Maak een selectie

727 van 727

   

Het College ziet geen aanleiding een jeugdbeschermer ten aanzien van de acht ingediende klachtonderdelen een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het College heeft de overtuiging dat de jeugdbeschermer het belang van de kinderen steeds voor ogen heeft gehad.

Klager is [klaagster], hierna te noemen: de moeder. De gemachtigde van de moeder is de heer mr. I. Mercanoğlu, advocaat te Almelo.

De jeugdprofessional is [de beklaagde], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], hierna te noemen: de GI. De jeugdprofessional heeft van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd gestaan in het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanaf [datum] 2018 staat zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd. De gemachtigde van de jeugdprofessional is mevrouw mr. J. Brouwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional, de jeugdprofessional in zaaknummer 21.149Ta en de gemachtigden.

Het College gaat uit van het (aangepaste) klaagschrift (ontvangen op 15 juni 2021), het verweerschrift (ontvangen op 30 september 2021) en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De moeder heeft twee minderjarige kinderen. De zoon is geboren in 2007 en de dochter in 2012. De klacht richt zich tegen het handelen van de jeugdprofessional ten aanzien van de dochter.

1.2 De moeder en de vader van de kinderen zijn sinds 2013 gescheiden. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder. Tussen de vader en de dochter is er een zorg- en contactregeling.

1.3 De kinderrechter heeft op 14 mei 2019 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling van de dochter is nadien verlengd. De ondertoezichtstelling van de zoon is op 3 december 2020 beeindigd. 

1.4 De jeugdprofessional is sinds 7 november 2019 samen met haar collega, tevens beklaagde in zaaknummer 21.149Ta, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstellingen over de kinderen.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit acht klachtonderdelen. Deze worden hieronder samengevat weergegeven en vervolgens beoordeeld. Het College benadrukt dat zij slechts een oordeel geeft over het handelen dat betrekking heeft op de geformuleerde klachtonderdelen. Het College beoordeelt nieuwe verwijten die in de toelichting bij de klachtonderdelen gemaakt worden, niet.

3.1 Klachtonderdeel 1

3.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij niet is geïnformeerd over de Beroepscode en dat de jeugdprofessional niet is ingegaan op haar verzoek om het functioneren van de jeugdprofessional te bespreken. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1.2 Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is en overweegt daartoe als volgt. Voor een goede professionele relatie is het van belang dat de jeugdprofessional op begrijpelijke wijze relevante informatie verschaft (artikel F van de Beroepscode). Blijkens de toelichting op dit artikel valt daaronder ook informatie over de (rechts)positie van de client (met name in de gedwongen jeugdhulp en jeugdbescherming) en informatie over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde tuchtrecht. De moeder verwijt de jeugdprofessional in dit klachtonderdeel allereerst dat zij hierover niet actief en transparant is geïnformeerd. De jeugdprofessional heeft in haar verweer aangevoerd dat de moeder kort na aanvang van de ondertoezichtstelling op 15 mei 2019 een benoemingsbrief van de GI heeft ontvangen. Het College leest in deze brief dat de moeder is verwezen naar de introductiefolder, die te vinden is op de website van de GI. In de brief staat ook dat in de introductiefolder is te lezen “wat u van de gezinsvoogd mag verwachten, wat u kunt doen wanneer u niet tevreden bent over het optreden van de gezinsvoogd, wat u kunt doen wanneer u het niet eens bent met de beslissingen van de gezinsvoogd en hoe u tegen beslissingen van de kinderrechter in beroep kunt gaan.” Het College stelt op basis hiervan vast dat de moeder bij aanvang van de ondertoezichtstelling is geïnformeerd waar zij de bedoelde informatie kan vinden. Gelet hierop oordeelt het College dat het de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk valt te verwijten dat zij de moeder daar niet opnieuw op heeft gewezen nadat zij haar onvrede over het functioneren van de jeugdprofessional had geuit. Daarnaast stelt het College vast dat de moeder (met behulp van haar gemachtigde) de tuchtrechtelijke weg gevonden heeft en zij kennelijk niet in haar belangen is geschaad. Het College ziet dan ook geen aanleiding de jeugdprofessional in dit kader een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Datzelfde geldt voor het verwijt van de moeder dat de jeugdprofessional niet is ingegaan op haar verzoek om het functioneren van de jeugdprofessional te bespreken. De moeder heeft in de toelichting bij dit klachtonderdeel aangevoerd dat de jeugdprofessional de zaak niet heeft opgeschaald naar de teammanager en niet het gesprek met de moeder is aangegaan. Het College kan de moeder hierin niet volgen, aangezien uit de brief van 15 september 2021 die de jeugdprofessional heeft overgelegd blijkt dat er met de moeder contact is geweest over haar onvrede. Zo leest het College in deze brief dat de moeder op 9 september 2021 per e-mail haar onvrede heeft geuit en dat de jeugdprofessional en haar collega op deze e-mail hebben gereageerd. Ook leest het College in de brief het volgende: “Op 4 juli heeft u mij ook gemaild om uw onvrede te uiten. Op 6 juli heb ik u aangegeven dat wij open staan om met elkaar de dialoog te voeren over uw onvrede en te kijken of we tot constructieve afspraken kunnen komen. U hebt de keuze gemaakt om hier niet op te reageren en hier geen gebruik van te maken. De uitnodiging vanuit onze kant wil ik u weer aanbieden.” Het College maakt hieruit op dat de casus weldegelijk intern is opgeschaald naar de teammanager en dat geprobeerd is om het gesprek met de moeder aan te gaan over haar onvrede. Hoewel het valt te betreuren dat het de jeugdprofessional (en de teammanager) niet gelukt is de onvrede van de moeder weg te nemen, ziet het College geen aanleiding haar een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.1.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.2 Klachtonderdeel 2

3.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat de begeleiding vanuit haar te wensen over heeft gelaten. Er is door de jeugdprofessional een plan van aanpak opgesteld waarin doelstellingen zijn opgenomen, maar vervolgens is er niet gewerkt met het plan en de doelstellingen. Ook heeft de moeder meerdere keren aan de jeugdprofessional gevraagd wat de lijn was in de begeleiding van de kinderen. De moeder heeft hier geen antwoord op gekregen. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.2 Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is en overweegt daartoe als volgt. De moeder verwijt de jeugdprofessional in dit klachtonderdeel allereerst dat de jeugdprofessional geen uitvoering heeft gegeven aan het plan van aanpak, maar heeft dit verwijt naar het oordeel van het College onvoldoende concreet gemaakt en onderbouwd. Daarnaast maakt het College uit de stukken op dat de jeugdprofessional en haar voorganger(s) na het uitspreken van de ondertoezichtstelling op 14 mei 2019, verschillende plannen van aanpak hebben opgesteld. Het College leest hierin dat er doelen zijn opgesteld en dat hulpverlening is ingezet bij hulpverleningsinstantie [de instelling], zowel voor de ouders, als speltherapie voor de dochter. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat zij gewerkt heeft op basis van twee sporen. Enerzijds is gewerkt op basis van het opgestelde (en steeds geactualiseerde) plan van aanpak en anderzijds is gehandeld naar aanleiding van een zorgmelding van de moeder. Uit het dossier maakt het College op dat de moeder op 4 maart 2021 aan de jeugdprofessional heeft gemeld dat zij zich ernstige zorgen maakt over de dochter, omdat zij verteld heeft dat zij bij de vader 24 uur voor straf op haar kamer heeft gezeten, zonder speelgoed of Ipad en dat zij koude stamppot te eten heeft gekregen. Naar aanleiding van deze zorgmelding heeft de jeugdprofessional, na overleg met de gedragswetenschapper van de GI, de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling (hierna: de Meldcode) in gang gezet. Op 5 maart 2021 heeft de jeugdprofessional de moeder per e-mail laten weten dat er een kindgesprek met de dochter gevoerd zal worden en op 9 maart 2021 schrijft de jeugdprofessional per e-mail dat zij de dochter, naast de inzet van het kindgesprek, aanvullend willen ondersteunen en dat de inzet van spoedhulp bij [de instelling] noodzakelijk is. De moeder is in deze e-mail ook geïnformeerd aan welke doelen tijdens de spoedhulp gewerkt kan worden. De moeder verwijt de jeugdprofessional in dit klachtonderdeel ook dat zij misbruik heeft gemaakt van haar macht door de moeder te verplichten om mee te werken aan de spoedhulp en dat vragen van de moeder hierover niet zijn beantwoord. Het College volgt de moeder hier niet in. De jeugdprofessional heeft de moeder op 10 maart 2021 als volgt geïnformeerd: “Nadat in stap 3 van de meldcode “huiselijk geweld en kindermishandeling” de gesprekken met ouders hebben plaatsgevonden is, naast de melding die voorligt bij de jeugdbeschermers, helder geworden dat beide ouders zich grote zorgen maken over het welbevinden en de veiligheid van [de dochter] bij de andere ouder. De jeugdbeschermers zien dan ook op die basis dat spoedhulp is geïndiceerd om zo het welbevinden en de veiligheid van [de dochter] te waarborgen. Zoals in de vorige mail aangegeven is de reeds ingezette hulpverlening ontoereikend voor dit moment. […] Omdat het het welbevinden en de veiligheid van [de dochter] betreft zal de spoedhulp in de beide huizen plaatsvinden daar waar de interactie tussen ouder en kind plaatsvindt. Mochten er uit het gesprek met mevrouw [hulpverlener [instelling]] aanknopingspunten volgen welke verder opgepakt moeten worden, kan spoedhulp dat in haar traject meenemen.” Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional de moeder uitvoerig geïnformeerd over de spoedhulp. Het is het College duidelijk geworden dat de moeder een andere visie heeft over de in te zetten hulpverlening. Dat de moeder daarover van visie verschilt, betekent echter nog niet dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit de ‘Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passend hulp’ volgt dat gedeelde besluitvorming in het gedwongen kader de samenwerkingsrelatie en de intrinsieke motivatie bevordert en dat het bijdraagt aan de eigen regie van de ouders. Gedeelde besluitvorming in het gedwongen kader kent echter ook grenzen. Een kinderbeschermingsmaatregel geeft toegevoegd gezag aan een jeugdbeschermer, die randvoorwaarden, bodemeisen en/of doelen stelt aan de hulp. Dat kan maken dat er minder keuzes zijn voor ouders en jeugdigen. Het is dan ook inherent aan het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel dat de hulpverlening in een (meer) gedwongen kader plaatsvindt. Gelet hierop ziet het College geen aanleiding de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.2.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.3 Klachtonderdeel 3

3.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij geen feitenonderzoek heeft gedaan en er sprake is van een onjuiste en onzorgvuldige weergave van de feiten. Daarnaast neemt de jeugdprofessional de zorgen en vragen van de moeder niet serieus. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.2 Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is en overweegt daartoe als volgt. Ter onderbouwing van haar klacht voert de moeder in de toelichting bij dit klachtonderdeel aan dat de jeugdprofessional haar onderzoek zo heeft ingericht dat de uitkomst past in haar visie en dat de jeugdprofessional heeft gewerkt vanuit een tunnelvisie. Deze stelling van de moeder veronderstelt een bepaalde mate van vooringenomenheid aan de zijde van de jeugdprofessional en het ligt op de weg van de moeder om een dergelijk (verstrekkend) verwijt met voldoende feiten en stukken te onderbouwen. Dat heeft de moeder nagelaten. Datzelfde geldt voor het verwijt van de moeder dat de jeugdprofessional geen feitenonderzoek heeft gedaan en er sprake is van een onjuiste en onzorgvuldige weergave van de feiten. De moeder heeft dit verwijt onvoldoende concreet gemaakt en onderbouwd.

De moeder voert in de toelichting bij dit klachtonderdeel voorts aan dat de jeugdprofessional heeft gekozen voor een onjuiste gespreksmethodiek naar aanleiding van de zorgmelding van de moeder. Zoals onder 3.2.2 van deze beslissing is weergegeven, is naar aanleiding van de zorgmelding van de moeder besloten een kindgesprek met de dochter te voeren. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional (destijds) zorgvuldig gemotiveerd waarom is gekozen voor een kindgesprek. Bovendien blijkt uit de e-mail van de jeugdprofessional aan de moeder van 5 maart 2021 dat de jeugdprofessional hierover overleg heeft gehad met de gedragswetenschapper van de GI, de gedragswetenschapper van [de instelling] en de gedragswetenschapper van Veilig Thuis. De jeugdprofessional heeft daarmee in lijn gehandeld met artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode, op basis waarvan de jeugdprofessional zijn of haar beroepsmatig handelen dient te toetsen aan het professioneel en beroepsethisch oordeel van zijn collega’s. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de jeugdprofessional, naar aanleiding van vragen van de moeder, op 9 maart 2021 nadere uitleg heeft gegeven over het kindgesprek.

Dat de jeugdprofessional de zorgen en vragen van de moeder niet serieus heeft genomen is het College verder niet gebleken. In het plan van aanpak van 10 maart 2021 leest het College bijvoorbeeld dat de moeder in juni 2020 melding heeft gemaakt van zorgelijke gedragingen en uitlatingen van de dochter en dat daarop, na akkoord van de ouders, is besloten een kindbehartiger in te zetten totdat de speltherapie bij [de instelling] zou starten. Omdat de speltherapie op korte termijn kon beginnen, is de kindbehartiger toch niet gestart. Uit de omstandigheid dat de jeugdprofessional naar aanleiding van de zorgmelding van de moeder in maart 2021 de Meldcode in gang heeft gezet, blijkt naar het oordeel van het College eveneens dat zorgen van de moeder weldegelijk serieus zijn genomen.

3.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.4 Klachtonderdeel 4

3.4.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij het dossier ten aanzien van het kindgesprek niet (tijdig) aan haar heeft verstrekt. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.2 Het College oordeelt dat de klacht van de moeder ongegrond is en overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken blijkt dat het kindgesprek op 11 maart 2021 heeft plaatsgevonden bij [de instelling]. De jeugdprofessional heeft onbetwist aangevoerd dat zij de ouders nog diezelfde dag een telefonische terugkoppeling heeft gegeven van het kindgesprek en dat de moeder is geïnformeerd dat de verslaglegging van het kindgesprek, samen met de uitwerking van de Meldcode, de week daarop verstuurd zal worden. Dit volgt ook uit de uitwerking van de Meldcode, die op 17 maart 2021 aan de ouders verstuurd is. Hierin heeft de jeugdprofessional alle stappen uit de Meldcode besproken en is ten aanzien van het kindgesprek het volgende opgenomen: “Op 11 maart 2021 wordt aan ouders alvast telefonisch een terugkoppeling gegeven van de weging tot dusver. Aan ouders is meegedeeld dat [de instelling] laat weten dat er geen zorgen zijn met betrekking tot de veiligheid bij vader, zo hebben de jeugdbeschermers de situatie eveneens gewogen. De noodzaak van de al aanwezige spoedhulp wordt na weging opnieuw bevestigd. De jeugdbeschermers hebben laten weten de verslaglegging van het kindgesprek, tezamen met het geheel van de meldcode, komende weken aan hen te zullen toekomen”. Het verslag dat [de instelling] van het kindgesprek heeft opgesteld is als bijlage bij de uitwerking van de Meldcode toegevoegd. Anders dan de moeder acht het College dit voldoende tijdig. In de toelichting bij het klachtonderdeel heeft de moeder aangevoerd dat zij het verslag van het kindgesprek nodig had om de inzet van de spoedhulp te kunnen beoordelen. Het College stelt vast dat partijen andere verwachtingen hadden van het kindgesprek en de uitkomst daarvan. Uit de stellingen van de moeder maakt het College op dat de moeder in de veronderstelling was dat de spoedhulp slechts ingezet zou worden, indien het kindgesprek met de dochter daar nog steeds aanleiding toe zou geven. In dit licht acht het College het invoelbaar dat de moeder het verslag van het kindgesprek eerder had willen ontvangen. De jeugdprofessional heeft echter naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat de spoedhulp niet afhankelijk was van de uitkomsten van het kindgesprek met de dochter. Zo heeft de jeugdprofessional de moeder op 9 maart 2021 als volgt per e-mail geïnformeerd: “Naast de inzet van het kind gesprek willen we [de dochter] aanvullend ondersteunen. Daarvoor vinden wij de inzet van een spoedhulp traject noodzakelijk.” Ook uit het bij klachtonderdeel 2 onder 3.2.2 van de beslissing opgenomen citaat uit de e-mail van de jeugdprofessional van 10 maart 2021 blijkt dat de inzet van spoedhulp reeds geïndiceerd was. In deze e-mail is de moeder tevens geïnformeerd dat het kindgesprek op donderdag 11 maart 2021 zou plaatsvinden en dat de spoedhulp nog diezelfde dag bij de vader zou starten, aangezien de dochter dat weekend bij de vader zou verblijven. Vanaf maandag 15 maart 2021 zou de spoedhulp bij de moeder starten. De zorgmelding van de moeder heeft aldus geleid tot de inzet van een kindgesprek én de spoedhulp. Dat de moeder andere verwachtingen had van het kindgesprek met de dochter en de uitkomst daarvan valt te betreuren, maar kan de jeugdprofessional naar het oordeel van het College niet worden verweten.

3.4.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.5 Klachtonderdeel 5

3.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij onvoldoende op e-mails (onder meer met vragen van de moeder) heeft gereageerd en zij hierin een regulerende, noch een de-escalerende rol heeft vervuld. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5.2 Het College heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden op basis waarvan de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het College acht het niet haar taak om van iedere e-mail die de moeder heeft aangehaald na te gaan of de jeugdprofessional daarop heeft geantwoord, maar stelt vast dat de jeugdprofessional de moeder steeds per e-mail heeft geïnformeerd over zaken die van belang zijn voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College kan dan ook niet vaststellen dat de jeugdprofessional onvoldoende op e-mails van de moeder heeft gereageerd. Evenmin kan het College vaststellen dat zij geen regulerende en de-escalerende rol heeft vervuld. De moeder heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar een e-mail van de vader die integraal in het plan van aanpak van 10 maart 2021 is opgenomen. Het gaat om twee e‑mails van de vader die zijn opgenomen onder het kopje ‘Mening van de ouder(s)’. Het College ziet niet in waarom de jeugdprofessional in dit kader een tuchtrechtelijk verwijt zou kunnen worden gemaakt, te meer aangezien een uitgebreide e-mail van de moeder ook onder dat kopje is opgenomen. Verder stelt het College vast dat partijen het er over eens zijn dat er sprake is geweest van een moeizame samenwerking. Het College heeft het verdriet en het onbegrip bij de moeder gezien over de huidige situatie betreffende haar kinderen en het gevoel van de moeder dat dit (mede) voortkomt uit het handelen van de jeugdprofessional. Het College heeft een moeder gezien die erg betrokken is bij haar kinderen en een duidelijke visie heeft op wat zij het meest in het belang van de kinderen acht. Het College leest in de stukken ook dat de moeder (en haar gemachtigde) bij herhaling vragen blijven stellen over de te nemen stappen en de in te zetten hulpverlening, hetgeen er op lijkt te duiden dat de moeder de regie zelf in handen wil blijven houden. Daarnaast heeft het College opgemerkt dat de jeugdprofessional zo goed mogelijk geprobeerd heeft om met de moeder overeenstemming te bereiken over de hulpverlening. Het College heeft de overtuiging dat de jeugdprofessional het belang van de kinderen steeds voor ogen heeft gehad.

3.5.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.6 Klachtonderdeel 6

3.6.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij verschil maakt in benadering van de ouders. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.6.2 De vraag die voorligt is of de jeugdprofessional een verschil in benadering van de ouders heeft gemaakt. Het College beantwoordt die vraag ontkennend. In de Richtlijn ‘Scheiding en problemen van jeugdigen’ is op pagina 56 omschreven dat het belangrijk is dat de ouders de jeugdprofessional zien als onpartijdig. In voornoemde richtlijn is ook omschreven dat de jeugdprofessional zichzelf in dit kader steeds de vraag dient te stellen of er een kans is dat een ouder een bepaalde handeling kan uitleggen als het bevorderen van de andere partij. Ook dient de jeugdprofessional alert te zijn op mogelijke aanwijzingen dat de ouders partijdigheid ervaren. Signalen kunnen bijvoorbeeld zijn dat ouders de geloofwaardigheid van de jeugdprofessional ter discussie stellen, vaak in discussie gaan over voorstellen of zich uit het proces terugtrekken. Het College kan de manier waarop de moeder het handelen van de jeugdprofessional heeft beleefd, niet in twijfel trekken of toetsen en heeft er oog voor dat de moeder naar voren heeft gebracht dat zij heeft ervaren dat de jeugdprofessional een verschil in benadering van de ouders heeft gemaakt. De jeugdprofessional heeft deze stelling echter gemotiveerd betwist en naar het oordeel van het College heeft de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de jeugdprofessional daadwerkelijk een verschil in benadering van de ouders heeft gemaakt. Voor zover de moeder in de toelichting bij de klacht heeft opgenomen dat de jeugdprofessional zich negatief heeft uitgelaten over de gemachtigde van de moeder stelt het College vast dat partijen elkaar op dit punt tegenspreken. Omdat de moeder geen stukken heeft overgelegd waaruit haar stelling blijkt, kan de klacht niet gegrond worden bevonden.

3.6.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.7 Klachtonderdeel 7

3.7.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij niet professioneel heeft gehandeld door onjuiste informatie aan de rechtbank te verstreken. Dit blijkt onder andere uit de schriftelijke informatie van de jeugdprofessional dat de moeder geen emotionele toestemming zou geven en dat de moeder niet zou meewerken aan de hulpverlening. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.7.2 Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is en overweegt daartoe als volgt. In de toelichting bij het klachtonderdeel voert de moeder aan dat de dochter volgens de jeugdprofessional geen emotionele toestemming van de moeder krijgt en dat deze uitspraak door de jeugdprofessional niet wordt onderbouwd. De moeder heeft niet concreet gemaakt op welke uitspraak van de jeugdprofessional de moeder precies doelt. Voor zover de moeder aanvoert dat de jeugdprofessional in de schriftelijke aanwijzing van 15 maart 2021 een verkeerd beeld van de moeder schetst, overweegt het College als volgt. In voornoemde schriftelijke aanwijzing heeft de moeder de aanwijzing gekregen mee te werken aan de spoedhulp bij [de instelling] en dat zij de dochter samen met de spoedhulpmedewerker op 15 maart 2021 van school dient op te halen en dat zij uiterlijk op 15 maart 2021 om 19.00 uur een afspraak met de hulpverlener van [de instelling] dient te hebben gepland voor een startgesprek. Volgens de moeder heeft de jeugdprofessional in voornoemde schriftelijke aanwijzing ten onrechte opgenomen dat de moeder niet meewerkt aan de hulpverlening en dat zij geen emotionele toestemming aan de dochter zou geven. Dat de moeder de dochter geen emotionele toestemming geeft leest het College in deze schriftelijke aanwijzing niet. Daarnaast volgt het College de jeugdprofessional dat uit de stukken voldoende is gebleken dat de moeder tot dan toe niet meewerkte aan de in te zetten spoedhulp. De jeugdprofessional heeft dit in de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig toegelicht: “Spoedhulp is op 11 maart 2021 gestart bij vader. Helaas hebt u geen gehoor gegeven aan het startgesprek voor de spoedhulp op 15 maart 2021 om 12.00 uur. In plaats daarvan hebt u voorwaarden gesteld voor de start van de spoedhulp. U accepteert de onderbouwing van het traject niet en voert op elk gegeven antwoord een nieuwe vraag”. Dat de moeder aan eerdere hulpverlening wel heeft meegewerkt doet daar niet aan af, aangezien de schriftelijke aanwijzing betrekking heeft op de in te zetten spoedhulp en dit tot dan toe bij de moeder niet van de grond was gekomen. Dat de jeugdprofessional de kinderrechter vervolgens onjuist heeft geïnformeerd is door de moeder niet concreet gemaakt en onderbouwd.

3.7.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.8 Klachtonderdeel 8

3.8.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de dochter heeft geobserveerd zonder haar hiervan op de hoogte te stellen. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.8.2 Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is en overweegt daartoe als volgt. De klacht van de moeder heeft betrekking op een passage uit de uitwerking van de Meldcode van 17 maart 2021. Het betreft een weergave van een huisbezoek van de jeugdprofessional bij de moeder op 15 maart 2021. De jeugdprofessional heeft daarover het volgende vermeld: “Bij doorvragen over het weekend zegt [de dochter] dat papa wel weer vervelende dingen zei. [De dochter] zegt dat papa wil dat ze bij mama uit huis moet. Ze kijkt naar boven en zegt “er was nog een ding” en dan uit ze “en dat ik dood moet”. Ze maakt daarbij oogcontact met haar moeder en krijgt een aai over haar wang van moeder. [De dochter] uit dat wat ze zegt zonder emotie. Ze spreekt met een heldere stem die niet van toon verandert ongeacht of ze zegt dat ze honger en dorst heeft of dat ze zegt dat papa zegt dat ze bij mama het huis uit zou moeten of dat papa zegt dat ze dood moet.” Volgens de moeder is de jeugdprofessional niet bevoegd en opgeleid om een dergelijke observatie uit te voeren en al helemaal niet om de gedragingen van de dochter te interpreteren. Het College is het niet eens met de moeder dat de jeugdprofessional de waargenomen gedragingen van de dochter (op een negatieve wijze) heeft geïnterpreteerd. Het betreft naar het oordeel van het College een feitelijke weergave van haar waarnemingen, zonder dat de jeugdprofessional daar een waardeoordeel over heeft gegeven. Dat de jeugdprofessional niet bevoegd is een dergelijke observatie te doen volgt het College ook niet. Van jeugdbeschermers wordt verwacht dat zij regelmatig contact hebben met de jeugdigen die onder hun toezicht staan. Het is daarom inherent aan de functie van de jeugdprofessional dat huisbezoeken worden afgelegd en dat gesprekken met de jeugdigen worden gevoerd, met als doel om in te schatten hoe het met de onder toezicht gestelde jeugdige gaat. Dat het gesprek met de dochter heeft plaatsgevonden zonder toestemming van de moeder kan het College evenmin volgen, aangezien uit de betreffende passage blijkt dat de moeder bij het gesprek aanwezig was.

3.8.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Deze beslissing is op 29 november 2021 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van mevrouw mr. E.M. Jacquemijns (voorzitter), de heer W.M.P. van Engelen en de heer E.A.J. Ouwerkerk (beide lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. A.V. Verweij (secretaris).

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. A. V. Verweij, secretaris