Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen de jeugdbeschermer dat zij vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) verzoeken van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen heeft ingediend, en voorts dat zij heeft geciteerd uit de concept rapportage van het NIFP.

19.561Ta Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 31 augustus 2020

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

mevrouw N.A.P. Huijs, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 9 december 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI gedwongen], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn vertrouwenspersoon als gemachtigde, de heer [naam].

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, mevrouw mr. J.S.M.  Brouwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift, ontvangen op 17 maart 2020;
  • het verweerschrift, ontvangen op 21 april 2020;
  • de conclusie van repliek, ontvangen op 25 mei 2020;
  • de conclusie van dupliek, ontvangen op 29 mei 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep (versie van 6 april 2020) in verband met COVID-19 (Corona), hierna: de tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (conclusie van repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 20 juli 2020. De beslissing is op 31 augustus 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De oudste dochter is geboren in 2008 en de jongste dochter is geboren in 2014, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds april 2016 uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. Er zijn afspraken gemaakt over co-ouderschap. De kinderen verblijven om de week van dinsdag tot dinsdag bij één van de ouders.

2.3 Eind augustus 2016 heeft de oudste dochter verklaard dat zij is opgesloten door de moeder. De vader heeft op eigen initiatief de contacten tussen de oudste dochter en de moeder stopgezet. Op een gering aantal begeleide omgangsmomenten in april en mei 2019 na, heeft de oudste dochter de moeder niet meer gezien. De oudste dochter woont sinds die tijd volledig bij de vader. De jongste dochter woont – op basis van co-ouderschap – nog steeds bij beide ouders.

2.4 In oktober 2016 is de moeder samen gaan wonen met haar nieuwe partner.

2.5 In juni 2017 heeft [de instelling] (als betrokken instantie) een verzoek tot onderzoek gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming (verder aan te duiden als: de RvdK).

2.6 Op 10 oktober 2017 zijn de kinderen bij mondelinge uitspraak van de kinderrechter onder toezicht gesteld van 10 oktober 2017 tot 10 oktober 2018 met als uitvoerder de gecertificeerde instelling [de vorige GI gedwongen] (verder aan te duiden als: de vorige GI).

2.7 Bij beschikking van 4 oktober 2018 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 10 oktober 2019. De kinderrechter heeft in de beschikking overwogen dat de ontwikkelingsbedreigingen nog onverkort aanwezig zijn: “De ouders zijn niet in staat om samen de verzorging en opvoeding van de minderjarigen vorm te geven. De samenwerking tussen de ouders is nog ver te zoeken en er is nog veel nodig om tot een stabiele opvoedsituatie te komen waarin beiden minderjarige onbelast kunnen opgroeien. De hulpverlening vanuit een gedwongen kader is noodzakelijk om tot verbetering van de situatie tussen de ouders te komen alsmede om het contact tussen de moeder en [de oudste dochter] tot stand te brengen. Het betreurt de kinderrechter dat het contact tussen de moeder en [de oudste dochter] in de afgelopen tijd niet is hersteld en zij elkaar nog steeds moeten missen. De kinderrechter acht het dan ook noodzakelijk dat de GI op korte termijn een nieuwe gezinsmanager zal benoemen, die de regievoering voortvarend gaat oppakken en eventuele belemmeringen ten aanzien van het spoedig contactherstel tussen de moeder en [de oudste dochter] zal wegnemen. Het belang van de minderjarigen dient goed voor ogen te worden gehouden. Inmiddels is het NIFP-onderzoek aangevraagd, hetgeen binnen afzienbare tijd zal starten en meer duidelijkheid zal geven over de ontwikkeling van de minderjarigen, eventuele kindeigen-problematiek en hetgeen de ouders hierbij nodig hebben. Daarnaast is IPT betrokken in de situatie van beide ouders. De kinderrechter is van oordeel dat de continuering van de thans betrokken hulpverlening vanuit het gedwongen kader langere tijd noodzakelijk is. Gezien de huidige omwikkelingen ziet de kinderrechter dan ook geen aanleiding voor een tussentijds evaluatiemoment ter zitting, dan wel voor het beperken van de termijn. De ondertoezichtstelling zal worden verlengd voor de duur van een jaar. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij op korte termijn actie onderneemt ten aanzien van het contactherstel tussen de moeder en [de oudste dochter].

2.8 In opdracht van de vorige GI heeft het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (verder: het NIFP) in de periode van februari 2019 tot juli 2019 onderzoek verricht naar welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang is van de kinderen en hoe de contactregeling met de andere ouder eruit dient te zien.

2.9 Bij beschikking van 26 februari 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de oudste dochter haar voorlopige hoofdverblijf zal hebben bij de vader en dat de jongste dochter haar voorlopige hoofdverblijf bij de moeder. De rechtbank heeft de beslissing ten aanzien van het definitieve hoofdverblijf en de definitieve zorgregeling aangehouden en de zaak doorverwezen naar de familiekamerrol van [datum] 2019, in afwachting van – onder meer – het rapport van het NIFP, en het verdere verloop van de ondertoezichtstelling. Die datum is vervolgens verschoven naar [datum] 2020.

2.10 Bij beschikking van de kinderrechter van dezelfde datum, 26 februari 2019, is de vorige GI vervangen door de GI. Op dat moment is er al maanden geen jeugdbeschermer meer bij de casus betrokken.

2.11 Op 13 maart 2019 heeft de jeugdprofessional zich per e-mail als nieuwe jeugdbeschermer aan de ouders voorgesteld.

2.12 [de instelling] (verder: [de instelling]) verleent al enige tijd hulpverlening aan de ouders en de kinderen. Op 26 maart 2019 heeft de betrokken Intensieve Pedagogische Thuishulp (verder: IPT-er) van [de instelling] een aantal zorgwekkende uitspraken van de jongste dochter over de thuissituatie bij de vader aan de jeugdprofessional gemeld.

2.13 De eerste kennismaking tussen de vader en de jeugdprofessional heeft plaatsgevonden op
27 maart 2019 bij de vorige GI tijdens een groot overleg. Op dat moment zijn de zorgen, genoemd onder 2.12, niet met de vader besproken.

2.14 Op 5 april 2019 heeft er naar aanleiding van de gemelde zorgen een overleg plaatsgevonden tussen de jeugdprofessional, de GI, de betrokken IPT-er en de gedragswetenschapper van [de instelling].

2.15 Op 10 april 2019 heeft de jeugdprofessional telefonisch overleg gevoerd met Veilig Thuis. In dat gesprek is de mogelijkheid van een uithuisplaatsing geopperd, wanneer de vader niet zou willen meewerken aan veiligheidsvoorwaarden of als hij het gesprek niet zou willen aangaan.

2.16 Tijdens een overleg op 16 april 2019 heeft de jeugdprofessional de zorgen, in aanwezigheid van beide IPT-ers (van de moeder en van de vader), aan de vader voorgelegd. Het doel van het overleg was om in alle openheid te kunnen bespreken wat er aan de hand is en of de veiligheid in het geding is. De vader geeft aan dat de uitspraken van de jongste dochter verzinsels zijn van de moeder en dat hij aangifte gaat doen van smaad en laster. Aan de vader is uitgelegd dat de GI verplicht is de zorgen serieus te nemen en hierover met hem in gesprek te gaan. De vader weigert veiligheidsafspraken te maken. De jeugdprofessional heeft aangegeven dat de zorgen op basis van dit gesprek zijn toegenomen en heeft aan de vader gevraagd of hij zich realiseert hoe ernstig de situatie is en dat zij op het punt staat in te grijpen en de bij hem wonende, oudste dochter uit huis te plaatsen.

2.17 Op 17 april 2019 heeft de jeugdprofessional overleg gehad met de gedragswetenschapper van de GI, Veilig Thuis en de juridische helpdesk van de GI, omdat de vader weigert de IPT-er van de moeder en de speltherapeute met de kinderen in gesprek te laten gaan over de zorgen.

2.18 In de Multidisciplinaire Casuïstiekbespreking (verder: MCB) op 8 mei 2019, onder leiding van de gedragswetenschapper van de GI, is het besluit genomen om voor de kinderen een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken bij de rechtbank. In het verslag staat onder meer het volgende: “De kinderen worden langdurig en structureel emotioneel zwaarbelast door de vader, hetgeen de situatie onveilig maakt voor hen. Nu komen daar ook de zorgen bij omtrent mogelijke fysieke mishandeling, waar de vader op inhoud het gesprek niet over wil voeren maar de zorgen gebruikt in zijn strijd richting de moeder.” Omdat op dat moment niet bekend is wanneer het rapport van het NIFP gereed zal zijn, wordt dit niet afgewacht.

2.19 Op 15 mei 2019 zijn de verzoeken machtiging tot uithuisplaatsing voor beide kinderen naar de rechtbank gestuurd.

2.20 In de middag van 11 juni 2019 is de jeugdprofessional door de onderzoeker van het NIPF geïnformeerd. Zij verwacht half juli 2019 adviesgesprekken met de ouders te kunnen gaan voeren en dat de rapportage dan in concept gereed zal zijn.

2.21 De zittingsvertegenwoordiger heeft de jeugdprofessional laat in de avond van 11 juni 2019 geïnformeerd dat er voor de jongste dochter een verkeerd verzoek is ingediend. Dit had een verzoek tot ‘wijziging omgangsregeling’ moeten zijn omdat de jongste dochter haar voorlopige hoofdverblijf bij de moeder heeft. De zittingsvertegenwoordiger heeft ook geadviseerd de verzoeken in te trekken, omdat de emotionele belasting – wat al jaren speelt – eerder geen reden was voor een uithuisplaatsing en bovendien de uitslag van het NIFP over een maand gereed zal zijn. De jeugdprofessional heeft de rechtbank, de ouders en de betrokken advocaten op 12 juni 2019 geïnformeerd dat de verzoeken worden ingetrokken en dat het advies van het NIFP wordt afgewacht.

2.22 Op 15 juni 2019 heeft de vader per e-mail het vertrouwen in de jeugdprofessional opgezegd. Hij heeft haar beticht van partijdigheid, van het niet vakbekwaam zijn en van niet integer handelen. Na overleg met de gebiedsmanager en instemming van de vader is deze e-mail doorgestuurd aan de klachtencommissie van de GI.

2.23 Op 3 juli 2019 heeft er een overleg plaatsgevonden in aanwezigheid van de jeugdprofessional, de IPT-er van de vader, de vader en zijn gemachtigde.

2.24 Op 4 juli 2019 heeft de GI de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven, nu de vader sinds eind mei 2019 weigert de oudste dochter mee te geven voor de begeleide contactregeling met haar moeder. Bij beschikking van 1 oktober 2019 heeft de kinderrechter deze schriftelijke aanwijzing bekrachtigd en daarbij een dwangsom opgelegd van 100,00 euro voor iedere dag dat de vader deze aanwijzing niet nakomt tot een maximum van 5000,00 euro is bereikt.

2.25 Op 27 augustus 2019 heeft de vader van de GI een schriftelijke aanwijzing ontvangen, omdat hij voorwaarden stelt aan IPT en de IPT-er alleen met de oudste dochter in gesprek laat gaan als de vader erbij is en het gesprek mag filmen. Voorts heeft de vader zich op het standpunt gesteld dat eerst het NIFP-rapport moet worden afgewacht, alvorens er weer hulpverlening kan worden ingezet. Bij beschikking van 1 oktober 2019 heeft de kinderrechter ook deze de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd en is er een dwangsom opgelegd van 100,00 euro voor iedere dag dat de vader deze aanwijzing niet nakomt tot een maximum van 5000,00 euro is bereikt.

2.26 Bij beschikking van 1 oktober 2019 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 10 oktober 2020. In de beschikking wordt onder meer het volgende overwogen: “De kinderrechter stelt vast dat er weliswaar hulpverlening is ingezet, zoals in de vorm van IPT, maar dat daarin stagnatie is opgetreden. Daardoor is nog geen situatie bereikt waarin onbelast contact tussen [de oudste dochter] en de moeder en het opgroeien bij de vader in een spanningsvrije, voorspelbare en duidelijke opvoedomgeving mogelijk is. Ten aanzien van [de jongste dochter] geldt dat de situatie waarin zij deels bij de vader en [de oudste dochter] verblijft haar in een lastige loyaliteitspositie plaatst die haar veel onzekerheid en onduidelijkheid brengt. Verlenging van de ondertoezichtstelling met een periode van één jaar is in het belang van [de oudste dochter] en [de jongste dochter] daarom noodzakelijk, temeer omdat de GI nog in afwachting is van het advies uit het NIFP-onderzoek.”

2.27 Uit de definitieve rapportage van het NIFP blijkt dat beide ouders hulp nodig hebben bij het vormgeven van de contactregelingen met beide kinderen, dat de IPT-er nu niet in slaagt om de kinderen daarin voldoende te ondersteunen en dat aanvullende individuele psychotherapeutische hulp en forensische mediation, alsook hulpverlening voor de oudste dochter ten aanzien van haar hechtingsproblematiek daarvoor noodzakelijk is.

2.28 Op 9 januari 2020 heeft de jeugdprofessional met het oog op de vaststelling van het definitieve hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling een brief geschreven aan de rechtbank.

2.29 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer, repliek, dupliek en de beoordeling

4.1.1 De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zakelijk weergegeven: de klacht, het verweer en de conclusie van repliek/dupliek (indien daarin relevante informatie voor het klachtonderdeel is aangeleverd). Daarna volgt het oordeel van het College. De reikwijdte van een klachtonderdeel dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges, helder te zijn. Het College richt zich dan ook uitsluitend op de klachten die zijn  ingediend op 17 maart 2020. Voor zover de vader in de conclusie van repliek nieuwe aspecten of voorbeelden heeft genoemd, of de klachtonderdelen heeft uitgebreid, geeft het College hier een oordeel over.

4.1.2 In de conclusie van repliek geeft vader op de klachtonderdelen 2, 5, 6 en 14 een specifieke reactie welke in het hiernavolgende onder het kopje repliek beknopt is samengevat. Met betrekking tot de klachtonderdelen 1, 3, 4, 7 en 10 geeft de vader in het algemeen aan dat de jeugdprofessional haar verantwoordelijkheid niet neemt. Gezien de grote hoeveelheid onzorgvuldige handelingen en het feit dat de jeugdprofessional zich steeds beroepen heeft op haar professionaliteit of op andere professionals mocht de vader op zijn minst verwachten dat er zorgvuldig met de belangen en informatie van hem en zijn kinderen zou worden omgegaan. Volgens de vader heeft de jeugdprofessional onvoldoende professioneel, of tenminste onzorgvuldig heeft gehandeld.

4.1.3 De jeugdprofessional verwijst in de conclusie van dupliek voor wat betreft de klachtonderdelen 1, 3, 4, 7 en 10 naar haar verweer. De strekking van de reactie van de jeugdprofessional op de klachtonderdelen 2, 5, 6 en 14 wordt in het hiernavolgende per klachtonderdeel onder het kopje dupliek beknopt samengevat.

4.2 Klachtonderdeel 1

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Er is een niet aangetekende, geopende envelop met daarin de rapportage van het NIFP verstuurd.

Toelichting:

De jeugdprofessional geeft de postafdeling van de GI de schuld dat het fout is gegaan, maar zij blijft
eindverantwoordelijk. Het betreft de NIFP-rapportage van de kinderen en van de vader zelf.
Deze post behoort aangetekend verstuurd te worden.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft aan de administratie van de GI opdracht gegeven de stukken aangetekend te versturen. Dat is helaas niet gebeurd. Dat de envelop open was, kan de jeugdprofessional niet verweten worden. De oorzaak daarvan is onbekend. Voor het niet aangetekend versturen van de stukken heeft de jeugdprofessional haar excuses aangeboden.

4.2.3 Zowel de vader als de jeugdprofessional geven op dit onderdeel in de conclusie van repliek respectievelijk dupliek een algemene reactie. Hetgeen hiervoor onder kopje 4.1.2 en 4.1.3 is aangegeven, wordt geacht hier overgenomen en ingelast te zijn.

4.2.4 Het College overweegt als volgt:

Dat de administratie van de GI, kennelijk in tegenstelling tot de opdracht van de jeugdprofessional, de rapportage van het NIFP niet aangetekend aan de vader heeft verstuurd, kan de jeugdprofessional niet (tuchtrechtelijk) worden aangerekend. Het College overweegt dat de jeugdprofessional niet verantwoordelijk is voor de wijze waarop de administratie van de GI de post verstuurd, dat valt buiten haar invloedssfeer. De jeugdprofessional kan er evenmin verantwoordelijk voor worden gehouden dat de envelop met de rapportage, die de vader op zijn deurmat aantrof, geopend bleek te zijn. Daarnaast wijst het College erop dat de jeugdprofessional aan de vader namens de GI tot twee keer toe haar excuses heeft aangeboden voor het ten onrechte niet aangetekend verzenden van het dossier.

4.2.5 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel 2

4.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Er zijn verzoeken van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ingediend.

Toelichting:

Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van het NIFP heeft de GI verzoeken van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder ingediend. Deze verzoeken zijn eigenlijk een verkapt hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank van 26 februari 2019. Hiermee gaat de GI voorbij aan de uitspraak van de rechtbank om de zaak, in afwachting van het onderzoek van het NIFP, tot […] september 2019 aan te houden. Eén uur vóór de zitting trekt de jeugdprofessional deze verzoeken in.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Aanleiding tot de verzoeken van een machtiging tot uithuisplaatsing was destijds gelegen in het feit dat het advies van het NIFP lang uitbleef, uit de structurele, langdurige en zware emotionele belasting van de kinderen in de thuissituatie van de vader, in combinatie met de zorgelijke signalen over mogelijk huiselijk geweld van de vader tegen de kinderen, en het advies van Veilig Thuis. Het besluit is genomen binnen het MCB. Na overleg met de zittingsvertegenwoordiger zijn de verzoeken ingetrokken.

4.3.3 De vader voert in de conclusie van repliek samengevat en voor zover ter beoordeling van de klacht relevant het volgende aan:

De vraag is wie de zorgelijke signalen aan de jeugdprofessional heeft medegedeeld. Nadat de jeugdprofessional de casus had overgenomen, heeft zij de kinderen zelf nooit gezien of gesproken. Aan de vader worden de informatiebronnen niet genoemd en in de stukken aan de rechtbank staan ze niet. De vader heeft zich daardoor tegen deze aantijgingen, die hem in een negatief daglicht plaatsen, niet voldoende kunnen verdedigen. In het stuk van de jeugdprofessional aan de rechtbank worden negatieve uitlatingen over de vader gedaan die controleerbaar niet kloppen. Bij de school, de medisch specialist en de huisarts zijn dit soort signalen niet bekend. De vader heeft meerdere keren aangegeven dat met deze professionals contact kon worden opgenomen. De verdediging van de jeugdprofessional dat het besluit tot uithuisplaatsing is genomen in het MCB doet dan ook vermoeden dat daar onvoldoende, of op zijn minst eenzijdige informatie is verstrekt. Geen van de bij de MCB betrokkenen heeft de kinderen gezien of gesproken, en dus zijn zij afgegaan op de informatie van de jeugdprofessional.

De intrekking van de verzoeken van de machtiging tot uithuisplaatsing is op de zittingsdag op 12 juni 2019 per e-mail verzonden en ongeveer één uur voor de zitting aan de vader medegedeeld door zijn advocaat. De jeugdprofessional heeft zelf niet de moeite genomen dit aan de vader te vertellen. Tot slot spreekt uit de wijze waarop de jeugdprofessional bij voortduring heeft geprobeerd andere professionals buiten de informatiesfeer van de rechtbank te houden, vooringenomenheid en partijdigheid.

4.3.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

Uit de meegezonden producties blijkt dat de signalen bij de overdracht vanuit de vorige GI – met bijbehorende verslaglegging, rapportages van IPT en de afsluitingsrapportage van de speltherapie van de oudste dochter – bekend zijn geworden. Mogelijk huiselijk geweld door de vader betreffen uitspraken van de jongste dochter die via de moeder bij IPT terecht zijn gekomen. Bij de overname van de ondertoezichtstelling is het een weloverwogen keuze geweest de kinderen niet te zien, omdat zij beiden al veel verschillende hulpverleners hadden gehad. Een nieuw gezicht werd niet in het belang van de kinderen geacht. Inzetten op hulpverlening aan de ouders wel en dat is hen ook medegedeeld. De jeugdprofessional heeft met de school, met de intern begeleider en later ook met de directeur van de school veelvuldig contact gehad over de kinderen. De vader heeft de jeugdprofessional inderdaad toestemming gegeven contact op te nemen met de huisarts. Zij heeft de vader laten weten geen vragen te hebben voor de huisarts. De huisarts kon desgewenst wel met haar contact opnemen. Vanuit de ontwikkeling en de zorgen rondom de kinderen was er geen behoefte aan informatie van een huisarts of medisch specialist omdat er nooit zorgen zijn geweest over de medische verzorging van de kinderen door de vader. Zowel de school, als de huisarts, als de medisch specialist geven aan dat de vader in hun optiek goed voor de kinderen zorgt. De GI en de jeugdprofessional waren het daarmee eens en hebben enkel zorgen over de emotionele belasting en verwaarlozing van de kinderen.

4.3.5 Het College overweegt als volgt:

Het hoofdargument van de vader in deze klacht is dat er om een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder is verzocht, terwijl de rechtbank de beslissing over het definitieve hoofdverblijf en de zorgregeling aangehouden had, omdat het onderzoek van het NIFP nog niet was afgerond. Voor het College staat in dit verband voldoende vast dat de jeugdprofessional vlak na haar aantreden, op 26 maart 2019, door de IPT-er is geïnformeerd over zorgelijke uitspraken (fysieke en emotionele mishandeling) van de jongste dochter over de thuissituatie bij de vader. Na intern overleg over deze zorgen op 5 april 2019, heeft de jeugdprofessional telefonisch contact opgenomen met Veilig Thuis. Het advies luidde dat als de vader geen openheid van zaken zou willen geven een machtiging tot uithuisplaatsing een optie zou zijn. Op 16 april 2019 heeft hierover een gesprek plaatsgevonden met de vader. Uit het door de jeugdprofessional bijgevoegde verslag van deze bespreking, als ook uit diverse bijgevoegde e-mailberichten tussen de vader en de jeugdprofessional, heeft het College opgemaakt dat de vader daarna onvoldoende inzicht in de situatie heeft verschaft; volgens de vader waren het verzinsels van de moeder. Omdat de vader ook weigerde om de hulpverlening (IPT-er van de moeder en de speltherapeute) met de kinderen in gesprek te laten gaan, is na een tweede keer Veilig Thuis om advies gevraagd te hebben, op 8 mei 2019 in het MCB besloten om een machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen te gaan verzoeken. Het College kan de handelwijze van de jeugdprofessional volgen. Zij heeft in de ogen van het College juist getracht deze situatie te doorbreken. Nu er op dat moment nog geen zicht was op het advies van het NIFP, en er zich nieuwe omstandigheden hadden voorgedaan, namelijk de zorgelijke uitspraken van de jongste dochter, en voorts de vader geen openheid van zaken wenste te geven, kon de jeugdprofessional naar het oordeel van het College niet anders dan actie nemen. Zij is als jeugdbeschermer verantwoordelijk voor het opheffen van de ontwikkelings- en veiligheidsbedreiging van aan haar toevertrouwde kinderen en voor het onderkennen van signalen van eventuele kindermishandeling. Daarbij dient een jeugdbeschermer in de gaten te houden welke risico’s de kinderen lopen bij het voortduren van een bestaande situatie en dient hij of zij hierop te handelen. De jeugdprofessional heeft bovendien overleg gevoerd met de gedragswetenschapper en de juridische helpdesk van de GI en tot twee keer toe contact gehad met Veilig Thuis. Het handelen van de jeugdprofessional acht het College in lijn met de professionele standaard. De vader heeft vervolgens gelegenheid gehad een verweerschrift in te brengen, en daarna is het aan de rechter om de verzoeken te toetsen. Dat de vader het met deze gang van zaken niet eens is, kan niet tot de conclusie leiden dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

De stelling van de vader dat de jeugdprofessional onzorgvuldig heeft gehandeld door, één uur voordat de zitting over de verzoeken van de machtiging tot uithuisplaatsing zou beginnen, per e-mail aan zijn advocaat mede te delen dat deze zijn ingetrokken, kan het College niet vaststellen. Gelet op de informatie van het NIFP en de zittingsvertegenwoordiger is kennelijk besloten de verzoeken op 12 juni 2019 in te trekken. Hoewel in het algemeen het intrekken van dergelijk verzoeken – zo kort tevoren – niet de schoonheidsprijs verdient, is het College in dit specifieke geval niet op de hoogte van het feitelijk verloop van die dag. De vader heeft nagelaten dit aan te tonen. Daarom is niet komen vast te staan dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Bovendien kunnen gewijzigde omstandigheden ertoe leiden dat verzoeken tot kort van te voren worden gewijzigd of ingetrokken.

Dat de jeugdprofessional de kinderen nooit heeft gezien, is in de conclusie van repliek voor het eerst door de vader aangevoerd en wordt door het College gezien als een nieuw aspect van de klacht, wat hier om die reden buiten beschouwing wordt gelaten. De reactie hierop in de conclusie van dupliek van de jeugdprofessional maakt dit niet anders. Van de vader heeft het College begrepen dat de nieuw, aangestelde jeugdbeschermer de kinderen inmiddels wel heeft ontmoet.

Tot slot kan het College de stelling van de vader dat de jeugdprofessional bij voortduring heeft geprobeerd andere professionals buiten de informatiesfeer van de rechtbank te houden, wat volgens de vader duidt op vooringenomenheid en partijdigheid, eveneens niet vaststellen. De jeugdprofessional heeft in haar verweer onweersproken gesteld dat zij veelvuldig contact heeft gehad met de school, met de intern begeleider en later ook met de directeur van de school. Dat de jeugdprofessional geen contact heeft opgenomen met de huisarts en de medisch specialist betekent niet dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij heeft voldoende gemotiveerd dat geen er medische zorgen waren over de kinderen. Tot slot is ook het College van oordeel dat het indienen van een verzoek van een machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste dochter bij de moeder, terwijl zij haar voorlopige hoofdverblijf bij de moeder heeft, juridisch gezien niet juist is geweest. Het College vertrouwt er op dat jeugdprofessional van deze omissie heeft geleerd. Het College vindt dat echter – alle voorgaande omstandigheden in acht genomen – niet zo ernstig dat dat een tuchtrechtelijk verwijt oplevert.

4.3.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 3

4.4.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Er worden zaken uit de concept rapportage van het NIFP geciteerd, wat uitdrukkelijk niet mag.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De moeder heeft de concept rapportage van het NIFP aan de jeugdprofessional verstrekt. In de schriftelijke aanwijzing van 27 augustus 2019 heeft de jeugdprofessional geciteerd uit de concept rapportage van de oudste dochter. De vader heeft daartegen bezwaar gemaakt, waarop de jeugdprofessional contact heeft opgenomen met een juridisch medewerker van de GI. Deze liet weten dat een concept rapportage nog niet ingebracht mag worden in een procedure. De jeugdprofessional heeft vervolgens haar excuses aangeboden aan de vader in een e-mailbericht van 3 september 2019, evenals op 10 september 2019 aan het NIFP.

4.4.3 Zowel de vader als de jeugdprofessional geven op dit onderdeel in de conclusie van repliek respectievelijk dupliek een algemene reactie. Hetgeen hiervoor onder kopje 4.1.2 en 4.1.3 is aangegeven, wordt geacht hier overgenomen en ingelast te zijn.

4.4.4 Het College overweegt als volgt:

De jeugdprofessional heeft erkend dat zij in de schriftelijke aanwijzing van 27 augustus 2019 geciteerd heeft uit de concept rapportage van het NIFP. Het citaat is afkomstig uit de concept rapportage van de oudste dochter. In een e-mailbericht van 3 september 2019 schrijft de vader aan de jeugdprofessional dat zij dat zonder zijn toestemming heeft gedaan. Op dezelfde dag heeft de jeugdprofessional, na het consulteren van een juridisch medewerker van de GI, aan de vader haar excuses aangeboden. Zij schrijft dat het niet netjes was uit de concept rapportage te citeren en dat zij dat pas had mogen doen nadat deze definitief was. In navolging van het advies van de juridisch medewerker, is ook het College van oordeel dat citeren uit de nog niet definitief vastgestelde rapportage van het NIFP in de schriftelijke aanwijzing niet zorgvuldig is geweest. De jeugdprofessional heeft haar handelen, zij het achteraf, wel getoetst aan het oordeel van een collega. Ook heeft zij de vader excuses aangeboden over de gang van zaken. Desondanks heeft de jeugdprofessional met deze handelwijze naar het oordeel van het College artikel M (Verslaglegging en dossiervorming) van de Beroepscode Jeugd- en Gezinsprofessional, hierna de Beroepscode, geschonden. Uit de toelichting op dit artikel blijkt dat verslaglegging plaats dient te vinden volgens de beroepsstandaard, wat onder meer inhoudt dat een jeugdprofessional geen citaten mag overnemen uit een nog niet vastgesteld verslag.

4.4.5 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.5 Klachtonderdeel 4

4.5.1. De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional is niet op de hoogte van de te volgen procedure voor de NIFP-rapportage en kiest hierin haar eigen weg.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft haar twijfels over de NIFP-rapportage. Ze heeft op voorhand vragen in het belang van moeder. Het NIFP heeft de jeugdprofessional de procedure meerdere keren duidelijk gemaakt. Zij is ook meermaals gecorrigeerd door de betreffende psycholoog van het NIFP.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De concept rapportage van het NIFP riep veel vragen op, zowel bij [de instelling] als bij de jeugdprofessional. Op 26 augustus 2019 heeft de jeugdprofessional het NIFP per e-mail gevraagd of er bereidheid is antwoord te geven op deze vragen. De onderzoeker heeft daarop geantwoord dat geen reactie kon worden gegeven voordat iedereen akkoord was met de concept rapportage. De jeugdprofessional heeft vervolgens verzocht de vragen te beantwoorden zodra de rapportage definitief was.

4.5.3 Zowel de vader als de jeugdprofessional geven op dit onderdeel in de conclusie van repliek respectievelijk dupliek een algemene reactie. Hetgeen hiervoor onder kopje 4.1.2 en 4.1.3 is aangegeven, wordt geacht hier overgenomen en ingelast te zijn.

4.5.4 Het College overweegt als volgt:

Uit het verweerschrift van de jeugdprofessional en uit de overige stukken in het dossier blijkt voldoende duidelijk wat de gang van zaken is geweest rondom de vragen aan het NIFP. Het College ziet hier juist een betrokken jeugdprofessional die in het belang van de casus en de kinderen vragen heeft en hier graag zo spoedig mogelijk een antwoord op ontvangt. De conclusie dat deze vragen in het belang van de moeder zouden zijn, volgt het College geenszins. De vader is bovendien door de handelwijze van de jeugdprofessional op geen enkele wijze geschaad. Het voorgaande in acht genomen, is er naar het oordeel van het College geen aanleiding de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.5.5 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.6 Klachtonderdeel 5

4.6.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De gemachtigde van de vader wordt tijdens het overleg op 3 juli 2019 onbeschoft behandeld door de jeugdprofessional.

4.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Zij herkent zich niet in de weergave van haar houding ten opzichte van de gemachtigde van de vader. Voorafgaand aan het gesprek heeft de jeugdprofessional aan de vader laten weten dat zijn gemachtigde welkom was het gesprek bij te wonen als cliëntondersteuner, maar dat hij zich niet in de inhoud van het gesprek mocht mengen. In e-mailberichten is de rol van de gemachtigde helder uitgelegd en ook wat de consequentie is wanneer hij zich hier niet aan zou houden. Voorafgaand aan het gesprek heeft de jeugdprofessional de gemachtigde daar nogmaals op gewezen, waarmee hij akkoord is gegaan. Op het moment dat de gemachtigde toch het woord nam, heeft de jeugdprofessional hem hierop aangesproken.

4.6.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

Dat de jeugdprofessional zich niet herkent in het geschetste gedrag spreekt voor zich. Het verslag van de gemachtigde beschrijft de situatie. De jeugdprofessional heeft dat verslag ook direct na het gesprek ontvangen. Zij heeft daar niet op gereageerd en het ook niet weersproken.

4.6.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

Hij is geen professionele ondersteuner en geen betrokkene, en daarom zag de jeugdprofessional geen reden om op het verslag te reageren.

4.6.5 Het College overweegt als volgt:

Dat de gemachtigde van de vader onbeschoft is behandeld, is door de vader onvoldoende onderbouwd. De vader heeft enkel een e-mailbericht van 3 juli 2019 van de gemachtigde aan de jeugdprofessional bijgevoegd, dat voornamelijk bestaat uit eigen waarnemingen van het gesprek. Daarin staat ook genoemd dat de jeugdprofessional zich agressief zou hebben gedragen. De gemachtigde heeft het woord ‘onbeschoft’ niet in de mond genomen. De stelling dat de gemachtigde van de vader onbeschoft is behandeld, kan door het College dan ook niet worden vastgesteld. In de conclusie van repliek benoemt de vader voorts dat de jeugdprofessional niet meer heeft gereageerd op het verslag dat zijn gemachtigde daags na het gesprek aan de jeugdprofessional heeft gestuurd. Dit is een uitbreiding van de klacht en daarom zal het College hier geen oordeel over geven.

4.6.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.7 Klachtonderdeel 6

4.7.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De zorgen van de vader over de kinderen worden genegeerd. In het verslag van de GI staat dat er een handgemeen op straat zou zijn geweest. Dit is gekleurd door de jeugdprofessional nu de partner van de moeder de vader heeft mishandeld.

Toelichting:

De jeugdprofessional laat feiten bewust achterwege in haar rapportages. De laatste rapportage barst van de onwaarheden. De vader zou een leidinggevende functie hebben en hij zou een collega belasten, wiens vrouw bij de vorige GI zou werken. De feiten zijn echter dat de vader geen leidinggevende functie heeft en dat de beschuldiging een verzinsel is van de jeugdprofessional.

4.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

In oktober 2016 heeft er een incident plaatsgevonden. De jeugdprofessional heeft de gegevens hierover overgenomen uit de verslaglegging van de vorige GI. De jeugdprofessional heeft uiteindelijk antecedenten van de partner van de moeder opgevraagd. Die waren er niet. Daarna heeft de partner een VOG overgelegd. De informatie dat de vader een leidinggevende functie heeft of had, is bij de overdracht kennelijk verstrekt door de vorige GI en in het systeem opgeslagen.

4.7.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

De klachtencommissie van de GI heeft de klacht tegen de jeugdprofessional voor wat betreft het negeren van de mishandeling door de partner van de moeder gegrond verklaard. Pas daarna is de jeugdprofessional informatie gaan opvragen. Als de jeugdprofessional de moeite had genomen informatie op te vragen bij de lokale politie in plaats van in het centrale systeem, had zij eenvoudig kennis kunnen nemen van de werkelijke informatie over de partner. De partner had overigens een voorwaardelijke maatregel opgelegd gekregen maar de jeugdhulpverlening heeft verzocht er geen strafzaak van te maken. Anders had de partner geen VOG kunnen overleggen. Ook hier heeft het er de schijn van dat de jeugdprofessional niet geïnformeerd wil worden door andere professionals en slechts één doel voor ogen heeft: de kinderen moeten weg bij de vader.

4.7.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

Dat de klachtencommissie van de GI de klacht voor wat betreft de mishandeling van de vader door de partner van de moeder gegrond heeft verklaard, behoeft enige nuancering. De klachtencommissie heeft geoordeeld dat de klacht deels gegrond is, omdat de jeugdprofessional niet erkend heeft dat de partner van de moeder dit mogelijk wel heeft gedaan en dat maakt dat zij ook niet serieus ingaat op de zorgen die de vader heeft over mogelijke onveiligheid van de kinderen op het moment dat zij in het gezelschap van de partner van de moeder zijn. De klachtencommissie heeft voorts vastgesteld dat de jeugdprofessional wel op de vraag van de vader naar uitbreiding van het NIFP-onderzoek heeft gereageerd, door navraag te doen bij de vorige GI over de onderzoeksopdracht van het NIFP. Naar aanleiding hiervan heeft de jeugdprofessional geconcludeerd dat, mocht er iets aan de hand zijn met de partner van de moeder, dit uit het NIFP-onderzoek zou blijken. Dat de jeugdprofessional zou hebben verzocht er geen strafzaak van te maken, verneemt zij voor het eerst en is onjuist.

4.7.5 Het College overweegt als volgt:

Het hoofdargument van de vader betreft de feitelijke onjuistheden in de laatste rapportage. Deze “barst van de onwaarheden”, aldus de vader. Hij benoemt het incident met de partner van de moeder in 2016, hij benoemt dat in de rapportage staat dat hij leidinggevende is en voorts dat hij een collega zou belasten. De jeugdprofessional heeft zich aldus verweerd dat zij de door de vader genoemde feiten heeft overgenomen uit de rapportage van de vorige GI, en voorts dat zij over de partner van de moeder antecedenten heeft opgevraagd. Dat de rapportage barst van de onwaarheden is voor het College, wegens een gebrek aan onderbouwing, niet vast te stellen. De vader heeft de betreffende rapportage niet bijgevoegd, en uit de overige bijlagen bij dit klachtonderdeel is hierover geen informatie te vinden. In het dossier heeft het College wel een overdrachtsverzoek van 20 november 2018 van de vorige GI aangetroffen, waarin alleen gesproken wordt over de functie van de vader (leidinggevende) en het belasten van een collega. Nu de vader meerdere keren heeft aangegeven dat deze informatie niet klopt, was het naar het oordeel van het College passender geweest wanneer de jeugdprofessional navraag hierover had gedaan bij de vader. Dat zij dat heeft nagelaten, maakt niet dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij mocht er in beginsel op vertrouwen dat de informatie, die door de vorige GI was vergaard, deugdelijk was.

4.7.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.8 Klachtonderdeel 7

4.8.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De NIFP-rapportage is digitaal verstuurd, wat niet mag.

4.8.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De rapportage van het NIFP over beide kinderen heeft de jeugdprofessional per e-mail aan de school doorgestuurd. Daarvoor was toestemming van de ouders. De vader heeft ook zelf verzocht de rapportage digitaal te mogen ontvangen. Op zijn verzoek heeft de onderzoekster van het NIFP geantwoord dat zij de rapportage vanwege veiligheidsredenen niet digitaal verstuurt. Vervolgens heeft de vader de jeugdprofessional op dit antwoord gewezen en maakt hij haar een verwijt. Het NIFP heeft overigens op 9 januari 2020 alle rapportages digitaal (per e-mail) naar de GI gestuurd. De jeugdprofessional heeft in het kader van de AVG binnen de GI aandacht gevraagd voor het digitaal verzenden van rapportages.

4.8.3 Zowel de vader als de jeugdprofessional geven op dit onderdeel in de conclusie van repliek respectievelijk dupliek een algemene reactie. Hetgeen hiervoor onder kopje 4.1.2 en 4.1.3 is aangegeven, wordt geacht hier overgenomen en ingelast te zijn.

4.8.4 Het College overweegt als volgt:

Het klachtonderdeel is onvoldoende onderbouwd. In het door de vader bijgevoegde
e-mailbericht van 12 november 2019 deelt het NIFP hem mede dat zij de rapportage uit – veiligheidsoverwegingen – niet digitaal verstuurt. Uit het e-mailbericht van 20 november 2019 blijkt dat de jeugdprofessional de rapportage digitaal aan de school heeft verstuurd. De jeugdprofessional heeft onweersproken gesteld dat zij hiervoor toestemming had van beide ouders. Het College ziet in de klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

4.8.5 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.9 Klachtonderdeel 8

4.9.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional is al eerder een berisping opgelegd vanwege partijdigheid. De vader verwijst naar het register van SKJ.

4.9.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Zij heeft een berisping opgelegd gekregen, maar dat is voor deze zaak niet relevant.

4.9.3 Het College overweegt als volgt:

De vader heeft in dit klachtonderdeel onvoldoende concreet gemaakt tegen welk handelen van de jeugdprofessional, gericht tegen de vader of zijn kinderen, een verwijt gemaakt wordt.

4.9.4 Het College verklaart de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

4.10 Klachtonderdeel 9

4.10.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional en de IPT-er hadden verwacht dat de vader de NIFP-rapportage zou blokkeren. Dit is echter niet het geval. De moeder blokkeerde haar NIFP-rapportage.

4.10.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional ontkent met de vader gesproken te hebben over verwachtingen die zij zou hebben over het blokkeren van de NIFP-rapportage. De vader zegt dat de IPT-er dit tegen hem gezegd zou hebben tijdens een huisbezoek.

4.10.3 Het College overweegt als volgt:

Het door de vader bij dit klachtonderdeel gevoegde e-mailbericht van 5 december 2019 is afkomstig van de IPT-er van de vader. Daaruit blijkt dat niet de jeugdprofessional maar de IPT-er kennelijk een opmerking heeft gemaakt over het blokkaderecht van de moeder. Het College toetst echter alleen het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional en is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen te toetsen.

4.10.4 Het College verklaart de vader niet-ontvankelijk in dit het klachtonderdeel.

4.11 Klachtonderdeel 10

4.11.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Alle bescheiden voor de zitting zijn naar de verkeerde advocaat gestuurd. De jeugdprofessional is dus weer te betrappen op slordigheid en doet bewust aan pestgedrag.

Toelichting:

[naam Advocaten] is het verkeerde advocatenkantoor. Het juiste kantoor is van de heer mr. [naam] van [naam Advocaten].

4.11.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

[naam] van [naam Advocaten] heeft de vader bijgestaan bij de zitting van 18 november 2019 voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De jeugdprofessional is er – mogelijk te makkelijk – van uitgegaan dat zij de advocaat was, die de vader ook tijdens de zitting in 2020 zou vertegenwoordigen. De GI was er niet mee bekend dat mr. [naam] de vader bijstond in de aangehouden procedure volgend op de beschikking van februari 2019.

4.11.3 Zowel de vader als de jeugdprofessional geven op dit onderdeel in de conclusie van repliek respectievelijk dupliek een algemene reactie. Hetgeen hiervoor onder kopje 4.1.2 en 4.1.3 is aangegeven, wordt geacht hier overgenomen en ingelast te zijn.

4.11.4 Het College overweegt als volgt:

Uit het dossier blijkt niet dat de vader de jeugdprofessional, dan wel de GI van tevoren heeft geïnformeerd dat hij voor de zitting in 2020 door een andere advocaat vertegenwoordigd zou worden. Daarom valt het te rechtvaardigen en niet tuchtrechtelijk te verwijten dat de jeugdprofessional de stukken heeft gestuurd naar de advocaat waarvan zij dacht dat de vader bijstand kreeg. Bovendien kan van een professionele gemachtigde, zoals een advocaat, verwacht worden dat zij toegestuurde stukken direct verwijdert in het geval zij een cliënt niet meer bijstaat.

4.11.5 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.12 Klachtonderdeel 11

4.12.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Zij stelt dat de oudste dochter tot 23 december 2019 speltherapie zou hebben gehad. Dit klopt niet, de speltherapie liep tot 15 oktober 2019.

Toelichting:

De jeugdprofessional schrijft deze onjuiste datum in haar brief van 8 januari 2020. De oudste dochter zit dus al geruime tijd zonder speltherapie. De vader heeft aangegeven dat er voor de jongste dochter ook speltherapie moest komen, maar hier heeft de jeugdprofessional geen gehoor aan gegeven. De vader heeft dit gemeld bij de wethouder Zorg van [de gemeente], die graag op de hoogte gehouden wilde worden van dit soort misstanden.

4.12.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Zij verwijst naar een e-mailbericht van 18 februari 2020, waarin de speltherapeute aangeeft dat de indicatie verlengd moest worden tot 23 december 2019. De reden was om de administratie te kunnen bijwerken en verslaglegging te kunnen verzorgen. De therapie werd op 15 oktober 2019 afgesloten.

4.12.3 Het College overweegt als volgt:

Uit het dossier blijkt dat de jeugdprofessional in een e-mailbericht van 18 februari 2020 aan de vader heeft uitgelegd waarom verlenging van de indicatie voor de speltherapie met terugwerkende kracht nodig was. Kennelijk was de eerdere bepaling jeugdhulp verlopen op 9 oktober 2019 en had de speltherapeute nadien nog een aantal keer contact gehad met de oudste dochter, welke contacten anders niet meer geregistreerd konden worden. Toen de jeugdprofessional begreep dat de vader daarover een klacht had ingediend bij SKJ, heeft zij de speltherapeute gevraagd de gang van zaken rondom de indicatie aan de vader te verduidelijken. De e-mailcorrespondentie hierover tussen de jeugdprofessional en de speltherapeute heeft zij gevoegd bij eerdergenoemd bericht van 18 februari 2020 aan de vader. Daarmee heeft de jeugdprofessional in de ogen van het College zorgvuldig gehandeld en is van een tuchtrechtelijk verwijt geen sprake. Het College begrijpt de jeugdprofessional bovendien waar zij schrijft het jammer te vinden dat de vader – voordat hij de klacht ging indienen – haar niet gevraagd heeft wat de gang van zaken was rondom de verlenging van de indicatie.

In de toelichting op de klacht heeft de vader ook opgemerkt dat de oudste dochter al geruime tijd zonder speltherapie zit. Uit het door de vader bijgevoegde e-mailbericht van 2 september 2019 blijkt dat de speltherapeute de ouders heeft geïnformeerd dat de therapie voor de oudste dochter wordt afgebouwd, dat zij een eindverslag zal schrijven en dat de ouders nog vragen kunnen stellen. Voorts staat in e-mailcorrespondentie van 3 december 2019 van de jeugdprofessional aan de school dat het pas weer zin heeft om hulpverlening in te zetten voor de kinderen wanneer duidelijk is hoe de kaders er precies uit gaan zien, en er stabiliteit en rust kan komen. Meer informatie is hierover in het dossier niet te vinden. Het College ziet in de summiere opmerking van de vader over het ontbreken van speltherapie voor de oudste dochter en de bijgevoegde onderbouwing geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de jeugdprofessional. Dat de jeugdprofessional geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de vader de jongste dochter ook speltherapie te geven, is door de vader niet onderbouwd. Het College heeft in het dossier geen stukken aangetroffen waaruit het verzoek blijkt van de vader, dan wel een weigering daaraan tegemoet te komen van de jeugdprofessional.

4.12.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.13 Klachtonderdeel 12

4.13.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De vader zou leidinggevende zijn en een collega belasten wiens vrouw bij de vorige GI zou werken.

Toelichting:

De vader heeft geen leidinggevende functie en heeft geen collega wiens vrouw bij de vorige GI zou werken. De vader zou willen weten hoe de jeugdprofessional aan deze verzinsels komt en in een rapportage durft te zetten.

4.13.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Aangezien het hier dezelfde klacht betreft als onder klachtonderdeel 6, verwijst de jeugdprofessional naar haar verweer bij dat klachtonderdeel.

4.13.3 Het College overweegt als volgt:

Geconstateerd wordt dat dit klachtonderdeel overlap heeft met klachtonderdeel 6, waarin het College reeds geoordeeld heeft dat de jeugdprofessional er in beginsel op mocht vertrouwen dat de informatie, afkomstig van de vorige GI, deugdelijk was. Het College wijst dan ook naar het oordeel onder 4.7.5 en 4.7.6 van deze beslissing en stelt dit klachtonderdeel – om herhaling te voorkomen – buiten behandeling.

4.13.4 Het College stelt het klachtonderdeel buiten behandeling.

4.14 Klachtonderdeel 13

4.14.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Volgens de rapportage van de jeugdprofessional zou de vader de kinderen verwaarlozen.

Toelichting:

De huisarts, de kinderarts, de school en de buitenschoolse opvang zijn hier niet mee bekend. De vader geeft toestemming om hierover contact op te nemen met de huisarts van de kinderen.

De huisarts heeft gezegd dat de rechter contact met hem op mag nemen over de gesteldheid van de kinderen. De oogartsen van de oudste dochter zijn zeer tevreden over het verloop van de oogziekte, en de controles zijn afgebouwd. Ook de ouders van vriendjes, waar de kinderen vaak spelen, zijn een andere mening toebedeeld.

4.14.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De vader doelt op de verslaglegging van 9 januari 2020 waarin staat: “ …….en de zware emotionele belasting en verwaarlozing waaraan zij bij de vader worden blootgesteld te stoppen.” Bedoeld wordt hier emotionele verwaarlozing: het niet kunnen toestaan dat de moeder volwaardig deel uitmaakt van het leven van de kinderen. De jeugdprofessional heeft nimmer beweerd dat de vader de kinderen verwaarloost in de zin van het onvoldoende leveren van onderdak, scholing, medische zorg, voeding, kleding enz. In een e-mailbericht aan de vader van 24 april 2019 heeft de jeugdprofessional dan ook het volgende verteld: “Niet gezegd is dat u niet goed voor uw kinderen zorgt. We hebben getracht u duidelijk te maken dat u moet stoppen met het emotioneel belasten van de kinderen over hun moeder, dat uw kinderen daar erg onder lijden.”       

4.14.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

De jeugdprofessional stelt dat zij met haar zin uiteraard bedoelt ‘emotionele verwaarlozing’. Van een jeugdprofessional mag je verwachten dat de gebruikte taal glashelder is en ook wordt onderbouwd met voorbeelden en bronnen. Dit is namelijk een zware uitspraak die wordt tegengesproken door de andere genoemde professionals. Hun informatie is niet aan de rechter verstrekt.

 4.14.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

Dat informatie van de huisarts, de school en anderen niet aan de rechter is verstrekt, komt omdat die andere professionals en de GI geen zorgen hadden over de verzorging van de kinderen. De vader heeft zelf brieven van de huisarts, de medisch specialist en de school aan de rechtbank overgelegd.

4.14.5 Het College overweegt als volgt:

In de brief aan de rechtbank van 9 januari 2020 met betrekking tot de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen schrijft de jeugdprofessional op pagina 5 onderaan: “De [GI] acht het in het belang van de kinderen dat hun hoofdverblijf bij hun moeder wordt bepaald en dat zij uit de invloedssfeer van de vader worden gehaald. Het wordt als de enige mogelijkheid gezien om met name [de oudste dochter] in de gelegenheid te stellen om haar band met haar moeder te herstellen dan wel te verbeteren en de zware emotionele belasting én verwaarlozing waaraan zij bij de vader wordt blootgesteld te stoppen”. Het College overweegt dat de vader eerder in een e-mailbericht van 24 april 2019 aan de jeugdprofessional schrijft dat hij valselijk beschuldigd wordt, dat hij sinds de geboorte van de kinderen goed voor ze zorgt en dat zijn directe omgeving (familie, vrienden, buren, school en buitenschoolse opvang) dat kan bevestigen. Op dezelfde dag heeft de jeugdprofessional de vader geschreven dat niet is gezegd dat de vader niet goed voor de kinderen zorgt, maar dat getracht is hem duidelijk te maken dat de vader moet stoppen met het ‘emotioneel belasten’ van de kinderen. Het College overweegt dat nu de jeugdprofessional al in april 2019 – na hierover contact te hebben gehad met de vader – een nuancering heeft aangebracht en heeft uitgelegd wat bedoeld wordt met ‘verwaarlozing’ het zorgvuldig was geweest deze uitleg ook op te nemen in de brief aan de rechtbank. Van de jeugdprofessional mocht verwacht worden dat zij zich bewust is van de impact van deze bewoordingen op de vader. Het College concludeert dan ook dat de beschrijving van de jeugdprofessional van dat specifieke punt in de brief aan de rechtbank nauwkeuriger had gekund, maar dat is niet wat er bij een tuchtrechtelijke toetsing centraal staat. Centraal staat de vraag of de jeugdprofessional is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Gezien het feit dat de brief van zeven pagina’s van de jeugdprofessional op slechts één punt nauwkeuriger had kunnen zijn, is dit naar het oordeel van het College het geval.

4.14.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.15 Klachtonderdeel 14

4.15.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft gesteld dat noch zij, noch de IPT-ers, er voor zijn om met de oudste dochter te praten over haar onveiligheidsgevoel bij de moeder.

Toelichting:

Bijzonder kwalijk is het dat er in een geval waarbij de moeder stelde dat de vader de kinderen mishandelde, de jeugdprofessional het een goed idee vond dat de speltherapeute samen met de
IPT-er hierover met beide kinderen in een horecagelegenheid in gesprek ging. De onevenwichtigheid die dit naar het gevoel van de vader geeft in de beoordeling wanneer er wel of niet met de kinderen gesproken mag worden, doet hem vermoeden dat hier sprake is van willekeur van de jeugdprofessional. Waarom komt er wel een gesprek als de moeder iets aan de orde stelt, en niet als de vader iets naar voren brengt? De oudste dochter heeft dit ook meer dan eens nadrukkelijk uitgesproken, zodat het ook controleerbaar is.

4.15.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Zij betwist de stelling van de vader en meent dat de overgelegde bijlagen dit ook niet aantonen. De vader lijkt het voorval van het opsluiten van de oudste dochter door de moeder medio 2016 steeds weer actueel te maken, terwijl dit ver voor de ondertoezichtstelling heeft gespeeld. De RvdK heeft daar toen een standpunt over ingenomen, voorts maken de notulen van een overleg er geen melding van dat de moeder dit ook zou hebben toegegeven, en beide GI’s hebben zich gericht op de actuele zorgen in plaats van op een voorval waar beide ouders ieder hun eigen waarheid hebben. De vader is steeds duidelijk gemaakt dat het bewuste voorval berust op het woord van de vader tegenover het woord van de moeder. De speltherapeute heeft getracht het aan bod te laten komen (in de periode juni t/m september 2018) en toen heeft de oudste dochter verteld dat zij boosheid ervaart naar de moeder over deze situatie. Als de speltherapeute doorvraagt over wat er toen is gebeurd, antwoordt de dochter dat zij het niet meer weet omdat het zo lang geleden is.

4.15.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

De opvolgster van de jeugdprofessional heeft haar aanpak direct losgelaten en heeft kennis gemaakt met de kinderen en de ouders. Ook stelde zij dat de contacten tussen de oudste dochter en de moeder rustig moesten worden opgebouwd omdat het vertrouwen van de oudste dochter in de veiligheid bij de moeder het grootste probleem was. Daarnaast heeft zij therapie als leidraad genomen voor alle betrokkenen. De vader heeft aan dat verzoek onmiddellijk voldaan. Op de moeder wordt nog gewacht.

4.15.4 Het College overweegt als volgt:

De vader heeft zijn klacht onvoldoende helder beschreven. Ook de toelichting op de klacht maakt het voor het College niet duidelijk waar de vader op doelt. Voorts heeft de vader wederom foto’s bijgevoegd van het incident in 2016 en ziet het College in de bijgevoegde stukken onder meer verschillende e-mailberichten met betrekking tot het gesprek van 23 april 2019 tussen de kinderen, de IPT-er van de moeder en de speltherapeute en het verslag daarvan, berichten uit 2017 over het opsluiten van de oudste dochter en over de Jeugdbeschermingstafel. Het College verwijst naar een eerdere beslissing van het College van Beroep (zaak 17.028Ba, onder 3.3.10), waarin staat dat de verantwoordelijkheid om klachten als omschreven in artikel 7.4, onder d. van het Tuchtreglement (versie 1.3) helder te formuleren bij een klager ligt. De inhoud van de klachten die ter beoordeling aan de tuchtcolleges van SKJ voorliggen, dient voor alle betrokkenen, inclusief de colleges zelf, helder te zijn. Om de schijn van partijdigheid te voorkomen, heeft het College van Toezicht, dan wel het College van het Beroep, niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren, te destilleren en/of te interpreteren uit een door klager aangeleverde toelichting. Dat de jeugdprofessional in haar verweerschrift wel aanleiding heeft gezien om op de klacht van de vader te reageren, maakt dit niet anders. Bovendien is de jeugdprofessional pas in maart 2019 betrokken geraakt.

4.15.5 Het College verklaart de vader – nu de klacht onvoldoende helder en concreet is geformuleerd/onderbouwd – niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

4.16 Klachtonderdeel 15

4.16.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Er worden door de jeugdprofessional zelfstandig dwangsommen opgelegd.

Toelichting:

Als een IPT-er aan de deur staat en de oudste dochter zegt dat ze niet mee wil, dan vertrekt de IPT-er zonder een poging te doen haar mee te nemen. De IPT-er die bij moeder haar diensten verleent, vervangt de IPT-er die bij vader komt en vertelt aan de oudste dochter dat ze met haar zusje en moeder gaat zwemmen. Achteraf heeft deze IPT-er schriftelijk aangegeven dat ze een zogenaamd leugentje om bestwil heeft verteld om de oudste dochter mee te krijgen. Dat dit het vertrouwen ernstig schaadt, is op dat moment kennelijk geen probleem. Als vervolgens de oudste dochter weer zegt dat ze niet mee wil, volgt op basis van het verslag van deze IPT-er een dwangsom van de jeugdprofessional. In het afsluitende gesprek met [de instelling], waarbij de manager en de IPT-er aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de vader, heeft de IPT-er nadrukkelijk aangegeven dat ze nooit iets zou doen waardoor het vertrouwen van de oudste dochter in de hulpverlening kan worden geschaad. Op de vraag of het vertrouwen in de vader dan wel moet worden geschaad, blijft zij het antwoord schuldig. De jeugdprofessional gaat, zonder dat zij zelf ook maar ooit hierover met de oudste dochter heeft gesproken of zelf de oudste dochter heeft gezien als voogd, blindelings af op de IPT-ers. De verslagen van de IPT-ers zijn niet altijd volledig of juist, zoals uit correcties van de vader ook blijkt.

4.16.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De betreffende dwangsommen zijn uitgesproken en opgelegd door de rechtbank in twee verschillende beschikkingen van 1 oktober 2019.

4.16.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

In de loop van de tijd is door de jeugdprofessional, beide IPT-ers en de moeder getracht de oudste dochter te overtuigen wel naar de moeder te gaan. Echter zonder resultaat. De jeugdprofessional heeft toen besloten de vader meerdere dwangsommen op te leggen. In de beschikking staat: “…. als de vader de aanwijzing niet nakomt”. De vader had de intentie de aanwijzing na te komen maar de oudste dochter verzette zich nadrukkelijk tegen de moeder en de IPT-ers vanwege een gevoel van onveiligheid. De jeugdprofessional heeft nooit iets gedaan met die informatie en bleef ervan uitgaan dat het aan de vader lag. Zij is de bron van de informatie op basis waarvan de dwangsommen onterecht zijn opgelegd.

4.16.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

In de beschikking van 1 oktober 2019 wordt bepaald dat een dwangsom kan worden opgelegd als de vader zich niet aan de schriftelijke aanwijzing houdt. De vader gaf geen uitvoering aan de omgangsregeling en liet de hulpverlening niet binnen. Daarom zijn de dwangsommen verbeurd.

4.16.5 Het College overweegt als volgt:

Het eerste deel van de klacht van de vader gaat over de IPT-er. Reeds bij klachtonderdeel 9 heeft het College opgemerkt dat alleen het individuele handelen van de jeugdprofessional wordt getoetst en niet dat van andere personen, zoals in dit geval van de IPT-er(s).

Ten aanzien van het deel van de klacht van de vader dat er door de jeugdprofessional dwangsommen zijn opgelegd, is het College gebleken dat de kinderrechter twee schriftelijke aanwijzingen – met oplegging van een dwangsommen – heeft bekrachtigd. Daarvoor wordt verwezen naar 2.24 en 2.25, onder ‘De feiten’ van deze beslissing. Het is dan ook niet de jeugdprofessional die de dwangsommen heeft opgelegd. Dat is voorbehouden aan de kinderrechter en het is gebleken dat de jeugdprofessional vervolgens in lijn met de beschikkingen van 1 oktober 2019 gehandeld heeft. Het is niet aan het College om de beschikking van de kinderrechter inhoudelijk te toetsen.

4.16.6 Het College verklaart de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

4.17 Conclusie

Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 3 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft over de oudste dochter geciteerd uit de concept rapportage van het NIFP in een schriftelijke aanwijzing, wat naar het oordeel van het College niet zorgvuldig is geweest. De jeugdprofessional heeft artikel M (Verslaglegging/ dossiervorming) van de Beroepscode geschonden. Daar staat tegenover dat de jeugdprofessional haar handelen achteraf wel heeft getoetst aan het oordeel van een collega. Tevens heeft zij de vader, en ook het NIFP, excuses aangeboden. Niettemin gaat het College ervan uit dat het oordeel op dit punt ertoe bijdraagt dat de jeugdprofessional voor toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast, zodat deze in lijn is met de professionele standaard. Nu de overige de klachtonderdelen ongegrond zullen worden verklaard, dan wel de vader in een aantal klachtonderdelen niet-ontvankelijk zal worden verklaard, en voorts de jeugdprofessional in de ogen van het College zeer betrokken is geweest en haar uiterste best heeft gedaan de belangen van de kinderen zo goed mogelijk te behartigen, is er voldoende aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • stelt klachtonderdeel 12 buiten behandeling;
  • verklaart de vader niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 8, 9, 14 en 15;
  • verklaart klachtenonderdeel 3 gegrond;
  • verklaart de klachtonderdelen 1, 2, 4, 5, 6, 7, 10, 11 en 13 ongegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 31 augustus 2020 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris