Maak een selectie

727 van 727

   

In het dossier moeten de stukken zitten die voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk zijn. Uit het dossier moet een navolgbare weging van feiten en omstandigheden volgen die een rol speelt bij het bepalen van het beleid en het uitvoeren van de werkzaamheden van de jeugdprofessional.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. M.A. Stammes, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[klaagster], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats].

tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, voorheen werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij [naam organisatie].

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het (aangepaste) klaagschrift dat de moeder op 12 februari 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 23 april 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.020Ta van 31 augustus 2020;
– het pro forma beroepschrift dat de moeder op 10 oktober 2020 heeft ingediend;
– het aanvullend beroepschrift dat de moeder op 26 oktober 2020 heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 8 januari 2021 heeft ingediend;
– de pleitnota en het slotpleidooi die de moeder tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft overgelegd en voorgedragen.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen 5 en 8 buiten behandeling gesteld, de klachtonderdelen 2, 11, 12, 13, 14 en 15 ongegrond en de klachtonderdelen 1, 3, 4, 6, 7, 9 en 10 gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

1.3 De moeder heeft op 10 oktober 2020 tegen een deel van deze beslissing – tijdig –  (pro forma) beroep aangetekend.

1.4 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 31 mei 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

1.5 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd.

2     De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 Uit de in 2010 beëindigde relatie tussen de ouders zijn twee kinderen geboren: een dochter in 2002 en een zoon in 2004.

2.2 De rechtbank heeft in 2011 beslist dat de ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over de kinderen, de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder en een zorg- en contactregeling met de vader. In juli 2015 is de dochter bij de vader gaan wonen.

2.3 Op 25 januari 2016 heeft de kinderrechter de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de GI. Aanvankelijk is een collega van de jeugdprofessional namens de GI belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.4 Op 13 januari 2017 is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan de jeugdprofessional. Zij is betrokken geweest tot het einde van de ondertoezichtstelling op 25 januari 2018, nadat de GI in december 2017 had besloten geen verlengingsverzoek voor de ondertoezichtstelling in te dienen. Tijdens haar betrokkenheid is de jeugdprofessional in verband met ziekte in ieder geval in de periode van februari tot en met augustus 2017 diverse periodes (deels) afwezig geweest.

2.5 Op 24 maart 2016 heeft de vader een verzoek ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de dochter. In juli 2016 is de zoon bij de vader gaan wonen, waarna de vader op 14 juli 2016 ook een verzoek heeft ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de zoon.

2.6 In de beschikking van de verlenging van de ondertoezichtstelling van 18 januari 2017, heeft de kinderrechter – voor zover relevant – het volgende overwogen: “Gelet op het feit dat de communicatie op ouderniveau onvoldoende is, verwacht de kinderrechter niet dat het de ouders zal lukken het contact van de moeder met de minderjarigen te herstellen in het vrijwillige kader. Geconstateerd wordt dat het aankomende jaar zal worden bekeken of verdere hulpverlening, bijvoorbeeld in de vorm van systeemtherapie, zal worden ingezet.”

2.7 Op 4 juli 2017 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepaald. De beslissing over de contactregeling met de moeder is aangehouden.

2.8 Op 24 april 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de moeder recht heeft op contact met de kinderen, maar een vastomlijnde contactregeling is niet bepaald.

2.9 De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2014 in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. In de periode van [datum] 2014 tot en met [datum] 2019 als jeugdzorgwerker. Sinds [datum] 2019 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional bij het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen 5 en 8 die het College van Toezicht buiten behandeling heeft gesteld en de klachtonderdelen 2, 12, 13 en 14 die het College van Toezicht ongegrond heeft verklaard.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 Hierna zullen de zes in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de moeder in het beroepschrift nieuwe klachtonderdelen heeft opgenomen zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en kan het College van Beroep daar geen oordeel over geven.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 2 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat het dossier niet op orde is.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel – voor zover relevant – als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] overweegt dat een jeugdprofessional op grond van artikel 7.3.1 lid 1 juncto 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet verplicht is een dossier in te richten met betrekking tot de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Deze verplichting geldt slechts voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkenen noodzakelijk is. Daar waar de moeder stelt dat bepaalde informatie in het dossier ontbreekt, zoals verslagen van de gesprekken met de kinderen of het advies van de bijzonder curator, heeft de jeugdprofessional een eigen afweging te maken of het voor de goede hulpverlening noodzakelijk is dat dergelijke verslagen of stukken in het dossier worden opgenomen. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat de jeugdprofessional de afzonderlijke verwijten van de moeder voldoende weerlegd heeft en toegelicht heeft hoe het proces is verlopen, dan wel waarom zij de keuze gemaakt heeft iets niet in het dossier op te nemen. Het College [van Toezicht] heeft dan ook niet kunnen vaststellen dat noodzakelijke informatie ten behoeve van de uitvoering van de ondertoezichtstelling in het dossier ontbreekt.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.2.3 De moeder is van mening dat dit klachtonderdeel gegrond had moeten worden verklaard. Het structureel achterwege laten van belangrijke details heeft tijdens de ondertoezichtstelling al geleid tot het nemen van onjuiste en ongefundeerde beslissingen met als gevolg dat de kinderen zijn vervreemd van zichzelf en van de moeder. Door het achterwege laten van belastend materiaal in de beslissing van het College van Toezicht, is dit in het voordeel van de jeugdprofessional, echter, het doet geen recht aan de feiten. Ten aanzien van het verslag van de bijzondere curator stelt de moeder dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft aangevoerd dat het gespreksverslag van de jeugdprofessional met de bijzondere curator niet met de moeder is gedeeld. De moeder heeft meermaals om een compleet dossier gevraagd, maar de moeder heeft het betreffende gespreksverslag nooit ontvangen. De moeder kan dan ook niet anders dan ervanuit gaan dat dit verslag niet in het dossier zit en dat het dossier niet op orde is. Na het gesprek tussen de bijzondere curator en de jeugdprofessional zijn er nog twee rechtszaken geweest waarbij dit gespreksverslag van belang was. De jeugdprofessional heeft de moeder hiermee het recht op een eerlijk proces onthouden. Voor wat betreft het (nieuwe) plan van aanpak stelt de moeder het volgende. Het College van Toezicht heeft geoordeeld dat het er vanwege stagnatie in het proces niet van is gekomen om een gezamenlijk plan van aanpak te schrijven. Hierbij wordt achterwege gelaten dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft verklaard dat zij vanaf februari tot en met juli 2017 is uitgevallen en de zaak niet heeft overgedragen aan een collega. Om die reden is het de jeugdprofessional te verwijten dat er geen nieuw plan van aanpak is gemaakt en dat de zaak niet is overgedragen aan een collega in deze periode.

4.2.4 De jeugdprofessional kan zich verenigen met de overwegingen van het College van Toezicht.
Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional wel kenbaar gemaakt dat de moeder er gelijk in heeft dat zij het gespreksverslag van de bijzondere curator met de moeder had moeten delen. In een toekomstig geval zou zij dit anders aanpakken.

4.2.5 Het College van Beroep overweegt als volgt. Het College van Toezicht heeft helder uiteengezet hoe volgens de Jeugdwet een dossier ingericht moet worden met betrekking tot de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College van Beroep volgt daarnaast de overweging van het College van Toezicht dat, voor wat betreft het gesprekverslag met de bijzondere curator, de jeugdprofessional de afweging dient te maken of het opnemen hiervan in het dossier voor de goede hulpverlening noodzakelijk is. Het is het College van Beroep gebleken dat de moeder kennis heeft gehad van het rapport van de bijzondere curator. Hoewel de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft aangegeven dat zij de moeder daarnaast informatie had moeten geven over het betreffende gesprek in de vorm van een verslag, oordeelt het College van Beroep hier in het licht van dit klachtonderdeel anders over. Het kan niet van een jeugdprofessional gevraagd worden om van elk gesprek een gesprekverslag op te stellen. Zoals gezegd dienen alleen stukken onderdeel van het dossier uit te maken die – in dit geval – voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling noodzakelijk zijn. Uit het dossier moet een navolgbare weging van de feiten en omstandigheden blijken die een rol speelt bij het bepalen van het beleid en het uitvoeren van de werkzaamheden door de jeugdprofessional. Kennelijk heeft de jeugdprofessional destijds overwogen dat er geen gespreksverslag opgesteld hoefde te worden van dit gesprek dan wel dat deze niet in het dossier opgenomen hoefde te worden. Het voert te ver om daarmee te oordelen dat het dossier niet op orde is. In zoverre faalt de grief van de moeder dan ook. Voor zover de grief zich richt tegen het plan van aanpak dat niet is vernieuwd, overweegt het College van Beroep als volgt. Uit de e-mailcorrespondentie tussen partijen van 19 april 2017 blijkt dat de jeugdprofessional – voor zover relevant – het volgende heeft gezegd over het vernieuwen van het plan van aanpak: “Het plan van aanpak kunnen we gezamenlijk bekijken en veranderingen aanbrengen, mits jullie hier beiden achterstaan. Ik heb nergens kunnen vinden dat er een afspraak is gemaakt om het plan opnieuw op te stellen, maar sta daar zeker voor open.” Tussen partijen is niet in geschil dat de jeugdprofessional in de periode van februari tot en met augustus 2017 in verband met ziekte af en aan bij de casus betrokken is geweest. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional toegelicht dat zij in april 2017 in het kader van re-integratie een paar uur (opbouwend) aan het werk was. Het College van Beroep komt tot het oordeel dat de jeugdprofessional ten aanzien hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, nu zij zich gelet op hiervoor genoemde e-mail en haar beperkte beschikbaarheid in deze periode voldoende heeft ingespannen om te komen tot het vernieuwen van het plan van aanpak. Gelet op haar afwezigheid lag het op de weg van de werkgever van de jeugdprofessional om te zorgen dat de zaak (tijdig) zou worden overgedragen aan een collega. Voor zover dit niet is gebeurd en daardoor geen nieuw plan van aanpak is opgesteld, is het College van Beroep van oordeel dat dit de jeugdprofessional niet te verwijten valt.

4.2.6 Het College van Beroep verwerpt de grief.

4.3 Klachtonderdeel 5

4.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 5 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de beschikking van de rechtbank van 4 juli 2017 niet opgevolgd heeft.”

4.3.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Geconstateerd wordt dat dit klachtonderdeel overlap heeft met klachtonderdeel 1, waarin het College [van Toezicht] reeds geoordeeld heeft dat de systeemtherapie van [vrijgevestigde praktijk] – mede wegens nalaten van de jeugdprofessional – onvoldoende van de grond gekomen is. Het College [van Toezicht] wijst dan ook naar het oordeel onder 4.1.3 en 4.1.4 van deze beslissing en stelt dit klachtonderdeel – om herhaling te voorkomen – buiten behandeling.”

4.3.3 De moeder is van mening dat er een beslissing dient te komen op dit klachtonderdeel. Bij klachtonderdeel 1 wordt de jeugdprofessional namelijk verweten dat haar handelen in strijd is met artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Het verwijt dat de jeugdprofessional in klachtonderdeel 5 echter wordt gemaakt is dat de jeugdprofessional in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel E (Respect) van de Beroepscode heeft gehandeld door de beschikking van de rechter niet op te volgen.

4.3.4 De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat het College van Toezicht dit klachtonderdeel in wezen al heeft beoordeeld tezamen en in onderlinge samenhang bezien met (het gegrond verklaarde) klachtonderdeel 1. De jeugdprofessional kan het oordeel van het College van Toezicht om het klachtonderdeel buiten behandeling te stellen, dan ook volgen.

4.3.5 Het College van Beroep stelt allereerst vast dat in de artikelen 10.1 en 10.2 van het Tuchtreglement (versie 1.3) is opgenomen waar een beslissing van het College van Toezicht uit kan bestaan. Op grond van artikel 10.2 strekt een beslissing van het College van Toezicht tot het:
“a. niet-ontvankelijk verklaren van de klager in de klacht;
b. ongegrond verklaren van de klacht;
c. geheel of gedeeltelijk gegrond verklaren van de klacht.”

Het buiten behandeling stellen van een klacht(onderdeel) kan aldus niet op basis van het Tuchtreglement. Het College van Beroep overweegt hierbij dat het op de weg van het College van Toezicht had gelegen om klachtonderdelen samen te voegen als deze overlap vertonen. Erop gelet dat het College van Toezicht dit niet heeft gedaan, dient het College van Beroep te beoordelen of klachtonderdeel 5 (afzonderlijk) inhoudelijk moet worden behandeld. De moeder heeft in haar beroepschrift betoogd dat er op dit klachtonderdeel een inhoudelijke beslissing dient te komen omdat de moeder de jeugdprofessional verwijt dat zij niet in lijn heeft gehandeld met de artikelen D en E uit de Beroepscode, en dat haar bij klachtonderdeel 1 daarentegen wordt verweten dat zij niet in lijn heeft gehandeld met artikel N van de Beroepscode. Het College van Beroep merkt op dat het op de weg van een klager ligt om een klachtonderdeel te formuleren waaruit helder blijkt wat een jeugdprofessional wordt verweten. Het ligt vervolgens op de weg van het College van Toezicht c.q. het College van Beroep om het handelen van de jeugdprofessional te toetsen aan (onder andere) de van toepassing zijnde Beroepscode. Een klachtonderdeel is dan ook niet rondom bepaalde artikelen uit de Beroepscode gegroepeerd. Het handelen of nalaten daarvan binnen het specifieke feitencomplex waarover wordt geklaagd, wordt door het College van Toezicht c.q. College van Beroep in één keer getoetst aan alle artikelen uit de Beroepscode en aan de richtlijnen. Mede hierdoor wordt voorkomen dat meerdere keren over hetzelfde handelen of nalaten van de jeugdprofessional kan worden geklaagd door een klager met als onderbouwing dat een ander artikel uit de Beroepscode of Richtlijnen zou zijn geschonden. Uit het klaagschrift van de moeder blijkt dat zij niet per klachtonderdeel specifieke artikelen uit de Beroepscode heeft genoemd waardoor het College van Beroep haar standpunt niet volgt dat er in de klachtonderdelen 1 en 5 iets anders wordt verweten op grond van de Beroepscode. Het College van Beroep is dan ook van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in klachtonderdeel 5 omdat het College van Toezicht in klachtonderdeel 1 al over de verwijten van de moeder heeft geoordeeld.

4.3.6 De grief slaagt in zoverre dat het College van Toezicht klachtonderdeel 5 ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Inhoudelijk slaagt de grief van de moeder niet. Het College van Beroep zal de moeder alsnog niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel 5 onder vernietiging van het oordeel van het College van Toezicht in zoverre.

4.4 Klachtonderdeel 8

4.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 8 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional niet correct handelen, omdat zij de ouders voor het kerstweekend per e-mailbericht geïnformeerd heeft dat de ondertoezichtstelling niet verlengd gaat worden.”

4.4.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Geconstateerd wordt dat dit klachtonderdeel overlap heeft met klachtonderdeel 7, waarin het College [van Toezicht] reeds geoordeeld heeft dat deze wijze van communiceren een tuchtrechtelijk verwijt oplevert. Het College [van Toezicht] wijst dan ook naar het oordeel onder 4.7.3 en 4.7.4 van deze beslissing en stelt dit klachtonderdeel – om herhaling te voorkomen – buiten behandeling.”

4.4.3 De moeder is van mening dat er een beslissing dient te komen op dit klachtonderdeel. Klachtonderdeel 7 is gericht op artikel I (Beëindiging professionele relatie) terwijl klachtonderdeel 8 gaat over gebrekkige communicatie en is daarmee gericht op artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen) en artikel E (Respect) van de Beroepscode.

4.4.4 De jeugdprofessional stelt dat het College van Toezicht dit klachtonderdeel in wezen al heeft beoordeeld tezamen en in onderlinge samenhang met (het gegrond verklaarde) klachtonderdeel 7. De jeugdprofessional kan het oordeel van het College van Toezicht om het klachtonderdeel buiten behandeling te stellen, dan ook volgen.

4.4.5 Het College van Beroep wijst allereerst voor wat betreft de beslissing van het College van Toezicht om klachtonderdeel 8 buiten behandeling te stellen naar wat hierover al is overwogen onder 4.3.5 van deze beslissing. Het verwijt dat er geen gronden waren om de ondertoezichtstelling af te sluiten betreft klachtonderdeel 7 en het verwijt dat over de afsluiting van de ondertoezichtstelling onzorgvuldig is gecommuniceerd betreft klachtonderdeel 8. Het College van Toezicht heeft deze beide klachtonderdelen inhoudelijk beoordeeld bij de bespreking van klachtonderdeel 7 in de bestreden beslissing. Tegen klachtonderdeel 7 is geen beroep ingesteld. Dit leidt ertoe dat de moeder alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in klachtonderdeel 8 en de beslissing van het College van Toezicht tot buiten behandeling stelling van dit klachtonderdeel vernietigd moet worden.

4.4.6 De grief slaagt in zoverre dat het College van Toezicht klachtonderdeel 8 ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Inhoudelijk slaagt de grief van de moeder niet. Het College van Beroep zal de moeder alsnog niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel 8 onder vernietiging van het oordeel van het College van Toezicht in zoverre.

4.5 Klachtonderdeel 12

4.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 12 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional geen kennis en deskundigheid te hebben op het gebied van ouderverstoting.”

4.5.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Als uitvoerder van de ondertoezichtstelling heeft de jeugdprofessional een bepaald scholingsniveau/diploma en dient zij regelmatig bijscholing en intervisie te volgen. Het College [van Toezicht] ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de kennis van de jeugdprofessional. Specifieke deskundigheid op het gebied van ouderverstoting is wellicht een pre, maar geen vereiste voor de functie van jeugdbeschermer. In deze specifieke casus, mede gelet op de overwegingen daarover van de rechtbank in de beschikking van 4 juli 2017, had het een meerwaarde kunnen zijn wanneer de jeugdprofessional specifieke kennis had opgedaan over ouderverstoting of daarover een collega binnen de GI geconsulteerd had. De jeugdprofessional heeft echter nooit beweerd daarin deskundig te zijn, evenmin dat zij bevoegd zou zijn om in dat kader iets vast te stellen. Daarvoor was nu juist nader onderzoek vanuit [vrijgevestigde praktijk] ingezet. Het verwijt van de moeder dat de jeugdprofessional onvoldoende kennis en deskundigheid heeft op gebied van ouderverstoting, kan dan ook niet leiden tot een tuchtrechtelijk verwijt.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.5.3 De moeder stelt zich op het standpunt dat kennis en kundigheid over ouderverstoting bij het kennisgebied van een jeugdprofessional hoort. Met name bij (langdurige) scheidingen en/of huiselijk geweld is het risico op ouderverstoting aanwezig. Het ontbreken van kennis over een dermate ernstig vergrijp waar kinderen ingezet en vervreemd worden van zichzelf om beschikbaar te zijn voor een ouder om de andere ouder te diskwalificeren en buiten spel te zetten, zou een jeugdprofessional moeten worden aangerekend. Ouderverstoting grijp in op de gehele persoonlijkheid van het kind en zijn verdere leven en het negeren van onderzoek en het ontbreken van enige kennis hierover is een vorm van ernstige nalatigheid van de jeugdprofessional. De moeder is van mening dat als je het risico van ouderverstoting niet onderkent, er iets niet klopt aan het kennisniveau of de opleiding.

4.5.4 De jeugdprofessional kan zich ten aanzien van dit klachtonderdeel vinden in het oordeel van het College van Toezicht. Het College van Toezicht overweegt niet dat de jeugdprofessional in het geheel geen kennis op het gebied van ouderverstoting hoeft te bezitten, maar geen specifieke kennis op dat gebied. Het getuigt van zorgvuldigheid dat de jeugdprofessional hiervoor [vrijgevestigde praktijk] heeft betrokken.

4.5.5 Het College van Beroep overweegt als volgt. De moeder heeft naar het oordeel van het College van Beroep in beroep geen nieuwe standpunten naar voren gebracht die aanleiding geven het oordeel van het College van Toezicht te heroverwegen. Het College van Toezicht heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de jeugdprofessional ten aanzien van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. 

4.5.6 De grief faalt.

4.6 Klachtonderdeel 13

4.6.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 13 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional afspraken niet nakomen en het vertrouwen van de moeder beschamen.” Het College van Toezicht heeft klachtonderdeel 13 ongegrond verklaard.

4.6.2 Het College van Beroep overweegt als volgt. Op grond van het Tuchtreglement (artikel 11.3 sub c, versie 1.3) moet een beroepschrift in ieder geval de gronden van het beroep bevatten. Onder de gronden van het beroep wordt verstaan dat diegene die het beroep instelt, in ieder geval aangeeft op welke punten hij het niet eens is met het College van Toezicht en om welke reden niet. De moeder heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel in haar beroepschrift niet gemotiveerd met welke overweging(en) zij het niet eens is en waarom niet. Om die reden kan het College van Beroep de grief tegen dit klachtonderdeel niet inhoudelijk behandelen en zal de moeder daarom in deze grief niet-ontvankelijk verklaren.

4.6.3 Het College van Beroep zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar beroep voor zover dat is gericht tegen klachtonderdeel 13.

4.7 Klachtonderdeel 14

4.7.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 14 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de RvdK onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd.”

4.7.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Op grond van artikel 1:265j van het Burgerlijk Wetboek dient de RvdK geïnformeerd te worden wanneer de GI besluit geen verlengingsverzoek van de ondertoezichtstelling in te dienen, onder overleggen van een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling. Ook hier overweegt het College [van Toezicht] dat de jeugdprofessional (dan wel de gebiedsmanager van de GI) tot op een zekere hoogte een eigen professionele bevoegdheid heeft voor het formuleren van een dergelijke beslissing. In de brief van 22 december 2017 ziet het College [van Toezicht] geen gronden om te spreken van een tuchtrechtelijk verwijtbare formulering, en de moeder heeft nagelaten specifieke passages uit te lichten waaruit dat zou blijken. De moeder verwijst naar de brief aan de rechtbank van 11 december 2017, maar hetgeen daarover gegrond verklaard is (dat onvoldoende gerapporteerd is ten aanzien van de geformuleerde opdracht in de beschikking van 4 juli 2017) staat los van hetgeen aan de RvdK, op grond van de wet, medegedeeld dient te worden. Bovendien is de beslissing van 22 december 2017 ondertekend door de gebiedsmanager van de GI.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.7.3 De moeder meent dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat de moeder heeft nagelaten uit te lichten welke passages er ontbreken. Wat er op zijn minst in had moeten staan is dat de vader zich meermaals terugtrok uit het systeemtraject bij [vrijgevestigde praktijk]. Ook het feit dat de jeugdprofessional tweemaal aan de moeder heeft toegezegd de vader een schriftelijke aanwijzing te geven, maar dat deze niet is gegeven, is ontbrekende informatie aan de RvdK. Daarnaast had aan de RvdK gerapporteerd moeten worden waarom niet was voldaan aan de opdracht van de rechter, zoals in de beschikking van 4 juli 2017 is opgenomen. Het verbaast de moeder dat het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de wettelijke grond zou ontbreken. Conform artikel 3.3. van de Jeugdwet is de GI verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De jeugdprofessional heeft dit niet gedaan. Zo is de samenvatting naar de RvdK niet volledig en zijn belangrijke feiten weggelaten. Dat het bericht aan de RvdK is ondertekend door de gebiedsmanager zou inhouden dat iedere informatie, juist of onjuist, naar de RvdK kan worden gezonden zonder dat de inhoud ervan toetsbaar is. Een gebiedsmanager kan namelijk tuchtrechtelijk niets verweten worden omdat deze niet in het Kwaliteitsregister Jeugd staat ingeschreven. Bovendien heeft de gebiedsmanager aangegeven niet bij de inhoud van de casus betrokken te zijn.

4.7.4 De jeugdprofessional kan zich ten aanzien van dit klachtonderdeel verenigen met het oordeel van het College van Toezicht. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional al toegelicht dat zij in het document beter had kunnen uitleggen wat haar inzet is geweest en welk deel daarvan niet is gelukt. Wel heeft zij de RvdK telefonisch gesproken en mondeling uitleg gegeven. De RvdK gaf ook aan dat de strijd die de ouders voerden, eerst moest stoppen. Er was twee jaar sprake van een ondertoezichtstelling die helaas niet heeft geholpen en juist meer strijd heeft opgeleverd.

4.7.5 Het College van Beroep stelt, net als het College van Toezicht, vast dat de gebiedsmanager de brief van 22 december 2017 met daarin de beslissing om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken, heeft ondertekend. Het College van Beroep kan niet vaststellen wat de inhoudelijke invloed van de jeugdprofessional op de brief is geweest. Gelet hierop is de gebiedsmanager eindverantwoordelijk voor deze brief. Het College van Beroep komt daarom ook tot het oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is, hetzij dat het College van Beroep hiervoor een andere motivering geeft. Zoals opgenomen onder 3.2 van deze beslissing, is het College van Beroep immers niet bevoegd, om het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.7.6 De grief faalt.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het oordeel over klachtonderdeel 13;
  • verklaart – opnieuw rechtdoende – de moeder alsnog niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 5 en 8 en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.020Ta van 31 augustus 2020;
  • handhaaft voor het overige, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen, het oordeel van het College van Toezicht, hetzij onder wijziging van de motivering ten aanzien van klachtonderdeel 14.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 12 juli 2021 aan partijen toegezonden.

de heer mr. M.A. Stammes,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris