Maak een selectie

727 van 727

   

Het is aan de kinderrechter om te beoordelen of er sprake is van een rechtsgeldig verzoekschrift en of er gronden zijn de ondertoezichtstelling te verlengen. Nu is gebleken dat de ondertoezichtstelling door de kinderrechter meermaals is verlengd, bestaat er voor het College van Beroep geen aanleiding aan te nemen dat er door de jeugdprofessional tijdens zijn betrokkenheid geen plan van aanpak is opgesteld c.q. dit niet is toegestuurd aan de ouders.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, lid-jurist,
mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M.L.F. Grijseels, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[appellant], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: appellant, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[verweerder], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerder, ten tijde van het beklaagde handelen werkzaam als gezinsvoogd bij [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Verweerder wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. E.J.C. de Jong, werkzaam als advocaat te Utrecht.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het door appellant bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met de bijlagen, ontvangen op 16 mei 2018, en de aanvulling hierop ontvangen op 4 augustus 2018;
– het door verweerder bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met de bijlagen, ontvangen op 10 juli 2018;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 18.073T van 5 november 2018;
– het door appellant ingestelde pro forma beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 30 december 2018;
– het door appellant ingediende aanvullend beroepschrift, met de bijlagen, ontvangen op 17 januari 2019, en de aanvulling hierop ontvangen op 29 januari 2019;
– het door verweerder ingediende verweerschrift ontvangen op 26 februari 2019;
– de door appellant op schrift gestelde toelichting op het beroepschrift welke ten tijde van de mondelinge behandeling van het beroep door hem is voorgedragen.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

1.3 Tegen deze beslissing is door appellant op 30 december 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Door verweerder is op 26 februari 2019 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019 in aanwezigheid van appellant, verweerder en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.6 Aan het eind van de mondelinge behandeling van het beroep heeft appellant een afschrift van de door hem op schrift gestelde toelichting verstrekt aan het College van Beroep. Desgevraagd heeft de secretaris de gemachtigde van verweerder per e-mailbericht van 28 maart 2019 een afschrift van deze toelichting verstrekt.

1.7 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 Appellant is de vader van drie minderjarige kinderen. De oudste zoon is geboren in 2004, de middelste zoon is geboren in 2006 en de jongste zoon is geboren in 2009.

2.2 De relatie tussen appellant en de moeder van de kinderen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, is beëindigd. De kinderen wonen sinds het verbreken van de relatie van de ouders bij de moeder.

2.3 Bij beschikking van de kinderrechter van 23 september 2011 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is per 23 maart 2018 beëindigd. Appellant heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep desgevraagd kenbaar gemaakt dat medio februari/maart 2019 de kinderen opnieuw onder toezicht zijn gesteld. De GI is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.4 Verweerder is sinds [datum] 2013 in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 tot op heden is verweerder als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

2.5 Verweerder is in de periode van februari 2015 tot en met januari 2016 namens de GI samen met een collega belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Verweerder was hierbij de contactpersoon voor appellant. De collega van verweerder was de contactpersoon voor de moeder.

2.6 Eind januari 2016 is verweerder gestopt met de uitvoering van de ondertoezichtstelling naar aanleiding van een gesprek tussen appellant en de Inspectie Jeugdzorg (thans: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd). Nadat de Inspectie Jeugdzorg de GI op hoogte had gebracht van de inhoud van het gesprek is contact opgenomen met de wijkagent en aangifte gedaan tegen appellant. Deze aangifte is wegens gebrek aan bewijs geseponeerd.

3     Het beroep, het verweer en de beoordeling

  • Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 5 november 2018 van de klachtonderdelen I t/m VIII, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

3.1.4 Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “[Appellant] stelt dat [verweerder] heeft geweigerd om zijn registratienummer te verstrekken aan [appellant]. In de e-mail van 31 maart 2016 heeft [appellant] [verweerder] verzocht om het registratienummer. Op deze e-mail heeft [appellant] geen reactie ontvangen. Hiermee wordt de suggestie gewekt dat [verweerder] niet SKJ geregistreerd is.”

3.2.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt dat het registratienummer van [verweerder] is op te zoeken in het openbaar register van het SKJ. Het register is voor een ieder vrij toegankelijk. Uit het dossier is gebleken dat [appellant] op 31 maart 2016 via een e-mail de gegevens direct bij [verweerder] heeft opgevraagd in plaats van in het register heeft opgezocht. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat het zorgvuldiger was geweest van [verweerder] als hij de e-mail van [appellant] had beantwoord en transparant was geweest over zijn registratienummer. In de geschetste omstandigheden is het College [van Toezicht] echter van oordeel dat het niet geven van zijn registratienummer bij het SKJ [verweerder]  niet tuchtrechtelijk valt te verwijten. [Verweerder] was vanwege de onder [2.6] geschetste gebeurtenis vanaf januari 2016 (zie ook bijlage 8) niet langer betrokken bij [appellant]. Besloten was dat er geen verdere communicatie meer zou zijn tussen [appellant] en [verweerder]. Het College [van Toezicht] acht het dan ook begrijpelijk dat [verweerder] niet heeft gereageerd op de e-mail van [appellant]. In het dossier zijn geen aanknopingspunten gevonden die leiden tot de conclusie dat [verweerder] bewust zijn registratienummer niet heeft verstrekt of de suggestie heeft willen wekken niet geregistreerd te zijn.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.2.3 Appellant vindt de beoordeling van het College van Toezicht ten aanzien van dit klachtonderdeel merkwaardig. Appellant heeft bij de leidinggevende van verweerder het registratienummer opgevraagd. De leidinggevende heeft in reactie daarop aangegeven dat appellant dit zelf bij verweerder dient op te vragen. Appellant stelt zich op het standpunt dat indien er sprake van zou zijn dat verweerder geen contact meer zou hebben of hoeven hebben met appellant, de leidinggevende deze reactie niet gestuurd zou hebben. Zowel verweerder als de leidinggevende waren er van op de hoogte dat appellant het registratienummer van appellant wilde weten, maar desondanks werd geweigerd deze af te geven. Daarnaast stelt appellant dat SKJ op de website vermeldt dat het niet verstrekken van het registratienummer in strijd is met de professionele standaard.

3.2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de producties die appellant ten aanzien van dit klachtonderdeel in het geding brengt, verweerder niet aangaan nu deze niet aan c.q. door hem zijn gestuurd. Appellant reageert in zijn grief niet op de overwegingen van het College van Toezicht, te weten dat de geschetste omstandigheden met zich mee brachten dat er geen sprake is geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder door niet zelf zijn registratienummer aan appellant kenbaar te maken. Kennelijk wenst appellant die omstandigheden buiten beschouwing te laten, maar dat zou in de visie van verweerder onjuist zijn. Die omstandigheden waren juist zeer relevant.

3.2.5 Het College van Beroep stelt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel voorop dat een geregistreerde jeugdprofessional op grond van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna te noemen: de Beroepscode, (onder meer) informatie dient te verschaffen over het aan de Beroepscode gekoppelde tuchtrecht. Daaronder wordt ook het registratienummer verstaan. Het College van Beroep is echter, evenals het College van Toezicht, van oordeel dat verweerder met zijn handelen c.q. nalaten van dit klachtonderdeel binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven en overweegt hiertoe als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 31 maart 2016 bij zowel de leidinggevende van verweerder als bij verweerder heeft verzocht een of meerdere registratienummers te verstrekken. In het e-mailbericht aan de leidinggevende betrof dit registratienummers van diverse jeugdprofessionals, in het e-mailbericht aan verweerder alleen het registratienummer van verweerder zelf. Voor zover appellant betwist dat er geen sprake meer mocht zijn van contact tussen verweerster en appellant, volgt het College van Beroep dit standpunt niet. Op 26 januari 2016 is appellant door de leidinggevende bericht dat verweerder, gelet op de omstandigheden, niet langer de contactpersoon voor appellant is. In deze e-mail is eveneens kenbaar gemaakt dat de leidinggevende tot nader order de contactpersoon voor appellant is. Het College van Beroep kan niet vaststellen waarom het mogelijk in de communicatie tussen de leidinggevende en verweerder omtrent het verstrekken van het registratienummer niet goed is verlopen, maar het voert het College van Beroep te ver om, gelet op de zeer specifieke omstandigheden van dit geval zoals geschetst door het College van Toezicht, verweerder ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.2.6 Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel I.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “[Appellant] is van mening dat [verweerder] in de periode dat hij betrokken was als gezinsvoogd geen enkel gesprek met hem heeft gehad. Ook heeft [appellant] nooit een plan van aanpak van [verweerder] mogen ontvangen.

3.3.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt dat [appellant] dit klachtonderdeel onvoldoende heeft geconcretiseerd. Het klachtonderdeel is niet onderbouwd met relevante stukken. Het College [van Toezicht] constateert, nu [appellant] ter zitting desgevraagd niet heeft weersproken dat er onderling veel contact is geweest telefonisch en via de e-mail, dat de stelling van [appellant] niet aannemelijk is geworden.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.3.3 Appellant stelt zich op het standpunt dat het onmogelijk is om te onderbouwen wat niet heeft plaatsgevonden, dit is een taak voor de jeugdprofessional die het tegendeel beweert. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn klachtonderdeel een compleet overzicht van de contactjournaals overgelegd. Appellant stelt dat daar niet veel uitnodigingen dan wel verslagleggingen van telefoongesprekken in terug te vinden zijn. Daarnaast stelt appellant zich op het standpunt dat verweerder eenvoudig een plan van aanpak kan overleggen nu hij de verplichting had om dit binnen zes weken na zijn aanstelling op te stellen en te bespreken.

3.3.4 Verweerder stelt dat appellant in zijn beroepschrift suggereert dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er wel degelijk gesprekken hebben plaatsgevonden tussen appellant en verweerder. Het oorspronkelijke klachtonderdeel ziet er echter op dat verweerder in de desbetreffende periode geen enkel gesprek met appellant zou hebben gehad en dat er nooit een plan van aanpak zou zijn gemaakt. Verweerder heeft dat beargumenteerd weersproken en appellant stelt daar thans niets tegenover. Verweerder herhaalt dat hij zeer zorgvuldig overleg heeft gehad met appellant, overigens zelden tot nooit op een wijze die constructief was. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat de verplichting om een plan van aanpak op te stellen binnen zes weken na het uitspreken van de ondertoezichtstelling dient te gebeuren, niet binnen zes weken na zijn aanstelling. De ondertoezichtstelling liep steeds af in september en is vele jaren verlengd. Nu voor het verlengen van een ondertoezichtstelling een plan van aanpak (en evaluatie daarvan) benodigd is, zijn deze wel degelijk ingediend bij de kinderrechter en besproken met de ouders.

3.3.5 Het College van Beroep stelt vast dat appellant ter onderbouwing van zijn grief ten aanzien van dit klachtonderdeel honderden pagina’s contactjournaals in het geding heeft gebracht. Uit deze contactjournaals blijkt naar het oordeel van het College van Beroep dat verweerder meer dan gemiddeld heeft geïnvesteerd in het onderhouden van contact met appellant. Op welke wijze deze contacten hebben plaatsgevonden, per e-mail, telefonisch of in persoon, doet op zich genomen aan het voorgaande niet af. Voor zover de grief betrekking heeft op het ontbreken van contact tussen verweerder en appellant faalt deze dus. Voor zover de grief betrekking heeft op het niet (tijdig) opstellen van een plan van aanpak overweegt het College van Beroep als volgt. Op grond van artikel 4.1.3, lid 5, Jeugdwet dient een plan van aanpak binnen zes weken te worden opgesteld nadat is vast komen te staan dat wordt afgezien van het opstellen van een familiegroepsplan (als bedoeld in artikel 4.1.2. Jeugdwet). In het geval het op voorhand direct duidelijk is dat het opstellen van een familiegroepsplan niet mogelijk is, impliceert artikel 4.1.3, lid 5, Jeugdwet dat het opstellen van een plan van aanpak binnen zes weken na het uitspreken van de betreffende kinderbeschermingsmaatregel (in dit geval de ondertoezichtstelling) dient te worden opgesteld. Het College van Beroep volgt verweerder aldus in zijn standpunt dat het opstellen van het plan van aanpak niet afhankelijk is van de start van zijn betrokkenheid, maar van het moment van uitspreken van de kinderbeschermingsmaatregel door de kinderrechter. Het College van Beroep acht het voorts niet aannemelijk dat gedurende de betrokkenheid van verweerder er geen plan van aanpak is opgesteld. Hiertoe overweegt het College van Beroep als volgt. In artikel 2.4.9. van het Procesreglement Civiel jeugdrecht is opgenomen welke bescheiden dienen te worden overlegd bij het indienen van een verzoekschrift strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling (ex. artikel 1:260 BW). Een van deze vereisten is het overleggen van een plan van aanpak. Het is aan de kinderrechter om te beoordelen of er sprake is van een rechtsgeldig verzoekschrift en of er gronden zijn de ondertoezichtstelling te verlengen. Nu is gebleken dat de ondertoezichtstelling door de kinderrechter meermaals is verlengd, bestaat er voor het College van Beroep geen aanleiding aan te nemen dat er door verweerder tijdens zijn betrokkenheid geen plan van aanpak is opgesteld c.q. dit niet is toegestuurd aan de ouders/appellant.

3.3.6 Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel II.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel III als volgt geformuleerd: “[Appellant] is van mening dat [verweerder] de kinderen onnodig in een ernstige onveiligheid heeft gebracht door niet open te staan voor argumenten van [appellant] om de kinderen niet achtereenvolgens voor drie weken bij hem te laten zijn in de zomervakantie van 2015.”

3.4.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. [Verweerder] heeft ter zitting aangegeven dat voorafgaande aan de zomervakantie een risicotaxatie is gemaakt over het verblijf van de kinderen bij [appellant]. Uit deze taxatie zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit bleek dat het verblijf van de kinderen bij [appellant] niet mogelijk was. In overleg met collega’s heeft [verweerder] het besluit genomen. Voorts heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling [van de klacht] desgevraagd naar de situatie van de zomervakantie in 2015 bestreden dat er sprake is geweest van een ernstige onveiligheid. Er zou sprake zijn geweest van liquiditeitsproblemen welke [appellant] heeft kunnen oplossen, zodat hij eten kon kopen voor de kinderen. Nu [appellant] tijdens het verblijf van de kinderen uiteindelijk over voldoende middelen beschikte om in de basis behoefte van de kinderen te kunnen voorzien, zijn er in het dossier geen aanknopingspunten gevonden die de stelling van [appellant] onderbouwen. Ook nu [appellant] het door hem gestelde tijdens de mondelinge behandeling [van de klacht] gedeeltelijk heeft weersproken is het klachtonderdeel ongegrond.”

3.4.3 Appellant verwijst ter onderbouwing van zijn grief naar gedane uitspraken door de gedragswetenschapper. Deze vroeg zich af hoe ingestemd kon worden met een verblijf van drie weken bij appellant gelet op zijn financiële situatie. Naar de mening van appellant werpt dit een heel ander licht op de besluitvorming van verweerder nu deze openlijk wordt bekritiseerd door de eigen gedragswetenschapper. Daarnaast is de uitspraak van het College van Toezicht volledig in tegenspraak met eerdere uitspraken betreffende het uit huis halen van de kinderen door drie gewapende politieagenten.

3.4.4 Verweerder geeft aan dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op de zomervakantie van 2015. Destijds is, na het verrichten van een risicotaxatie, besloten dat de kinderen gedurende drie aaneengesloten weken bij appellant zouden verblijven en gedurende drie weken aaneengesloten bij de moeder. Reden was dat de moeder een betaalde baan had en een aaneengesloten vakantie wenste. Uit de bij het beroepschrift overgelegde contactjournaals door appellant, blijkt dat appellant zich op allerlei manieren heeft verzet tegen de voorgestelde vakantieregeling. De communicatie daarover geeft een goed beeld van de continue strijd tussen de ouders en van de strijd die appellant met de gezinsvoogd(en) voerde. Het financiële aspect vormt daarbij slechts een klein onderdeel, terwijl niet valt in te zien waarom dat financiële aspect wezenlijk anders zou zijn geweest als appellant zijn zin zou hebben gekregen. Maar los daarvan; het was appellant als destijds gezaghebbend ouder die diende zorg te dragen voor de veiligheid van zijn kinderen. Het verblijf van de kinderen bij appellant, moest die zomer echter voortijdig worden beëindigd omdat appellant de door hem zelf gevraagde hulp niet accepteerde, dreigende uitlatingen deed en vervolgens onvindbaar was. Verweerder is hier overigens niet bij betrokken geweest omdat hij toen zelf op vakantie was.

3.4.5 Het College van Beroep stelt vast dat ten aanzien van de zomervakantie in 2015 een verdeling is gemaakt waarbij de kinderen drie weken bij de moeder zouden verblijven en drie weken bij appellant. Deze verdeling is in een schriftelijke aanwijzing vastgelegd welke, blijkens de overgelegde contactjournaals, op 23 juli 2015 door de kinderrechter is bekrachtigd. Uit de overgelegde stukken is het College van Beroep gebleken dat appellant inderdaad bij verweerder zorgen heeft geuit over de bij hem aanwezige (geringe) financiële middelen om de kinderen drie aaneengesloten weken te kunnen onderhouden. Deze zorgen waren bekend en zijn in de risicotaxatie meegenomen. Deze zorgen hebben niet geleid tot het vaststellen van een andere vakantieregeling en ook de kinderrechter heeft geen aanleiding gezien de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. Het College van Beroep volgt daarnaast het standpunt van verweerder dat niet valt in te zien hoe de (financiële) situatie anders zou zijn geweest als de kinderen drie keer om de week bij appellant zouden verblijven in plaats van drie aaneengesloten weken.
Het College van Beroep leest, evenals appellant, in het contactjournaal van 28 juli 2015 dat er door de gedragswetenschapper vraagtekens zijn gesteld bij het laten verblijven van de kinderen bij appellant gelet op zijn financiële situatie. Het College van Beroep leest echter in hetzelfde contactjournaal ook dat er andere redenen dan de financiële situatie, het niet accepteren van de gevraagde hulp en het tijdelijk onvindbaar zijn van appellant met de kinderen, ten grondslag hebben gelegen aan het uiteindelijke besluit om de vakantieregeling op 28 juli 2015 bij appellant af te breken. Gelet op het voorgaande is het College van Beroep van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder door voormelde vakantieregeling de kinderen in ernstige onveiligheid heeft gebracht. Hem kan hier aldus geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

3.4.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel III.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel IV als volgt geformuleerd: “[Appellant] stelt dat [verweerder] tot op heden heeft nagelaten om wettig en overtuigend bewijs te leveren van de belastingen waaraan [appellant] zijn oudste zoon zou hebben blootgesteld. [Appellant] is van mening dat [verweerder] hiermee gezocht zou hebben naar redenen om de omgang van [appellant] met zijn kinderen te beperken.

3.5.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. [Appellant] heeft onvoldoende concreet geformuleerd op basis van welke rechtsregel [verweerder] wettig en overtuigend bewijs dient aan te leveren. Ook is niet duidelijk geworden wat [verweerder] precies zou moeten aantonen. Voorts heeft het College [van Toezicht] besloten om de berichten waarover [verweerder] beschikt niet op te vragen nu het niet in het belang van de beoordeling van het klachtonderdeel wordt geacht.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.5.3 Appellant vraagt zich af waarom het College van Toezicht niet aan waarheidsvinding doet. Verweerder heeft met het uitbrengen van een onrechtmatige schriftelijke aanwijzing per direct de omgang tussen appellant en zijn kinderen stilgelegd. Een dergelijke beslissing dient te worden onderbouwd met wettig en overtuigend bewijs. Verweerder stelt zelf voor deze stukken in het geding te willen brengen. De weigerachtige houding van het College van Toezicht ten aanzien hiervan riekt naar een vooropgezette toerijking van verweerder. De oplossing hiervan is simpel: het staat verweerder vrij om in het verweer het zogenaamde onomstotelijke bewijs in te brengen. Bij het uitblijven daarvan gaat appellant er vanuit dat dit bewijs er niet is.

3.5.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het nog steeds onduidelijk is waarop dat bewijs betrekking zou moeten hebben. Het is juist aan appellant om een door hem ingediend klachtonderdeel begrijpelijk te formuleren en van bewijsstukken te voorzien. Appellant heeft dit nagelaten.

3.5.5 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van appellant faalt en overweegt hiertoe als volgt. De verantwoordelijkheid om klachten als omgeschreven in artikel 7.5 onder d van het Tuchtreglement (versie 1.2) helder te formuleren ligt bij een klager, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon of een gemachtigde. De omvang van de klachtonderdelen die ter beoordeling aan de tuchtcolleges voorliggen dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges zelf, helder te zijn. Teneinde de schijn van partijdigheid te voorkomen heeft het College van Toezicht, dan wel het College van Beroep, niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren of te destilleren uit een door klager aangeleverde toelichting. Het College van Beroep is, evenals het College van Toezicht, van oordeel dat het door appellant geformuleerde klachtonderdeel onvoldoende concreet is gebleven.
Het College van Beroep is echter wel van oordeel dat in een dergelijk geval de klager c.q. appellant  niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het betreffende klachtonderdeel nu dit klachtonderdeel niet inhoudelijk kan worden beoordeeld. Het College van Beroep zal deze omissie van het College van Toezicht aldus ambtshalve in beroep repareren.

3.5.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht, zij het dat het appellant niet-ontvankelijk verklaart in klachtonderdeel IV.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel V als volgt geformuleerd: “De gezinsvoogd heeft onvoldoende gedaan met haar mening de aantijgingen van moeder jegens de vader niet serieus te nemen, niet ten tijde van het kort geding en ook niet nadien ondanks dat er omgangsbeperkingen waren opgelegd.”

3.6.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling [van de klacht] gevraagd het klachtonderdeel nader toe te lichten. Desondanks is het klachtonderdeel onvoldoende concreet gebleven en is derhalve het klachtonderdeel ongegrond.”

3.6.3 Volgens appellant heeft dit klachtonderdeel betrekking op het feit dat verweerder niets heeft gedaan op het moment dat hij er kennis van nam dat moeders aantijgingen niet serieus te nemen waren. Verweerder had zijn mening/zienswijze als gezinsvoogd aan de rechtbank persoonlijk dienen mede te delen, dan wel middels zijn leidinggevende die bij de zitting aanwezig was en met wie hij ongetwijfeld overleg had gevoerd. Voorts kon verweerder zich prima vinden in de volgens appellant ten onrechte opgelegde omgangsbeperking, terwijl verweerder de uitspraken niet serieus nam.

3.6.4 Verweerder is van mening dat appellant in zijn beroepschrift wel enkele opmerkingen maakt aangaande dit klachtonderdeel, maar dat duister blijft wat precies het verwijt richting verweerder is en waarom dat verwijt, indien dat al juist zou zijn, een tuchtrechtelijk verwijt zou kunnen opleveren. Om die reden kan verweerder nog steeds geen inhoudelijke reactie geven op dit klachtonderdeel.

3.6.5 Het College van Beroep is evenals het College van Toezicht van oordeel dat dit klachtonderdeel door appellant onvoldoende concreet is geformuleerd. Het College van Beroep verwijst naar hetgeen het reeds overwogen heeft onder 3.5.5, welke tekst hier als herhaald en ingelast kan worden beschouwd.

3.6.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht, zij het dat het appellant niet-ontvankelijk verklaart in klachtonderdeel V.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VI als volgt geformuleerd: “[Appellant] is van mening dat [verweerder] zijn gezag niet zou respecteren door een medische behandeling van de middelste zoon eigenhandig te arrangeren zonder [appellant] hierin te kennen en slechts achteraf te informeren.”

3.7.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. [Verweerder] heeft het College [van Toezicht] tijdens de mondelinge behandeling [van de klacht] inzicht gegeven in de genomen stappen. Er was sprake van een crisissituatie in de thuissituatie bij moeder. Ter voorkoming van een uithuisplaatsing van de middelste zoon heeft [verweerder] allereerst de crisis willen verhelpen door het inzetten van ambulante spoedhulp. Het betrof hier ambulante hulp ten huize van de moeder voor 6 tot 14 uren per week. Er is naar het oordeel van het College [van Toezicht] geen sprake geweest van een medische behandeling. Uit het dossier is gebleken dat kort na het inzetten van de hulp [appellant] door [verweerder] op de hoogte is gebracht van de ingezette hulp. Het College [van Toezicht] acht het zorgvuldig dat [verweerder] ervoor heeft gekozen allereerst de crisissituatie onder controle te krijgen alvorens [appellant] op de hoogte te brengen. [Appellant] is naar het oordeel van het College [van Toezicht] binnen een redelijke tijd geïnformeerd.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.7.3 Appellant wenst dit klachtonderdeel uit te breiden met het onrechtmatig toestemming geven namens appellant. Het betreft hier geen ambulante spoedhulp en dat weet verweerder goed. Het gaat hier om een KIES-traject van zijn zoon welke is opgestart na de jaarwisseling 2015/2016. De ambulante spoedhulp dateert van later dat jaar en is in maart 2016 gestart. Daarnaast is voor het starten van een KIES-traject toestemming van beide ouders nodig. Appellant kan niet anders concluderen dan dat verweerder zelf toestemming moet hebben gegeven namens appellant, navraag bij KIES leert dat hier inderdaad sprake van is geweest.

3.7.4 Voor zover appellant in zijn grief suggereert dat verweerder namens appellant toestemming heeft gegeven voor het KIES-traject, stelt verweerder dat dit niet is gebeurd. Dit blijkt ook niet uit de productie die appellant ten aanzien hiervan heeft overgelegd. Daar blijkt wel uit dat appellant op 7 januari 2016 is geïnformeerd dat er ambulante spoedhulp is ingezet.

3.7.5 Het College van Beroep wijst er ten aanzien van dit klachtonderdeel op dat het niet mogelijk is om in een beroepsprocedure nieuwe klachtonderdelen aanhangig te maken. Voor zover appellant in beroep het klachtonderdeel heeft proberen uit te breiden in die zin dat er ten onrechte geen toestemming van appellant is gevraagd voor de inzet van een KIES-traject, overweegt het College van Beroep dat dit een nieuwe klacht is die dan ook niet door het College van Toezicht is behandeld. In zoverre is appellant niet ontvankelijk in zijn beroep. Daarnaast kan een KIES-traject niet gelijk gesteld worden met een medische behandeling waardoor het aldus niet valt onder de reikwijdte van het door appellant geformuleerde klachtonderdeel. Het College van Beroep zal deze grief aldus niet inhoudelijk behandelen. Het College van Beroep overweegt ten overvloede dat uit het door appellant in het geding gebrachte e-mailbericht blijkt dat appellant op 7 januari 2016 door verweerder is geïnformeerd dat er ambulante spoedhulp is ingezet in de gezinssituatie bij de moeder. Het College van Beroep acht de stelling van appellant dan ook niet aannemelijk dat deze ambulante spoedhulp pas in maart 2016 is gestart, toen verweerder niet meer betrokken was.

3.7.6 Het College van Beroep verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn grief gericht tegen dit klachtonderdeel. Het College van Toezicht  handhaaft aldus het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel VI.  

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VII als volgt geformuleerd: “[Appellant] is van mening dat [verweerder] de kinderen ernstig heeft belast met volwassen zaken door aan de kinderen te vertellen dat [appellant] [verweerder] bedreigd zou hebben. Terwijl hij op dat moment geen gezinsvoogd meer was.”

3.8.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. [Verweerder] betwist dat hij met de kinderen heeft gesproken over de aangifte van de GI jegens [appellant]. [Appellant] heeft geen nadere gronden gesteld die zijn stelling dat [verweerder] de kinderen, al dan niet in gesprekken, ernstig zou hebben belast ondersteunen. [Verweerder] heeft uiteengezet dat hij de kinderen uitsluitend heeft uitgelegd dat hij niet langer als gezinsvoogd bij het gezin betrokken zou zijn, zonder aan te geven wat de reden was. [Verweerder] wilde de werkrelatie zorgvuldig afronden. Aan moeder heeft [verweerder] wel de reden van zijn vertrek uitgelegd. Het College [van Toezicht] heeft in het dossier en tijdens de mondelinge behandeling [van de klacht] geen aanknopingspunten kunnen vinden die de stelling van [appellant] ondersteunen.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.8.3 Appellant stelt dat uit een eerdere uitspraak van het College van Beroep (17.029Ba), een zaak tegen een collega van verweerder, blijkt dat deze collega heeft verklaard dat er wel degelijk gesproken is over aangifte en ook over een bedreiging. Verweerder liegt het College van Toezicht dan ook voor.

3.8.4 Verweerder kan hier slechts tegenover stellen dat hetgeen appellant stelt niet juist is. Verweerder heeft niet tegen de kinderen gezegd dat hij niet meer bij het gezin betrokken kon zijn vanwege de dreigementen van appellant. Hij heeft zich daarover in neutrale bewoordingen geuit. Dat verweerder, ondanks dat hij op dat moment niet meer als gezinsvoogd betrokken was, de kinderen toch heeft willen informeren, kan niet anders worden geduid dan als zorgvuldig handelen. Het zou juist niet zorgvuldig zijn geweest als verweerder de kinderen niet zelf op de hoogte zou hebben gebracht.

3.8.5 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van appellant ten aanzien van dit klachtonderdeel faalt en overweegt hiertoe als volgt. Ter onderbouwing van zijn grief heeft appellant de beslissing van het College van Beroep in zaaknummer 17.029Ba in het geding gebracht. Uit deze beslissing zou naar de mening van appellant blijken dat de collega van verweerder tijdens deze procedure heeft gezegd dat verweerder de kinderen heeft verteld over de aangifte. Het College van Beroep leest in overweging 3.2.5 van de betreffende beslissing het volgende: “Het College van Beroep overweegt als volgt. Appellant stelt dat verweerster de rechtbank en de kinderen op de hoogte heeft gesteld van het feit dat appellant iemand zou hebben bedreigd. Verweerster heeft dit in haar verweerschrift, en nogmaals bij de mondelinge behandeling van het beroep ontkend. Verweerster stelt dat het haar voorganger is geweest die eventueel verantwoordelijk is geweest voor hetgeen appellant haar in dit klachtonderdeel verwijt.” Uit deze overweging blijkt dat de verweerster in de betreffende beroepszaak kenbaar heeft gemaakt dat het haar voorganger is geweest die eventueel verantwoordelijk is geweest voor het vertellen van de kinderen over de bedreiging. Het College van Beroep kan echter niet vaststellen dat verweerder de kinderen over de bedreiging heeft verteld. Het College van Beroep neemt hierbij in overweging dat dit klachtonderdeel uitdrukkelijk door verweerder wordt betwist en dat in het dossier geen aanknopingspunten zijn aangetroffen die de stelling van appellant onderbouwen dat het verweerder is geweest die de kinderen over de bedreiging heeft geïnformeerd.

3.8.6 Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel VII.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VIII als volgt geformuleerd: “[Appellant] stelt dat [verweerder] ondanks dat hij geen gezinsvoogd meer is de kinderen blijft belasten met volwassen zaken en contact blijft zoeken met de kinderen.

3.9.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] is van oordeel dat [verweerder] onzorgvuldig heeft gehandeld bij het versturen van een e-mail aan de middelste zoon waarin een rapport was toegevoegd wat niet voor hem bestemd was. [Appellant] heeft ter zitting betoogd dat zijn zoon schrok van de bijlage bij de abusievelijk aan zijn zoon toegezonden e-mail omdat hij de inhoud niet begreep. Hoewel begrijpelijk is dat een kind de inhoud van de bijlage niet kan duiden is niet vast komen te staan dat hij deze heeft gelezen. Nadat [verweerder] zijn fout heeft ontdekt heeft hij naar het oordeel van het College [van Toezicht] adequaat gehandeld om de schade zo beperkt mogelijk te houden. [Verweerder] heeft gereflecteerd op zijn fout en erkend dat dit onzorgvuldig en slordig is geweest. Echter valt het [verweerder] niet tuchtrechtelijk te verwijten.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.9.3 Appellant stelt dat het College van Toezicht zomaar voorbij gaat aan de onwaarheden van de gemachtigde van verweerder. Verweerder ontdekte niet dat de e-mail zogenaamd per abuis was verzonden. Appellant maakte er aantoonbaar ophef over bij de leidinggevende van verweerder. Appellant betwist voorts dat niet vast is komen te staan dat de zoon kennis genomen zou hebben genomen van de inhoud. De zoon heeft appellant huilend opgebeld en vervolgens op verzoek van appellant de e-mail aan hem doorgestuurd.

3.9.4 Verweerder betwist dat er van dergelijke oneigenlijke motieven sprake is geweest, terwijl evident is dat appellant op dit punt de grenzen van de betamelijkheid ver overgeschreden heeft door niet alleen desbetreffende e-mail te bewaren, maar thans ook ongeanonimiseerd in het geding te brengen. Als er al sprake is van oneigenlijke motieven dan is hiervan eerder sprake bij appellant dan bij verweerder.

3.9.5 Het College van Beroep stelt vast dat uit het e-mailbericht van 5 februari 2016 van verweerder aan de moeder, met appellant en de leidinggevende van verweerder in de cc., kenbaar is gemaakt dat er een e-mailbericht naar de middelste zoon is gestuurd welke niet voor hem is bestemd. In dit e-mailbericht heeft verweerder daarnaast kenbaar gemaakt dat het appellant is geweest die zijn leidinggevende hierop heeft geattendeerd. Het betreffende e-mailbericht is door verweerder zelf in deze procedure overgelegd, het College van Beroep is van oordeel dat er aldus geen sprake is van het ‘voorbijgaan aan onwaarheden’ door het College van Toezicht. Nadat de fout is ontdekt door verweerder, doordat hij hierop werd geattendeerd door zijn leidinggevende, heeft hij naar het oordeel van het College van Beroep adequaat gehandeld door de e-mail van 5 februari 2016 te sturen. Hoewel het versturen van een bijlage naar een onjuist e-mailadres, in casu aan een minderjarig kind, een zeer ongelukkige fout is, acht het College van Beroep niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het College van Beroep heeft de stellige overtuiging dat het hier enkel een ongelukkige fout van verweerder is geweest en geenszins is gebleken dat verweerder hiermee op enige wijze (opzettelijk) met de kinderen/middelste zoon in contact heeft proberen te komen.

3.9.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel VIII.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – appellant in de klachtonderdelen IV en V alsnog niet-ontvankelijk en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 5 november 2018 in zaaknummer 18.073T;
  • verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn grief gericht tegen klachtonderdeel VI;
  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende klachtonderdelen I, II, III, VI, VII en VIII, zij het met aanvulling van gronden.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 9 mei 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris