Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht met betrekking tot het niet laten doorgaan van begeleide contactmomenten in het begin van de Covid-19 pandemie wordt ongegrond verklaard.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,
de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[de moeder], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 20 april 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als casemanager jeugd bij [sociaal team] hierna te noemen: sociaal team.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:
– het aangepaste klaagschrift ontvangen op 24 april 2020;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 10 juni 2020;
– het verweerschrift ontvangen op 7 juli 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 3 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), versie 2, hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De moeder heeft, ondanks een nieuw verzoek hiertoe vanuit het College, geen conclusie van repliek ingediend. Hierdoor is geen ronde van repliek en dupliek gevoerd.

1.4 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 30 september 2020. De beslissing is op 11 november 2020 aan partijen verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft twee minderjarige zoons. De oudste zoon is geboren in 2009 en de jongste zoon is geboren in 2011, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2018 gescheiden. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De kinderen wonen bij de vader.

2.3 Tussen de moeder en de kinderen is sinds 25 juni 2019 sprake van begeleide contactmomenten vanuit [de instelling]. Daarvoor heeft de moeder de kinderen een lange periode niet gezien.

2.4 [de instelling] heeft een melding bij Veilig Thuis gedaan, omdat de kinderen tussen de ouders in staan en belangrijke onderwerpen niet bespreekbaar zijn.

2.5 Veilig Thuis heeft op 5 maart 2020 contact opgenomen met de jeugdprofessional. Veilig Thuis heeft aan de ouders voorgelegd dat kan worden onderzocht of er nog mogelijkheden zijn om in het vrijwillig kader samen te werken met de hulpverlening. De ouders zijn akkoord gegaan met hulpverlening in het vrijwillig kader. Op 13 maart 2020 heeft Veilig Thuis de casus telefonisch overgedragen aan het sociaal team en start de betrokkenheid van de jeugdprofessional. De schriftelijke overdracht vanuit Veilig Thuis is op 18 maart 2020 ontvangen.

2.6 De jeugdprofessional heeft op 17 maart 2020 telefonisch overleg gehad met de begeleider van [de instelling]. De begeleider heeft aangeven dat geen begeleide contactmomenten kunnen plaatsvinden, in verband met de maatregelen omtrent Covid-19. Daarnaast heeft de begeleider aangegeven dat het de bedoeling was dat samen met de ouders werd gekeken naar een andere jeugdhulporganisatie die de begeleide contactmomenten vorm zou geven. Dit overleg heeft wegens Covid-19 niet plaatsgevonden.

2.7 Met [de instelling] is de afspraak gemaakt dat de jeugdprofessional met de ouders in gesprek gaat om te bekijken welke zorgaanbieder geschikt is om de contactmomenten te gaan begeleiden. Tevens wordt afgesproken dat een plan wordt gemaakt door de jeugdprofessional, [de instelling] en de ouders om te kijken wat de mogelijkheden zijn om de contactmomenten weer op te bouwen.

2.8 Op 20 maart 2020 heeft de begeleider van [de instelling] in een e-mailbericht aan de jeugdprofessional, voor zover relevant, het volgende aangegeven: “We zien meer ouders die corona ‘inzetten’ in de omgang. Wat mij betreft kunnen ouders in principe hun kinderen zien, maar in dit geval is het lastig omdat wij de omgang nu niet kunnen begeleiden. Ik vind onbegeleide omgang voor de kinderen eigenlijk nog een stap te ver, aan de andere kant kan ik me ook voorstellen dat we vanwege corona nu gaan oefenen met onbegeleid. […] Ik wil graag even sparren met mijn collega [naam] met wie ik deze casus doe. Je hoort weer even van mij.”

2.9 De begeleider van [de instelling] maakt op 23 maart 2020 per e-mailbericht aan de jeugdprofessional het volgende kenbaar: “Met mijn collega besproken dat we nu geen onbegeleide omgang moeten doen, dan loopt het verder uit de hand. […] Dus we blijven bij ons advies: contact tussen moeder en de kinderen via (beeld)bellen.”

2.10 Op 24 maart 2020 heeft de jeugdprofessional de ouders per e-mailbericht geïnformeerd dat in verband met de richtlijnen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in ieder geval tot 6 april 2020 geen begeleid contactmoment kan plaatsvinden. Daarna wordt gekeken aan de hand van de richtlijnen van het RIVM welke opties mogelijk zijn. De vader heeft eerder kenbaar gemaakt, mede wegens de longaandoening van de oudste zoon, zich aan de richtlijnen van het RIVM te willen houden; dus geen contact meer met anderen.

2.11 Naar aanleiding van de persconferentie van 31 maart 2020, waarin kenbaar is gemaakt dat de maatregelen rondom Covid-19 worden verlengd, heeft de jeugdprofessional een e-mailbericht aan de ouders gestuurd waarin zij aangeeft dat in ieder geval tot eind april geen begeleide contactmomenten kunnen plaatsvinden. Ook is in dit e-mailbericht aangegeven dat de jeugdprofessional en [de instelling] het contact tussen de moeder en de kinderen willen stimuleren. Zo kunnen de moeder en de kinderen blijven beeldbellen, online spelletjes doen of elkaar filmpjes sturen.

2.12 De huisarts van de kinderen heeft op 16 april 2020 laten weten dat de begeleide contactmomenten op medisch vlak (van de kinderen) doorgang kan vinden. Ook voor de oudste zoon zou dit geen groot risico met zich meebrengen.

2.13 Op 24 april 2020 heeft [de instelling] kenbaar gemaakt dat zij, omdat de hulpverleningsrelatie met de moeder en het vertrouwen dusdanig verstoord is geraakt, per direct met de hulpverlening stopt. De moeder laat vervolgens weten voornemens te zijn om de kinderen op 29 april 2020 op te halen voor een contactmoment, welke de opa van moederszijde kan begeleiden. De jeugdprofessional heeft de ouders daaropvolgend voorgesteld om een veiligheidsplan op te stellen. De vader staat hier niet voor open.

2.14 De jeugdprofessional heeft de ouders op 14 mei 2020 ingelicht dat wordt overgegaan tot een verzoek tot onderzoek (VTO).

2.15 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2019 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De jeugdprofessional heeft niet aan hoor en wederhoor gedaan.

Toelichting:
Op 3 april 2020 heeft de jeugdprofessional de moeder een e-mailbericht gestuurd over een mogelijk alternatief voor de huidige begeleide contactregeling. Daarbij heeft de jeugdprofessional een aantal van belang zijnde aspecten opgesomd en geconcludeerd dat de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen hetzelfde blijft (dus geen begeleid contact), tot in ieder geval eind april. De jeugdprofessional heeft de argumenten van de vader weergegeven in dit e-mailbericht, zonder de moeder om een mening te vragen. De jeugdprofessional heeft dus een volledig eenzijdig beeld van de situatie geschetst.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De moeder refereert in haar toelichting naar de gestuurde e-mailberichten van 24 maart en 3 april 2020. De jeugdprofessional benadrukt dat het e-mailbericht van 24 maart 2020 mede namens [de instelling] is opgesteld op basis van de verschillende contacten die zij met de ouders en [de instelling] heeft gehad. In het e-mailbericht van 24 maart 2020 zijn de argumenten van [de instelling] en de jeugdprofessional ten aanzien van de contactmomenten uiteengezet. Dit e-mailbericht is gestuurd naar aanleiding van het onverwacht verschijnen van de moeder bij het huis van de vader met als doel om de kinderen op te halen. Er is geenszins sprake van dat het e-mailbericht is gebaseerd op de argumentatie van de vader. Overigens geeft de moeder ook niet aan welke argumentatie van de vader afkomstig zou zijn. De jeugdprofessional is van mening dat zij voldoende hoor en wederhoor heeft gepleegd. Uiteraard is fysiek contact met de ouders het prettigst en heeft dit te allen tijde de voorkeur. Dit was op dat moment niet mogelijk vanwege Covid-19. De jeugdprofessional is er van overtuigd dat het voor de ouders in een situatie als deze, waarin sprake is van complexe scheidingsproblematiek en het vertrouwen in de andere ouder en hulpverlening niet/onvoldoende aanwezig is, het extra gecompliceerd is dat er geen fysiek overleg kan plaatsvinden met de betrokken hulpverlening.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
De moeder stelt dat de jeugdprofessional alleen de argumenten van de vader heeft weergegeven voor wat betreft de begeleide contactmomenten. De moeder heeft nagelaten duidelijk aan te geven welke argumenten van de vader afkomstig zouden zijn. De jeugdprofessional heeft daarentegen in haar verweerschrift gemotiveerd aangegeven en met stukken onderbouwd dat zij meerdere malen overleg heeft gepleegd met [de instelling] en ook contact heeft gehad met beide ouders voor wat betreft de begeleide contactmomenten. Het College volgt de jeugdprofessional in haar verweer dat zij heeft mogen vertrouwen op de informatie zoals door [de instelling] aan haar verstrekt. Doordat de moeder heeft nagelaten schriftelijk te reageren op het verweerschrift middels een conclusie van repliek, staat het voor het College vast dat de jeugdprofessional beide ouders en [de instelling] heeft geraadpleegd voor wat betreft de begeleide contactmomenten tussen de moeder en de kinderen. Het College concludeert dan ook dat sprake is geweest van hoor en wederhoor.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De jeugdprofessional maakt gebruik van oneigenlijke argumenten en zij heeft gelogen.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft gezegd dat het een richtlijn van het RIVM is dat je niet mag knuffelen met je eigen kinderen. Dit is een pertinente leugen. Voorts heeft de jeugdprofessional de vakantie van de moeder en haar baan gebruikt als argument om de huidige contactregeling niet aan te passen. De moeder was op dat moment al zes weken terug van vakantie en ook al twee weken niet aan het werk in de kapsalon. Ook heeft de jeugdprofessional de longaandoening van één van de kinderen gebruikt als argument om de huidige contactregeling niet aan te passen. Ook dit klopt niet, want het gaat goed met de kinderen. Dit wordt door de huisarts onderschreven.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Aan het begin van de Covid-19 periode waren alle organisaties zoekende. De maatregelen van het RIVM raakte de moeder en de kinderen rechtstreeks. Begeleiding kon alleen worden gegeven in crisissituaties en daarvan was geen sprake. De kinderen wonen bij de vader en vormen samen met hem één huishouden. Zowel [de instelling] als de jeugdprofessional vonden het noodzakelijk dat de contactmomenten werden begeleid. [de instelling] had de ervaring dat de moeder de adviezen niet altijd opvolgt en de moeder was onverwacht bij de vader op de oprit verschenen. Los van de gezondheidsrisico’s die in het e-mailbericht aan de moeder zijn beschreven, ontbrak tevens de vereiste begeleiding voor het doorgaan van de contactmomenten. De jeugdprofessional benadrukt dat zij samen met [de instelling] de mogelijke gezondheidsrisico’s van de kinderen heeft beschreven. De huisarts is op 16 april 2020 benaderd. Dit was twee weken nadat de jeugdprofessional het e-mailbericht van 3 april 2020 heeft gestuurd. Met de informatie van de huisarts had zij met haar collega’s van [de instelling] de formulering van de risico’s voor de kinderen anders gewogen en geformuleerd. Met betrekking tot de vakantie van de moeder heeft de jeugdprofessional zich gebaseerd op informatie die zij vanuit [de instelling] heeft gekregen. Zij mag er op vertrouwen dat deze informatie correct is. Tot slot wijst de jeugdprofessional er op dat de kapsalons op 23 maart 2020 sloten, en zij het e-mailbericht op 3 april 2020 heeft gestuurd. Toen waren er nog geen twee weken verstreken.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
De moeder heeft dit klachtonderdeel toegelicht middels vier voorbeelden, welke het College een voor een zal beoordelen. Voor wat betreft dat de jeugdprofessional gezegd zou hebben dat het een richtlijn van het RIVM is niet te mogen knuffelen met de kinderen, leest het College dit niet terug in de overgelegde stukken. In het e-mailbericht van 3 april 2020 van de jeugdprofessional aan de ouders staat het volgende: “Daarnaast zijn de richtlijnen van het RIVM dat er geen lichamelijk contact mag zijn, de anderhalf meter afstand moet gehanteerd worden. Wij snappen dat moeder en de jongens elkaar willen knuffelen en aanraken. Dit gaat tegen de richtlijnen van het RIVM in, ook hierom vinden wij dat het fysieke contact moment op dit moment niet kan plaatsvinden.” De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College niet gezegd dat het niet mogen knuffelen van de kinderen een richtlijn van het RIVM is, maar slechts uitgelegd dat de anderhalve meter afstand gehanteerd moet worden, wat betekent dat er geen lichamelijk contact kan zijn. Dit brengt indirect met zich dat het voor de kinderen niet mogelijk is hun moeder te knuffelen. Ten aanzien van het tweede voorbeeld, de vakantie van de moeder, spreken partijen elkaar tegen. De moeder stelt dat zij al zes weken terug was van vakantie, en de jeugdprofessional geeft aan dat zij van [de instelling] heeft vernomen dat de moeder minder dan twee weken terug was van de vakantie. Het College volgt de jeugdprofessional in haar verweer dat zij mag vertrouwen dat [de instelling] haar van correcte informatie voorziet. Het College oordeelt derhalve dat met het benoemen van de vakantie van de moeder, de jeugdprofessional binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven. Voorts volgt het College het verweer van de jeugdprofessional ten aanzien van het derde voorbeeld, het werk van de moeder. Het e-mailbericht waar de moeder naar verwijst is op 3 april 2020 aan de ouders verstuurd. Op dat moment gold de twee weken termijn voor thuisquarantaine. De kapsalons zijn op 23 maart 2020 gesloten, waardoor de twee weken termijn op het moment van het versturen van voornoemd e-mailbericht nog niet was verstreken. Het College acht het bovendien zorgvuldig van de jeugdprofessional om de ouders hierop te wijzen, in het kader van een mogelijke besmetting met Covid-19. Tot slot stelt de moeder dat de jeugdprofessional ten onrechte de longaandoening van de oudste zoon heeft gebruikt om de contactregeling niet aan te passen. Ten aanzien van dit verwijt overweegt het College als volgt. De vader heeft op 24 maart 2020 in een e-mailbericht aan de moeder het volgende geschreven: “En vanwege de coronavoorschriften heb ik vorige week al voor de veiligheid van mijn gezin besloten geen contact met anderen meer te willen vanwege de risico’s blijven we thuis. [De oudste zoon] zit vanwege zijn longproblemen ook in de risicogroep, evenals de opa’s en oma’s.” Het College acht het voldoende aannemelijk, en bovendien zorgvuldig, dat de jeugdprofessional het gezondheidsrisico voor de oudste zoon, al dan niet in samenspraak met [de instelling], mede in overweging heeft genomen in het besluit om de begeleide contactmomenten op dat moment geen doorgang te laten vinden. De huisarts heeft de jeugdprofessional twee weken na het verstuurde e-mailbericht geïnformeerd dat vanuit medisch oogpunt er geen beletsel is voor de doorgang van de begeleide contactmomenten. Het College hecht waarde aan de opmerking van de jeugdprofessional in haar verweerschrift dat indien zij op 3 april 2020 van deze informatie op de hoogte was, zij de risico’s voor de kinderen anders had gewogen en geformuleerd.
Op grond van het voorgaande concludeert het College dat de jeugdprofessional geen gebruik heeft gemaakt van oneigenlijke argumenten, dan wel dat zij gelogen heeft.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 Er is sprake van gebrek aan creativiteit bij de jeugdprofessional om contactmomenten op gang te brengen.

Toelichting:
Er is/wordt onvoldoende creatief meegedacht om de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen wel te laten plaatsvinden. De jeugdprofessional verschuilt zich achter de opmerking van [de instelling] dat alleen begeleid contact kan plaatsvinden. De moeder heeft voorgesteld om bijvoorbeeld buiten te gaan wandelen met de kinderen, of dat het contactmoment plaatsvindt op het kantoor van [de instelling] waarbij de jeugdprofessional van achter een raam kan meekijken. Op 9 juni 2020 heeft de advocaat desgevraagd de moeder laten weten dat er in haar praktijk gevallen bekend zijn waarin (gedurende de coronacrisis) begeleide omgang heeft plaatsgevonden met behulp van jeugdhulporganisaties. Het is in beginsel kennelijk voor jeugdzorgorganisaties dus mogelijk om ook gedurende de coronacrisis te voorzien in begeleiding in de omgang tussen kinderen en hun niet-verzorgende ouders.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Zij heeft op meerdere momenten met [de instelling] en de gedragswetenschapper contact gehad voor afstemming. Verschillende opties zijn toen besproken. Begeleiding door opa of oma is afgeraden door [de instelling] en de gedragswetenschapper. Zij vonden dat professionele en neutrale begeleiding nodig was voor de kinderen. Video op afstand was in deze situatie geen optie, omdat er geen mogelijkheid was om indien nodig fysiek in te grijpen. Vanwege de Covid-19 maatregelen waren de opties uiterst beperkt. De jeugdprofessional heeft de ouders gevraagd om actief mee te denken om binnen de beperkte mogelijkheden toch het contact zo prettig mogelijk te laten verlopen en het contact tussen de moeder en de kinderen binnen de beperkingen zo goed mogelijk vorm te geven.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:
In de periode waarop de klacht toe ziet, werden de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen door [de instelling] begeleid. Uit bijlage 13 bij het verweerschrift blijkt dat de jeugdprofessional [de instelling] heeft gevraagd hun standpunt om enkel begeleide contactmomenten te laten plaatsvinden, inhoudelijk toe te lichten. [de instelling] heeft dit op 22 april 2020 gedaan en onder meer het volgende aangegeven: “Waarom is ons inziens begeleide omgang nodig? In het verleden zijn de kinderen slachtoffer geweest van de heftige strijd tussen ouders voorafgaand en vlak na de scheiding. De kinderen zijn ten tijde van de eerste omgangsperiode dusdanig in de knel geraakt dat er conflicten tussen moeder en de kinderen zijn geweest. Deze (deels fysieke) conflicten zijn vermoedelijk traumatiserend geweest voor de kinderen.” De begeleiding van de contactmomenten was noodzakelijk, omdat het vanuit [de instelling] nodig werd geacht om de mogelijkheid te hebben om fysiek te kunnen ingrijpen. De vorm van de contactmomenten die aangewezen was, stond de door de moeder gewenste creativiteit voor doorgang van deze contactmomenten in de weg. De mogelijkheid tot fysiek ingrijpen bestaat niet als er vanachter een raam wordt meegekeken. Tevens kon het gelet op de opdracht van de jeugdprofessional niet van haar worden verwacht met de kinderen en de moeder te gaan wandelen, omdat de begeleide omgang bij [de instelling] was belegd. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College voldoende met de moeder meegedacht om toch contact tussen haar en de kinderen tot stand te brengen, bijvoorbeeld middels videobellen of online spelletjes. Daarnaast is er contact met [de instelling] opgenomen om te kunnen bekijken of het toch mogelijk is om de contactmomenten doorgang te laten hebben. Dat [de instelling] hiervoor geen aanleiding zag, kan de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk worden verweten.

4.3.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De jeugdprofessional heeft de melding bij Veilig Thuis veel te laat opgepakt.

Toelichting:
Op 21 januari 2020 heeft [de instelling] een melding gedaan bij Veilig Thuis. Deze melding is op 10 maart 2020 doorgezet naar het sociaal team. De melding is door de jeugdprofessional niet adequaat opgepakt, want de kinderen zijn op 20 april 2020 pas via beeldbellen door de jeugdprofessional gehoord.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Zij geeft aan dat de melding bij Veilig Thuis op 18 maart 2020 is binnengekomen. Het advies van Veilig Thuis was als volgt: “Overdracht naar gezin gezamenlijk met [de instelling]. Met ouders én kinderen bespreken wat ze willen en hoe ze daar gaan komen. Indien nodig een VTO indienen. Advies aan moeder: voor het wijzigen van de omgangsregeling kan moeder zelf een verzoek indienen bij de rechter”. Het eerste adviespunt is met de ouders en [de instelling] gesproken. Met betrekking tot het tweede adviespunt kon, gelet op de Covid-19 maatregelen en oplopende spanningen tussen de ouders, een fysiek gesprek met de kinderen niet plaatsvinden. Omdat de jeugdprofessional de kinderen liever face-to-face spreekt, heeft zij ervoor gekozen hiermee te wachten. Dit contact heeft uiteindelijk op 20 april 2020 plaatsgevonden. Wanneer de jeugdprofessional zich grote zorgen over de kinderen had gemaakt, had zij dit natuurlijk eerder gedaan. Voor wat betreft het derde adviespunt heeft de situatie er uiteindelijk toe geleid dat inderdaad een VTO is ingediend. De jeugdprofessional is van mening dat zij de opdracht van Veilig Thuis, gegeven beperkingen die de Covid-19 situatie meebracht, voldoende voortvarend heeft opgepakt.
Voorts heeft de jeugdprofessional op 18 maart 2020 tevergeefs telefonisch contact met de ouders gezocht. Op 20 maart 2020 lukte dit wel en heeft de jeugdprofessional benoemd dat, zodra huisbezoeken weer konden plaatsvinden, zij met de ouders om de tafel zou gaan zitten en met de kinderen zou spreken.
De jeugdprofessional maakt uit de klacht op dat de moeder de onveiligheid van de kinderen ook ziet in het ontbreken van het contact met haar, hetgeen de jeugdprofessional ook onderschrijft. Het zijn echter de onderlinge spanningen tussen de ouders die de emotionele onveiligheid voor de kinderen oplevert. Het onverwacht verschijnen van de moeder bij de vader thuis om de kinderen op te halen, acht de jeugdprofessional in het geheel niet veilig voor de kinderen. De opvoedsituatie van de kinderen bij de vader werd op zichzelf, los van de onderlinge spanningen tussen de ouders, noch door [de instelling] noch door de jeugdprofessional als onveilig beschouwd.

4.4.3. Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift uiteengezet welke stappen zij heeft ondernomen naar aanleiding van de melding bij Veilig Thuis. Doordat de moeder heeft nagelaten te reageren op het verweerschrift middels een conclusie van repliek, staat het voor het College vast dat het eerste adviespunt vanuit de Veilig Thuis melding en het uitstellen van de huisbezoeken met de moeder is besproken. Voorts acht het College het navolgbaar dat de jeugdprofessional de voorkeur heeft om de kinderen face-to-face te spreken. Contact via beeldbellen kan de veiligheid van de kinderen en hun mogelijkheid om vrij te kunnen spreken niet waarborgen. Nu vast staat dat de jeugdprofessional binnen twee dagen na de schriftelijke overdracht van de Veilig Thuis melding contact heeft opgenomen met de moeder, ziet het College geen aanleiding om tot een gegrondheid van de klacht te komen. Het College concludeert derhalve dat de jeugdprofessional de Veilig Thuis melding adequaat heeft opgepakt.

4.4.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 11 november 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                        mevrouw mr. M.R. Veerman
voorzitter                                                                      secretaris