Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen schoolmaatschappelijk werker over het te laat betrekken van de moeder

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw M. Bijnoe, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 17 juni 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als schoolmaatschappelijk werker bij [de school], locatie [woonplaats], hierna te noemen: de school.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.M. Haverkort.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S.C. Veenhoff, werkzaam als advocaat te Nijmegen.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. H.R.T.M. van Ojen, werkzaam als advocaat te Nijmegen.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift, ontvangen op 29 juli 2020;
  • het verweerschrift, ontvangen op 28 september 2020;

1.2 Vanwege de coronamaatregelen is de klacht digitaal behandeld. De behandeling vond plaats op 9 december 2020 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden. Vanuit SKJ was een tweede secretaris aanwezig, mevrouw mr. A.V. Verweij.

1.3 Na afloop van de digitale behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft -zover hier van belang- een minderjarige dochter, geboren in 2007.

2.2 De moeder en de vader van de dochter zijn omstreeks 2008 gescheiden. Het ouderlijk gezag over de dochter wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. De dochter woont deels bij de vader en deels bij de moeder.

2.3 De jeugdprofessional is werkzaam als schoolmaatschappelijkwerker op de school van de dochter.

2.4 Op 28 mei 2020 stuurt de jeugdprofessional een uitnodiging aan de vader en de moeder voor een gesprek op school op 4 juni 2020: “Beste ouders, graag zou ik met jullie in gesprek willen over [de dochter]. Mijn voorstel is: 4 juni om 15.00 uur. U kunt zich bij de balie melden, dan kom ik jullie ophalen”.

2.5 Diezelfde dag heeft de moeder het e-mailbericht van de jeugdprofessional beantwoord met: “Dat is op zich prima. Waar gaat het over?

2.6 Op 3 juni 2020 heeft de moeder de jeugdprofessional opnieuw gemaild met de vraag: “Ik zou graag eerst horen waar het over gaat. Zou u mij hier een mail over kunnen sturen”? Diezelfde dag heeft de jeugdprofessional de moeder per mail geantwoord: “Er zijn wat zorgen om het welzijn van [de dochter]. Hoop voldoende informatie te hebben gegeven”. Daarop heeft de moeder de jeugdprofessional opnieuw gemaild met de vraag: “Zijn dit zorgen vanuit school?”

2.7 Op 4 juni 2020 heeft de moeder de jeugdprofessional het volgende gemaild: “Ik heb geen reactie ontvangen op mijn vorige email, mogelijk heeft u deze nog niet gezien. Ik heb aan de vader van [de dochter] gevraagd of hij weet waar het over gaat maar hij geeft aan het niet te weten. De mentor van [de dochter] heb ik recent gesproken over haar rapport, zij geeft aan dat het goed gaat met [de dochter]. Ik zal vanmiddag niet aanwezig zijn, ik heb inmiddels werkafspraken. Helaas heb ik niet genoeg informatie. Ik vind het een bijzondere gang van zaken en ik zou graag weten waar dit vandaan komt en waar dit over gaat. Wat mij betreft neemt de mentor van [de dochter] contact met mij op als er problemen zijn op school met [de dochter]”.

2.8 Op 4 juni 2020 heeft de jeugdprofessional de moeder in de middag opgebeld, omdat de moeder niet aanwezig was bij het geplande gesprek. In dit telefoongesprek heeft de jeugdprofessional de telefoon aan de vader gegeven, opdat de ouders een afspraak konden maken om met elkaar verder te praten.

2.10 Na het telefoongesprek met de jeugdprofessional heeft de moeder op 7 juni 2020 in een gesprek met de afdelingsleider van de school het leerlingendossier van de dochter opgevraagd. Hieruit blijkt dat de dochter op 20 februari 2020 met haar mentor een gesprek heeft gehad. Tevens blijkt dat de vader contact heeft opgenomen met de school op 12 december 2019, op 10 en 20 februari, en op 20 maart 2020.

2.11 In een e-mailbericht van 7 juni 2020 aan de zorgcoördinator van de school heeft de moeder verzocht om het SKJ registratienummer van de jeugdprofessional. De moeder heeft hierbij aangegeven dat zij het handelen van de jeugdprofessional ontoelaatbaar vindt en dit wil voorleggen aan een onafhankelijke instantie.

2.12 De afdelingsleider van de school heeft in dit e-mailbericht antwoordt en op 10 juni 2020. Zij heeft de moeder laten weten dat zij het registratienummer van de jeugdprofessional niet mag geven in verband met de wet Algemene Verordening Gegevensbescherming, hierna: de AVG. In dit e-mailbericht is de moeder uitgenodigd voor een gesprek met de afdelingsleider en de zorgcoördinator om een beter beeld te krijgen van wat er aan de hand is en te leren van eventueel gemaakte fouten.

2.13 Diezelfde dag mailt de moeder de jeugdprofessional met het verzoek haar registratienummer te mogen ontvangen. Daarop vraagt de jeugdprofessional wat hiervan de reden is, omdat haar afdelingsleider heeft aangegeven dat zij dit niet mag geven. De moeder licht haar verzoek als volgt toe: “Ik wil uw SKJ registratienummer ontvangen omdat ik uw handelen ontoelaatbaar vind, dit willen wij voorleggen aan een onafhankelijke instantie. Het is verplicht dat u uw registratienummer geeft”.

2.14 Op 11 juni 2020 antwoordt de jeugdprofessional aan de moeder: “Ik heb toch nog even informatie ingewonnen over het afgeven van mijn SKJ registratienummer. Je hebt gelijk, ik moet mijn  nummer als men deze vraagt afgeven. Bij deze is mijn nummer: [SKJ registratienummer]”.

2.15 De jeugdprofessional heeft van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd gestaan in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

In het hierna volgende worden de in totaal vijf klachtonderdelen besproken en beoordeeld. Vanwege de samenhang worden de klachtonderdelen 1 en 2 gezamenlijk behandeld. De klachtonderdelen 3, 4 en 5 worden vervolgens een voor een behandeld. Telkens worden zowel de klacht als het verweer  samengevat weergegeven, waarna de beoordeling van het College volgt. Aan het einde volgt een samenvatting van de beoordeling in de conclusie.

Het College merkt op dat de moeder een aantal klachten in meerdere klachtonderdelen naar voren heeft gebracht. Ten behoeve van de leesbaarheid bespreekt het College de toelichting op de klachten daar waar zij dit het meest passend vindt.

4.1 Klachtonderdelen 1 en 2

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij zich veroordelend, respectloos, autoritair, eenzijdig en arrogant opstelt richting de moeder (klachtonderdeel 1). De jeugdprofessional heeft geoordeeld zonder ook maar één woord met de moeder te hebben gewisseld: alleen hoor, geen wederhoor (klachtonderdeel 2)

Toelichting:

Uit het niets heeft de moeder op 28 mei 2020 een uitnodiging ontvangen van de jeugdprofessional voor een gesprek op 4 juni. De toon van het e-mailbericht kan de moeder niet goed plaatsen. De moeder zou voor dit gesprek een dag vakantie moeten opnemen en vraagt om verduidelijking. Na een korte mailwisseling besluit de moeder dat zij niet genoeg informatie heeft gekregen om met de jeugdprofessional in gesprek te gaan, en kiest ervoor om te gaan werken. De moeder stelt voor dat de mentor van de dochter contact met haar opneemt. Immers, tijdens het recente mentorgesprek zijn er geen bijzonderheden aan de orde gekomen, niet anders dan de mogelijke dyslexie van de dochter. Vervolgens wordt de moeder op 4 juni 2020 door de jeugdprofessional gebeld, die haar op verwijtende toon laat weten dat zij met de vader op haar zit te wachten. In dit telefoongesprek laat de jeugdprofessional vallen dat het gesprek is ingepland op initiatief van de vader, maar verder krijgt de moeder geen informatie. De moeder vindt dat zij op een negatieve en vreemde manier door de jeugdprofessional wordt benaderd. De moeder heeft het gevoel dat ze zich moet verdedigen, terwijl zij op dat moment nog steeds niet weet waar het over gaat.

Uit het telefoongesprek dat volgt begrijpt de moeder dat de jeugdprofessional van de vader heeft vernomen dat de ouders niet met elkaar zouden communiceren, en dat dit slecht is voor de dochter. De moeder heeft de jeugdprofessional uitgelegd dat de ouders wel degelijk communiceren en dat de vader altijd contact met haar kan opnemen als er iets is. Daarop heeft de jeugdprofessional de moeder gedwongen om met de vader in gesprek te gaan door haar telefoon aan de vader te geven.

In dit telefoongesprek heeft de moeder bij de jeugdprofessional aangegeven dat ze niet begrijpt waarom zij opeens de schoolmaatschappelijk werker aan de telefoon heeft. De school gaat over het functioneren van de dochter op school en behoort geen partij te kiezen in een echtscheiding. Om die reden wil de moeder niet dat de jeugdprofessional -zonder kennis van de situatie- bij de dochter betrokken is.

Na voornoemd telefoongesprek heeft de moeder het leerlingendossier van de dochter opgevraagd bij de afdelingsleider van de school. Uit de notities in het leerlingendossier van de dochter blijkt dat de jeugdprofessional over een periode van maanden contact heeft gehad met de dochter en de vader, waarbij de opvoedsituatie van de dochter bij de moeder onderwerp was van gesprek. Er blijkt een zorgtraject te zijn gestart zonder dat de moeder hiervan op de hoogte is gebracht, zonder haar toestemming en zonder wederhoor. Tevens heeft de jeugdprofessional de moeder maandenlang niet betrokken bij de zorgen die door de vader zijn geuit. Hierdoor heeft de jeugdprofessional een situatie laten ontstaan waarin de moeder zich niet kon verdedigen tegen de onwaarheden die door de vader werden verkondigd. De moeder vindt dat de jeugdprofessional haar in een vroeg stadium op de hoogte had moeten brengen van deze gesprekken, en de moeder de gelegenheid had moeten geven om op de informatie van de vader te reageren. De moeder is van mening dat de jeugdprofessional op deze wijze met de ouders tot een gezamenlijke afstemming had kunnen komen. Door dit na te laten is er ruimte ontstaan om de visie van de vader leidend te laten worden. De moeder voelt zich als moeder en opvoeder door het handelen van de jeugdprofessional buitenspel gezet. Tot op heden is de jeugdprofessional niet met de moeder in gesprek gegaan.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional betwist dat zij de moeder veroordelend, respectloos, autoritair, eenzijdig en arrogant heeft bejegend. De jeugdprofessional ziet in dat het ongelukkig is dat zij het e-mailbericht van de moeder van 4 juni 2020 niet tijdig heeft gelezen, maar dat rechtvaardigt nog niet de verwijten die de moeder maakt.

De jeugdprofessional weet dat er bij een scheiding vaak sprake is van twee waarheden en zij heeft om die reden geen ‘visie’ op de situatie bij de moeder thuis. Voor de jeugdprofessional was enkel van belang dat de dochter aangaf zich niet altijd prettig te voelen. Een gesprek met beide ouders was geboden omdat de dochter hierover verschillende en zorgelijke signalen gaf, en omdat er geen perspectief was op verandering. Van een oordeel was geen sprake. De jeugdprofessional heeft slechts de zorgen van de school over de dochter aan de ouders willen voorleggen, opdat de ouders hierin hun gezamenlijke verantwoordelijkheid zouden nemen.

Verder voert de jeugdprofessional aan dat er geen sprake is geweest van intensieve begeleiding van de dochter, van structurele gesprekken of een ‘zorgtraject’, zoals de moeder stelt. De jeugdprofessional heeft slechts tweemaal met de dochter gesproken. De eerste keer was samen met de mentor op 20 februari 2020, toen de dochter uit zichzelf had aangegeven dat het niet goed ging. Het tweede gesprek was kort en vond plaats op 5 maart 2020 om bij de dochter te informeren hoe het gaat (en toen ging het goed). In de contacten met de dochter heeft de jeugdprofessional vooral een luisterend oor geboden. Zij heeft de vinger aan de pols gehouden. Tegenover de vader heeft de jeugdprofessional duidelijk aangegeven dat de school geen actieve rol kan vervullen: de vader kan zijn zorgen zelf met de moeder bespreken of hij kan het wijkteam van de gemeente benaderen.

Op het verwijt van de moeder -dat de jeugdprofessional haar niet eerder heeft geïnformeerd over de zorgen die de vader heeft geuit- geeft de jeugdprofessional aan dat zij aan de vader en de moeder als verantwoordelijke ouders de ruimte heeft gelaten om op eigen kracht tot een oplossing te komen. Ten eerste door de vader voor te houden dat hij zijn zorgen met de moeder moet bespreken. Vervolgens door ruimte te geven aan de dochter, door haar zelf keuzes te laten maken en haar zelf aan te laten geven wanneer het niet goed gaat. Uiteindelijk heeft de jeugdprofessional het initiatief genomen om tot een gezamenlijk gesprek te komen. Die stap heeft zij pas gezet nádat de dochter voor de derde keer aangaf dat het niet goed ging én er bovendien geen zicht op was dat de vader het gesprek met de moeder zou aangaan. Het was de bedoeling van het gesprek om -in aanwezigheid van de vader- aan te geven dat ook vader zorgen had geuit over het welzijn van de dochter.

Tenslotte betwist de jeugdprofessional dat zij de moeder zou hebben aangesproken op haar gedrag. De jeugdprofessional heeft gebeld omdat zij op de moeder zat te wachten voor het gesprek. In dit telefoongesprek heeft zij de moeder beleefd te woord gestaan en kort aangegeven wat de aanleiding was voor het overleg. Toen de moeder aangaf dat de vader diezelfde avond kon langskomen om zijn zorgen te bespreken, heeft de jeugdprofessional aan de ouders de gelegenheid geboden om een afspraak te maken zodat de ouders zonder haar aanwezigheid verder konden praten.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

Tijdens de behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional nader toegelicht welke stappen zij heeft genomen en welke afwegingen zij hierin heeft gemaakt. De moeder is van mening dat het bieden van een luisterend oor aan de dochter ook een vorm van hulpverlening is in het kader van de Jeugdwet, en dat de moeder op die grondslag betrokken had moeten worden. Daar stelt de jeugdprofessional tegenover dat zij als schoolmaatschappelijk werker niet is gehouden contact op te nemen met de moeder in de fase dat zij bezig is de veiligheidsrisico’s in kaart te brengen. Het College volgt de jeugdprofessional hierin, omdat dit in lijn is met de Richtlijn Kindermishandeling en de Meldcode Huiselijk geweld en Kindermishandeling, hierna: ‘de Richtlijn en Meldcode’. De jeugdprofessional heeft aangegeven dat zij normaal gesproken ouders om toestemming vraagt als zij een leerling wil spreken. In situaties  waarin de leerling nadrukkelijk aangeeft dat niet te willen is dit anders. In deze situatie heeft de jeugdprofessional samen met de zorgcoördinator de afweging gemaakt om de dochter te spreken zonder de moeder hierover te informeren. Nadat de jeugdprofessional in dit eerste gesprek met de dochter had vastgesteld dat er geen sprake was van acute onveiligheid, heeft de jeugdprofessional besloten de situatie zo te laten en een vinger aan de pols te houden. Het College ziet dit handelen van de jeugdprofessional als de exploratiefase, de eerste stap van de Richtlijn en Meldcode waarin de situatie in kaart wordt gebracht. Op het moment dat de vader via e-mailberichten zijn zorgen deelde met de jeugdprofessional, ontstond er een situatie waarin opnieuw afwegingen moesten worden gemaakt. In eerste instantie heeft de jeugdprofessional de vader gewezen op zijn eigen verantwoordelijkheid om met de moeder in gesprek te gaan of contact op te nemen met het Wijkteam. In deze afwegingen heeft de jeugdprofessional het overleg gezocht met de zorgcoördinator. Ook dit vindt het College een passende reactie op grond van stap een en twee in voornoemde Richtlijn en Meldcode. Wanneer de dochter uiteindelijk voor een derde keer aangeeft dat het niet goed gaat bij de moeder thuis, besluit de jeugdprofessional om de ouders gezamenlijk uit te nodigen voor een gesprek. Van een oordeel aan de zijde van de jeugdprofessional over de opvoedsituatie bij de moeder is het College niet gebleken. Immers, na de exploratiefase en het collegiaal overleg heeft de jeugdprofessional de moeder direct uitgenodigd voor een gesprek, met als doel de zorgen over de dochter te bespreken en te komen tot een samenwerkingsrelatie. Op grond van deze overwegingen ziet het College geen aanleiding voor de klacht dat de jeugdprofessional zich veroordelend heeft opgesteld, althans heeft geoordeeld zonder ook maar één woord met de moeder te hebben gewisseld (alleen hoor, geen wederhoor). Het College acht dit deel van de klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 om deze reden ongegrond.

Verder heeft het College van de jeugdprofessional begrepen dat zij met de uitnodiging aan ouders is afgeweken van de gebruikelijke werkwijze. Normaliter gaat de mentor eerst met de ouders in gesprek wanneer er zorgen zijn over een leerling. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional goed heeft kunnen uitleggen welke omstandigheden hebben gemaakt dat de jeugdprofessional de taak van de mentor heeft overgenomen. De mentor wilde de relatie met de beide ouders zuiver houden. Omdat het de schoolmaatschappelijk werker is die zich op de school bemoeit met zaken die samenhangen met de thuissituatie, heeft de jeugdprofessional het verzoek van de mentor gehonoreerd om met de ouders het gesprek hierover aan te gaan. Echter, uit het verhandelde ter zitting begrijpt het College dat de moeder zich door de uitnodiging voor een gesprek overrompeld heeft gevoeld. Met name omdat uit recente contacten van de moeder met de mentor niet was gebleken dat er vanuit de school aanleiding was voor zorg. Op dit kantelpunt lag het op de weg van de jeugdprofessional om met de moeder te bespreken wat heeft gemaakt dat er wordt afgeweken van de gebruikelijke route, en wat de aanleiding vormde voor het in te plannen gesprek met het schoolmaatschappelijk werk. De jeugdprofessional heeft ter zitting toegelicht dat zij wilde voorkomen dat er ‘een gesprek voor het gesprek’ zou ontstaan. Om die reden heeft zij de moeder vooraf summier geïnformeerd. Het College begrijpt dat de jeugdprofessional het zwaartepunt van het gesprek bij de ouders heeft willen houden. Echter, in haar antwoord op de vragen van de moeder heeft de jeugdprofessional onvoldoende oog gehad voor de invoelbare behoefte van de moeder naar een grotere betrokkenheid. Dit klemt omdat de jeugdprofessional wél met de vader inhoudelijk overleg heeft gepleegd, en niet met de moeder. Hierdoor was de vader bekend met de aanleiding en het doel van het ingeplande gesprek, in tegenstelling tot de moeder. Om die reden volgt het College de moeder in haar verwijt dat de jeugdprofessional zich te eenzijdig heeft opgesteld. Het College stelt vast dat er sprake was van een onwenselijke disbalans in de mate en wijze waarop de jeugdprofessional de moeder ten opzichte van de vader heeft betrokken in het doel van het gesprek, en de zorgen die over de dochter waren ontstaan. Op het cruciale kantelpunt is de moeder onvoldoende gelijkwaardig ten opzichte van de vader in het proces meegenomen. Het handelen van de jeugdprofessional levert een schending op van artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Dit deel van klachtonderdeel 1 acht het College daarom gegrond.

Tijdens de behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional benadrukt dat haar intenties zuiver zijn geweest, en daarvan is het College ook overtuigd. Het College begrijpt daarentegen ook dat de moeder onvoldoende erkenning heeft ervaren voor haar gevoelens en behoeften. Echter, uit de stukken en hetgeen tijdens de behandeling van de klacht naar voren is gekomen heeft het College geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat de jeugdprofessional zich respectloos, autoritair en arrogant richting de moeder zou hebben opgesteld. Deze delen van klachtonderdeel 1 acht het College daarom ongegrond.

4.1.4 Het College is van oordeel dat van klachtonderdeel 1 het deel van de klacht gegrond is dat ziet op de te eenzijdige opstelling van de jeugdprofessional.  De andere delen van klachtenonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 zijn ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 3

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat ze niet op de hoogte is (en lijkt) van haar plichten en wettelijk kader als hulpverlener.

Toelichting:

De moeder licht dit klachtonderdeel toe met drie voorbeelden. Ten eerste wordt de correspondentie tussen de moeder en de school herhaaldelijk in de CC aan de vader doorgezonden, waaronder het e-mailbericht waarin de moeder aangeeft een klacht bij het SKJ in te willen dienen. Verder heeft de moeder nog steeds geen informatie ontvangen over de situatie, behoudens de inzage in het leerlingendossier van de dochter dat haar op verzoek is toegezonden. Ten slotte weigerde de jeugdprofessional in eerste instantie om haar registratienummer bij SKJ door te geven. Na aandringen heeft de jeugdprofessional haar registratienummer aan de moeder gegeven, pas toen zij de jeugdprofessional heeft uitgelegd dat zij daartoe verplicht is.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Zover het klachtonderdeel betrekking heeft op het afgeven van het registratienummer bij SKJ, geeft de jeugdprofessional aan dat het verzoek op 7 juni 2020 in eerste instantie was gericht aan de zorgcoördinator van de school. Op 10 juni heeft de afdelingsleider van de school op dit verzoek gereageerd met het antwoord dat het geven van dit registratienummer in strijd is met de wet AVG. Daarna heeft de moeder haar verzoek gericht aan de jeugdprofessional. De jeugdprofessional was van dit verzoek geschrokken en zij heeft de moeder gevraagd waarom ze dit wil weten. Toen duidelijk werd dat de moeder een klacht wilde indienen, heeft de jeugdprofessional bij SKJ informatie ingewonnen. Direct de volgende dag op 11 juni 2020 heeft de jeugdprofessional de moeder laten weten dat zij gelijk heeft en haar registratienummer doorgegeven. Weliswaar heeft de jeugdprofessional deze verplichting eerst bij SKJ gecheckt, maar daar volgt niet uit dat zij niet op de hoogte is van haar plichten en wettelijk kader als hulpverlener. Bovendien heeft de moeder geen belang meer bij deze klacht, omdat het gelijk van de moeder op dit onderdeel door de jeugdprofessional is erkend. Voor het overige vindt de jeugdprofessional de klacht onvoldoende concreet om verweer op te kunnen voeren.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:

Het College ziet in de drie voorbeelden die de moeder aanvoert onvoldoende grond om te concluderen dat de jeugdprofessional niet op de hoogte is (en lijkt) van haar plichten en wettelijk kader als hulpverlener. Ten aanzien van het eerste voorbeeld met betrekking tot het SKJ-registratienummer is het vaste jurisprudentie dat het niet-afgeven hiervan een schending oplevert van artikel F van de Beroepscode. Echter, in deze situatie was het verzoek tot afgifte van het SKJ-registratienummer in eerste instantie gericht aan een collega van de jeugdprofessional. Vervolgens was het de afdelingsleider van de school die weigerde het registratienummer af te geven. Op het moment dat de moeder zich met haar verzoek wendt tot de jeugdprofessional zelf, verwijst zij in eerste instantie naar de instructies van de afdelingsleider die haar ten onrechte had opgedragen het registratienummer niet te geven. Vervolgens heeft de jeugdprofessional haar eigen verantwoordelijkheid hierin genomen. Het College kan waardering opbrengen voor het voortvarende handelen van de jeugdprofessional die de kwestie direct heeft uitgezocht door contact op te nemen met het SKJ. De volgende dag heeft de jeugdprofessional per e-mailbericht de moeder laten weten dat zij gelijk heeft. Bij die gelegenheid heeft de jeugdprofessional ook haar registratienummer aan de moeder doorgegeven. Onder omstandigheden als deze ziet het College ten aanzien van dit handelen geen grondslag voor het verwijt dat de jeugdprofessional niet op de hoogte is (en lijkt) van haar plichten en wettelijk kader als hulpverlener. Het College overweegt dat onder de deskundigheid die van de jeugdprofessional mag worden verwacht óók valt het controleren en waar nodig uitbreiden van actuele kennis, in samenhang met de snelheid waarmee eventuele vergissingen worden gecorrigeerd. Met haar handelen heeft de jeugdprofessional blijk gegeven van een lerende houding, met speciale aandacht om nieuwe kennis en inzichten in haar deskundigheid te betrekken.

Wat betreft het tweede voorbeeld met betrekking tot vertrouwelijke e-mailberichten overweegt het College het volgende. Uit de stukken en hetgeen tijdens de behandeling aan de orde is gekomen, kan het College niet vaststellen dat de jeugdprofessional zonder instemming van de moeder vertrouwelijke e-mailberichten heeft doorgezonden aan de vader. Uit het dossier is gebleken dat de vader één e-mailbericht in CC heeft ontvangen. Dit e-mailbericht betrof informatie over het afgeven van het SKJ-registratienummer en de wijze waarop dossierstukken konden worden opgevraagd. Het College is van oordeel dat het zeker zorgvuldiger was geweest als de jeugdprofessional de vader niet in afschrift had meegenomen. Echter, hierin ziet het College geen schending van de vertrouwelijkheid, dusdanig, dat hieruit blijkt dat de jeugdprofessional niet op de hoogte is (en lijkt) van haar plichten en wettelijk kader als hulpverlener.

Wat betreft het derde en laatste voorbeeld is het College niet gebleken dat de moeder -naast het leerlingendossier dat zij heeft ontvangen- ook om andere informatie heeft gevraagd die zij niet zou hebben ontvangen. Ten overvloede merkt het College op dat de moeder direct een gesprek is aangeboden door de afdelingsleider van de school met als doel om te leren, en het College vindt het jammer dat dit gesprek er niet is gekomen.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel 3 ongegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 4

4.3.1. De moeder verwijt de jeugdprofessional dat er gesprekken zijn gevoerd met de dochter zonder haar toestemming.

Toelichting:

Om duidelijkheid te krijgen over de gang van zaken heeft de moeder bij de afdelingsleider van de school het leerlingendossier van de dochter opgevraagd. Op dat moment bleek de moeder pas voor het eerst dat er een dossier ligt waar de moeder niets van weet. Uit de notities in het dossier blijkt dat er een zorgtraject is gestart en dat er gesprekken hebben plaatsgevonden met de dochter, zonder dat de moeder hiervan op de hoogte is gebracht, zonder haar toestemming en zonder wederhoor. Dit vindt de moeder stuitend. Gelet op de leeftijd van de dochter was de jeugdprofessional hiertoe wel gehouden. De moeder heeft van de dochter begrepen dat zij in de ochtend van 20 februari 2020 een gesprek heeft gehad met haar mentor. De mentor heeft de dochter laten weten dat zij de jeugdprofessional erbij zou betrekken. Diezelfde middag is de dochter door de jeugdprofessional uit de klas gehaald voor een gesprek. In de tussentijd heeft geen overleg plaatsgevonden met de moeder, noch is de moeder om toestemming gevraagd om met de dochter te spreken.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Over de gesprekken met de dochter geeft de jeugdprofessional aan dat zij de dochter slechts twee keer heeft gesproken. Het eerste gesprek vond plaats op 20 februari 2020, samen met de mentor. Er is toen een inschatting gemaakt van de situatie en vastgesteld dat de situatie kon worden aangezien. Het tweede gesprek vond plaats op 5 maart 2020 en heeft nauwelijks 10 minuten geduurd. In dit gesprek heeft de dochter aangegeven dat het goed ging. Van hulp- en dienstverlening als bedoeld in de Jeugdwet was derhalve geen sprake, en daarmee was er ook geen verplichting van de jeugdprofessional om de moeder over het gesprek met de dochter te informeren.

Zover die verplichting wel zou hebben bestaan, voert de jeugdprofessional aan dat zij het vertrouwen van de dochter erg zou hebben beschaamd als zij direct contact had opgenomen met de moeder. Dat zou niet in het belang van de dochter zijn geweest, omdat hiermee aan de dochter de mogelijkheid wordt ontnomen om haar mentor en de jeugdprofessional in vertrouwen te vertellen hoe het met haar gaat. De jeugdprofessional verwijst in dit kader naar het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind: het belang van het kind dient de eerste overweging te zijn. De jeugdprofessional wilde de dochter de ruimte geven om op eigen kracht tot inzichten en beslissingen te komen. Daarnaast had de vader aangeven de situatie spoedig bij de moeder bespreekbaar te maken. Er was voor de jeugdprofessional op dat moment geen andere taak weggelegd dan de situatie aanzien.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:

Het College begrijpt uit de toelichting bij het klachtonderdeel dat de moeder doelt op de twee gesprekken die de jeugdprofessional heeft gevoerd met de dochter. Onder de klachtonderdelen 1 en 2 is het College uitvoerig ingegaan op het handelen van de jeugdprofessional, die in de exploratiefase heeft getracht de situatie van de dochter in kaart te brengen. Om die reden zijn voornoemde twee gesprekken naar het oordeel van het College geen onderdeel geweest van een zorgtraject. Evenmin ziet het College in deze fase een verplichting voor de jeugdprofessional om de moeder in de gesprekken met de dochter te betrekken. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt omdat zij passend heeft gehandeld in lijn met de Beroepscode, Richtlijn en Meldcode.

4.3.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel 4 ongegrond is.

4.4 Klachtonderdeel 5

4.4.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat de gang van zaken schadelijk is voor de geestelijke gezondheid van de dochter, omdat zij op school moet kunnen vertrouwen op een onpartijdige en veilige omgeving en omgang met elkaar.

Toelichting:

De school lijkt partij te kiezen voor de vader. Door de moeder niet bij de situatie te betrekken heeft de jeugdprofessional de dochter in een loyaliteitsconflict geplaatst. De dochter wist dat de vader contact met de jeugdprofessional heeft gehad. Volgens de moeder was dat voor de dochter de reden dat zij alleen haar vader vertelde over haar contact met de jeugdprofessional. De moeder heeft van de dochter begrepen dat zij maandenlang per mail contact heeft gehouden met de jeugdprofessional, terwijl de dochter thuis zat tijdens de coronacrisis. De dochter kon dit e-mailcontact ‘voor haar gevoel’ niet met de moeder delen. De jeugdprofessional heeft de dochter ook betrokken in de uitnodiging om met de ouders in gesprek te gaan omdat de ouders ‘niet zouden communiceren’. Daarmee heeft de jeugdprofessional een signaal afgegeven dat zij denkt dat de moeder het niet goed doet als opvoeder. Indien de moeder direct op de hoogte was gebracht van het feit dat de vader contact met de school onderhield over de opvoedsituatie van de dochter bij de moeder, dan had de moeder haar kant van het verhaal kunnen doen. Dan was dit allemaal niet nodig geweest en was de dochter niet in een spagaat geplaatst. De dochter heeft bij de moeder aangegeven erg opgelucht te zijn toen zij eindelijk aan de moeder kon vertellen dat zij gesprekken heeft gevoerd met de jeugdprofessional. Hieruit blijkt volgens de moeder dat het zwaar op de dochter heeft gedrukt dat zij het niet met haar moeder heeft kunnen delen. De moeder geeft aan dat zij wel aan het gedrag van de dochter heeft gemerkt dat er iets aan de hand was, maar doordat zij niet op de hoogte was van het handelen van de jeugdprofessional heeft de moeder haar dochter niet kunnen helpen of deze situatie voor haar kunnen oplossen.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional benadrukt dat zij er steeds bij de vader op aan heeft gedrongen met de moeder in gesprek te gaan over de zorgen die hij heeft. Toen het ernaar uitzag dat de vader ondanks zijn toezeggingen geen contact zou opnemen met de moeder, heeft de jeugdprofessional de ouders uitgenodigd voor een gesprek. Anders dan de moeder stelt blijkt hieruit juist dat het handelen van de jeugdprofessional gericht was op het betrekken van de sociale omgeving bij de dochter. Nergens uit blijkt dat zij zich op negatief over de moeder zou hebben uitgelaten. De jeugdprofessional heeft enkel een luisterend oor geboden aan de dochter toen zij vertelde dat het niet fijn was bij de moeder thuis. Tevens heeft de jeugdprofessional een inschatting gemaakt of er al dan niet iets moest worden ondernomen. Niet meer dan dat.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:

Het College begrijpt uit de toelichting bij het klachtonderdeel dat de moeder met ‘de gang van zaken’ doelt op het handelen van de jeugdprofessional. Onder de klachttonderdelen 1 en 2 heeft het College vastgesteld dat de jeugdprofessional tweemaal met de dochter heeft gesproken in het kader van de exploratiefase. Anders dan de moeder heeft gesteld is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional maandenlang per e-mail contact heeft gehouden met de dochter. Het College stelt vast dat de jeugdprofessional vanaf het eerste gesprek met dochter aan haar heeft uitgelegd dat de beide ouders moeten worden betrokken als de dochter hulp wil. Het past in een transparante werkwijze dat de jeugdprofessional in juni 2020 per e-mailbericht met de dochter heeft gedeeld dat het moment was aangebroken om beide ouders uit te nodigen voor een gesprek. Het College is daarom van oordeel dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, omdat zij passend heeft gehandeld in lijn met de Beroepscode, Richtlijn en Meldcode.

4.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel 5 ongegrond is.

4.5 Conclusie

4.5.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 1 voor wat betreft één deel tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft zich te eenzijdig opgesteld in de samenwerking met de ouders. Op het cruciale kantelpunt heeft de jeugdprofessional de moeder onvoldoende gelijkwaardig ten opzichte van de vader in het proces meegenomen. Hierdoor is er een onwenselijke disbalans ontstaan in de mate en wijze waarop de jeugdprofessional de vader en de moeder heeft betrokken in de zorgen over de dochter en het doel van het gesprek. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional onvoldoende overlegd met de moeder, naast het contact met de vader, om tot overeenstemming te komen over de hulpverlening. De jeugdprofessional heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

4.5.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional goed heeft kunnen uitleggen welke overwegingen aan haar handelen ten grondslag lagen. Echter, naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional in haar afwegingen onvoldoende oog gehad voor de behoefte aan betrokkenheid van de moeder. Met name in een situatie waarin sprake is van gescheiden ouders vraagt een goede balans tussen de vader en de moeder nadrukkelijke aandacht. Ervan uitgaande dat de jeugdprofessional heeft gehandeld vanuit de beste intenties, had zij haar handelen kunnen corrigeren door nadrukkelijk stil te staan bij de beleving van de moeder. Echter, door een beperkte reflectie op haar handelen op dit punt heeft de jeugdprofessional die kans laten liggen. Het College ziet echter ook dat de jeugdprofessional in deze casus slechts op één punt tekort geschoten is. Met haar handelen heeft de jeugdprofessional een beperkte inbreuk gemaakt op normen van de professionele standaard. Dat maakt dat het College af ziet van het opleggen van een maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 gegrond voor wat betreft het deel dat erop toeziet dat de jeugdprofessional zich te eenzijdig heeft opgesteld, en voor het overige ongegrond;
  • verklaart klachtonderdelen 2, 3, 4 en 5 ongegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 20 januari 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                  mevrouw mr. M.M. Haverkort

voorzitter                                                                                             secretaris