Maak een selectie

191 van 191

   

Hoewel de klacht tegen de jeugdbeschermer in beginsel gedeeltelijk verjaard is, verklaart het College de moeder ontvankelijk in haar klacht. Volgens het College is de moeder onvoldoende betrokken bij drie onderdelen van de ondertoezichtstelling, waaronder het uitgevoerde onderzoek naar de woonsituatie van de kinderen. Daarnaast is in een risicotaxatie een diagnose gesteld, terwijl de onderbouwing daarvoor ontbreekt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[de moeder], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [plaatsnaam],

op 15 maart 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdzorgwerker bij de [GI] te [plaatsnaam], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij [naam] te [plaatsnaam].

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw J. Stappaerts-Zijlmans, advocaat te Eindhoven.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het verzoek van de moeder ontvangen op 7 april 2019, waarin zij een beroep doet op artikel 6.7 van het Tuchtreglement van SKJ, versie 1.3;
  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 10 mei 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 11 juli 2019;
  • de aanvullingen op het klaagschrift ontvangen op 11 en 23 augustus 2019;
  • de aanvulling op het verweerschrift ontvangen op 28 augustus 2019;
  • de door de moeder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 26 september 2019 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Hierbij zijn als toehoorders aanwezig geweest: de teammanager van de jeugdprofessional en een tweede secretaris vanuit het College.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2002 en de zoon in 2004, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2 De moeder en de ex-partner, de vader van de kinderen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2010 uit elkaar. In 2011 heeft de rechtbank beslist dat het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend door de ouders, dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de moeder en een zorgregeling met de vader hebben. In juli 2015 heeft de dochter op eigen initiatief besloten bij de vader te gaan wonen.

2.3 Op 9 december 2015 is de Raad voor de Kinderbescherming (de RvdK) gestart met een beschermingsonderzoek naar de kinderen. Op deze dag heeft ook het eerste gesprek met de jeugdprofessional plaatsgevonden in het kader van het traject [ouderschap traject]. Dit traject is gestart op basis van vrijwilligheid.

2.4 De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 januari 2016 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de GI. De jeugdprofessional is namens de GI belast met de uitvoering hiervan. Op 13 januari 2017 is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan een collega van de jeugdprofessional.

2.5 Op 24 maart 2016 heeft de vader een verzoek ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de dochter. Op 6 juli 2016 heeft ook de zoon op eigen initiatief besloten bij de vader te gaan wonen, waarna de vader op 14 juli 2016 een verzoek heeft ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de zoon.

2.6 Op 22 juli 2016 zijn de verzoeken van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen gezamenlijk behandeld. De rechtbank heeft in de beschikking van 3 augustus 2016 een bijzondere curator benoemd en verzocht deze te onderzoeken waar de problemen lagen tussen de moeder en de kinderen, waar het hoofdverblijf moest komen te liggen en advies te geven over het contact tussen de ouders en de kinderen. Bij beschikking van de rechtbank van 4 juli 2017 is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bepaald bij de vader. De beslissing omtrent de contactregeling met de moeder is aangehouden. Bij beschikking van 24 april 2018 is door de rechtbank bepaald dat de moeder recht heeft op contact met de kinderen, maar een vastomlijnde contactregeling is niet vastgesteld.

2.7 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     De ontvankelijkheid

3.1 Op grond van artikel 6.5 van het Tuchtreglement van SKJ, versie 1.3, vervalt de mogelijkheid tot het indienen van een klacht door verjaring na drie jaar. De moeder heeft op 15 maart 2019 haar klaagschrift ingediend. Een deel van de klachtonderdelen ziet op de periode vanaf januari 2016 en is op grond van voornoemd artikel in beginsel verjaard, omdat het handelen van de jeugdprofessional meer dan drie jaar geleden heeft plaatsgevonden. In afwijking van voornoemd artikel, kan de voorzitter van het College van Toezicht op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement bepalen dat een klager alsnog ontvankelijk is in de klacht. De klager dient hiertoe een gemotiveerd verzoek aan de voorzitter van het College van Toezicht voor te leggen, waaruit voldoende blijkt dat hij of zij niet eerder in de gelegenheid was de klacht in te dienen. De moeder is op 1 april 2019 door het College in de gelegenheid gesteld om op grond van voornoemd artikel een gemotiveerd verzoek in te dienen.

3.2 Op 7 april 2019 heeft de moeder een gemotiveerd verzoek aan de voorzitter voorgelegd waaruit zou moeten blijken dat zij niet eerder in de gelegenheid was haar klacht in te dienen. Voor zover van belang voor de beoordeling van het College heeft de moeder samengevat het volgende aangevoerd. De verwijten zien toe op het handelen van de jeugdprofessional gedurende de gehele periode van de uitvoering van de ondertoezichtstelling, het College begrijpt in de periode van 25 januari 2016 tot 13 januari 2017. De moeder heeft op 15 januari 2019 een digitaal account bij SKJ aangemaakt ten behoeve van het indienen van de klacht. Op dat moment was het Tuchtreglement, versie 1.2, van kracht en gold een verjaringstermijn van vijf jaar. In maart 2019, nog geen twee maanden later, werd zij plotseling geconfronteerd met een verjaringstermijn van drie jaar op grond van versie 1.3 van het Tuchtreglement.

3.3 Op 26 april 2019 heeft de voorzitter van het College voldoende aanleiding gezien het verzoek van de moeder op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement toe te wijzen. Partijen zijn daar per e-mailbericht over geïnformeerd. De jeugdprofessional is daarbij in de gelegenheid gesteld om in het verweerschrift te reageren op het verzoek van de moeder. Partijen zijn erop gewezen dat in dat geval het College zich nadien nog kan beraden over de verjaringstermijn.

3.4 De jeugdprofessional verzoekt het College de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht vanwege de verjaring. Voor zover van belang voor de beoordeling van het College heeft de jeugdprofessional het volgende aangevoerd. De moeder heeft geen argumenten aangedragen waaruit blijkt dat zij niet in de gelegenheid is geweest binnen de verjaringstermijn van drie jaar haar klachten in te dienen. Dat reeds een digitaal account bij SKJ op 15 januari 2019 is aangemaakt, is geen reden voor een beroep op de uitzonderingsgrond. De jeugdprofessional was immers niet op de hoogte van het aangemaakte account en de verjaringstermijn is met oog op de jeugdprofessionals vastgesteld. Het kan bovendien niet de bedoeling zijn dat het aanmaken van een account bepalend kan zijn voor de verjaringstermijn.

3.5 Het College verklaart de moeder ontvankelijk in haar klacht en overweegt daartoe als volgt. Tot 4 maart 2019 was het Tuchtreglement, versie 1.2, van kracht waarbij een verjaringstermijn van vijf jaar werd gehanteerd. Vanaf 4 maart 2019 is het Tuchtreglement, versie 1.3, in werking getreden en daarmee is de verjaringstermijn met twee jaar verkort. De moeder heeft op 15 maart 2019 haar klacht ingediend en daarvoor op 15 januari 2019 een digitaal account bij SKJ aangemaakt. Het College sluit zich aan bij de eerdere beslissing van de voorzitter van het College dat het in deze specifieke overgangssituatie redelijk wordt geacht het door de moeder gedane verzoek toe te wijzen. Tijdens het aanmaken van haar account tot 4 maart 2019 mocht zij er gerechtvaardigd vanuit gaan dat de mogelijkheid tot het indienen van een klacht bij de tuchtcolleges van SKJ zou vervallen na een periode van vijf jaar. De moeder kon er in redelijkheid niet van op de hoogte zijn dat de verjaringstermijn in maart 2019 zou wijzigen naar drie jaar en om die reden verklaart het College de moeder ontvankelijk in de klacht.

3.6 Het College verklaart de moeder ontvankelijk in de klacht.

4     Het beoordelingskader

4.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

4.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde zeven klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.
Het is het College gebleken dat de moeder in de toelichting op haar zeven klachtonderdelen meerdere en andersluidende verwijten heeft opgenomen dan hoe de zeven klachtonderdelen geformuleerd zijn. Het College overweegt, onder verwijzing naar hetgeen het College van Beroep heeft overwogen in beslissing 17.028B, d.d. 12 april 2018, in overweging 3.3.10, dat het niet aan de jeugdprofessional of aan het College is om uit de aangeleverde stukken de klachtonderdelen, en daarmee de feiten en gronden waarop deze berusten, te destilleren. Het dient voor alle betrokkenen helder te zijn wat de omvang van de klachten is die ter beoordeling voorliggen aan de tuchtcolleges van SKJ. Het College beperkt zich in de onderhavige procedure dan ook tot het geven van een oordeel over de zeven klachtonderdelen welke als zodanig op het digitale klaagschrift geformuleerd zijn.

5.1 Klachtonderdeel 1

5.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft zich niet aan de beschikkingen van de rechter gehouden. Zij heeft daarbij haar eigen plan getrokken en handelt vervolgens niet.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft een eigen ‘doel van de ondertoezichtstelling’ opgesteld en daar naartoe gewerkt, in plaats van de opdracht van de kinderrechter te volgen. Op 4 januari 2016 is de zaak aangemeld bij de GI. Op 20 januari 2016 schrijft de jeugdprofessional in het dossier dat de opdracht van de kinderrechter ‘het opzetten van een omgangsregeling zal inhouden’, terwijl er reeds een beschikking van de rechtbank ligt waarin het volgende is bepaald: hoofdverblijfplaats bij de moeder, omgangsregeling met de vader. Daarnaast is de opdracht van de kinderrechter ‘woonsituatie van de kinderen onderzoeken’ niet door de jeugdprofessional uitgevoerd. Zonder (deugdelijk) onderzoek, bijvoorbeeld naar ouderverstoting, heeft de jeugdprofessional binnen zes weken na aanvang van de ondertoezichtstelling geoordeeld dat er een formele overplaatsing van de kinderen naar de vader (door middel van een machtiging uithuisplaatsing) verzocht zal worden. Dit heeft zij op 7 maart 2016 opgenomen in plan van aanpak en, zonder enige reactie af te wachten, rechtstreeks gecommuniceerd naar alle betrokkenen, waaronder de kinderen. Op 1 maart 2016 heeft een multidisciplinaire casuïstiek bespreking (MCB) plaatsgevonden. In de voorbereidingen voor de MCB staat dat vader voornemens is het hoofdverblijf van de kinderen aan te vragen. De moeder heeft aangegeven dat er sprake is van huiselijk geweld, maar daar wordt door de jeugdprofessional geen onderzoek naar gedaan. In het verslag van de MCB staat dat de RvdK geen machtiging uithuisplaatsing adviseerde, omdat dit de moeder een ‘akte van onvermogen’ zou geven. De jeugdprofessional geeft moeder, zonder enig objectiveerbaar onderzoek, wel een ‘akte van onvermogen’, gebaseerd op eigen stellingen en aannames.

5.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
In de toelichting bij de klacht verwijst de moeder naar de beschikkingen van 2011 (hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder) en 2013 (omgangsregeling). Uit de beschikking van 25 januari 2016 (ondertoezichtstelling) volgt uit de beoordeling van de kinderrechter echter duidelijk dat rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de woonsituatie van de kinderen moet worden gewijzigd. De jeugdprofessional geeft in het verweerschrift een opsomming van gespreksdata ([ouderschap traject] gesprekken, huisbezoeken en gesprekken met de kinderen) waarop zij dat onderzocht heeft. Het grootste deel van die gesprekken vond plaats voordat het plan van aanpak werd opgesteld. In deze gesprekken bleek duidelijk dat de moeder de adviezen van [instelling jeugd- en opvoedhulp] en de RvdK niet ter harte had genomen en bleef vasthouden aan de afspraken die door de rechter waren vastgelegd in 2011 en 2013. Om die reden werd in het plan van aanpak – dat vooraf werd gegaan door het MCB op 1 maart 2016 – reeds aangegeven dat de GI een plaatsing bij de vader voor ogen had. Ten tijde van het opstellen van het plan van aanpak woonde de dochter al ruim zeven maanden bij de vader en gaf de zoon al meer dan een jaar aan meer bij de vader te willen zijn. De kinderen hadden een grote behoefte om gehoord te worden en duidelijkheid te verkrijgen over hun hoofdverblijf en de omgang met de andere ouder. De jeugdprofessional heeft het plan van aanpak ook geschreven met het oog daar op.
De moeder heeft aangegeven dat er in het verleden sprake was van huiselijk geweld vanuit de vader jegens haar. In het traject “[ouderschap traject]” ligt de focus echter op de toekomstige oudercommunicatie en niet op de waarheidsvinding van het verleden. Toen de jeugdprofessional startte met haar werkzaamheden waren de ouders al vijf jaar uit elkaar en [instelling jeugd- en opvoedhulp], de speltherapeut, Veilig Thuis, de RvdK noch de rechtbank hebben zorgsignalen hierover afgegeven of een onderzoeksvraag hierover gesteld.

5.1.3 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional wordt verweten dat zij zich niet aan de beschikking van de kinderrechter van 25 januari 2016 heeft gehouden, het trekken van een eigen plan binnen de ondertoezichtstelling en dat zij vervolgens niet handelt. Het College leest in de beschikking van 25 januari 2016, waarin de kinderen onder toezicht zijn gesteld, dat de kinderrechter het volgende overweegt: “Naast het inzetten op een verbetering van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders, acht de kinderrechter het voorts van belang dat een gezinsvoogd nader gaat onderzoeken of het in het belang van de minderjarigen is dat de huidige woonsituatie [van de kinderen] blijft voortbestaan dan wel dat hierin een wijziging moet worden gebracht.” Volgens het College dient een beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt te zijn voor het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel. In de beschikking leest het College, net als partijen, een opdracht aan de jeugdprofessional om te onderzoeken welke woonsituatie het meest in het belang van de kinderen is. Het lag dan ook op de weg van de jeugdprofessional om daarvoor, in overleg met de ouders, een onderzoeksplan op te stellen en deze in het plan van aanpak op te nemen (conform artikel 4.1.3 lid 2 van de Jeugdwet). Het opstellen van een onderzoeksplan zou tot gevolg hebben dat de te volgen methodiek voor alle betrokkenen, waaronder de jeugdprofessional, helder zou zijn. In het plan van aanpak van 7 maart 2016 ontbreekt een onderzoeksplan met betrekking tot de woonsituatie. In plaats daarvan leest het College op pagina 10 dat reeds een standpunt is ingenomen: “een formele overplaatsing naar vader (middels een machtiging uithuisplaatsing bij moeder) wordt door [GI] verzocht.” De jeugdprofessional heeft betoogd dat zij tot dit besluit is gekomen naar aanleiding van de gevoerde gesprekken met de betrokkenen en de daarin door de kinderen geuite wens, de feitelijke woonsituatie van de dochter en het MCB van 1 maart 2016. Het College stelt vast dat kennelijk binnen zes weken na aanvang van de ondertoezichtstelling dit besluit is genomen. Het College is van oordeel dat binnen deze korte periode niet gesproken kan worden van een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek naar de woonsituatie van de kinderen. Te meer gelet op de (forse) problematiek tussen de ouders en de invloed die dat op de kinderen kan hebben. Het gegeven dat de kinderen bleven volharden in de wens tot meer contact met de vader en de wens om bij hem te wonen, brengt nog niet dat het besluit met betrekking tot de woonsituatie binnen zes weken genomen moest worden. De wens van de kinderen was immers ook bekend bij de kinderrechter. Er is voorts niet aangevoerd dat sprake is geweest van een crisissituatie of acute onveiligheid van de kinderen. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College de opgelegde taak van de kinderrechter uitgevoerd, maar daarin onvoldoende zorgvuldigheid betracht. Ook is de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd niet vastgelegd in een onderzoeksplan, evenmin is de moeder geïnformeerd over de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het College verklaart daarom het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond, namelijk voor zover de jeugdprofessional verweten wordt dat zij met betrekking tot de woonsituatie van de kinderen een eigen plan binnen de ondertoezichtstelling heeft uitgevoerd. Het College acht het handelen in strijd met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna te noemen: de Beroepscode.
Voor wat betreft het bewerkstelligen van contact tussen kinderen en beide ouders, na een scheiding, en tips/aanbevelingen daarover, verwijst het College volledigheidshalve naar hoofdstuk 4 van de richtlijn ‘Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming’.

5.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional een eigen plan heeft uitgevoerd met betrekking tot de woonsituatie van de kinderen. Voor het overige verklaart het College het klachtonderdeel ongegrond.

5.2 Klachtonderdeel 2

5.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional is partijdig en eenzijdig transparant en heeft daarmee de belangen van de moeder en de kinderen geschaad. De jeugdprofessional heeft het contact bemoeilijkt door de moeder negatief te beoordelen in het bijzijn van de dochter.

Toelichting:
De jeugdprofessional is partijdig, eenzijdig transparant en niet neutraal geweest. Zij heeft daarmee de belangen en het vertrouwen van de kinderen en de moeder geschaad. Uit het door de moeder opgevraagde dossier blijkt dat de jeugdprofessional, een aantal maanden voor de zitting 21 juli 2016 (wijziging hoofdverblijfplaats), bindende afspraken met de advocaat van de vader heeft gemaakt over de toewijzing van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader. De jeugdprofessional had de moeder er direct van op de hoogte moeten brengen dat zij (individueel) contact heeft gehad met (de advocaat van) de vader. De moeder is door de jeugdprofessional buitenspel gezet, terwijl de jeugdprofessional neutraal dient te zijn en de belangen van alle betrokkenen dient te waarborgen, in het belang van de kinderen. De jeugdprofessional heeft in de uitvoering van de ondertoezichtstelling uitsluitend gehandeld ten bate van zichzelf en het bevestigen van de reeds vroeg in de ondertoezichtstelling ingenomen eigen stellingname. De jeugdprofessional is debet aan de foutieve beeldvorming van de kinderen over de moeder.
Daarnaast heeft de jeugdprofessional het contact tussen de moeder en de dochter bemoeilijkt, door de moeder negatief te beoordelen in het bijzijn van de dochter. Hiermee is zij actief tussen de moeder en de dochter in gaan staan. De moeder verwijst naar een gesprek dat heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016. In het bijzijn van de dochter heeft de jeugdprofessional de vakantieplannen van de moeder negatief beoordeeld en de moeder gedevalueerd.

5.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional was niet partijdig, maar begrijpt wel dat de moeder deze indruk heeft gekregen toen zij de mailwisseling tussen haar en de advocaat van de vader onder ogen kreeg. Hoewel zij dit niet met kwade opzet heeft nagelaten, had zij de moeder daar direct van in kennis moeten stellen. Zij heeft daarvoor haar excuses aangeboden aan de moeder. De jeugdprofessional ziet in dat in dit soort kwesties transparantie heel belangrijk is en zal hier zorgvuldiger mee omgaan. De jeugdprofessional wil wel benadrukken dat er met haar handelen geen sprake was van het opzettelijk manipuleren van het dossier en dat de inhoudelijke visie van de jeugdprofessional (dat de juridische situatie moest aansluiten bij de feitelijke situatie) niet is veranderd.
De jeugdprofessional had voorts geen eigen agenda en betwist zich eenzijdig transparant en partijdig te hebben opgesteld. Zij had wel degelijk ook oog voor de rol van de vader in het geheel. De jeugdprofessional herkent zich totaal niet in het beeld dat wordt geschetst en de verwijten dat zij allerlei zaken zou hebben gemanipuleerd. Hier was absoluut geen sprake van.
De jeugdprofessional kan zich niet herinneren dat zij de moeder op 12 juli 2016 negatief heeft beoordeeld in het bijzijn van de dochter. Uit het klaagschrift van de moeder blijkt ook dat de jeugdprofessional heeft uitgedragen het belangrijk te vinden dat de dochter contact heeft met haar moeder en dat geen contact niet goed voor haar is. Dat de relatie tussen de kinderen en de moeder is verslechterd, is een gevolg van het gegeven dat de moeder op geen enkele manier wilde meebewegen en vast bleef houden aan de jaren daarvoor gemaakte afspraken.

5.2.3 Het College overweegt als volgt:
Allereerst wordt de jeugdprofessional verweten dat zij partijdig en eenzijdig transparant is, waardoor de belangen van de moeder en de kinderen zijn geschaad. De moeder heeft het klachtonderdeel onderbouwd door te wijzen op het contact dat de jeugdprofessional met de advocaat van de vader heeft gehad over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, zonder dat de moeder daarover geïnformeerd is. Het College leest in de overgelegde stukken dat de jeugdprofessional met de advocaat van de vader e-mailcorrespondentie gevoerd heeft in de periode van 16 tot en met 25 maart 2016. In het e-mailbericht van 25 maart 2016 bevestigt de jeugdprofessional dat de GI achter een wijziging van de hoofdverblijfplaats staat, in ieder geval voor wat betreft de dochter. Ook worden in het e-mailbericht overwegingen gedeeld rondom de hoofdverblijfplaats van de zoon. De jeugdprofessional heeft erkend dat zij de moeder van deze e-mailcorrespondentie niet op de hoogte heeft gesteld. Het College kan de moeder volgen in het standpunt dat met dit nalaten de schijn van partijdigheid is gewekt. Te meer gezien de inhoud van het contact en omdat de moeder pas bij het inzien van het dossier, in juli 2016, op de hoogte raakte van de betreffende e-mailcorrespondentie. Het College wijst erop dat in een casus waarbij sprake is van een complexe scheiding, het noodzakelijk is dat een jeugdprofessional zich meerzijdig partijdig opstelt en voor zo ver mogelijk in het contact met advocaten zich onthoudt van het delen van de visie van de GI. In het geval het noodzakelijk wordt geacht een standpunt te delen, wordt verwacht dat de andere ouder geïnformeerd wordt over een dergelijk contact en de inhoud daarvan. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode heeft geschonden, omdat zij de moeder niet geïnformeerd heeft over het contact wat zij heeft gehad met de advocaat van de vader over de hoofdverblijfplaats van de kinderen.
Het tweede verwijt is dat de jeugdprofessional het contact tussen de moeder en haar dochter bemoeilijkt heeft, omdat zij de moeder negatief beoordeeld heeft in het bijzijn van de dochter. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat zij tijdens het gesprek van 12 juli 2016 kenbaar maakte dat zij haar vakantieplannen nog niet wist, maar dat zij vermoedelijk naar de stacaravan zou gaan. Volgens de moeder heeft de jeugdprofessional zich over deze vakantieplannen negatief uitgelaten, omdat zij naar aanleiding van de reactie van de dochter bevestigde dat veel meiden van haar leeftijd dat geen leuke vakantieplannen zouden vinden. Volgens het College valt niet in te zien hoe een dergelijke uitlating het contact tussen de moeder en haar dochter bemoeilijkt heeft. Bovendien acht het College een dergelijke uitlating geen reden om te spreken van een tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van de jeugdprofessional.

5.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de moeder niet geïnformeerd is over het contact dat de jeugdprofessional heeft gehad met de advocaat van de vader over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Voor het overige verklaart het College het klachtonderdeel ongegrond.

5.3 Klachtonderdeel 3

5.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Het dossier is niet integer en de jeugdprofessional geeft geen volledige inzage in het dossier.

Toelichting:
De moeder heeft het dossier bij de jeugdprofessional opgevraagd en geconstateerd dat het dossier op meerdere vlakken niet op orde is. De moeder somt daartoe in de toelichting op het klachtonderdeel meerdere voorbeelden op, waaronder het gegeven dat de jeugdprofessional gespreksverslagen pas maanden later in het dossier ingevoerd heeft. Ook ontbreken volgens de moeder gespreksverslagen van de kinderen en van de school. Vanwege het ontbreken van deze verslagen is niet te controleren of de vermeende uitspraken van de kinderen zijn, of dat deze door de jeugdprofessional zijn verzonnen. Doordat het dossier niet op orde is, is niet alle actuele informatie aanwezig op het moment van beslissingen en heeft de jeugdprofessionals haar collega’s onjuist geïnformeerd. Het dossier is hierdoor onvolledig en slechts gebaseerd op de meningen van de jeugdprofessional. Dit onvolledige dossier heeft zij vervolgens overgedragen aan de opvolgende jeugdprofessional.
Daarnaast heeft de jeugdprofessional de moeder geen inzage gegeven in het volledige dossier. Vlak voor de zitting van 6 juli 2016 heeft de moeder een gedeelte van het dossier meegekregen, maar de Ritax (risicotaxaties), MCB en gespreksverslagen van kinderen en van school ontbraken. Na enige malen aandringen heeft de moeder de ontbrekende risicotaxaties op 2 december 2016 van de teammanager van de jeugdprofessional ontvangen. Door het ontbreken van onder meer de risicotaxaties, heeft de jeugdprofessional de moeder een kans ontnomen om tijdens de rechtszaak van 21 juli 2016 volledig op de hoogte te zijn van alle foutieve informatie die is verstrekt, waardoor zij moedwillig gefrustreerd is in het opkomen voor haar belangen en dat van de kinderen. Ook een door de jeugdprofessional toegezonden steunbrief aan de rechtbank en het verzoekschrift verlenging van de ondertoezichtstelling heeft de moeder niet (volledig) ontvangen. Door het misbruiken van de informatie, is de kinderrechter niet objectief geïnformeerd en in staat gesteld besluiten te nemen ter bescherming van de kinderen.

5.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat zij geen onjuiste informatie in het dossier heeft opgenomen en geen informatie heeft achtergehouden. De jeugdprofessional betwist dat zij de moeder in het dossier op een onjuiste wijze heeft neergezet. Zij zag destijds dat de houding van de moeder de gezamenlijke gesprekken frustreerde en dat zij de situatie onder druk zette. Het beeld dat volgt uit het dossier komt ook overeen met het beeld dat [instelling jeugd- en opvoedhulp] en de RvdK van de moeder hadden en dat de kinderen hebben geschetst aan de verschillende kinderrechters tijdens de kinderverhoren. Alle professionals hebben de moeder adviezen gegeven en gewaarschuwd voor de gevolgen van haar starheid, maar de moeder heeft deze adviezen naast zich neergelegd, althans was niet in staat om deze op te volgen.
Daarnaast heeft de jeugdprofessional de moeder binnen de daarvoor vastgestelde termijn afschrift van het dossier gegeven. Uiteindelijk bleken twee documenten (de risicotaxaties) daarin te ontbreken. Risicotaxaties zijn echter interne documenten en worden niet naar de rechtbank gezonden. Zij maakten derhalve geen deel uit van het procesdossier, zoals de moeder lijkt te veronderstellen. De jeugdprofessional heeft deze documenten dus niet bewust achtergehouden. Tot slot stelt de jeugdprofessional zich op het standpunt dat de steunbrief aan de rechtbank en het verzoekschrift verlenging van de ondertoezichtstelling in kopie aan de ouders is toegezonden.

5.3.3 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional wordt ten eerste verweten dat het dossier niet integer is, omdat het dossier onvolledig opgesteld is. Partijen verschillen kennelijk van visie over of het dossier al dan niet volledig is opgesteld. Het College overweegt dat een jeugdprofessional op grond van artikel 7.3.1 lid 1 juncto 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet verplicht is een dossier in te richten met betrekking tot de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, dat geldt slechts voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkenen noodzakelijk is. Daar waar de moeder stelt dat bepaalde informatie in het dossier ontbreekt, zoals verslagen van de gesprekken met de kinderen of school, heeft een jeugdprofessional een eigen afweging te maken of het voor de goede hulpverlening noodzakelijk is dergelijke verslagen op te stellen en in het dossier op te nemen. De moeder heeft volgens het College onvoldoende aangevoerd dat noodzakelijke informatie ten behoeve van de uitvoering van de ondertoezichtstelling in het dossier ontbreekt. Voor wat betreft het verwijt dat gespreksverslagen maanden later in het dossier zijn ingevoerd, wordt vooropgesteld dat een jeugdprofessional moet streven naar een spoedige verwerking van (gespreks)verslagen in het dossier. Volgens het College voert het echter te ver om te spreken van een tuchtrechtelijk verwijt wanneer het invoeren van een gespreksverslag enige tijd op zich heeft laten wachten.
Het tweede verwijt luidt dat de moeder geen volledig afschrift van het dossier heeft ontvangen. Uit het overgelegde e-mailbericht van de teammanager van 2 december 2016 stelt het College vast dat in eerste instantie twee ingevulde risicotaxaties niet aan de moeder verstrekt zijn. De jeugdprofessional heeft als reden daarvoor aangevoerd dat dit interne bestanden betreffen, die geen onderdeel zijn van het (proces)dossier. Dat de risicotaxaties geen onderdeel van het dossier zouden zijn volgt het College niet en verwijst daarvoor naar het Privacyreglement gecertificeerde instelling, Tekst en toelichting, versie 2.0, 2016, hierna te noemen: het Privacyreglement. In paragraaf 3.3 ‘Welke persoonsgegevens vallen onder het dossier?’ van het Privacyreglement, pagina 9, is opgenomen dat onder het dossier alle stukken vallen die persoonsgegevens van de cliënten bevatten. De twee uitzonderingen daarop zijn persoonlijke werkaantekeningen en rapporten die nog in bewerking zijn, deze zijn blijkens artikel 11 lid 6 van het Privacyreglement geen onderdeel van het dossier. Dat de risicotaxaties onder het dossier vallen, brengt echter nog niet dat deze aan de moeder – met opvragen van het dossier – verstrekt moesten worden. In sommige gevallen is het namelijk gerechtvaardigd dat verstrekking van (delen van) het dossier geweigerd wordt. Dit vloeit voort uit artikel 7.3.11 lid 3 van de Jeugdwet: “indien de jeugdhulpverlener door inlichtingen over de betrokkene dan wel inzage in of afschrift van het dossier te verstrekken niet geacht kan worden de zorg van een goed jeugdhulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks achterwege.” Volgens het College is het in de praktijk gebruikelijk dat risicotaxaties niet (direct) aan betrokkenen verstrekt worden wanneer het dossier opgevraagd wordt, omdat dergelijke documenten, gelet op de inhoud, (mondelinge) uitleg en toelichting behoeven. Het College is daarom van oordeel dat de jeugdprofessional met betrekking tot het niet verstrekken van de risicotaxaties geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

5.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.4 Klachtonderdeel 4

5.4.1. De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft geen onderzoek gedaan en doet niet aan waarheidsvinding. De jeugdprofessional neemt ongefundeerde uitspraken, eigen stellingen en aannames op in het dossier als zijnde feiten.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft de moeder onrechtmatig een diagnose (borderline) toegekend in een risicotaxatie, waarmee het team is geïnformeerd en beslissingen zijn genomen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de moeder het College erop gewezen dat op pagina 1 van de overgelegde risicotaxatie van de moeder, onder het kopje “ouderfactoren”, bij de vraag of sprake is van psychiatrische problematiek als antwoord “ja” is ingevuld, terwijl daarvoor een brondocument ontbreekt. De jeugdprofessional doet niet aan waarheidsvinding, maar neemt de mening van de vader als feit op in het dossier. De moeder heeft een persoonlijkheidsonderzoek laten doen en daar is geen borderline geconstateerd. Daarnaast is volgens de jeugdprofessional “de wens van de kinderen consistent” en zijn de kinderen “veilig” bij de vader. De jeugdprofessional had dergelijke formuleringen nooit in het dossier mogen zetten, zonder voorafgaand diagnostisch onderzoek. Verder wordt de moeder in het dossier negatief weggezet. Zaken worden anders geformuleerd met een onterechte, niet onderbouwde, ondertoon en onderzoek naar de beweegredenen van de moeder is niet gedaan. Ook staan er feitelijke onjuistheden, zoals verkeerde data, in het dossier. De jeugdprofessional heeft de focus op de moeder, maar gaat eraan voorbij dat de sleutel tot het wegnemen van de ontwikkelingsdreiging van de kinderen juist bij de vader ligt. De opvolger van de jeugdprofessional borduurt voort op het dossier wat de jeugdprofessional heeft opgesteld.

5.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft de moeder niet de diagnose borderline toegekend en er is geen feitelijk onjuiste informatie weergegeven. Zoals eerder aangegeven, risicotaxaties zijn veiligheidslijsten die de jeugdzorgwerker (in dit geval de jeugdprofessional) helpen een inschatting te kunnen maken van de veiligheidsrisico’s binnen een gezinssysteem. Het zijn geen vastgestelde onderzoeksrapporten en ze kunnen worden beschouwd als inschattingen van de jeugdprofessional.
Daarnaast bevat het dossier geen ongefundeerde uitspraken. Nu de kinderen zowel bij de speltherapeut, [instelling jeugd- en opvoedhulp], de RvdK, de jeugdprofessional en de kinderrechter(s) hun wensen kenbaar hebben gemaakt, heeft de jeugdprofessional terecht geconstateerd dat de wens van de kinderen consistent is. Op basis van de huisbezoeken heeft de jeugdprofessional bovendien de situatie bij beide ouders als veilig beoordeeld. Evenmin heeft de jeugdprofessional ongefundeerde uitspraken in het dossier opgenomen. De uitspraken over de moeder stroken met het beeld dat [instelling jeugd- en opvoedhulp] (na jarenlange hulpverlening) en de RvdK van de moeder kregen en dat de kinderen ook aan de kinderrechter schetsten. De moeder klaagt dat de opvolger van de jeugdprofessional voortborduurt op het dossier van de jeugdprofessional, maar de belangrijke beslissingen worden genomen in MCB (waarbij de gedragswetenschappers prima in staat zijn kritische vragen te stellen) en die blijven derhalve overeind, ook als een jeugdprofessional vervangen wordt. Verder voert de jeugdprofessional aan dat het omdraaien van een datum kan gebeuren en dat dit niet leidt tot tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Uit het klaagschrift wordt duidelijk dat de moeder achter alles iets zoekt en in alles manipulatie door de jeugdprofessional ziet. Het verweren hiertegen is – zeker gezien het tijdsverloop – vrijwel onmogelijk, maar het moge duidelijk zijn dat de jeugdprofessional uitdrukkelijk betwist dat zij bewust onjuistheden heeft opgenomen in het dossier, bewust zaken uit het dossier heeft gehouden en bewust de moeder heeft benadeeld met een toonzetting in het dossier.
De jeugdprofessional concludeert dat zij in haar rol van jeugdzorgwerker ook standpunten mag innemen waar ouders niet achter staan. Zij heeft dit gedaan, maar wel na MCB op 1 maart 2016, 24 mei 2016 en 8 november 2016.

5.4.3 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional wordt samengevat verweten dat in het dossier ongefundeerde stellingen in het dossier zijn opgenomen, waarmee zij de moeder in een negatief daglicht heeft geplaatst. Voor wat betreft de ingevulde risicotaxatie over de moeder, is het College van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft nu op de eerste pagina onder het kopje “ouderfactoren” bevestigend is geantwoord op de vraag of psychiatrische problematiek aanwezig is. Volgens het College kan deze vraag slechts bevestigend beantwoord worden indien daar deugdelijke onderbouwing aan ten grondslag ligt, hetgeen blijkens de risicotaxatie niet het geval is. Bij de “bron:” is namelijk niets ingevuld. Het College acht het ingevulde antwoord in strijd artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode, nu gelet op de toelichting van dit artikel verslaglegging en dossiervorming dient plaats te vinden conform de beroepsstandaard, hetgeen bij het invullen van deze vraag niet gebeurd is.
De moeder verwijt de jeugdprofessional voorts dat zij in de risicotaxatie onrechtmatig de diagnose borderline toegekend heeft gekregen en verwijst naar pagina 3. De formulering op deze pagina luidt als volgt: “vader geeft aan dat moeder in het verleden gediagnosticeerd zou zijn met borderline. Moeder geeft aan jarenlang door vader psychisch (mentaal, emotioneel) mishandeld te zijn.” Het College volgt de jeugdprofessional in het standpunt dat deze passage slechts weergeeft dat beide ouders elkaar beschuldigen van persoonlijke problematiek. Het opnemen van een dergelijke passage is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Desondanks wijst het College erop dat in casuïstiek als deze, waarbij sprake is van (forse) problematiek tussen de ouders, het de aanbeveling verdient om dergelijke problematiek genuanceerder te verwoorden, waarbij specifieke (niet onderbouwde/vastgestelde) diagnoses of andere negatieve termen worden weggelaten.
Voor wat betreft de overige verwijten ten aanzien van de dossiervorming, verschillen partijen van visie over of de stellingen ongefundeerd zijn dan wel onterecht negatief ten aanzien van de moeder. De jeugdprofessional heeft toegelicht hoe de informatie (over de moeder) in het dossier tot stand gekomen is. Het is het College niet gebleken dat zij daarmee de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overtreden. Ook het abusievelijk opnemen van verkeerde data, is naar het oordeel van het College onvoldoende om te spreken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

5.4.4 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat op pagina 1 van de risicotaxatie de vraag bevestigend is beantwoord of bij de moeder sprake is van psychiatrische problematiek. Voor het overige verklaart het College het klachtonderdeel ongegrond.

5.5 Klachtonderdeel 5

5.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional houdt zich niet aan termijnen en schetst een onjuist en onvolledig beeld aan de kinderrechter.

Toelichting:
Op 2 maart 2016, om 16:42 uur, wordt de moeder in de gelegenheid gesteld om voor 4 maart 2016 te reageren op het concept plan van aanpak. Dit is feitelijk een termijn van slechts één dag. De jeugdprofessional geeft de moeder daarmee onvoldoende tijd om goed inhoudelijk te kunnen reageren op dit document. De reactie van de moeder op het concept is pas later (tegen het einde van het eerste jaar ondertoezichtstelling) toegevoegd en met de inhoud van de reactie heeft de jeugdprofessional niets gedaan. Het plan van aanpak is niet bijgesteld.
Daarnaast wordt de moeder door de jeugdprofessional maanden aan het lijntje gehouden met betrekking tot het verzoek van de moeder om één enkel individueel gesprek. In januari 2016 heeft de moeder aan de jeugdprofessional gevraagd om een individueel gesprek gezien de problematiek die speelde. Lange tijd hoort de moeder niets van de jeugdprofessional en pas op 5 juli 2016 wordt er een gesprek aangeboden, maar dan wel voor de volgende dag, kort voor de zitting en op een tijdstip dat de moeder had aangegeven niet beschikbaar te zijn. De jeugdprofessional gaat voorbij aan de urgentie van het verzoek van de moeder en houdt geen rekening met het feit dat de moeder het niet binnen een dag geregeld kan krijgen om een vertrouwenspersoon mee te nemen. Naar de kinderrechter doet de jeugdprofessional, althans de zittingsvertegenwoordiger, het voorkomen alsof de moeder niets anders wil dan individuele gesprekken en weigert met de vader in gesprek te gaan. De moeder heeft echter altijd medewerking verleend aan alle gezamenlijke gesprekken. Er is derhalve een onjuist beeld over de moeder gegeven en de kinderrechter is hiermee onjuist en onvolledig geïnformeerd.

5.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Het is juist dat de reactietermijn voor het plan van aanpak kort was. In dit geval was er nog een gesprek met de ouders op 2 maart 2016 en er is voor gekozen om dat mee te nemen in het plan van aanpak. De moeder gaf vervolgens een reactie waarin ze weer benadrukte wat zij goed deed en de vader fout. De jeugdprofessional heeft er daarom voor gekozen de reactie aan het plan van aanpak toe te voegen.
De jeugdprofessional betwist dat zij de moeder aan het lijntje heeft gehouden met betrekking tot haar verzoek om een individueel gesprek. Op 13 maart 2016 verzocht de moeder schriftelijk om een individueel gesprek. De jeugdprofessional heeft hier op 16 maart 2016 op aangegeven dat zij dit intern wilde overleggen omdat dit niet gebruikelijk en wenselijk is. Bij het traject “[ouderschap traject]” vinden alle gesprekken met ouders gezamenlijk plaats, juist om de schijn van partijdigheid te voorkomen. Binnen twee weken gaf de jeugdprofessional aan dat dit niet haar voorkeur heeft, maar dat zij onder voorwaarden wel een individueel gesprek wilde aangaan. Door omstandigheden (drukte vanwege gezamenlijke oudergesprekken en gesprekken met de kinderen, vakantie van betrokkenen en het verzoek van de moeder om afschrift van het dossier), deed de jeugdprofessional na enkele hectische [werkweken] op 5 juli 2016 een voorstel voor het individuele gesprek met de moeder. Vanwege begeleiding van de moeder was dit praktisch niet mogelijk. Enkele weken later werd de bijzondere curator benoemd en om die reden maakte de jeugdprofessional een pas op de plaats. De jeugdprofessional betreurt dat het zo gelopen is. Zij had graag gezien dat het individuele gesprek met de moeder in mei of juni ingepland had kunnen worden. Gezien haar drukke agenda was dit echter niet mogelijk. Toen het eenmaal juli 2016 was, leek de moeder het ook prettig te vinden dat de jeugdprofessional pas op de plaats maakte tijdens het onderzoek van de bijzondere curator. Zij had haar hoop daar immers op gevestigd. Achteraf bezien had de jeugdprofessional wellicht beter haar aanbod na de zitting (dus eind juli of begin augustus) kunnen herhalen.

5.3.3 Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft het verwijt dat voor het plan van aanpak de reactietermijn voor de moeder te kort was, overweegt het College als volgt. Hoewel het College de geboden reactietermijn van ongeveer één dag (erg) kort acht, leest het College in het overgelegde e-mailbericht van 2 maart 2016 ook dat de jeugdprofessional een optie aandraagt in het geval het de moeder (en de vader) niet lukt binnen de gestelde termijn te reageren. Namelijk dat de reactie dan later wordt toegevoegd of dat de jeugdprofessional dan een bijstellingsplan maakt. Kennelijk heeft de jeugdprofessional er vervolgens voor gekozen om de reactie van de moeder aan het plan van aanpak toe te voegen. Het College ziet onder de geschetste omstandigheden geen gronden om te spreken tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
De jeugdprofessional wordt daarnaast verweten dat zij aan de kinderrechter een onjuist en onvolledig beeld geschetst heeft, vanwege de wijze waarop de kinderrechter geïnformeerd is over het verzoek van de moeder tot een individueel gesprek. Partijen verschillen op dit punt wederom van visie. Verschillende oorzaken zijn aangedragen waarom de totstandkoming van het individuele gesprek op zich heeft laten wachten. Wat daar ook van zij, de verklaringen van een zittingsvertegenwoordiger van de GI vallen buiten de invloedsfeer van de jeugdprofessional. Te meer nu uit de overgelegde zittingsoverdracht van de jeugdprofessional van 18 juli 2016 blijkt dat zij daarin niet heeft opgenomen dat de moeder enkel open zou staan voor een individueel gesprek. Evenmin dat zij gezamenlijke gesprekken met de vader zou weigeren. De jeugdprofessional valt dan ook tuchtrechtelijk niets te verwijten over de wijze waarop de kinderrechter geïnformeerd is.

5.5.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.6 Klachtonderdeel 6

5.6.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional grijpt niet in bij bedreiging door de vader richting de moeder.

Toelichting:
In een gezamenlijk gesprek op 2 maart 2016 bedreigt de vader de moeder en de moeder zegt tot drie maal toe “ik word bedreigd”. De jeugdprofessional is er stil van, kijkt steeds verder weg, negeert de hulpvraag van de moeder en gaat vervolgens over op een ander onderwerp. Met het reeds vroeg in de ondertoezichtstelling toezeggen van de hoofdverblijfplaats aan de vader, zonder enige onderbouwing, heeft de jeugdprofessional actief de moeder in al haar initiatieven om te kunnen handelen in het belang van de kinderen gefrustreerd en situaties gemanipuleerd.

5.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional kan zich niet herinneren dat de vader in haar bijzijn bedreigingen heeft geuit richting de moeder. In dat geval had zij zeker ingegrepen. De moeder onderbouwt niet hoe de bedreigingen luidden en om die reden – alsmede gezien het feit dat het om een gesprek gaat dat meer dan drie jaar geleden plaatsvond – is de jeugdprofessional niet in staat zich hiertegen verder te verweren. Dat de moeder schrijft dat de jeugdprofessional steeds verder weg kijkt (de hulpvraag negeert en overgaat op een ander onderwerp) is daarom ook niet te weerleggen.

5.6.3 Het College overweegt als volgt:
De moeder heeft geen feitelijke onderbouwing overgelegd waaruit haar visie op de geschetste gebeurtenis blijkt en de jeugdprofessional betwist de geschetste situatie. Het College kan onder deze omstandigheden niets vaststellen met betrekking tot het gevoerde gesprek op 2 maart 2016, zodat dit klachtonderdeel niet gegrond wordt bevonden. De feiten die ten grondslag aan het verwijt liggen kunnen immers niet worden vastgesteld.

5.6.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5.7 Klachtonderdeel 7

5.7.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional handelt niet.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft niet ingegrepen toen de zoon wegliep. De zoon is binnen de ondertoezichtstelling, tien dagen voor de zitting van 21 juli 2016, na het omgangsweekend met de vader naar hem weggelopen en niet teruggekeerd. Kort daarvoor had de jeugdprofessional nog geconstateerd dat de zoon een warme band heeft met de moeder. Er is een gesprek verzocht door de jeugdprofessional, maar de vader frustreerde dit en ging op vakantie. De jeugdprofessional liet het zo en greep niet in. Ondanks verzoeken van de moeder, heeft het gesprek nooit plaatsgevonden. Bovendien heeft de jeugdprofessional nooit gereageerd op twee e-mailberichten van de moeder, waarin aangegeven wordt dat nog steeds geen contact is met de zoon en waarin gevraagd wordt wat zij daaraan dan doen. In de tussentijd, op 14 juli 2016, dient de vader ook een verzoek tot hoofdverblijfplaats van de zoon bij de rechtbank in. Tot slot is in het dossier een telefoonnotitie van 20 juli 2016 opgenomen met Veilig Thuis, daarin staat vermeld dat de jeugdprofessional en Veilig Thuis het erover eens zijn dat zo snel mogelijk een constructief en onbelast contact moet gaan plaatsvinden tussen de kinderen en de moeder. Tot op de dag van vandaag zijn de kinderen echter vervreemd van de moeder.

5.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft inderdaad kort na het weglopen van de zoon getracht om met hem en de ouders in gesprek te gaan. Dit bleek praktisch niet mogelijk en toen heeft de jeugdprofessional ervoor gekozen om de zoon even rust te gunnen en na de zitting van 21 juli 2016 over het hoofdverblijf van de kinderen te bekijken hoe verder te gaan. Op die zitting besloot de kinderrechter een bijzondere curator te benoemen en om de kinderen te ontzien, die beide “hulpverleningsmoe” waren. De jeugdprofessional heeft het vervolgens aan de bijzondere curator gelaten om met de zoon en de ouders in gesprek te gaan. Na de pogingen van de bijzondere curator, werd besloten om [instelling 2] in te zetten voor het contactherstel.
Reeds in voorafgaande periodes is geconstateerd dat ook de zoon (meer) naar de vader wilde en is de moeder gewaarschuwd voor de gevolgen van haar starheid. Dat de moeder de jeugdprofessional nu tuchtrechtelijk verwijt dat haar kinderen van haar vervreemd zijn, is dan ook niet terecht. De jeugdprofessional concludeert dat zij het triest voor de moeder en de kinderen vindt dat het contact tussen hen is verslechterd. Zij heeft er echter alles aan gedaan om aan de moeder duidelijk te maken dat haar kinderen een eigen mening hebben en dat zij daarin serieus moeten worden genomen. De jeugdprofessional betreurt het dat het verslag van de bijzondere curator zo lang op zich liet wachten en de strijd alleen maar aanwakkerde. Dit heeft ertoe geleid dat de jeugdprofessional niet uit het eerste jaar van de ondertoezichtstelling heeft kunnen halen wat zij voor de kinderen en de ouders gehoopt had. Zij is echter van mening dat zij naar eer en geweten heeft gehandeld en steeds met het belang van de kinderen voor ogen heeft gehandeld.

5.7.3 Het College overweegt als volgt:
Het College stelt voorop dat het begrip heeft voor de emoties van de moeder die gepaard gaan met het ontbreken van contact tussen haar en de kinderen. Voor wat betreft de situatie in juli 2016, waarin de jeugdprofessional geconfronteerd is geweest met de situatie dat de zoon naar de vader is weggelopen, overweegt het College als volgt. De jeugdprofessional heeft betoogd dat zij ervoor gekozen heeft de situatie rondom de zoon te laten rusten, gelet op de ontstane complicaties en de naderende zittingsdatum van 21 juli 2016. Hoewel het College dit standpunt kan volgen, is het College van oordeel dat een dergelijke keuze aan de ouders, en in het bijzonder aan de moeder, toegelicht en gemotiveerd moet worden. Te meer nu de moeder ook gezaghebbend ouder is en juridisch de hoofverblijfplaats van de zoon bij haar vastgesteld was. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie leest het College nergens dat aan de moeder is uitgelegd wat de beweegredenen van de jeugdprofessional waren om niet te handelen. Bovendien is een reactie uitgebleven op de twee e-mailberichten van de moeder van 15 en 21 juli 2016 waarin de moeder concreet aan de jeugdprofessional vraagt hoe zij om moet gaan met de situatie dat zij geen contact heeft met de zoon. Gelet op het belang wat de moeder heeft bij het realiseren van contact tussen haar en de zoon, acht het College het tuchtrechtelijk te verwijten dat de jeugdprofessional nagelaten heeft haar standpunt richting de moeder te motiveren. Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond, in zoverre dat zij haar keuze om niet te handelen in de ontstane situatie niet gemotiveerd heeft richting de moeder. Dit nalaten van de jeugdprofessional acht het College een schending van artikelen E (respect) en G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

5.7.4 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional richting de moeder niet gemotiveerd heeft waarom zij ervoor gekozen heeft niet te handelen in de ontstane situatie rondom de zoon in juli 2016. Voor het overige verklaart het College het klachtonderdeel ongegrond.

5.8 Conclusie

5.8.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen 1, 2, 4 en 7 gedeeltelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft op drie onderdelen de moeder onvoldoende geïnformeerd. Namelijk voor wat betreft het onderzoek dat zij uitgevoerd heeft naar de woonsituatie van de kinderen, het contact dat zij daarover heeft gehad met de advocaat van de vader en haar keuze om niet te handelen in de ontstane situatie rondom de zoon in juli 2016. Daarnaast is de wijze van verslaglegging in de risicotaxatie niet conform de beroepsstandaard geweest, omdat de vraag of sprake is van psychiatrische problematiek bij de moeder bevestigend is beantwoord terwijl onderbouwing daarvoor ontbreekt. De jeugdprofessional heeft volgens het College in strijd gehandeld met artikelen E (respect), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

5.8.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de zwaarte van de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional ten aanzien van meerdere klachtonderdelen gedeeltelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het College houdt echter ook rekening met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional heeft moeten handelen. Het College constateert dat de jeugdprofessional in een complexe situatie heeft moeten handelen, waarbij tussen de ouders sprake is (geweest) van (forse) problematiek. Daarnaast ziet het College een jeugdprofessional die de belangen van de kinderen, en hun wensen, voorop heeft willen stellen. Gelet op het gedeeltelijk verwijtbare handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen maar de complexe situatie meewegende, acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen. Het College wil de jeugdprofessional meegeven dat het voor haar een leerpunt vormt hoe zij betrokkenen, in de onderhavige casus de moeder, dient mee te nemen in de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College beoogt middels dit oordeel een bijdrage te leveren aan de bewustwording daarover.

6     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1, 2, 4 en 7 gedeeltelijk gegrond;
  • verklaart voor het overige klachtonderdelen 1 tot en met 7 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 7 november 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris