Maak een selectie

502 van 502

   

In deze tussenbeslissing oordeelt het College dat vader ontvankelijk is in zijn klacht. De inhoudelijke behandeling van de klacht vindt plaats tijdens een nader te bepalen zitting.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. H. Wintgens, lid-jurist

mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,

E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

[jeugdprofessional], hierna te noemen beklaagde.

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. M. Kramer.

1 Het verloop van de procedure

Op 13 januari 2015 ontvangt het College een klachtschrift d.d. 13 januari 2015 met twee bijlagen van klager Per brief d.d. 10 februari 2015 wordt aan beklaagde verweer gevraagd. Op 11 maart 2015 ontvangt het College het verweerschrift d.d. 23 februari 2015. Klager ontvangt een afschrift.

Het College besluit dat het wenselijk is om partijen gelijktijdig te horen en verzoekt partijen om op 21 april 2015 daartoe te verschijnen. Klager verzoekt het College gemotiveerd om de hoorzitting te doen plaatsvinden op een andere datum. Het College besluit dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 5 juni 2015 en bericht partijen.

Beklaagde verzoekt het College gemotiveerd om de hoorzitting te doen plaatsvinden op een andere datum. Het College besluit dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 3 september 2015 en bericht partijen.

De hoorzitting vindt plaats in aanwezigheid van klager, beklaagde, en diens gemachtigde. De voorzitter heeft bepaald dat drie met elkaar samenhangende zaken door het College ter terechtzitting gelijktijdig worden behandeld.

Het College heeft in het raadkameroverleg na schorsing van de hoorzitting een tussenbeslissing genomen en de inhoudelijke behandeling van de klacht van klager aangehouden voor onbepaalde tijd.

2 De mondelinge behandeling

Het College begrijpt het zo dat beklaagde zich heeft geschaard achter het niet ontvankelijkheidsverweer van de overige beklaagden. Beklaagde heeft op deze zitting allereerst als verweer gevoerd dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht en het College verzocht klager niet ontvankelijk te verklaren in zijn klacht. Klager en beklaagde hebben het College verzocht zich over de ontvankelijkheid van deze klacht uit te laten voordat met de inhoudelijke behandeling wordt verder gegaan. Het College heeft hiermee ingestemd.

3 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College stelt vast dat het Beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk werkers (BAMw) in opdracht van de Stuurgroep Professionalisering Jeugdzorg in de periode 2012 tot en met september 2014 de registratie van jeugdzorgwerkers heeft opgezet en uitgevoerd. BAMw heeft op 1 oktober 2014 het register van jeugdzorgwerkers overgedragen aan de op 13 maart 2013 opgerichte stichting, ‘Stichting Kwaliteitsregister Jeugd’ (SKJ). De stichting, houder van het Kwaliteitsregister Jeugd, is op 17 november 2014 door de Minister erkend (Staatscourant 33806, 28 november 2014). De stichting stelt zich onder meer ten doel dat de geregistreerde professionals zich binden aan de voor hun beroepsgroep geldende professionele standaard en om uitvoering te geven aan tuchtrechtspraak ten aanzien van de geregistreerden.

Het College stelt vast dat jeugdzorgwerkers die bij BAMw in de periode van 2012 tot en met september 2014 werden geregistreerd zich door deze registratie aan het stelsel van tuchtrecht onderwierpen, onder meer gevormd door een Beroepscode voor de jeugdzorgwerker en een reglement voor de tuchtrechtspraak, zoals dat door het College van Toezicht en het College van Beroep van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers werd toegepast.

Het College stelt vast dat de professionele normen voor de jeugdzorgwerker eind 2010 in de algemene ledenvergadering van de NVMW en van Phorza, de voormalige vereniging voor sociale, (ortho)pedagogische en hulpverlenende werkers zijn vastgesteld en zijn uitgegeven als ‘Beroepscode voor de jeugdzorgwerker’ in augustus 2012. Het College stelt vast dat beklaagde derhalve redelijkerwijs van het bestaan en de inhoud van de voor haar beroep geldende normen op de hoogte kon zijn bij aanvang van haar registratie op [datum] 2013.

Het College stelt vast dat beklaagde zich derhalve vanaf [datum] 2013 heeft onderworpen aan het stelsel van tuchtrecht zoals dat op dat moment voor haar/zijn beroepsuitoefening gold.

Het College stelt vast dat BAMw de voortzetting van de registratie van beklaagde als jeugdzorgwerker op 1 oktober 2014 aan de registerstichting, welke zich op dat moment het ook voor beklaagde kenbare doel stelde om tuchtrechtspraak toe te passen op geregistreerden, heeft overgedragen. Het College stelt concluderend vast dat het College zich ontvankelijk kan achten om het handelen van beklaagde op geleide van de klacht van klager te toetsen aan de algemene tuchtnorm.

Het College stelt vast dat de bevoegdheid om als College op te treden berust op art. 13 van de statuten van de registerstichting welke statuten op 8 oktober 2014 zijn gepasseerd. Klagers klacht werd ontvangen op 27 november 2014 en 13 januari 2015. De leden van het College werden op 1 januari 2015 benoemd conform de in de statuten geldende voorschriften.

Het College acht zich derhalve bevoegd om de klacht van klager te behandelen.

Het College stelt vast dat het onderhavige klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4 en art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Het klachtschrift is derhalve ontvankelijk.

Op grond van het vorenstaande, ook in onderling (tijds)verband beschouwd, komt het College tot het oordeel dat zij bevoegd is een oordeel te geven over de inhoud van de klacht van klager en dat klager ontvankelijk is. Hierbij merkt het College op dat bij een toewijzen van – een onderdeel van – de klacht zij niet toekomt aan het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 3 van het Tuchtreglement nu dit op het moment van registratie van beklaagde niet bekend was gemaakt.

Het niet ontvankelijkheidsverweer van beklaagde wordt in al zijn onderdelen verworpen.

4          Beslissing

Het College van Toezicht:

  • oordeelt dat hij bevoegd is om een oordeel te geven over de inhoud van de klacht van klager en dat klager ontvankelijk is en heropent het onderzoek;
  • is zich bewust van het feit dat een tuchtprocedure emotioneel en belastend is voor beklaagde maar vindt het voor een goede procesorde van belang dat partijen beschikken over alle relevante stukken;
  • bepaalt dat beklaagde het dossier met de oorspronkelijke klacht van klager d.d. 15 oktober 2014 ontvangt;
  • bepaalt dat beklaagde in de gelegenheid wordt gesteld schriftelijk te reageren op de aanvullende stukken;
  • bepaalt voorts dat de klacht mondeling wordt behandeld op een nader te bepalen zitting.

Aldus gedaan de 18e september 2015 door het College van Toezicht.

mr A.R.O. Mooij, voorzitter

mr A.C. Veerman, secretaris