Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen de jeugdbeschermer dat hij klager buiten spel heeft gezet, niet respectvol met klager is omgegaan, relevante medische informatie heeft achter gehouden en onjuiste informatie over de kinderen heeft verstrekt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter;
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist;
mevrouw D. de Gelder,
E.A.J. Ouwerkerk,
E.H. Weise, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:
de heer A., hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

de heer B., hierna te noemen: beklaagde, werkzaam bij de gecertificeerde instelling [..], de GI.

1. Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift d.d. 15 juni 2016, aangevuld op 11 juli 2016 met bijlagen;
– het verweerschrift d.d. 2 augustus 2016 met bijlagen.

De eerste behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 7 november 2016 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de gemachtigde van beklaagde. Ter zitting heeft klager de voorzitter gewraakt. Er is een wrakingsprocedure gevolgd waarin het wrakingsverzoek is toegewezen.
De behandeling van de klacht is voortgezet door het College in bovengenoemde samenstelling, met een hoorzitting op 2 februari 2017, in aanwezigheid van klager, beklaagde en de gemachtigde van beklaagde.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat het zich voldoende geïnformeerd acht en dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2. De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

a. Klager heeft uit een inmiddels ontbonden huwelijk twee zonen, H., geboren op [geboortedatum] 1999, en Z., geboren op [geboortedatum] 2003. De verstandhouding tussen klager en zijn ex-partner (hierna te noemen: moeder) is problematisch. Klager heeft sinds september 2014 geen omgang met H. en Z.

b. De hulpverlening aan klager, moeder, H. en Z. heeft vanaf het begin van 2013 tot en met 22 april 2014 in het vrijwillig kader plaatsgevonden.

c. Op 15 januari 2014 is moeder kortstondig opgenomen in het ziekenhuis. Klager heeft zich gemeld bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (ggz). H. en Z. zijn aangemeld bij instelling F. voor traumaverwerking. Op 17 januari 2014 is spoedeisende zorg ingezet. Van 16 januari 2014 tot 24 maart 2014 zijn Z. en H. tijdelijk in een netwerkpleeggezin ondergebracht. Sinds 24 maart 2014 wonen Z. en H. bij moeder. Op 20 januari 2014 is een veiligheidsplan opgesteld. Op 24 januari 2014 heeft moeder met H. en Z. de echtelijke woning verlaten.

d. Op 10 april 2014 is in het vrijwillig kader een Evaluatie Behandelplan opgesteld. In deze evaluatie staat dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de GI geen bedenkingen hebben tegen de verblijfplaats van Z. en H. bij moeder.

e. H. en Z. zijn vervolgens bij beschikking d.d. 23 april 2014 onder toezicht gesteld van de GI tot en met 23 april 2015. Het Evaluatie Behandelplan is vanaf de aanvang van de ondertoezichtstelling (ots) als startdocument gebruikt.

f. De rechtbank heeft de ots op 27 mei 2015 verlengd. In de periode van 23 april 2015 tot en met 27 mei 2015 is door een wrakingsverzoek van klager een hiaat in de ots ontstaan. Met instemming van moeder is na 23 april 2015 de hulp tijdelijk in een vrijwillig kader voortgezet. Op 27 mei 2015 is de ots bij een beschikking van de rechtbank verlengd tot 23 april 2016. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd op 8 december 2015.

g. Bij beschikking d.d. 1 juli 2015 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van H. en Z. bij moeder vastgesteld. De rechtbank heeft op dezelfde datum de echtscheiding tussen klager en moeder uitgesproken. Het hof heeft deze beschikkingen bekrachtigd op 21 april 2016.

h. Beklaagde heeft de werkzaamheden van een collega overgenomen en is van 2 maart 2015 tot 28 september 2015 door de GI aangesteld als gezinsvoogd van H. en Z. Een collega van beklaagde is betrokken als de gezinsvoogd van klager en moeder. Beklaagde en zijn collega zijn gezamenlijk verantwoordelijk geweest voor de uitvoering van de ots. Na 28 september 2015 heeft beklaagde door ziekte zijn werkzaamheden niet kunnen uitvoeren.

i. Op 3 april 2015 heeft een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen klager en beklaagde.

j. Op 21 mei 2015 is een gesprek gepland tussen klager, moeder en beklaagde. Klager heeft deze afspraak afgezegd wegens gezondheidsredenen. Klager heeft een afspraak op 9 juni 2015 wederom afgezegd wegens gezondheidsredenen.

k. In april 2015 heeft de GI een onderzoek aangevraagd ten aanzien van klager, moeder, H. en Z. Het doel van het onderzoek was duidelijkheid te verkrijgen over belemmerende factoren in de communicatie tussen klager en moeder, over het niet op gang komen van de omgang tussen klager en H. en Z., en om te bezien welke omgang in het belang van H. en Z. was. Het onderzoek had eveneens tot doel om een advies te ontvangen over passende omgang tussen klager en H. en Z. en over het communicatieherstel tussen klager en moeder.

l. Beklaagde heeft klager op 21 september 2015 een e-mail gestuurd. In deze e-mail heeft beklaagde beschreven dat [instelling] I. van mening is dat een diagnostisch onderzoek ten aanzien van klager geen meerwaarde meer heeft, onder meer nu H. en Z. zijn gestart met hun behandeling.

m. H. en Z. zijn behandeld door [instelling] K. Op 25 juni 2015 heeft een intakegesprek plaatsgevonden.

n. Op 23 juni 2015 heeft klager informatie over een zorgmelding van school en medische verwijsbrieven van de huisarts voor H. en Z. voor hun behandeling bij [instelling] K. verspreid onder ouders en kinderen op school. Beklaagde heeft op 24 juni 2015 een e-mail gestuurd aan klager. Beklaagde heeft klager bericht dat de GI een schriftelijke aanwijzing zal geven als klager niet stopt met het verspreiden van deze informatie. Beklaagde heeft moeder op 24 juni 2015 gemaild met het advies om aangifte te doen van smaad, laster en persoonlijke beschadiging van Z. en H. Beklaagde heeft tevens voorgesteld om in een gesprek met H. en Z. bovengenoemde gebeurtenis te bespreken en hen de mogelijkheid te bieden om aangifte te doen.

o. De rechtbank heeft bij beschikking van 30 september 2015 een bijzonder curator aangesteld voor H. en Z. De rechtbank heeft het aan de bijzonder curator overgelaten om af te wegen of het ondernemen van juridische stappen tegen klager in het belang is van H. en Z.

p. Op 23 december 2015 is bij beschikking moeder belast met eenhoofdig gezag over H. en Z.

q. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3. De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I. Beklaagde heeft in strijd gehandeld met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (hierna te noemen: de Beroepscode).

II. Beklaagde heeft klager buiten spel gezet. Hij heeft zich vooral gericht op moeder en heeft de redenen hiervoor niet aan klager meegedeeld.

III. Beklaagde is niet respectvol met klager omgegaan. De opvoedingsvaardigheden van moeder hebben niet ter discussie gestaan. De opvoedingsvaardigheden van klager hebben daarentegen wel ter discussie gestaan. Z. en H. hebben vaderangst en vaderhaat ontwikkeld waardoor klager steeds minder contact met H. en met Z. kon hebben. Beklaagde zette volgens klager het beleid van de GI voort, waardoor klager slechts een uur per maand omgang met H. en met Z. had. Beklaagde heeft H. geadviseerd om aangifte te doen tegen klager en beklaagde is daartoe met H. en met Z. naar het politiebureau gegaan.

IV. Beklaagde heeft relevante medische informatie voor klager achter gehouden.

V. Beklaagde heeft bewust onjuiste informatie over de kinderen verstrekt. Drie medische professionals hebben gerapporteerd dat sinds de aanvang van de ots de ontwikkelingsbedreigingen van H. en Z. zijn toegenomen. Op 29 april 2015 heeft beklaagde klager bericht dat het goed met de kinderen gaat en dat zij veel baat hebben bij de gesprekken met het schoolmaatschappelijk werk. Beklaagde heeft school verzocht om geen informatie aan klager te verstrekken.

VI. Beklaagde heeft H. en Z. aangezet tot het doen van aangifte. Beklaagde heeft H. en Z. belast met volwassenenproblematiek, heeft de vaderhaat aangewakkerd en heeft het loyaliteitsconflict van H. en Z. verergerd.

VII. Beklaagde heeft zonder geldige reden een voor het gezinssysteem belangrijk gedragskundig onderzoek geannuleerd.

4. Het verweer

Beklaagde kan zich niet verenigen met de klachten en voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

Beklaagde voert primair een niet-ontvankelijkheidsverweer.
H. heeft geen toestemming verleend aan klager om hem te vertegenwoordigen. H. is 17 jaar en wil geen contact met klager. Het is beklaagde niet duidelijk of H. kennis heeft genomen van de klacht van klager. Ook ten aanzien van Z. rijst de vraag of Z. op de hoogte is van het middels de onderhavige tuchtklacht verspreiden van informatie over hem. Zowel H. als Z. hebben in het verleden ernstig bezwaar gemaakt tegen het verspreiden van informatie over hen door klager. Beklaagde concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de klachten van klager daar waar hij klaagt namens H. en Z.

Indien en voor zover het College de klachten ontvankelijk verklaart, wenst beklaagde als volgt verweer te voeren.

I. Het is beklaagde niet helder waar het klachtonderdeel betrekking op heeft. Een duidelijke omschrijving en een tijdvak ontbreekt.

II. Beklaagde heeft een goede en efficiënte samenwerking met moeder gehad. Beklaagde heeft geprobeerd om klager bij de uitvoering van de ots te betrekken. Klager heeft niet met beklaagde en zijn collega in gesprek willen gaan.

III. Het klachtonderdeel bevat geen duidelijke omschrijving. Een datum of tijdvak ontbreekt.

IV. Klager heeft de rapportage vanuit [instelling] K. over de hulpverlening aan de kinderen en de verwijsbrieven van de huisarts zelf verspreid en gedeeld met ouders en kinderen op de school van H. en Z.

V. Het klachtonderdeel bevat geen duidelijke omschrijving. Een datum of tijdvak ontbreekt.

VI. Beklaagde heeft H. geadviseerd om aangifte te doen over het door klager verstrekken van privacygevoelige informatie over H. en Z. op hun school aan ouders en leerlingen.

VII. Beklaagde verwijst naar de e-mail die hij op 21 september 2015 aan klager heeft gestuurd. Het is beklaagde niet gelukt om een vorm van constructief overleg of samenwerking met klager in het belang van H. en Z. tot stand te brengen. Klager heeft zijn aandacht gericht op formele en juridische procedures waardoor de samenwerking is gefrustreerd en het welzijn van H. en Z. ondergeschikt is gemaakt aan deze procedures.

5. De beoordeling van de ontvankelijkheid

Het College stelt het volgende vast.
Uit hetgeen ter zitting door beklaagde is verklaard, is gebleken dat beklaagde de klachten van klager heeft opgevat als betrekking hebbend op handelen van beklaagde jegens of met gevolgen voor klager.
Het College verklaart de klachten derhalve ontvankelijk.
Het College zal in het navolgende onderzoeken of het door klager gestelde handelen van beklaagde jegens klager in strijd is met de professionele standaard geldend in het jeugddomein.

6. De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College overweegt als volgt.

I. In dit eerste klachtonderdeel stelt klager dat beklaagde de beroepscode heeft geschonden.
Het College begrijpt dit klachtonderdeel als volgt. Klager is van mening dat beklaagde de beroepscode schendt met het in de klachtonderdelen II tot en met VII beschreven handelen. Het College stelt vast dat klachtonderdeel I zelfstandige betekenis mist en besluit om het onderdeel in samenhang met de klachtonderdelen II tot en met VII te behandelen.

II. In dit tweede klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat deze hem buitenspel heeft gezet. Het College stelt vast dat uit hetgeen beklaagde in het verweerschrift en mondeling ter zitting heeft aangevoerd, blijkt dat beklaagde zich in redelijkheid heeft ingespannen om met klager tot een gesprek te komen. Beklaagde heeft klager immers uitgenodigd voor een gesprek, te houden op 21 mei 2015 en, omdat klager dit gesprek heeft afgezegd, voor een gesprek te houden op 9 juni 2015, welk gesprek eveneens door klager werd afgezegd. Beklaagde heeft in zijn email van 24 juni 2015 klager bericht dat het aanbod om in gesprek te treden van de zijde van beklaagde nog steeds openstond.
Het College beoordeelt klachtonderdeel II derhalve als ongegrond.

III en VI. Het College zal de klachtonderdelen III en VI, gezien de samenhang tussen beide klachtonderdelen, gezamenlijk bespreken en overweegt als volgt.
Klager verwijt beklaagde dat hij niet respectvol met klager is omgegaan door bij H. en Z. vaderangst en vaderhaat aan te wakkeren waardoor klager steeds minder contact met H. en Z. kon hebben. Beklaagde zette volgens klager het beleid van de GI voort, waardoor klager slechts een uur per maand omgang met H. en Z. had. Beklaagde heeft H. en Z. geadviseerd om aangifte te doen tegen klager, en beklaagde is daartoe met H. en Z. naar het politiebureau gegaan.
Het College stelt op grond van het dossier en op grond van hetgeen ter zitting is verhandeld vast dat klager geen gebruik heeft gemaakt van de herhaalde uitnodigingen van beklaagde om een gesprek over H. en Z. te voeren. Hierdoor heeft klager aan beklaagde de mogelijkheid ontnomen om het gevoerde beleid nader uit te leggen en te bespreken.
Het College stelt voorts vast dat beklaagde zijn voornemen om H. te adviseren om aangifte tegen klager te doen in een multidisciplinair overleg heeft besproken en dat in dit overleg is vastgesteld dat H. en Z. er gefrustreerd over bleken te zijn dat klager zeer gevoelige (medische) gegevens over H. en Z. zonder noodzaak onder derden had verspreid. Het College overweegt dat beklaagde, onder de omstandigheden van dit geval, in redelijkheid kon besluiten dat hij H. en Z. tot hun recht liet komen door hen te adviseren aangifte te doen.
Het College stelt voorts vast dat wel door klager is gesteld maar niet is gebleken dat beklaagde H. en Z. naar het politiebureau heeft begeleid.
Het College beoordeelt klachtonderdeel III en klachtonderdeel VI derhalve als ongegrond.

IV en V. Het College zal de klachtonderdelen IV en V, gezien de samenhang tussen beide klachtonderdelen, gezamenlijk bespreken en overweegt als volgt.
Klager verwijt beklaagde dat hij relevante medische informatie over H. en Z. voor klager heeft achtergehouden en bewust onjuiste informatie over hen heeft verstrekt.
Het College stelt vast dat beklaagde op 29 april 2015 klager heeft bericht dat hij met H. en met Z. een gesprek heeft gehad en dat hij voor de onderwerpen van het gesprek klager heeft verwezen naar het kennismakingsgesprek van 3 april 2015 en naar zijn email van 22 juni 2015 en van 29 juni 2015. Het College stelt voorts vast dat beklaagde in zijn e-mail van 29 april 2015 aan klager gemotiveerd uiteenzet, onder verwijzing naar omstandigheden en naar gronden, waarom klager geen nadere informatie heeft gekregen over de inhoud van de gesprekken die beklaagde heeft gevoerd met H. en met Z.
Het College overweegt dat beklaagde aldus handelend zorgvuldig heeft gehandeld.
Het College beoordeelt klachtonderdeel IV en klachtonderdeel V derhalve als ongegrond.

VII. In dit zevende klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat deze een voor het gezinssysteem belangrijk gedragskundig onderzoek zonder geldige reden heeft geannuleerd.
Het College stelt vast dat beklaagde tweemaal vooroverleg met [instelling] I. heeft gevoerd over de meerwaarde van diagnostisch onderzoek voor besluitvorming door de GI. Beklaagde stelt in zijn verweer dat het op grond van dit overleg duidelijk werd dat van de onderzoeksvragen die in juni 2015 over H., Z. en hun moeder werden geformuleerd, de nog onbeantwoorde vragen betrekking hadden op klager. Beklaagde stelt voorts dat diagnostisch onderzoek extra belasting van H. en Z. met zich zou brengen en dat beantwoording van de hiervoor genoemde vragen in relatie tot die extra belasting onvoldoende meerwaarde zou bieden voor inhoudelijke besluitvorming.
Beklaagde stelt in zijn verweer voorts dat klager contact met de gezinsvoogden afhoudt en dat sinds de ots vanaf april 2014 door verschillende gezinsvoogden tevergeefs is getracht om een samenwerkingsrelatie met klager op te bouwen. Het doel van de beoogde samenwerkingsrelatie is om met klager te werken aan de opheffing van de ontwikkelingsbedreiging voor H. en Z. Omdat klager bij voortduring zijn aandacht richt op formele en juridische procedures lukt het niet om in samenwerking met klager de focus te richten op het welzijn van H. en Z., op de zorgen die er bestaan over hun welzijn en op de vraag wat er nodig is om deze zorgen op te heffen. De GI heeft onder meer om deze reden besloten af te zien van het verzochte onderzoek omdat het niet verwacht dat de beantwoording van de geformuleerde onderzoeksvragen in een diagnostisch onderzoek zal leiden tot een andere opstelling van klager.
Het College overweegt dat beklaagde in deze situatie op zorgvuldige wijze heeft bijgedragen aan het besluit om het gedragskundig onderzoek niet te laten uitvoeren.
Het College beoordeelt klachtonderdeel VII derhalve als ongegrond.

Samenvattend overweegt het College dat niet kan worden gesteld dat beklaagde in strijd met de voor hem geldende professionele standaard heeft gehandeld.

7. Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing.
Het College van Toezicht verklaart de klacht op alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 30 maart 2017 en op die datum door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris