.1 Klachtonderdelen 1 en 2

5.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij structureel heeft ingezet op beëindiging van het gezag van de moeder (klachtonderdeel 1) en dat zij de dringende adviezen van ketenpartners structureel naast zich neer heeft gelegd (klachtonderdeel 2).

Toelichting:

Ter onderbouwing van haar klacht voert de moeder het volgende aan.

De jeugdprofessional heeft zich partijdig opgesteld en onvoldoende gezocht naar mogelijkheden om haar ouderrol vorm te geven. Hoewel de kinderrechter al op 13 augustus 2015 heeft gewezen op het belang om voortvarend te werk te gaan en niet louter op de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek te wachten, was de focus van de jeugdprofessional wel steeds gericht op de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek. Zelfs nog nadat op 30 november 2016 de vertrouwensarts van Veilig Thuis had gerapporteerd dat na uitvoerig onderzoek van het medische dossier van de dochter geen bewijzen zijn gevonden die de diagnose PCF bevestigen en ook andere door de moeder ingeschakelde deskundigen tot deze conclusie waren gekomen. Vanaf het begin koerst de jeugdprofessional af op gezagsbeëindiging van – alleen – de moeder (en niet van de vader). Zij is door de jeugdprofessional als dader neergezet. Zij heeft deze koers niet heeft willen wijzigen: niet na het advies van de deskundige om de dochter thuis te plaatsen bij de vader en niet nadat de RvdK het verzoek gezagsbeëindiging ‘on hold’ had gezet. Ter zitting van het gerechtshof op 28 juni 2018 heeft de RvdK gezegd niet te begrijpen waarom het verzoek gezagsbeëindiging door de jeugdprofessional nog in de lucht wordt gehouden. De jeugdprofessional heeft dit verzoek niet willen intrekken toen de moeder accepteerde dat de dochter haar hoofdverblijf kreeg bij de vader en met ieders instemming de uithuisplaatsing werd beëindigd op 17 juli 2018. Zij heeft dit verzoek zélfs niet willen intrekken nadat de ouders in goed overleg een ouderschapsplan hadden opgesteld. Zij besloot pas drie weken later tot intrekking ervan, maar ook tóen bleef haar focus gericht op gezagsbeëindiging van de moeder. Zo heeft zij in een e-mailbericht van 26 september 2018 aan de moeder geschreven dat de GI de vader zal motiveren om een procedure tot eenhoofdig gezag te starten als het overleg moeizaam blijft gaan en er over een half jaar geen stappen zijn gezet. Hieruit blijkt ook haar partijdigheid. Weliswaar heeft de jeugdprofessional een herstelmail geschreven, maar dit doet volgens de moeder niets af aan een jarenlange stand van zaken.

5.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Het moet voor de moeder een zware periode geweest zijn met voor haar ingrijpende beslissingen, maar de situatie lag ingewikkeld. Ondanks diverse adviezen ontstond er onvoldoende duidelijkheid over het moedwillig toedienen van het medicijn. De mogelijkheid van PCF werd door het dossieronderzoek van de vertrouwensarts niet bevestigd, maar ook niet ontkracht. Ook waren er reële zorgen over de opvoedcapaciteiten van de ouders. Omdat het strafrechtelijk onderzoek lang heeft geduurd, is het niet mogelijk geweest daar op een eerder moment onderzoek naar te laten doen. Bovendien was er een echtsscheidingsstrijd ontstaan. De onderlinge verstandhouding tussen de families van de vader en de moeder was gespannen. De zorgen bleven onverminderd aanwezig en de veiligheidsrisico’s verbonden aan thuisplaatsing waren op dat moment niet goed in te schatten. Van ‘stilzitten’ is geen sprake geweest want via verschillende wegen is getracht duidelijkheid te krijgen. Zij heeft veelvuldig intern overleg gevoerd met haar collega’s en de Voorziening voor Pleegzorg en een moreel beraad georganiseerd om te blijven reflecteren op haar handelen en genomen beslissingen. De ondertoezichtstelling is een tijdelijke maatregel. Het verzoek gezagsbeëindiging voor ofwel alleen de moeder ofwel voor de beide ouders aan de RvdK is gedaan om duidelijkheid te krijgen over het perspectief van de dochter. Na het onderzoek van de deskundige was het nog wachten op het oordeel van het gerechtshof en pas daarna hebben de ouders stappen gezet om met elkaar afspraken te maken. De vraag of zij in staat waren gezamenlijk invulling te geven aan het ouderlijk gezag bleef bestaan. Eenhoofdig gezag bij de vader zou een oplossing kunnen zijn geweest voor de complexe echtscheiding. Om deze reden is het verzoek gezagsbeëindiging gehandhaafd. Immers, op enig moment moest er duidelijkheid komen over het beëindigen van de ondertoezichtstelling gezien de tijdelijkheid van de maatregel. Er werd naar beide ouders gekeken, ieder vanuit een andere context. Het is niet zo dat het verzoek gezagsbeëindiging werd gehandhaafd omdat zij vanaf de start op gezagsbeëindiging zou hebben ingezet.

Wat betreft de inhoud van het e-mailbericht van 26 september 2018 is zij inderdaad voorbarig geweest in haar uitspraak om de vader te steunen in een eventueel verzoek om belast te worden met het eenhoofdig gezag. Op dat moment had zij hierover geen standpunt moeten innemen. Ter correctie heeft zijn daarom een herstelmail gestuurd.

5.1.3 Het College overweegt als volgt:

Het College beoordeelt het handelen van de jeugdprofessional over de periode vanaf 2 oktober 2017 tot het einde van de maatregel ondertoezichtstelling op 13 augustus 2019. Het College begrijpt de klacht van de moeder over dit tijdvak in die zin, dat de jeugdprofessional structureel heeft vastgehouden aan gezagsbeëindiging van de moeder en daarbij de dringende adviezen van ketenpartners naast zich neer heeft gelegd. Het College acht de beide klachtonderdelen ongegrond en overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat de jeugdprofessional gerechtvaardigde zorgen had over de opvoedsituatie van de dochter. Die zorgen beperkten zich niet louter tot het vermoeden van PCF, maar betroffen ook de opvoedcapaciteiten van de ouders en in het bijzonder die van de moeder en daarnaast nog de echtscheidingssituatie van de ouders. Het in dit kader gedane verzoek gezagsbeëindiging (op 2 juni 2017) aan de RvdK was er op gericht duidelijkheid te verkrijgen over het toekomstperspectief van de dochter. Die duidelijkheid werd wat de moeder betreft uiteindelijk via het NIFP verkregen door het advies (op 12 maart 2018) van de deskundige om, kort gezegd, niet over te gaan tot terugplaatsing van de dochter bij de moeder, maar, afhankelijk van de draagkracht van de moeder, tot een geleidelijke uitbreiding naar een ruime omgangsregeling. Dat het toen nog tot 26 september 2018 duurde voor de jeugdprofessional het verzoek gezagsbeëindiging introk, rechtvaardigt niet de conclusie dat de jeugdprofessional structureel heeft vastgehouden aan een gezagsbeëindiging van de moeder. Mede gezien het advies van de deskundige, acht het College begrijpelijk dat, zoals de jeugdprofessional heeft aangevoerd, de vraag of de ouders in staat waren gezamenlijk invulling te geven aan het ouderlijk gezag (vooralsnog) bleef bestaan. Gebleken is dat zij daarover ook het nodige overleg heeft gevoerd. Niet gebleken is dat zij daarbij de adviezen structureel naast zich neer heeft gelegd. Uiteindelijk heeft zij het verzoek gezagsbeëindiging enkele weken nadat de ouders samen een ouderschapsplan hadden opgesteld, ingetrokken.

De omstandigheid dat het verzoek gezagsbeëindiging alleen de moeder (en niet de vader) aanging, betekent, anders dan de moeder heeft betoogd, niet dat de jeugdprofessional zich partijdig heeft

opgesteld. Haar zorgen betroffen immers vooral ook de opvoedcapaciteiten van de moeder. Niet gebleken is dat zij daarbij gefocust bleef op de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek.

Met betrekking tot het e-mailbericht van 26 september 2018 heeft de jeugdprofessional (tijdig) toegegeven dat zij niet correct heeft gehandeld, maar dit heeft zij tegenover de moeder rechtgezet.

5.1.4 De conclusie is dat de klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond zijn.

6     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar klacht zover deze ziet op de periode voorafgaande aan 2 oktober 2017;
  • verklaart voor het overige klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 19 mei 2021 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                       mevrouw mr. M.M. Haverkort

voorzitter                                                                                        secretaris