Maak een selectie

442 van 442

   

Het College van Toezicht legt aan de jeugdbeschermer, ondanks een deels gegrond klachtonderdeel, geen maatregel op. De jeugdbeschermer werkte in een complexe situatie, waarin hij, ondanks een moeizame samenwerking, de belangen van de kinderen voorop heeft gesteld en hij zich bovenmatig heeft ingespannen om aan de vader en de kinderen tegemoet te komen.

19.579Ta Beslissing van 11 november 2020 van de beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 5 oktober 2020

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,

mevrouw R.J. Douglas, lid-beroepsgenoot,

de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 3 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers, werkzaam als juridisch deskundige.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift, ontvangen op 3 februari 2020;
  • het verweerschrift, ontvangen op 23 april 2020;
  • de conclusie van repliek, ontvangen op 26 mei 2020;
  • de conclusie van dupliek, ontvangen op 2 juni 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen de wederpartij naar voren heeft gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 27 juli 2020. Op 29 juli 2020 zijn partijen bericht dat de voorzitter van het College op grond van artikel 10.3 van het Tuchtreglement heeft besloten om de termijn voor het verzenden van de beslissing met vier weken te verlengen. De beslissing is op 5 oktober 2020 aan partijen verzonden.

1.4 Op 11 november 2020 is aan partijen deze herstelbeslissing toegezonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2007 en de zoon is geboren in 2009.

2.2 De vader en de moeder van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2015 gescheiden. Het ouderlijk gezag is tot 6 december 2019 gezamenlijk door de ouders uitgeoefend. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder bepaald.

2.3 De kinderrechter heeft bij beschikking 15 november 2016 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

2.4 De ondertoezichtstelling is in eerste instantie uitgevoerd door […]. Op 1 december 2018 is […] vervangen door de gecertificeerde instelling [de vorige GI].

2.5 Bij beschikking van 18 juli 2019 is de tussen de vader en de kinderen bestaande zorg- en contactregeling uitgebreid. Ook zijn twee vaste belafspraken per week tussen de vader en de zoon vastgesteld.

2.6 Op 26 september 2019 is de zaak intern overgedragen aan de GI. Per deze datum is de jeugdprofessional, samen met een collega, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen. In de eerste week van oktober 2019 heeft een kennismakingsgesprek tussen de vader en de jeugdprofessional plaatsgevonden.

2.7 De […]. Op 10 oktober 2019 heeft de jeugdprofessional per e-mailbericht aan de ouders kenbaar gemaakt dat een verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling bij de rechtbank zal worden ingediend. In dit
e-mailbericht staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen: “Wij zijn van mening dat het voor beide kinderen van groot belang is dat zij hun vader zien. Op dit moment is er een patstelling omdat moeder niet meer achter onbegeleide omgang, zoals vastgelegd in de beschikking van 18 juli 2019, staat, en hier daarom niet meer aan mee wil werken. Wij vinden dit niet wenselijk voor [de zoon] en hebben dan ook aangestuurd op medewerking van moeder hierin. In gesprek met moeder is gebleken dat hierin geen ruimte is. Omdat de GI contact tussen vader en de kinderen van groot belang vindt, heeft de GI besloten een verzoek tot wijziging van de omgang in te dienen bij de rechtbank om de omgang tijdelijk begeleid te laten plaatsvinden.”

2.8 Op 21 oktober 2019 heeft de GI een verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling bij de rechtbank ingediend. In afwachting van deze uitspraak, zijn er vier begeleide contactmomenten gepland. De vader heeft kenbaar gemaakt hier geen gebruik van te willen maken, maar vast te willen houden aan de vastgestelde zorg- en contactregeling.

2.9 Op 1 november 2019 is de zoon een aantal keer bij de moeder weggelopen en is hij het weekend bij de vader verbleven. Op 5 november 2019 is de zoon weer weggelopen bij de moeder. Vanaf die datum verblijft de zoon bij de vader.

2.10 Bij beschikking van de rechtbank van 6 december 2019 is het gezag van beide ouders voor de duur van één jaar beëindigd en is de GI tot tijdelijke voogd van de kinderen benoemd. De jeugdprofessional voert deze tijdelijke voogdij uit. Tevens wordt tussen de vader en de zoon een omgangsregeling vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat nu de GI als voogd is benoemd en de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de moeder is vastgesteld, de vader mee dient te werken aan de instructies van de GI voor de overdracht van de zoon aan de moeder.

2.11 Op 10 december 2019 heeft de jeugdprofessional de vader per e-mailbericht verzocht om de zoon op 12 december 2019 naar het kantoor van de GI te brengen. De advocaat van de vader heeft op dezelfde dag kenbaar gemaakt dat de zoon asiel heeft aangevraagd in [het land].

2.12 In de periode vanaf 12 december 2019 tot februari 2020 heeft de jeugdprofessional meerdere bezoeken aan [het land] gebracht om met de zoon en/of de vader te spreken. Ook is er met beide ouders veelvuldig contact geweest over de ontstane situatie.

2.13 Op 12 december 2019 heeft de jeugdprofessional aangifte gedaan tegen de vader in verband met onttrekking van de zoon aan het gezag.

2.14 Op 14 februari 2020 heeft de vader de zoon naar het kantoor van de GI gebracht.

2.15 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2019 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2019 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat hij gedurende zijn betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.15 van deze beslissing. Gelet hierop wijst het College erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dienen te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4   De samenvatting van de klacht, het verweer en van de conclusies van repliek en dupliek

Gelet op de omvang van het dossier geeft het College de klacht, het verweer, de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek hieronder kort weer, alvorens over te gaan tot de beoordeling van de klachtonderdelen.

4.1 De klacht van de vader ziet – zakelijk samengevat – toe op het volgende: De jeugdprofessional heeft nagelaten om de beschikkingen voor wat betreft de zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen op te volgen. De moeder wilde de bestaande zorg- en contactregeling niet meer nakomen, waarop de jeugdprofessional bij de rechtbank om een wijziging van deze regeling heeft verzocht. Ook heeft de jeugdprofessional zich onvoldoende ingezet om de kinderen te beschermen tegen (psychische) kindermishandeling door de moeder. Er is niet gewerkt aan contactherstel tussen de vader en de dochter en de dochter is niet beschermd tegen ouderverstoting. Daarnaast heeft de jeugdprofessional niets, dan wel onvoldoende gedaan om te voorkomen dat de zoon wegloopt, en is het weglopen van de zoon niet gemeld als calamiteit/incident bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de IGJ). De jeugdprofessional heeft geen gesprek gevoerd over de veiligheid van de zoon als hij bij de moeder verblijft, noch een veiligheidsplan voor hem opgesteld. Met de wensen van de zoon heeft de jeugdprofessional geen rekening gehouden. Toen de zoon in afwachting van zijn asielprocedure in [het land] verbleef, heeft de jeugdprofessional een valse aangifte gedaan van onttrekken aan het gezag. De jeugdprofessional heeft geen onderscheid gemaakt tussen feiten en meningen. E-mailberichten en/of signalen van de moeder zijn als waarheid aangenomen. Tot slot heeft de vader ondanks verzoeken geen verslagen ontvangen, noch heeft hij tijdig en puntsgewijs antwoord gekregen op zijn vragen. De jeugdprofessional heeft volgens de vader de artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), E (Respect), F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening),
G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp-e en dienstverlening), H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode geschonden.

4.2 De jeugdprofessional voert in het verweerschrift– zakelijk samengevat – het volgende aan: De jeugdprofessional vindt het belangrijk eerst te reflecteren, zodat het voor het College duidelijk is hoe complex de uitvoering van deze casus is. Voor de jeugdprofessional was het direct aan het begin van zijn betrokkenheid duidelijk dat dit een unieke zaak is. Allereerst betreft het hier een complexe scheiding, waarin de ouders al jarenlang een zeer heftige, niets en niemand ontziende strijd met elkaar voeren. Daarbij verliezen zij beiden het belang van de kinderen volledig uit het oog. Een ander aspect is dat de ouders allebei tal van juridische procedures aanwenden als middel in deze strijd. Dit betekent dat het voor elke hulpverlener op voorhand duidelijk is dat hij of zij met een tuchtklacht geconfronteerd zal worden. Het reageren op juridische procedures kost veel tijd. Hierdoor is er zelfs met de inzet van twee jeugdbeschermers onvoldoende tijd en ruimte geweest om de aandacht te besteden die de kinderen nodig hadden. Ten derde is er […]. Dit heeft nadelige effecten op de dossiervorming en leidt er tevens toe dat een objectieve waarheid nauwelijks nog te achterhalen is. Dit maakt dat het nemen van beslissingen zeer complex is. De […]. De wetenschap dat ouders geen enkele misstap onbenut zullen laten, heeft geleid tot een voorzichtige aanpak waarbij voortdurend afstemming is gezocht met andere collega’s, de gedragswetenschapper en met de juridische afdeling. De besluitvorming en communicatie hierover is ingewikkeld, tijdrovend en vooral erop gericht de ouders tevreden te stellen, terwijl op voorhand vaststaat dat dit onbegonnen werk is. Die uitzichtloosheid is zwaar. Het is evident dat ouders niet uitgaan van de goede bedoelingen van de hulpverleners. Bij het aantreden van de jeugdprofessional hebben de ouders onmiddellijk zijn integriteit en deskundigheid ter discussie gesteld. De toonzetting van de vader is intimiderend, denigrerend, verwijtend en beschuldigend. De eerste maanden was hij ontevreden over de gang van zaken. Elke beslissing werd betwist. Naarmate de tijd vorderde en er een andere lijn werd uitgezet was het vooral de moeder die niet tevreden meer was. De vader leek zich in deze periode wel te kunnen vinden in de lijn van de GI, waarna hij vervolgens dreigde met een kort geding, omdat hij ontevreden is over de besluitvorming van de GI. Als gevolg van deze dynamiek is elk e-mailbericht dat naar de vader of de moeder gestuurd wordt door meerdere collega’s in een Multidisciplinair Overleg (verder: MDO) opgesteld en gelezen. Hiermee geeft de jeugdprofessional invulling aan artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode. Concluderend is de jeugdprofessional van mening dat de kinderbeschermingsmaatregel op geen enkele manier uitvoerbaar is binnen de tijd die ervoor beschikbaar is. Het is nauwelijks mogelijk om een verbetering voor de kinderen teweeg te brengen en het maken van beslissingen is vrijwel onmogelijk, omdat elke stap bij de vader of de moeder tot een nieuwe (juridische) strijd leidt. Het is voor de jeugdprofessional moeilijk om te zien hoe de kinderen hierdoor beschadigd raken.

4.3 In de conclusie van repliek voert de vader – zakelijk samengevat – het volgende aan: De vader betwist alles wat er in het verweerschrift staat. Hij blijft bij zijn ingediende klachten en vindt dat deze allemaal gegrond verklaard moeten worden. Toekomstige gezinnen dienen beschermd te worden tegen de onkunde van deze jeugdprofessional en hij zou niet werkzaam mogen zijn in deze branche. Hij heeft de kinderen en de vader ernstig tekortgedaan, wanprestatie geleverd en schade aangericht. In het verweer geeft de jeugdprofessional aan dat hij gereflecteerd heeft op zijn handelen, maar verder legt hij alles buiten zichzelf. De situatie was volgens de jeugdprofessional complex, enerzijds vanwege de voortdurende strijd en anderzijds omdat de vader een bekende Nederlander is. Dat wil nog niet zeggen dat een jeugdprofessional zich niet aan de Beroepscode moet houden. Juist hier wordt uiterst zorgvuldig handelen verwacht.

4.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek – zakelijk samengevat – het volgende aan: De vader betwist al hetgeen in het verweerschrift staat en beticht de jeugdprofessional van het gebruik van leugens. Dit is een algemeen verwijt van de vader, maar hij laat na dit te onderbouwen. Hij zegt dat de jeugdprofessional wanprestatie heeft geleverd en schade heeft aangericht, maar een dergelijke algemene stelling is onvoldoende specifiek om verweer op te voeren. De jeugdprofessional ziet dat de kinderen veel schade is aangedaan, maar het voert veel te ver om de verantwoordelijkheid hiervoor bij de jeugdprofessional te leggen. Er wordt door de vader een causaal verband gesuggereerd waar de jeugdprofessional zich met nadruk tegen verzet. De strijd is lang geleden begonnen en de jeugdprofessional is slechts een beperkt aantal maanden betrokken geweest. Helaas is het niet gelukt om een situatie van rust en stabiliteit te creëren. Dit betreurt de jeugdprofessional ten zeerste. Om dit op het conto van de jeugdprofessional te schrijven, is volstrekt onterecht. Het is treurig en schrijnend dat de kinderen de rekening betalen van de strijd tussen de ouders. De jeugdprofessional kan zich niet vinden in de stelling dat hij niet gereflecteerd zou hebben. Het is duidelijk dat de vader een andere overtuiging heeft. De jeugdprofessional vindt het jammer dat de vader de reflectie niet herkent.

5     De beoordeling van de klacht door het College

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden in principe een voor een, maar in voorkomende gevallen in samenhang, besproken en beoordeeld. De vader heeft in zijn aangepaste klaagschrift van 3 februari 2020 bepaalde klachtonderdelen samengevoegd, waardoor de nummering van de klachtonderdelen hiaten kent. Per klachtonderdeel worden de klacht, het verweer en – indien aanwezig – het gestelde in de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek zakelijk weergegeven. Daarna volgt het oordeel van het College. De reikwijdte van een klachtonderdeel dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges, helder te zijn. Het College richt zich dan ook uitsluitend op de klacht die is ingediend op 3 februari 2020. Voor zover de vader in de conclusie van repliek nieuwe aspecten of voorbeelden heeft genoemd, of de klachtonderdelen heeft uitgebreid, zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en zal het College hier geen oordeel over geven. Voorts heeft de jeugdprofessional in zijn verweerschrift aangegeven dat hij volledig heeft samengewerkt met zijn collega, waartegen tegelijk een tuchtrechtelijke procedure loopt. Om die reden heeft de jeugdprofessional met zijn collega gezamenlijk verweer gevoerd. Het College heeft de klachten dan ook als zodanig besproken en beoordeeld.

5.1 Klachtonderdeel 1

5.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zich niet te houden aan de beschikkingen van 18 juli 2019 (over de zorg- en contactregeling tussen de vader en de zoon) en 11 september 2019 (het verzoek tot een spoedmachtiging voor de uithuisplaatsing van de zoon bij de vader).

Toelichting:

Zowel in de beschikking van 18 juli 2019 als in de beschikking van 11 september 2019 staat dat de zorg- en contactregeling moet worden nagekomen. In de beschikking van 11 september 2019 staat het volgende vermeld: “De lijn is dat de zoon bij de moeder woont, daar hulp krijgt en daar naar school gaat, en dat de zoon omgang met de vader heeft. Er is naar het oordeel van de kinderrechter buiten de door de zoon geuite wens geen reden om deze lijn te wijzigen’’.

Desondanks heeft de jeugdprofessional op 10 oktober 2019 aangegeven een verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling bij de rechtbank in te zullen dienen. De jeugdprofessional heeft de rechtbank verzocht om begeleide omgang met als reden dat de moeder de vastgestelde zorg- en contactregeling niet nakomt. De jeugdprofessional was op dat moment minder dan twee weken betrokken. Vervolgens heeft de jeugdprofessional, voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan, de vader verzocht mee te werken aan de begeleide omgang. De vader heeft aangegeven het niet eens te zijn met het verzoek en niet af te willen wijken van de beschikking van de rechter. Op dat moment had de jeugdprofessional zich dienen te houden aan de rechtsgeldige beschikking.

5.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Sinds 17 september 2019 werkt de moeder niet meer mee met de omgang tussen de zoon en de vader, zoals vastgelegd in de beschikking van 18 juli 2019, omdat zij zorgen heeft over de veiligheid van de zoon bij de vader. Op 26 september 2019 is de jeugdprofessional betrokken geraakt bij de casus en heeft hij vanaf dat moment meermaals aangestuurd op medewerking van de moeder. Daar bleek bij de moeder geen ruimte voor te zijn. Aangezien het contact tussen de vader en de kinderen van groot belang werd geacht, heeft de jeugdprofessional besloten een verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling in te dienen bij de rechtbank om de omgang tijdelijk begeleid te laten plaatsvinden. Dit verzoek heeft de jeugdprofessional op 21 oktober 2019 bij de rechtbank ingediend. Uit dit verzoek blijkt dat zo spoedig mogelijk begeleide omgang opgestart dient te worden van eenmaal per week drie uur op het kantoor van de GI, in eerste instantie begeleid door de jeugdprofessional. De intentie was om de omgang tussen de zoon en de vader in een korte periode te normaliseren en weer terug te brengen tot de vastgestelde zorg- en contactregeling. De jeugdprofessional begrijpt dat onbegeleide contactmomenten in principe pas kunnen plaatsvinden nadat de rechtbank dit heeft beslist. Echter, de wens van de zoon om omgang te hebben met de vader, het feit dat er al meerdere weken geen omgang meer had plaatsgevonden en de beslissing van de rechtbank nog weken op zich zou laten wachten, heeft ertoe geleid dat de jeugdprofessional de ouders dringend heeft gevraagd om in het belang van de zoon hieraan alvast hun medewerking te willen verlenen. De jeugdprofessional heeft daarom bij e-mailbericht van 10 oktober 2019 laten weten dat in oktober en november 2019 vier begeleide contactmomenten worden gepland. Vervolgens zouden de begeleide contactmomenten met de ouders worden geëvalueerd. De vader heeft een dag voor het eerste, begeleide contactmoment aangegeven niet te zullen verschijnen en vast te willen houden aan de vastgestelde zorg- en contactregeling.

5.1.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

Door de beschikkingen niet te volgen, heeft de jeugdprofessional de kinderen onttrokken aan het ouderlijk gezag. Een jeugdbeschermer mag aan de rechtbank vragen om een wijziging van de omgangsregeling, maar in de tussentijd dienen beschikkingen te worden nagekomen.

5.1.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft zich steeds opnieuw verhouden tot wijzigingen in de situatie en daarbij het belang van de zoon (en de dochter) vooropgesteld. De jeugdprofessional verwijst hier naar pagina 12 en 13 van het verweerschrift.

5.1.5 Het College overweegt als volgt:

De vader stelt dat de jeugdprofessional zich niet gehouden heeft aan de bij beschikking van 18 juli 2019 vastgestelde zorg- en contactregeling, noch aan de beschikking van 11 september 2019, waarin de kinderrechter heeft gesteld dat de ingezette lijn, inclusief de voorlopig vastgestelde zorg- en contactregeling, moest worden gevolgd. Genoemde beschikkingen zijn volgens het College in beginsel leidend. Het staat voor het College voldoende vast dat […]. Op 27 september 2019, één dag nadat de jeugdprofessional met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen werd belast, heeft hij de ouders per e-mail bericht dat er een beschikking ligt, waarin onbegeleide contactmomenten zijn vastgesteld en dat dit moet worden nagekomen. Tevens schrijft hij dat in het belang van de zoon de contactmomenten met de vader plaats dienen te vinden. Uit het e-mailbericht blijkt ook dat er op 26 september 2019 telefonisch contact is geweest met de ouders, waarin de moeder het advies is gegeven aan de contactmomenten mee te werken en de vader is geadviseerd de zoon op dat moment niet op te halen omdat dat mogelijk tot een escalatie zou leiden. In het e-mailbericht staat afsluitend dat de jeugdprofessional hoopt in de gesprekken in de komende week met beide ouders tot samenwerking te kunnen komen. In een volgend e-mailbericht van 3 oktober 2019 van de jeugdprofessional aan de ouders staat dat in de kennismakingsgesprekken is gebleken dat de moeder haar standpunt handhaaft en dat de vader heeft verklaard zich aan de zorg- en contactregeling te zullen houden en de zoon zal ophalen. Het College leest vervolgens in het e-mailbericht van de jeugdprofessional aan de ouders van 10 oktober 2019 dat er sprake is van een patstelling, nu de moeder haar medewerking blijft weigeren. Hierop heeft de jeugdprofessional besloten een verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling in te dienen, zoals onder 2.7 van deze beslissing weergegeven. In bovenstaande geschetste situatie kan het College de handelwijze van de jeugdprofessional volgen en stelt dat hem hierin geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Uit het dossier is het College voldoende gebleken dat de jeugdprofessional vanaf het eerste moment dat hij betrokken is geraakt, met de ouders heeft gesproken en getracht heeft met hen tot overeenstemming te komen, waardoor hij in lijn met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode heeft gehandeld. Hij is als jeugdbeschermer verantwoordelijk voor de aan hem toevertrouwde kinderen en dient daarbij in de gaten te houden welke risico’s de kinderen lopen bij het voortduren van een bestaande situatie en daarop te handelen, hetgeen hij naar het oordeel van het College heeft gedaan.

5.1.6 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.2 Klachtonderdeel 2

5.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft onvoldoende inspanning geleverd om ervoor te zorgen dat de moeder de beschikking over de omgang nakomt.

Toelichting:

Op 24 september 2019 heeft de moeder verklaard dat zij de kinderen onder geen beding aan de vader wilde meegeven. Op 27 september 2019 heeft de jeugdprofessional aangegeven dat hij de moeder heeft verteld zich aan de zorg- en contactregeling te moeten houden, maar dat de moeder bleef volharden. Op 10 oktober 2019 heeft de jeugdprofessional geschreven dat hij bij de rechtbank een verzoek zou gaan indienen tot wijziging van de zorg- en contactregeling naar begeleide contactmomenten. Binnen een ondertoezichtstelling zijn er diverse middelen om ervoor te zorgen dat een ouder een vastgestelde zorg- en contactregeling nakomt. Hij had een schriftelijke aanwijzing kunnen overwegen of de wijkagent kunnen vragen om – samen met de jeugdprofessional – met de moeder in gesprek te gaan. Bovendien heeft hij de in de beschikking opgenomen belmomenten, zoals onder 2.5 van deze beslissing weergegeven, geen vormgegeven. Door dit niet te doen, heeft hij in het bijzonder de zoon geen recht gedaan.

5.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De moeder wilde, ondanks diverse pogingen haar daartoe te motiveren, niet meewerken aan de zorg- en contactregeling. Op 30 september 2019 heeft er een MDO plaatsgevonden over de zorg- en contactregeling. Op 3 oktober 2019 is opnieuw een e-mailbericht aan de ouders verstuurd waarin de visie van de GI op de zorg- en contactregeling is toegelicht. Intern is besproken welke middelen de GI kon inzetten om de vastgestelde zorg- en contactregeling na te laten komen. In het MDO is echter besloten de moeder op dat moment geen schriftelijke aanwijzing te geven. Ook is voor de kinderen besloten geen politie-inzet te vragen voor het nakomen van de zorg- en contactregeling. Op 9 oktober 2019 heeft er wederom MDO plaatsgevonden. De vader is hierbij betrokken en is geïnformeerd. Het is helaas niet gelukt om met de ouders tot overeenstemming te komen. Uiteindelijk heeft de GI op 21 oktober 2019 besloten – om in het belang van de zoon – een verzoek tot wijziging van de vastgestelde zorg- en contactregeling in te dienen bij de rechtbank. In een brief van de clustermanager van de GI is de vader op 25 oktober 2019 uitgebreid uitgelegd waarom de GI dit besluit heeft genomen, en ook waarom er – gezien de duur van een dergelijk traject – niet gekozen is voor het geven van een schriftelijke aanwijzing. Hiermee is gepoogd om nogmaals te laten zien dat de zorgen van de vader en zijn onvrede over de besluitvorming serieus werden genomen, maar ook om toe te lichten dat de GI hierin het belang van de zoon heeft meegewogen. De jeugdprofessional is van mening dat hij al het nodige heeft gedaan om de beschikkingen van de rechtbank na te komen en om de vader, de moeder en de zoon uit te leggen waarom in bepaalde situaties van de beschikking(en) is afgeweken. Hij heeft zijn beslissingen telkens zorgvuldig en in multidisciplinair verband genomen. Daar waar de vader ontevreden was, is de jeugdprofessional met hem in gesprek gegaan en heeft hij waar nodig excuses gemaakt. Hij heeft zich ingespannen om recht te doen aan de posities van de vader, de moeder en de kinderen.
Voorts erkent de jeugdprofessional dat de in de beschikking van de rechtbank van 18 juli 2019 opgenomen belcontacten tussen de vader en de kinderen niet tot stand zijn gekomen. Dit had te maken met het feit dat de ouders geen enkel vertrouwen hebben in elkaar als opvoeder en dat er sinds eind september 2019 continu onrust is geweest voor de kinderen. Het is wel besproken met de ouders, maar het had voor de jeugdprofessional op dat moment niet de hoogste prioriteit. Het is niet dat de jeugdprofessional het belang van een goed en structureel contact tussen de vader en de kinderen niet zag. Echter, in de periode van 25 september 2019 tot en met 14 februari 2020 is er zoveel onduidelijkheid geweest, voor vooral de zoon, dat er geen basis was om een belcontact tot stand te brengen.

5.2.3 Het College overweegt als volgt:

De vader verwijst in dit klachtonderdeel naar de onderbouwende stukken bij klachtonderdeel 1. Uit de e-mailcorrespondentie tussen de jeugdprofessional en de ouders blijkt dat de moeder op 24 september 2019 per e-mailbericht aangeeft onder geen beding meer mee te werken aan onbegeleide contactmomenten tussen de vader en de zoon. De jeugdprofessional heeft op 27 september 2019 aan de ouders per e-mailbericht kenbaar gemaakt dat de beschikking van de rechtbank dient te worden nagekomen en dat dit betekent dat de kinderen in het weekend naar de vader gaan. Tevens leest het College in dit e-mailbericht dat de moeder is geadviseerd om mee te werken aan de zorg- en contactregeling. Op 3 oktober 2019 stuurt de jeugdprofessional nogmaals een e-mailbericht waarin hij verklaart dat het in het belang van de zoon is dat de beschikking wordt nageleefd. Dat de jeugdprofessional onvoldoende inspanning zou hebben geleverd de moeder mee te laten werken aan de beschikking van 18 juli 2019 is het College dan ook niet gebleken. Uit het dossier heeft het College vervolgens opgemaakt dat de jeugdprofessional de ouders vanwege de opgetreden patstelling op 10 oktober 2019 heeft geïnformeerd dat de GI een verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling bij de rechtbank zal indienen, en tussentijds vier begeleide contactmomenten tussen de vader en de zoon heeft voorgesteld. Op 21 oktober 2019 is het verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling bij de rechtbank ingediend. Voorts heeft het College kennisgenomen van de brief van de clustermanager van de GI aan de vader van 25 oktober 2019, waarin uitgebreid is toegelicht dat de GI voor twee keuzes stond: enerzijds het geven van een schriftelijke aanwijzing en anderzijds de rechtbank verzoeken de zorg- en contactregeling te wijzigen. In de brief staat uitgelegd dat de duur van een traject voor het geven van een schriftelijke aanwijzing gemiddeld acht tot tien weken in beslag neemt. Omdat in die periode waarschijnlijk geen contactmomenten zouden kunnen plaatsvinden, is in het MDO besloten dat dit traject niet in het belang van de zoon is. Het nemen van dit besluit is mede genomen vanwege het feit dat een andere oplossing voorhanden was, namelijk de contactmomenten tijdelijk begeleid te laten plaatsvinden in afwachting van de uitspraak van de rechtbank. In weerwil van de geldende beschikking van 18 juli 2019, acht het College de keuzes die de jeugdprofessional in deze heeft gemaakt navolgbaar. Vast staat dat er sprake was van een totale patstelling. In die context heeft de jeugdprofessional alle omstandigheden meegewogen, en alle belangen afgewogen. Het College ziet een jeugdprofessional die het belang van de zoon hierin op ieder moment voorop heeft gezet. Dat de vader zich in deze beslissing niet kan vinden, maakt niet dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional de belcontacten niet heeft vormgegeven, overweegt het College als volgt. In de beschikking van 18 juli 2019 heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er wekelijks twee vaste belafspraken dienen te zijn tussen de vader en de zoon, waarbij de GI het tijdstip van de belafspraken bepaalt. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift erkend dat de belcontacten tussen de vader en de zoon niet tot stand zijn gekomen, omdat dat voor hem op dat moment niet de hoogste prioriteit had. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het – mede gelet op de eerdergenoemde patstelling over de zorg- en contactregeling en de onrustige en complexe situatie waarin hij heeft moeten handelen – niet eenvoudig was deze belcontacten structureel doorgang te laten vinden. Dat de jeugdprofessional de gang van zaken rond de belcontacten met de ouders heeft besproken, zoals hij in zijn verweerschrift heeft gesteld, ziet het College echter in het dossier niet terug. Bovendien is in het verzoek tot tijdelijke wijziging van de zorg- en contactregeling van 21 oktober 2019 ook niet op de belcontacten teruggekomen. Daarom is het College van oordeel dat de jeugdprofessional hier een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De jeugdprofessional had zich meer in moeten spannen de belcontacten vorm te geven. Wanneer dit om welke reden dan ook niet haalbaar was, had de jeugdprofessional de ouders hierover (schriftelijk) dienen te informeren, en voorts de belcontacten mee kunnen nemen in het verzoek van 21 oktober 2019 tot wijziging van de zorg- en contactregeling. Door dit na te laten, heeft de jeugdprofessional artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode geschonden.

5.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is voor wat betreft het niet vormgeven van de belcontacten. Voor het overige is het klachtonderdeel ongegrond.

5.3 Klachtonderdeel 3, 46 en 48

5.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft artikel 19 lid 1 van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (verder: IVRK) niet nageleefd. Ook heeft de jeugdprofessional het signaal dat de dochter van de moeder naar geluidsfragmenten moest luisteren waarop de ouders ruzie hebben, niet dan wel onvoldoende onderzocht. Bovendien heeft de jeugdprofessional niet erkend dat het niet nakomen van de zorg- en contactregeling een vorm van kindermishandeling is.

Toelichting:
Op grond van artikel 19 lid 1 IVRK horen kinderen beschermd te worden tegen kindermishandeling. In de Jeugdwet staat een definitie van het begrip kindermishandeling. Alles wat binnen deze definitie valt, is strafbaar. Op basis van de feiten kan worden vastgesteld dat de kinderen al jarenlang aantoonbaar door de moeder psychisch mishandeld worden, met als gevolg dat de zoon psychisch letsel heeft opgelopen en de dochter ernstig psychisch letsel dreigt op te lopen. De vader verwijst hiervoor naar citaten uit het bijgevoegde NIFP-rapport. Voor de kinderen is het een uiterst wrede situatie om het gevoel te hebben dat je door de rigide houding van de moeder moet kiezen tussen je ouders, de twee meest dierbare personen op de aarde. Dit valt volgens het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, versie 5, binnen de definitie van psychische kindermishandeling. De jeugdprofessional dient de kinderen tegen deze vorm van kindermishandeling te beschermen. De dochter heeft inmiddels, door de rigide houding van de moeder, een keuze gemaakt tussen de ouders. Zij heeft voor de moeder gekozen. De jeugdprofessional heeft hier niks aan gedaan. De jeugdprofessional hoort meer te doen om de emotionele veiligheid van de kinderen te borgen. De kinderen hebben recht op een vader en een moeder.

De moeder heeft geluidsfragmenten opgenomen van ruzies die de ouders met elkaar hebben gehad. De zoon heeft bij de vader aangegeven dat de kinderen naar deze geluidsfragmenten moesten luisteren. Indien dit klopt, belast de moeder de kinderen met het conflict tussen de ouders en is zij de kinderen aan het demoniseren. Dit is een vorm van kindermishandeling. Ondanks dat de vader dit signaal bij de jeugdprofessional heeft neergelegd, heeft hij dit niet onderzocht.

Door de rechtbank is een zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen uitgesproken waaraan de moeder geen gevolg meer heeft willen geven. Het niet meewerken aan de zorg- en contactregeling, en dus willens en wetens het kind de omgang met de andere ouder ontzeggen, wetende dat het kind heel erg graag naar de andere ouder toe gaat, is een vorm van kindermishandeling. De jeugdprofessional heeft dit niet erkend als psychische kindermishandeling.

5.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Zoals al eerder beschreven, is het niet gelukt om onbegeleide omgang te realiseren. Er is hier echter wel de nodige – en in het licht van de Beroepscode voldoende – inspanning voor geleverd. De jeugdprofessional heeft de zorgen steeds in het team besproken. Hij heeft de moeilijke afweging gemaakt om de omgang begeleid plaats te laten vinden, zodat er wel contact zou zijn tussen de vader en de kinderen. De vader heeft van het aanbod voor begeleide omgang geen gebruik gemaakt. De jeugdprofessional heeft de zorgen van de vader, dat de kinderen bij de moeder thuis niet veilig zouden zijn, serieus genomen. Dit is met de moeder en de betrokken GGZ-instelling besproken, maar ook door middel van gesprekjes met de kinderen zelf. Hieruit kwamen geen zorgen naar voren dat de kinderen bij de moeder onveilig zouden zijn. Ook uit de eerdere rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: RvdK) blijkt dat er geen zorgen zijn over de basale veiligheid van de kinderen bij de moeder. Wel is heel duidelijk dat de kinderen klem zitten tussen de ouders en dat dit schadelijk is voor hun ontwikkeling.

De jeugdprofessional is niet bekend met het signaal van de dochter dat zij naar geluidsfragmenten heeft moeten luisteren waarop te horen is dat ouders ruzie met elkaar hebben. Dit is de reden dat hier niet met de dochter of de moeder over is gesproken. Voor zover de jeugdprofessional weet, heeft dit ook niet gespeeld in de periode waarin hij betrokken was.

5.3.3 Het College overweegt als volgt:

Op grond van artikel 19 lid 1 van het IVRK dienen kinderen te worden beschermd tegen (onder meer) alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld. De vader stelt dat door de houding van de moeder de kinderen psychisch mishandeld worden. Als gevolg hiervan heeft de zoon aantoonbaar psychisch letsel opgelopen en dreigt de dochter aantoonbaar ernstig psychisch letsel op te lopen. De vader is van mening dat de jeugdprofessional niks tegen deze vorm van kindermishandeling heeft gedaan. De vader onderbouwt dit verwijt met (citaten uit) het NIFP-rapport, vastgesteld op 28 december 2018, en met het gespreksverslag in het rapport van de GGZ-instelling van respectievelijk 22 juli 2019 en 29 juli 2019. In het gespreksverslag leest het College onder meer het volgende: “De situatie waar [de zoon] last van heeft en die zodanig schadelijk voor hem is dat het geleid heeft tot de gestelde diagnose is de structurele jarenlange aanhoudende conflictsituatie tussen ouders. […] Om te kunnen herstellen heeft [de zoon] rust nodig. De GGZ-instelling geeft aan dat ze hiermee bedoelen dat het voor [de zoon] noodzakelijk is dat de conflictsituatie tussen ouders per direct wordt opgelost en de juridische procedures stoppen. Indien dit niet wordt opgelost zal de verdere traumatisering doorgaan en zal de [diagnose] verankerd worden en dan officieel onderdeel worden van zijn persoonlijkheid.” Het College stelt vast dat de GGZ-instelling al voor de aanvang van de hulpverlening door de jeugdprofessional heeft geconstateerd dat de situatie tussen de ouders de zoon in diens ontwikkeling schaadde. Het College volgt de vader daarom niet in zijn verwijt en ziet geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

In klachtonderdeel 46 wordt de jeugdprofessional verweten dat de dochter heeft moeten luisteren naar geluidsfragmenten. De vader heeft dit niet onderbouwd. Het is het College daarom niet duidelijk of de dochter al dan niet naar geluidsfragmenten heeft moeten luisteren, én of dit is gebeurd in de periode waarin de jeugdprofessional betrokken was. De feiten en gronden waarop dit klachtonderdeel berust, zijn daarom onvoldoende duidelijk en concreet. Het College verklaart de vader daarom niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

In klachtonderdeel 48 wordt de jeugdprofessional verweten dat hij niet heeft erkend, dat het niet nakomen van een zorg- en contactregeling een vorm van (psychische) kindermishandeling is. Ter onderbouwing verwijst de vader hiervoor naar hetgeen de moeder heeft gezegd in het NIFP-rapport. Het College stelt vast dat de jeugdprofessional ten tijde van het NIFP-rapport nog niet betrokken was. Daarnaast heeft de vader nagelaten stukken te overleggen waarin hij aan de jeugdprofessional om erkenning van zijn stelling vraagt. Bovendien dienen de uitspraken van de moeder, die de vader heeft geciteerd, in de context van het gehele rapport te worden gelezen. Voor zover de vader bedoelt dat de jeugdprofessional niet heeft erkend dat het niet nakomen van een zorg- en contactregeling tot ouderverstoting kan leiden, verwijst het College naar hetgeen hierboven reeds aan de orde is gekomen. Concluderend ziet het College geen aanleiding om de jeugdprofessional voor wat betreft klachtonderdeel 48 een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.3.4 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen 3 en 48 ongegrond zijn, en dat de vader niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel 46.

5.4 Klachtonderdeel 4

5.4.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft ondanks de geschiedenis de zorg- en contactregeling aangepast in begeleide contactmomenten en dat telefonisch aan de vader medegedeeld.

Toelichting:

Het besluit de zorg- en contactregeling aan te gaan passen, is telefonisch aan de vader medegedeeld, terwijl dit voor hem een zeer zware beslissing was.

5.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

In een gesprek op 4 november 2019 heeft de vader verklaard dat hij het onprettig heeft gevonden om een belangrijk besluit over de wijziging van de contactmomenten met de kinderen telefonisch te horen. De jeugdprofessional begrijpt dit. Hij heeft zich echter genoodzaakt gezien dit besluit zo spoedig mogelijk mede te delen. Het was niet haalbaar om dit op zo’n korte termijn in een gesprek te doen. Na het telefoongesprek zijn de ouders ook per e-mailbericht geïnformeerd. De jeugdprofessional heeft zijn excuses gemaakt en gezegd dat hij hier in het vervolg rekening mee zal houden. De vader heeft de excuses geaccepteerd.

5.4.3 Het College overweegt als volgt:

Voor zover de vader hier benoemt dat de jeugdprofessional deze zorg- en contactregeling heeft aangepast in begeleide contactmomenten, verwijst het College naar het oordeel bij klachtonderdeel 1 (5.1.5) en 2 (5.2.3). Het College zal hier alleen ingaan op het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional deze beslissing telefonisch aan hem heeft medegedeeld. Het College volgt de jeugdprofessional in zijn verweer, dat het te kort dag was om de beslissing face-to-face aan de vader uit te leggen. Los van het feit dat de jeugdprofessional de gevoelens van de vader heeft erkend en de excuses die hij gemeend heeft te moeten maken, is het College van oordeel dat de werkwijze open en transparant is geweest. Het is geen vaste regel dat belangrijke beslissingen alleen in face-to-face gesprekken mogen worden gecommuniceerd. Bovendien heeft het College uit het dossier opgemaakt dat er veelvuldig overleg is geweest met de vader, en dat deze beslissing op 10 oktober 2019 ook uitgebreid schriftelijk aan hem is medegedeeld. Het College ziet in de klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.4.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.5 Klachtonderdeel 6

5.5.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met de uitkomsten en het advies van het NIFP.

Toelichting:

Het NIFP heeft aangegeven dat door de rigide houding van de moeder de kinderen het gevoel hebben dat ze een keuze moeten maken tussen één van de ouders. Dit is volgens het NIFP uiterst schadelijk voor de kinderen. Ook is gezegd dat de kinderen de vader belangrijk vinden en hem aanzienlijk meer willen zien. Voorts staat in het rapport dat het schadelijk is voor de kinderen wanneer ze geen uitgebreide omgangsregeling met de vader hebben en zich niet in vrijheid een beeld over hem mogen vormen. Tot slot heeft de moeder bij het NIFP aangegeven niet vrijwillig te willen meewerken aan de zorg- en contactregeling en dat de kinderen desnoods uit huis moeten worden geplaatst. Dit had de jeugdprofessional moeten meewegen in zijn afwegingen.

5.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De vader heeft de klacht niet onderbouwd. Er wordt enkel gesteld dat de jeugdprofessional onvoldoende rekening heeft gehouden met het NIFP-rapport. Er worden hiervan geen voorbeelden en/of concrete handelingen genoemd. Bovendien betwist de jeugdprofessional dat hij het NIFP-rapport niet heeft meegewogen. Voorts was de informatie uit het NIFP-rapport bekend bij de gedragswetenschapper die bij de besluitvorming heeft geadviseerd. In dit kader komt de strijd van de ouders goed naar voren. De beide ouders lezen het NIFP-rapport met hun eigen bril en zoeken in het rapport vooral die bevindingen die zij tegen de andere ouder kunnen gebruiken. In het NIFP-rapport staat dat contact tussen de vader en de kinderen belangrijk is. Dit hebben de GI en de jeugdprofessional ook steeds gezegd en heeft in de besluitvorming een belangrijke rol gespeeld. De jeugdprofessional herkent zich dan ook niet in dit verwijt en is van mening dat in overeenstemming met de Beroepscode is gehandeld.

5.5.3 Het College overweegt als volgt:

De vader heeft uit het NIFP-rapport verschillende punten naar voren gebracht, waarvan hij stelt dat de jeugdprofessional deze niet heeft meegewogen in zijn besluitvorming. De jeugdprofessional heeft in reactie hierop aangegeven het NIFP-rapport wel degelijk te hebben meegewogen in zijn besluitvorming. In het dossier zijn geen aanknopingspunten gevonden die kunnen bevestigen dat het NIFP-rapport geen rol heeft gespeeld in de besluitvorming. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College voldoende naar voren gebracht dat elke (kern)beslissing in MDO is genomen, hetgeen van een jeugdprofessional mag worden verwacht. Nu de vader voorts geen onderbouwende stukken heeft overgelegd ten aanzien van de stellingname dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met de uitkomsten en het advies van het NIFP, en het College dit evenmin is gebleken, oordeelt het College dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

5.5.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.6 Klachtonderdeel 7

5.6.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zich onvoldoende in te zetten voor contactherstel tussen de vader en de dochter, en haar onvoldoende te beschermen tegen
ouderverstoting.

Toelichting:

Ondanks dat er een beschikking is, waarin stond dat ook de dochter recht had op omgang met de vader, heeft hij haar niet meer gezien sinds 7 juli 2019. Het NIFP heeft ook aangegeven dat door de rigide houding van de moeder de kinderen het gevoel hebben dat ze gedwongen een keuze moeten maken tussen de ouders. Als gevolg hiervan heeft de dochter gekozen voor de moeder. De eerder betrokken jeugdbeschermers hebben eveneens aangegeven dat de dochter klem zit. Ondanks dat de dochter hiertegen beschermd zou moeten worden, heeft de jeugdprofessional nooit actie genomen. Meerdere keren heeft de vader om een gesprek gevraagd met de dochter, in bijzijn van de jeugdprofessional en nimmer heeft hij daar antwoord op gekregen. Uiteindelijk kreeg de vader te horen dat de dochter de vader niet wil spreken en dat hij haar niet kan dwingen. De vader heeft vervolgens meerdere keren gevraagd welke actie hij wel kon nemen, maar heeft daar ook geen antwoord op ontvangen. De jeugdprofessional gaat hier zeer gemakzuchtig mee om en zo wordt kindermishandeling in stand gehouden.

5.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

In september 2019 heeft de jeugdprofessional kennis gemaakt met de dochter. Reeds ten tijde van de betrokkenheid van de vorige GI heeft de dochter de keuze gemaakt geen contact met de vader te willen. Dit had ermee te maken dat de vader angst opriep door onder meer frequent door de straat te rijden, op ramen te bonzen en door de brievenbus te roepen. De jeugdprofessional heeft de indruk dat de dochter deze keuze uit vrije wil heeft gemaakt. De vader heeft meermaals aangegeven dat hij dit respecteerde en niet zou aandringen. In de loop van de maanden is er sprake van enige toenadering tot de vader, maar voor direct contact vond de dochter het nog te vroeg. Op 12 november 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden met de dochter, waarin zij heeft gezegd dat zij de bezoeken aan haar vader gezellig vond, maar dat er ook vaak weer iets gebeurde waardoor de sfeer minder werd. De dochter ervaart nu meer rust. De dochter wil de vader wel weer zien maar is ook bezorgd dat het vervolgens minder goed zal gaan. Door de dochter centraal te stellen en respect te hebben voor haar standpunt, meent de jeugdprofessional in lijn met de Beroepscode gehandeld te hebben. Hij wil ook respect tonen aan de vader door regelmatig met de dochter in gesprek te gaan over de mogelijkheid weer contact met hem te hebben. In een later stadium, op 13 januari 2020, heeft de jeugdprofessional de vader een e-mailbericht gestuurd waarin hem is verteld dat – op het moment dat de zoon terug is bij de moeder en er aan de omgang gewerkt kan worden – ook met de dochter zal worden besproken of zij daarbij kan aansluiten.

5.6.3 Het College overweegt als volgt:

De vader verwijst ter onderbouwing van dit klachtonderdeel naar de rapportage ‘ondertoezichtstelling’, welke de vorige jeugdbeschermer heeft opgesteld. Hieruit blijkt dat één van de doelen is dat de zorg- en contactregeling die de rechtbank heeft vastgesteld, dient te worden uitgevoerd. Hiervoor zal de vorige jeugdbeschermer onder meer op regelmatige basis met de kinderen (op laagdrempelige wijze) in gesprek gaan. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional in navolging van zijn voorganger in lijn met deze rapportage heeft gehandeld door met de dochter gesprekken te voeren over de zorg- en contactregeling. Tevens heeft de jeugdprofessional in zijn eerste brief aan de ouders het volgende geschreven: “In het belang van [de dochter] is de GI voor dit moment akkoord dat zij niet naar de omgang gaat, gezien haar wens hierin om rust te hebben in de situatie. Wel wordt van haar verwacht dat zij de komende tijd over de omgang met haar vader in gesprek gaat met de jeugdprofessional.” Dat de dochter zelf niet naar de vader wil, valt niet tuchtrechtelijk aan de jeugdprofessional te verwijten. Het College volgt het verweer van de jeugdprofessional en oordeelt dat hij voldoende heeft gedaan om – rekening houdend met de expliciete wens van de dochter de vader op dit moment niet te willen zien – zowel de dochter als de vader hierover te spreken en de mogelijkheden te onderzoeken. Daarbij heeft de jeugdprofessional zowel de dochter, met haar jeugdige kwetsbaarheid, groeiende zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid, als de vader, met zijn eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie, met respect en daarom in lijn met artikel E (Respect) van de Beroepscode, gehandeld. Voor wat betreft het verwijt dat de dochter niet beschermd zou zijn tegen ouderverstoting, heeft het College hier onder 5.3.3 van deze beslissing reeds een oordeel over gegeven.

5.6.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.7 Klachtonderdeel 9, 12 en 20

5.7.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Op 4 november 2019 is de zoon weggelopen en heeft de jeugdprofessional meerdere malen tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld en de vader daar de schuld van gegeven. Ook heeft de jeugdprofessional het weglopen van de zoon niet als incident/calamiteit gemeld en nagelaten de vader over het weglopen te informeren. Tot slot heeft de jeugdprofessional onvoldoende gekeken hoe voorkomen kon worden dat de zoon bij de moeder wegloopt.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft de zoon onverwacht bij de moeder opgewacht en overvallen met een gesprek toen de vader de zoon terugbracht. Zoals reeds gesteld, heeft de zoon een chronisch trauma. Dit heeft hij mede door de hulpverleners. De jeugdprofessional had dus kunnen weten dat de zoon heel erg zou schrikken van deze opwachting. De GGZ-instelling heeft namelijk ook […] bij de zoon als diagnose gesteld. De jeugdprofessional heeft de gordijnen bij de moeder dicht gelaten en daarmee naar de zoon uitgestraald dat hij en de moeder een conflict met de vader hebben. Normaal zijn de gordijnen altijd open, maar worden gesloten als de moeder weet dat de vader de kinderen komt brengen of halen. Door deze twee gedragingen (onverwachts opwachten en de gordijnen dichtlaten) is de zoon in het bijzijn van de jeugdprofessional en de moeder twee keer weggelopen. Toen de zoon voor de eerste keer was weggelopen, heeft de jeugdprofessional gevraagd of de vader wilde helpen zoeken. De vader heeft de zoon gevonden en teruggebracht naar de moeder. Hij bleek bij een buurtbewoner te zijn. De jeugdprofessional is toen openlijk de strijd aangegaan met de vader, terwijl de zoon het al moeilijk had en helemaal niet terug wilde. Ook heeft de jeugdprofessional de zoon niet zelf opgehaald bij de buurtbewoner, ondanks dat dit hem gevraagd was. Door bovenstaande gedragingen is veel onrust ontstaan, waar de jeugdprofessional de vader de schuld van geeft. Daarnaast heeft de jeugdprofessional toen de zoon voor de tweede keer was weggelopen niet gecontroleerd of hij die dag was teruggekeerd naar de moeder en heeft de jeugdprofessional nagelaten te kijken hoe het met de zoon gaat.

Vanuit de IGJ moet de jeugdprofessional incidenten/calamiteiten melden. De zoon is meerdere malen weggelopen en ook een keer door de moeder uit huis gezet. Dit zou elke keer gemeld moeten worden. De jeugdprofessional heeft dit niet gedaan waardoor hij de wet heeft overtreden en diverse artikelen van de Beroepscode geschonden. De jeugdprofessional had een veiligheidsplan moeten maken, of afspraken die gericht zijn op hoe te voorkomen dat de zoon wegloopt. De jeugdprofessional heeft er nu elke keer voor gekozen om de zoon, onder zeer grote dwang, terug te brengen naar de moeder. Er is geen enkele keer gekeken naar waarom de zoon wegliep en wat hij vanuit de moeder nodig had om bij haar te kunnen blijven.

5.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Op 4 november 2019 heeft de buurtbewoner contact opgenomen met de jeugdprofessional of zijn collega, omdat de zoon bij hem was. De buurtbewoner is verteld dat de zoon terug moest naar de moeder; dit was immers ook wat beide ouders wilden. De buurtbewoner wilde de zoon niet zelf naar de moeder brengen. Er is toen aangegeven dat de zoon was weggelopen en dus ook zelf terug kon lopen naar de moeder. De moeder woont enkele straten bij de buurtbewoner vandaan. Er is gewezen op de verantwoordelijkheid van de gezaghebbende ouders. Het is niet de taak van de GI om de zoon op te halen bij de buurtbewoner en terug te brengen naar de moeder. De moeder wilde de zoon niet ophalen, de buurtbewoner wilde de zoon niet brengen. Uiteindelijk is afgesproken dat de vader de zoon naar de moeder zou brengen. De volgende ochtend bleek dat de zoon met de vader was meegegaan naar een meerderjarige zoon van de vader. Binnen de dynamiek van deze complexe echtscheiding is het niet mogelijk om een handelwijze te kiezen die niet tot een nieuw conflict leidt. Het blijft, ook binnen het kader van de ondertoezichtstelling, noodzakelijk dat de ouders allereerst hun eigen ouderlijke verantwoordelijkheid nemen. Het was duidelijk dat de zoon bij de buurtbewoner niet in acute onveiligheid verkeerde. Het is in de visie van de jeugdprofessional treurig dat de ouders dit voorval (evenals vele anderen) oppakken om de andere ouder en alle betrokkenen te diskwalificeren.

Vooropgesteld is dat jeugdprofessional het herhaaldelijk weglopen van de zoon wel degelijk serieus genomen heeft. Hierover is veelvuldig intern overleg geweest. Zo is het besproken met de GGZ-instelling (die ook geen ideeën meer had om dit te voorkomen) en zijn er gesprekken gevoerd met de ouders en met de zoon zelf. Het gedrag van de zoon toont voor de jeugdprofessional aan hoe klem hij zit tussen zijn ouders en hoe ingewikkeld het voor hem is om zich staande te houden in hun aanhoudende strijd. Het algemene beleid van de GI is dat het weglopen van een minderjarige, behoudens uitzonderingen, niet gemeld wordt bij de IGJ. Er is een intern protocol hoe te handelen als een minderjarige wegloopt en dit is ook ingezet. Elke keer dat de zoon is weggelopen, is dit bij vader gemeld, en heeft er – zoals gezegd – overleg plaatsgevonden met beide ouders over wat er moest gebeuren. Waar nodig is de politie ingeschakeld. Omdat steeds vrij snel duidelijk was waar de zoon zich bevond en vervolgens duidelijk werd dat hij zich niet in een acuut onveilige situatie bevond, is de beslissing genomen om geen melding te doen bij de IGJ. Hierbij is bovendien van belang dat niet de jeugdprofessional zelf de melding bij de IGJ doet, maar dat deze verantwoordelijkheid ligt bij de clustermanager van de GI. De GI beslist of er sprake is van een meldenswaardige calamiteit. De jeugdprofessional heeft verschillende keren met de zoon gesproken en zijn wensen ook meegewogen bij het nemen van beslissingen. Belangrijke redenen voor de keuze voor het verblijf van de zoon bij de moeder zijn dat hij daar is opgegroeid, zijn sociale netwerk in de woonomgeving bij de moeder is, hij daar altijd naar school is gegaan en daar de hulp kan krijgen van de GGZ-instelling. Uit het feit dat deze keuze anders uitvalt dan de vader wenst, kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de zoon.

5.7.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

Het valt de vader op dat in het verweerschrift enkel wordt gesproken dat er geen sprake was van een calamiteit, en daarom geen melding is gemaakt. Incidenten moeten wettelijk gemeld worden via een incidentenformulier. Incidenten dienen ook aan de IGJ gemeld te worden.

5.7.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

De jeugdprofessional benadrukt dat de wet vereist dat enkel calamiteiten moeten worden gemeld bij de IGJ (artikel 4.1.8 van de Jeugdwet). Er bestaat geen wettelijke verplichting om incidenten aan de IGJ te melden. De GI heeft zelf een incidentenbeleid opgesteld, een interne procedure waarbij incidenten gemeld kunnen worden.

5.7.5 Het College overweegt als volgt:
De vader heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de jeugdprofessional – in het licht van de geldende beroepsnormen – op 4 november 2019 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het open en/of dichtlaten van gordijnen levert geen grond op voor een tuchtrechtelijk verwijt. Voor wat betreft de klacht dat de jeugdprofessional de zoon onverwachts bij de moeder thuis heeft opgewacht, merkt het College op dat het aan de ouder(s) is om de zoon voor te bereiden op (eventuele) gesprekken met de jeugdprofessional. De vader heeft nagelaten om zijn stelling, dat hij vervolgens van het handelen van de jeugdprofessional de schuld heeft gekregen, concreet te onderbouwen. Voor zover de vader stelt dat door gedragingen van de jeugdprofessional de zoon is weggelopen, heeft de vader geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. De vader verwijst in dit klachtonderdeel naar het gespreksverslag van de GGZ-instelling van 22 juli 2017. Ook hieruit maakt het College niet op dat de zoon in (onverwachte) situaties zal weglopen. Het College concludeert dat voor wat betreft het eerste gedeelte van de klacht, de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.

Voor wat betreft het melden van incidenten en/of calamiteiten overweegt het College als volgt. Op grond van artikel I onder a, Leidraad Meldingen Jeugd (hierna te noemen: de leidraad) van de IGJ wordt het begrip ‘calamiteit’ als volgt gedefinieerd: “een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige of een ouder heeft geleid.” Deze definitie staat verder uitgelegd op pagina negen van de leidraad. Het College leest op deze pagina dat niet elk incident hoeft te worden gemeld, omdat er gelet op het feit dat jeugdhulp betrekking heeft op gezin gerelateerde (maatschappelijke) problemen te verwachten valt dat er zich incidenten zullen voordoen. Zolang deze incidenten betrekking hebben op de gebruikelijke verlening van jeugdhulp en daarbinnen ook kunnen worden beheerst, worden deze geacht te passen binnen de jeugdhulpverlening en behoeven deze dus niet te worden gemeld. De jeugdhulpaanbieder of de instelling moet deze incidenten zelf registreren en periodiek analyseren. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional voldoende uitgelegd waarom er geen calamiteitenmelding is gedaan bij de IGJ, maar het interne beleid voor het weglopen van een minderjarige is ingezet. Het College volgt de jeugdprofessional in zijn verweer dat de zoon zich niet in een acuut onveilige situatie bevond zoals de definitie van de leidraad voorschrijft en er daarom geen melding bij de IGJ is gedaan. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional ten aanzien van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt te maken is.

Ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional onvoldoende heeft gekeken hoe voorkomen kan worden dat de zoon bij de moeder wegloopt, verwijst het College naar het oordeel onder 5.9.3 van deze beslissing.

5.7.6 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen ongegrond zijn.

5.8 Klachtonderdeel 11, 16, 19, 25 en 47

5.8.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in het gesprek van
5 november 2019 te dreigen met een mogelijke plaatsing in een instelling of pleeggezin, door het verzoek bij de rechtbank niet aan te passen en door onvoldoende stil te staan bij de veiligheid van de zoon wanneer hij terug moet naar de moeder. Terwijl hij wist dat de moeder wilde dat de zoon naar een instelling ging. Tot slot heeft de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de zoon liever in een instelling of pleeggezin te willen plaatsen dan bij de vader, en heeft hij onvoldoende afgewogen wat het voor de zoon betekent wanneer hij naar een instelling gaat.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft, na het hoger beroep op 5 november 2019, aangegeven dat hij wil dat de zoon met hem mee terug gaat naar de moeder. De vader heeft hier volledig aan meegewerkt. De jeugdprofessional is achter de vader aangereden naar [plaats] waar de zoon op dat moment verbleef. De vader heeft in het bijzijn van de jeugdprofessional tegen de zoon gezegd dat hij weer terug naar huis moest. De vader is daarna weggegaan. De jeugdprofessional heeft toen met de zoon en een meerderjarige zoon van de vader gesproken. Na afloop van het gesprek heeft de jeugdprofessional aan de vader aangegeven dat de zoon weigerde om met hem mee te gaan. De zoon gaf aan dat hij opnieuw zou gaan weglopen op het moment dat hij mee moest naar de moeder. Volgens de zoon en de meerderjarige zoon van de vader heeft de jeugdprofessional gezegd dat wanneer de zoon niet mee zou gaan, hij in een instelling of pleeggezin zou worden geplaatst. Voor de zoon was dit erg bedreigend.

Voorts heeft de jeugdprofessional tijdens de zitting bij de rechtbank aangegeven dat het wenselijk is dat de zoon terugkeert naar de moeder. De moeder heeft de rechtbank verzocht de zoon in een instelling te plaatsen. De jeugdprofessional heeft het standpunt van moeder op geen enkele manier meegewogen bij het indienen van zijn eigen verzoek voor de wijziging van de zorg- en contactregeling en het verzoek niet aangepast. De jeugdprofessional heeft ook niet gekeken wat het standpunt van de moeder voor het welzijn en de veiligheid van de zoon betekent en wat voor invloed dit heeft op de uitgezette lijn. Tevens is hierover niet met de vader gecommuniceerd. De jeugdprofessional heeft niet aangegeven hoe het terugplaatsen van de zoon bij de moeder op een veilige manier zou verlopen. De jeugdprofessional heeft dan ook onvoldoende oog gehad voor de veiligheid van de zoon en hierover onvoldoende gecommuniceerd.

De jeugdprofessional heeft de voorkeur gegeven aan plaatsing van de zoon in een instelling of pleeggezin in plaats van een plaatsing bij de vader. Een kind plaatsen in een instelling of pleeggezin behoort een uiterste maatregel te zijn. De jeugdprofessional is blijkbaar van mening dat de zoon vooral de prijs moet betalen van de echtscheiding. De zoon mag overal zijn, behalve bij de vader en dat vindt de vader uiterst kwalijk. De jeugdprofessional heeft op geen enkele manier afgewogen wat voor effect het op de zoon heeft wanneer hij onder grote dwang terug moet naar de moeder. Terwijl de moeder wil dat de zoon naar een instelling of pleeggezin gaat.

5.8.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional merkt op dat nauwelijks nog kan worden vastgesteld wat voor de kinderen ‘de beste plek’ is. Het is evident dat een keuze er altijd toe zal leiden dat een van beide ouders bezwaar maakt en teleurgesteld zal zijn. Er is zorgvuldig een keuze gemaakt om zo veel mogelijk stabiliteit te creëren voor de zoon. Zijn verblijfplaats is herhaaldelijk onderwerp van gesprek geweest (ook in

de procedures). De jeugdprofessional heeft verschillende keren met de zoon gesproken. De wensen van de zoon zijn ook meegewogen bij het nemen van beslissingen. Belangrijke redenen voor de keuze van het verblijf van de zoon bij moeder zijn onder meer dat hij bij haar is opgegroeid, hij zijn sociale netwerk in de woonomgeving bij moeder heeft, hij daar altijd naar school is gegaan en daar de hulpverlening kan krijgen van de GGZ-instelling. Uit het feit dat de keuze anders uitvalt dan de vader wenst, kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de zoon. De inzet van de jeugdprofessional en het team om hem heen (collega’s, gedragsdeskundige en juristen) toont reeds aan dat telkens zorgvuldige afwegingen zijn gemaakt.

Voorts geeft de jeugdprofessional aan zich niet in de weergave van het gesprek van 5 november 2019 te herkennen. De jeugdprofessional heeft met de zoon gesproken over waarom hij niet mee wilde naar de moeder. De zoon begon in dit gesprek zelf met de opmerking dat hij “nog liever naar een tehuis ging dan mee naar de moeder”. In reactie hierop heeft de jeugdprofessional aangegeven dat van een uithuisplaatsing geen enkele sprake is. De jeugdprofessional vermoedt dat de zoon zich niet bewust is wat hij hiermee zegt. Er is juist benadrukt dat het van groot belang is dat de zoon mee terug gaat naar de moeder, zoals de kinderrechter heeft bepaald. De jeugdprofessional heeft keer op keer richting de zoon benoemd dat weglopen geen zin heeft, omdat hij bij de moeder zal wonen. Tot slot benadrukt de jeugdprofessional dat hij nooit op het standpunt heeft gestaan de zoon bij voorkeur in een instelling te plaatsen. Met de ouders is gekeken op welke manier de zoon het beste terug kon van de vader naar de moeder. Hierin is overwogen of een tussenstap, een neutrale plaatsing voor een korte periode, helpend zou zijn voor de zoon om de overgang tussen zijn beide ouders te maken.

5.8.3 Het College overweegt als volgt:

Ter ondersteuning van klachtonderdeel 11 heeft de vader een e-mailbericht van zijn meerderjarige zoon overgelegd. De meerderjarige zoon schrijft onder meer dat de vader rustig is gebleven toen de jeugdprofessional aangaf dat de zoon naar een pleeggezin of een instelling zou moeten, indien hij niet mee zou gaan naar de moeder. De jeugdprofessional heeft dit in zijn verweerschrift gemotiveerd betwist. Onder deze omstandigheden kan het College ten aanzien van dit klachtonderdeel niets vaststellen, omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van de vader niet gegrond kan worden bevonden nu het College niet de feiten kan vaststellen die hieraan ten grondslag liggen. Ten aanzien van klachtonderdeel 16 en klachtonderdeel 19 overweegt het College dat de vader heeft nagelaten om zijn verwijten voldoende te onderbouwen. Het overgelegde stuk bevat citaten van de moeder uit het NIFP-rapport welke naar het oordeel van het College in de context van het gehele rapport dienen te worden gelezen. Voorts bevat het stuk citaten van een brief die de GI aan de rechtbank heeft gestuurd. Omdat het College niet in het bezit is van deze brief, kan het College de citaten niet in de context plaatsen en zullen deze buiten beschouwing worden gelaten. Tot slot bevat het onderbouwende stuk een brief van de jeugdprofessional aan de rechtbank, waarin hij aangeeft dat de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de moeder is en dat wanneer hij terug bij de moeder is, het in zijn belang is dat er afspraken worden gemaakt over de contactmomenten tussen de vader en de zoon. Uit niets blijkt het College dat de jeugdprofessional onvoldoende bij de veiligheid van de zoon heeft stilgestaan, dan wel dat hij hem in een pleeggezin of instelling wilde plaatsen. De klachtonderdelen zijn daarom ongegrond. Voor wat betreft klachtonderdeel 25 en klachtonderdeel 47 heeft de vader geen onderbouwende stukken overgelegd. Hierdoor zijn de feiten en gronden van deze klachtonderdelen onvoldoende duidelijk en concreet. Het College verklaart de vader derhalve niet-ontvankelijk in deze twee klachtonderdelen.

5.8.4 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen 11, 16 en 19 ongegrond zijn, en dat de vader niet-ontvankelijk is in de klachtonderdelen 25 en 47.

5.9 Klachtonderdeel 13 en 28

5.9.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door, nadat de zoon door de moeder uit huis was gezet, geen veiligheidsplan te maken. Een gesprek met de jeugdprofessional over veiligheidsafspraken voordat de zoon naar de moeder kon terugkeren, is de vader geweigerd.

Toelichting:

Op 25 oktober 2019 haalde de vader de zoon op, en op maandag 28 oktober 2019 heeft de vader de zoon naar school gebracht. Later in de middag heeft de zoon de vader gebeld. De moeder had hem uit huis gezet, waarna hij verbleef bij een buurtbewoner. De zoon gaf aan dat de moeder heel erg boos op hem was omdat hij, tegen de wil van de moeder in, met de vader is meegegaan. De vader is naar de zoon gegaan. De jeugdprofessional was niet bereikbaar. De jeugdprofessional bleek op dat moment bij de moeder te zijn en vond dat de zoon zelf naar huis kon komen. De zoon wilde echter eerst een gesprek met de jeugdprofessional zodat hij zijn verhaal kon doen. De vader is na aandringen bij de jeugdprofessional met de zoon naar een neutrale plek gereden waar een gesprek met de jeugdprofessional heeft plaatsgevonden. De jeugdprofessional vertelde dat de moeder snel spijt had en 112 heeft gebeld. De zoon moest sowieso terug naar de moeder. De jeugdprofessional vond dat de zoon begrip moest hebben dat de moeder overstuur was. Hij ging er volledig aan voorbij dat de zoon overstuur was en dat hij er voor de zoon hoort te zijn. De zoon is onder grote dwang teruggegaan naar de moeder. De jeugdprofessional had een veiligheidsplan moeten maken, of in ieder geval afspraken over de veiligheid moeten maken. Ook heeft de jeugdprofessional geen incident/calamiteitenmelding gedaan.

Toen de zoon in de asielprocedure in [het land] zat, heeft de vader om een gesprek met de jeugdprofessional gevraagd. De vader maakte zich zorgen over de veiligheid van de zoon bij de moeder. De jeugdprofessional heeft dit gesprek geweigerd, terwijl het mogelijk een opening had kunnen zijn voor de terugkeer van de zoon naar Nederland.

5.9.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft vaker de vraag van de vader gekregen een veiligheidsplan te maken voor de kinderen. Daar is echter niet toe besloten. In de eerste plaats omdat er geen directe zorg was over de veiligheid bij de moeder. De situatie bij de moeder werd voortdurend gemonitord. De jeugdprofessional is vaak bij de moeder langsgegaan en heeft zeer regelmatig contact met haar gehad. In de tweede plaats was de situatie van de zoon onduidelijk en bestond daardoor geen basis om een veiligheidsplan te maken. De jeugdprofessional begrijpt dat de vader veel zorgen had over het weglopen van de zoon en hier is met de vader, de moeder en met de zoon veel over gesproken. Ook is geprobeerd afspraken te maken om het weglopen te stoppen. De situatie van de zoon veranderde in die periode dagelijks en iedere dag was de jeugdprofessional druk met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en later de voogdij over de zoon. Een veiligheidsplan kan worden ingezet als er concrete en directe onveiligheid is in een gezin. De onveiligheid van de zoon kwam met name voort uit het feit dat de ouders het oneens waren over wat het beste was voor de zoon. Het was niet mogelijk om hier een plan met afspraken voor te maken, omdat de ouders een tegengestelde visie hadden en hebben.

De jeugdprofessional betwist voorts dat de vader een gesprek over veiligheidsafspraken is geweigerd. De vader is in verband met zijn onvrede en zijn vele vragen – ook over de veiligheidsafspraken – op 9 december 2019 uitgenodigd voor een gesprek. De vader is daar niet op ingegaan. Op 13 januari 2020 is de vader opnieuw gevraagd voor een gesprek. Ook hier heeft de vader niet op gereageerd. Bovendien is herhaaldelijk geprobeerd om met de ouders en de zoon te komen tot afspraken om te voorkomen dat de zoon zou weglopen. Het is eveneens duidelijk dat de opvoedsituatie bij de beide ouders (dat blijkt ook uit diverse hulpverleningsrapporten en uitspraken van de rechter) voldoende is en dat het vooral de strijd die ouders onderling voeren, is die voor de kinderen beschadigend is.

5.9.3 Het College overweegt als volgt:

De vader verwijt de jeugdprofessional in deze klachtonderdelen primair dat hij geen veiligheidsplan heeft opgesteld nadat de moeder de zoon uit huis had gezet. Het College overweegt dat een dergelijk plan alleen noodzakelijk is wanneer de directe veiligheid van een kind in het geding is. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat de zoon bij de moeder niet onveilig was. Er waren zeker zorgen over de zoon en het College kan zich voorstellen dat de vader ongerust was over het wegloopgedrag van de zoon, maar het opstellen van een veiligheidsplan vraagt om een andere situatie. Daarbij heeft de jeugdprofessional voldoende aangetoond dat er intensief contact is geweest met de ouders over de zoon, en dat op de dag van het weglopen ook een gesprek met de zoon heeft plaatsgevonden. Dat de jeugdprofessional tegen de wens van de vader in geen melding heeft gedaan van een incident/calamiteit, is eerder aan de orde geweest in deze beslissing. Het College verwijst naar het oordeel onder 5.7.5.

Ten aanzien van het deel van de klacht dat de vader een gesprek is geweigerd over veiligheidsafspraken voordat de zoon naar de moeder kon terugkeren, overweegt het College als volgt. De brief van de jeugdprofessional van 31 oktober 2019, die de vader heeft bijgevoegd, onderbouwt naar het oordeel van het College dit standpunt van de vader niet. In de brief wordt de vader uitgenodigd voor een gesprek op 4 november 2019 en spreekt de jeugdprofessional hem aan op onveilig handelen ten aanzien van de zoon. Verdere onderbouwing door de vader ontbreekt. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift voorts betwist dat de vader een gesprek is geweigerd. Volgens de jeugdprofessional is de vader in verband met zijn vele vragen – ook – over de veiligheidsafspraken op 9 december 2019 en op 13 januari 2020 uitgenodigd voor een gesprek, maar is de vader niet verschenen, dan wel heeft hij niet gereageerd. Tenslotte blijkt uit het dossier voldoende dat de jeugdprofessional herhaaldelijk heeft geprobeerd om met de ouders en de zoon te komen tot afspraken om te voorkomen dat de zoon zou weglopen. In de conclusie van repliek meldt de vader dat de hulpverlening en een arts hebben geconstateerd dat de zoon onder de schrammen en blauwe plekken zat, wat met een veiligheidsplan voorkomen had kunnen worden. Ook deze aantijgingen heeft de vader op geen enkele wijze aangetoond, bijvoorbeeld door het overleggen van een verklaring van de geconsulteerde arts.

5.9.4 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen ongegrond zijn.

5.10 Klachtonderdeel 14

5.10.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Hij heeft er niet voor gezorgd dat de moeder de module ‘parallel ouderschap’ volgt, en hulp voor zichzelf zoekt om de situatie voor de kinderen te verbeteren.

Toelichting:

De ouders moesten de module parallel ouderschap volgen. De vader doet dat, gaat ook naar een psycholoog, werkt aan de uitkomsten van het NIFP en heeft een positieve rapportage over zichzelf. De moeder doet dat niet. De jeugdprofessional spreekt beide ouders indirect aan doordat hij zegt dat hulp belangrijk is en moet worden gestart of voortgezet. De jeugdprofessional borgt niet dat de mensen die de moeder hierbij kunnen helpen in beeld komen. Intussen wil de jeugdprofessional dat de kinderen bij de moeder wonen. De jeugdprofessional doet er onvoldoende aan om de emotionele veiligheid van de kinderen bij de moeder te vergroten. Bovendien doet de jeugdprofessional de vader te kort in de e-mailberichten, aangezien hij wel meewerkt.

5.10.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Op 24 oktober 2019, kort nadat de jeugdprofessional is gestart in deze casus, is er contact geweest met [de instelling] over het traject ‘parallel ouderschap‘ van de moeder. [de instelling] had toen al besloten dat het traject met de moeder beëindigd zou worden. Er was op dat moment geen ruimte en geen basis om dit voort te zetten. De redenen zijn bij de jeugdprofessional bekend maar kunnen in verband met de privacy van de moeder niet gemeld worden. Het stopzetten van het traject is uiteraard onderwerp van gesprek geweest tussen de moeder en de jeugdprofessional.

5.10.3 Het College overweegt als volgt:

In de e-mail van 10 oktober 2019 van de jeugdprofessional aan de ouders wordt uitgebreid stilgestaan bij parallel ouderschap van [de instelling]. Dit is volgens de jeugdprofessional nodig om beide ouders te helpen uit de strijd te blijven en te focussen op (het contact met, en het belang van) de kinderen. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift onweersproken verklaard dat [de instelling] besloten heeft het traject parallel ouderschap van de moeder, wegens een gebrek aan ruimte bij de moeder, te beëindigen. Het College overweegt dat de jeugdprofessional niet meer heeft kunnen doen dan dat hij heeft gedaan, te weten een gesprek hierover voeren met de moeder. Terecht heeft de jeugdprofessional opgemerkt dat hij vanuit privacyoverwegingen niet nader in kan gaan op de beweegredenen van de moeder. Dat de jeugdprofessional de vader te kort doet doordat hij beide ouders heeft aangesproken over de hulpverlening, terwijl hij wel meewerkt, heeft de vader niet met voorbeelden onderbouwd. Meer in het algemeen heeft het College – na het lezen van het dossier – hierover geen onevenwichtigheid kunnen constateren in de berichtgeving aan de vader dan wel aan de moeder. Het voorgaande in acht genomen, bestaat er naar het oordeel van het College geen aanleiding de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.10.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.11 Klachtonderdeel 15

5.11.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Er is zonder toestemming van de vader vertrouwelijke informatie gedeeld met de informele vertrouwenspersoon van de moeder, terwijl hij weet dat deze persoon regelmatig […] interviews geeft of heeft gegeven.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft diverse vertrouwelijke stukken aan de informele vertrouwenspersoon van de moeder (hierna te noemen: de vertrouwenspersoon) per e-mailbericht toegestuurd. Ook heeft hij de vertrouwenspersoon meerdere malen telefonisch te woord gestaan, zonder dat de moeder hierbij aanwezig was. De jeugdprofessional heeft dit gedaan terwijl hij wist dat de vertrouwenspersoon geregeld interviews heeft gegeven over de kinderen en ook zijn mening over de vader heeft geuit. De moeder dient deze stukken zelf aan haar vertrouwenspersoon te verstrekken. Tevens dient de jeugdprofessional de vertrouwenspersoon van de moeder niet telefonisch te woord te staan als de moeder er niet bij is. Tot slot dient de jeugdprofessional geen informatie over de vader aan de vertrouwenspersoon te verstrekken. Dit doet hij wel op het moment dat er stukken aan de vertrouwenspersoon worden gestuurd. Hij heeft hiermee dan ook de privacyrichtlijnen en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) meermaals geschonden.

5.11.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Vooropgesteld staat dat de vader heeft nagelaten dit klachtonderdeel te onderbouwen. Ook heeft de vader niet duidelijk gemaakt welke informatie de jeugdprofessional en/of de vertrouwenspersoon zou(den) hebben gedeeld. Het is bij de jeugdprofessional niet bekend dat de vertrouwenspersoon interviews heeft gegeven gedurende zijn betrokkenheid. Het is hem wel bekend dat de vertrouwenspersoon een interview heeft gegeven aan […] in de periode dat de vorige GI betrokken was. Desalniettemin heeft hij teruggekeken op de communicatie met de moeder en haar vertrouwenspersoon. Als eerste wordt opgemerkt dat de moeder bij de start van de betrokkenheid van de jeugdprofessional heeft laten weten dat de vertrouwenspersoon van het hele dossier op de hoogte is en zij hem graag bij alles betrekt. De jeugdprofessional heeft zoveel als mogelijk de gesprekken met de moeder alleen, dan wel samen met haar vertrouwenspersoon, gevoerd. Een enkele maal is er telefonisch contact geweest zonder aanwezigheid van de moeder, maar wel met haar instemming. In deze gesprekken is geen vertrouwelijke informatie over de vader gedeeld. Ook is er nimmer informatie gedeeld die nog niet eerder met de ouders was gecommuniceerd. Tot slot is het van belang dat de moeder vrij is om te kiezen wie haar in dit traject ondersteunt.

5.11.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

De jeugdprofessional voert in zijn verweerschrift aan dat hij geen informatie over de vader met de vertrouwenspersoon heeft gedeeld. Dit is feitelijk onjuist. De vertrouwenspersoon stond regelmatig in de CC van een e-mailbericht dat de jeugdprofessional aan de ouders heeft gestuurd. Met een vertrouwenspersoon mag niet zomaar informatie worden gedeeld. Het is aan de moeder om de informatie door te sturen aan haar vertrouwenspersoon. Voorts erkent de jeugdprofessional in zijn verweerschrift dat hij kennis had van een […]. Dit betekent dat hij wist dat de vertrouwenspersoon van de moeder de privacy heeft geschonden en daarom op dit gebied een risico vormt. De vertrouwenspersoon had daarom nooit stukken vanuit de GI mogen ontvangen.

5.11.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

De vader heeft noch in zijn klaagschrift, noch in de conclusie van repliek duidelijk onderbouwd welke vertrouwelijke informatie is gedeeld met de vertrouwenspersoon. Duidelijk is wel dat de vertrouwenspersoon vanaf de start van de betrokkenheid van de GI optrad als gemachtigde van de moeder in alle procedures in het kader van de ondertoezichtstelling. Op grond van artikel 1:265k Burgerlijk Wetboek geldt hiervoor geen procureursvereiste. Ten tijde van de tijdelijke voogdij had de GI als (tijdelijke) voogd de bevoegdheid om te bepalen met wie informatie over de kinderen zou worden gedeeld. De jeugdprofessional betwist dat hij persoonlijke informatie over de vader heeft gedeeld. De vertrouwenspersoon heeft e-mailberichten in de CC ontvangen, net als de gemachtigden van de ouders. In deze e-mailberichten werd veel procesinformatie gedeeld. De jeugdprofessional erkent wel dat het spitsroeden lopen is in een dergelijke complexe zaak. Reflecterend hierop heeft het de jeugdprofessional bewuster gemaakt van de noodzaak om in scheidingszaken de positie van een gemachtigde die geen advocaat is – maar een vertrouwenspersoon – goed te markeren en hierover duidelijke afspraken te maken met de betrokkenen. Dit is in deze zaak niet gebeurd. De jeugdprofessional was zich echter goed bewust van het feit dat het een uiterst klachtgevoelige ondertoezichtstelling (en later tijdelijke voogdij) betrof.

5.11.5 Het College overweegt als volgt:

De vader heeft nagelaten dit klachtonderdeel te onderbouwen. Het is hierdoor voor het College niet duidelijk welke informatie is gedeeld met de vertrouwenspersoon van de moeder, en of dit al dan niet is gebeurd in aanwezigheid van de moeder. Het College kan daarom niet toetsen of er sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Immers, de feiten en de gronden waarop dit klachtonderdeel berust, zijn onvoldoende duidelijk.

5.11.6 Het College is van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.

5.12 Klachtonderdeel 17

5.12.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door om de wet heen te willen opereren, niet transparant te handelen en niet te reageren op de brief van de advocaat van de vader.

Toelichting:

De rechtbank had besloten dat de zoon terug moest naar de moeder. Wanneer de jeugdprofessional wil dat de zoon tijdelijk naar een pleeggezin of instelling gaat, moet hij hiertoe een verzoek indienen bij de rechtbank. De jeugdprofessional heeft hierop een brief naar de rechtbank gestuurd dat hij – nu er sprake is van voogdij – ervan uit gaat dat hij niet om een machtiging tot uithuisplaatsing hoeft te verzoeken. De advocaat van de vader heeft in een brief geschreven dat dit juridisch niet klopt. Daar is nooit een antwoord op gekomen. Van de jeugdprofessional mag verwacht worden dat hij in zo’n situatie weet dat hij geen machtiging tot uithuisplaatsing dient te verzoeken maar een machtiging wijziging hoofdverblijfplaats. Ook kwam later aan de orde dat de jeugdprofessional, zonder machtiging en zonder dat de vader hiervan op de hoogte was, aan de recherche opdracht had gegeven de zoon naar een gezinshuis te brengen.

5.12.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

In de beschikking van 6 december 2019 volgt de rechtbank de lijn van de GI en de RvdK in die zin dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt bepaald. Daarnaast is de mogelijkheid opengehouden dat er tussen de overplaatsing van de zoon van de vader naar de moeder mogelijk een tussenstap genomen moest worden. Vanaf de ontvangst van de beschikking op maandag 9 december 2019 is het onrustig geweest. Er moest een herstelbeschikking worden gevraagd, omdat de rechtbank ten onrechte in de beschikking had opgenomen dat de GI als voogd een verzoek tot uithuisplaatsing kan indienen wanneer een neutrale tussenplek noodzakelijk wordt geacht. Dit is in strijd met de bevoegdheden die de wet toekent aan een voogd. Er is enkel een machtiging uithuisplaatsing vereist als de GI in het kader van de voogdij een minderjarige in een gesloten jeugdhulpinstelling wil plaatsen. De herstelbeschikking is verzocht om – in het geval de GI voornemens zou zijn de zoon eerst elders te plaatsen – met de ouders geen discussie te krijgen over de vraag of hier een machtiging uithuisplaatsing voor nodig was. Dat is ook meerdere keren benadrukt aan de advocaat en de vader. De GI was niet van plan de zoon in een instelling te plaatsen, maar de vader en zijn advocaat hebben deze conclusie wel getrokken. De vader gaat er ten onrechte van uit dat deze kennis niet bij de jeugdprofessional en zijn collega’s binnen het team aanwezig zou zijn. Er is op geen enkel moment buiten de wet om gewerkt. De jeugdprofessional ontkent voorts ten stelligste dat aan de recherche de opdracht is gegeven de zoon naar een gezinshuis te brengen.

5.12.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

De rechtbank heeft geen juridische fout gemaakt. De rechtbank heeft het correct verwoord. Bij wet is vastgelegd, dat ook als sprake is van voogdij, niet zomaar de verblijfplaats gewijzigd mag worden. Er dient dan een verzoek tot wijziging hiervan te worden ingediend. De advocaat van de vader heeft de jeugdprofessional hierop attent gemaakt. De jeugdprofessional heeft daar nooit op gereageerd en ook geen excuses gemaakt voor de juridische fout en de grote onrust die hij veroorzaakt heeft.

5.12.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

Het behoort tot de bevoegdheden van de voogdijinstelling om een pupil te plaatsen op een plek die geschikt wordt geacht. Hiervoor heeft de GI die de (tijdelijke) voogdij heeft geen machtiging nodig. Dit is anders als de pupil in een instelling voor gesloten jeugdhulp wordt geplaatst. De herstelbeschikking is verzocht om te voorkomen dat er onduidelijkheid zou ontstaan indien het noodzakelijk zou blijken om (een van) de kinderen op een neutrale plaats, niet zijnde een instelling voor gesloten jeugdhulp, te plaatsen.

5.12.5 Het College overweegt als volgt:

Het verwijt van de vader is dat de jeugdprofessional om de wet heen heeft gehandeld en dat er niet is gereageerd op een brief van de advocaat. Vast staat dat de jeugdprofessional de rechtbank op
9 december 2019 heeft verzocht om een herstelbeschikking nu er in de beschikking van 6 december 2019 sprake is van een “schrijffout, of andere kennelijke fout, die zich voor eenvoudig herstel leent”. Daaropvolgend heeft de advocaat van de vader op 12 december 2019 de rechtbank geschreven dat het verzoek van de GI afgewezen dient te worden, omdat het verder gaat dan artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het College ziet in genoemd verzoek aan de rechtbank geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de jeugdprofessional om de wet heen heeft willen opereren. In dit geval begrijpt het College dat de jeugdprofessional, in een casus waarin de ouders het niet met elkaar en/of met de jeugdbeschermers eens zijn, de rechtbank heeft geattendeerd op een mogelijke omissie en om een herstelbeschikking heeft gevraagd. Het College ziet hierin dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt. Nu de brief van de advocaat van 12 december 2019 gericht is geweest aan de rechtbank, ziet het College niet in dat de jeugdprofessional daarop had moeten reageren. Dat de advocaat van de vader ook de jeugdprofessional attent heeft gemaakt op artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, heeft de vader niet aangetoond.

Het laatste verwijt aan de jeugdprofessional, dat hij zonder machtiging en zonder dat de vader het wist, aan de recherche opdracht heeft gegeven de zoon naar een gezinshuis te brengen,

heeft hij ten stelligste ontkend. De vader heeft nagelaten dit deel van de klacht nader te onderbouwen. Aan het woord van de een kan niet meer geloof worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van de vader niet gegrond kan worden bevonden, nu het College niet de feiten kan vaststellen die hieraan ten grondslag liggen.

5.12.6 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.13 Klachtonderdeel 22, 29 en 30

5.13.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door onvoldoende stil te staan wat het voor een jongetje van tien jaar betekent om bij een moeder te wonen die zijn vader haat, terwijl de zoon het liefst bij zijn vader wil wonen. Met de wensen van de dochter wordt wel rekening gehouden, terwijl de onderliggende problematiek hetzelfde is.

Toelichting:

De zoon wilde het liefst bij de vader wonen en met zijn wens is geen rekening gehouden. De jeugdprofessional heeft onvoldoende stilgestaan wat dit voor de zoon, zijn emotionele veiligheid en zijn ontwikkeling betekende. Ook de uitkomst van de GGZ-instelling is niet meegenomen. De zoon heeft een chronisch trauma en [diagnose].

De dochter wil de vader niet zien en daaraan wordt wel gehoor gegeven. De jeugdprofessional werkt niet eens aan contactherstel tussen de vader en de dochter en zij krijgt ook geen hulp. Het verschil hoe hiermee om wordt gegaan, is veel te groot en de kinderen krijgen dit ook mee.

5.13.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Zoals eerder aangevoerd, kan er nauwelijks nog worden vastgesteld wat voor de zoon de beste plek is. Er is meermaals met de zoon gesproken en zijn wensen zijn meegewogen bij het nemen van beslissingen. Uit het feit dat de keuze voor wat betreft het hoofdverblijf van de zoon anders is uitgevallen dan de vader wenst, betekent niet dat er geen rekening is gehouden met de wensen/belangen van de zoon. De inzet van de jeugdprofessional en het team toont aan dat er telkens zorgvuldig afwegingen zijn gemaakt.

5.13.3 Het College overweegt als volgt:

Voor zover de klacht van de vader is dat de jeugdprofessional niet heeft gewerkt aan contactherstel tussen de vader en de dochter en dat zij geen hulp krijgt, verwijst het College naar het oordeel onder 5.6.3. Dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij onvoldoende stil heeft gestaan wat het voor een jongetje van tien jaar betekent om bij de moeder te wonen, terwijl de zoon het liefst bij de vader wil wonen, heeft de vader niet onderbouwd. De vader heeft geen bijlage bijgevoegd die deze aantijging kan staven. In het dossier ziet het College een jeugdprofessional die juist alles in het werk heeft gesteld om de belangen van de zoon te dienen en zijn belangen altijd voorop heeft gezet. Daarbij heeft hij iedere actie en iedere beslissing zorgvuldig – in continu overleg – met collega’s afgewogen en afgestemd.

5.13.4 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen ongegrond zijn.

5.14 Klachtonderdeel 26, 27, 34 en 41

5.14.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Hij heeft de instructies van de [buitenlandse] politie om de zoon niet in [het land] te komen ophalen, genegeerd. Ook heeft de jeugdprofessional zich naar de zoon en het personeel van de vader toe uiterst intimiderend opgesteld. Daarnaast heeft de jeugdprofessional niet gezorgd voor een bel- of Whatsapp-afspraak tussen de moeder en de zoon toen de zoon bij de vader in [het land] verbleef. Ook heeft de jeugdprofessional er onvoldoende bij stilgestaan dat het met de zoon veel beter ging in [het land], wat er onder andere in heeft geresulteerd dat de zoon hele dagen naar school gaat. Tot slot heeft de jeugdprofessional nagelaten om een gesprek met de vader en de zoon aan te gaan, waarom zij zich dermate onveilig voelden dat de zoon asiel heeft aangevraagd in [het land].

Toelichting:
De zoon is een asielprocedure in [het land] gestart. Conform internationale wetgeving mocht hij niet gedwongen teruggebracht worden naar Nederland. De jeugdprofessional heeft dit toch willen doen. De [buitenlandse] politie heeft aangegeven dat dit niet mocht. De jeugdprofessional is vervolgens nog een keer naar [het land] gekomen, wederom met als doel de zoon onder dwang terug te brengen naar Nederland. Ook toen heeft de [buitenlandse] politie de jeugdprofessional weggestuurd. De jeugdprofessional heeft wederom willens en wetens zeer grote onrust bij de zoon gecreëerd, zijn rechten geschonden en hem verder getraumatiseerd. Tevens heeft de jeugdprofessional zich ook verbaal erg agressief opgesteld. Dit was zelfs zodanig dat het personeel van de vader het alarmnummer heeft gebeld. De alarmcentrale hoorde deze agressie ook en heeft het personeel vervolgens geadviseerd om de ramen en deuren dicht te houden.
De vader heeft meerdere malen bij de moeder en de jeugdprofessional aangegeven dat de zoon graag zou willen bellen of Whatsappen met de moeder. De jeugdprofessional heef hiervoor geen afspraken gecreëerd. Dit vindt de vader uiterst kwalijk. De zoon heeft recht op contact met beide ouders. De moeder wilde dit niet vormgeven. De jeugdprofessional heeft de zoon niet geholpen, doordat hij er niet voor heeft gezorgd dat de moeder toch afspraken voor contact wilde maken. Juist omdat de jeugdprofessional vond dat de zoon terug moest naar de moeder, had hij op dit gebied de drempel voor de zoon zo laag mogelijk moeten maken. Toen de zoon in Nederland verbleef kon hij, gelet op zijn gedrag, slechts halve dagen naar school en later ging hij helemaal niet meer naar school. Sinds de zoon bij de vader in [het land] verblijft, gaat hij hele dagen naar school. De zoon is kalmer en minder angstig geworden. De jeugdprofessional heeft er onvoldoende bij stil gestaan dat sinds de zoon bij de vader in [het land] verblijft, het veel beter met hem gaat en hij zich veel beter ontwikkelt. Er is op geen enkel moment gekeken of op basis hiervan de uitgezette lijn moet worden bijgesteld.

De vader heeft gevraagd om een gesprek met de jeugdprofessional om toe te lichten waarom hij en de zoon zich zo onveilig voelden en hun visie kenbaar te maken. De jeugdprofessional heeft dit gesprek geweigerd.

5.14.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Omdat de vader op 12 december 2019 de zoon niet naar de moeder heeft teruggebracht, is de jeugdprofessional op dezelfde dag naar [het land] gegaan en heeft daar met de zoon gesproken. Vanaf 16 december 2019 is veelvuldig contact geweest met zowel de Nederlandse als de [buitenlandse] politie, omdat duidelijk was dat de vader niet zou instemmen met de terugkeer van de zoon naar de moeder. Op 17 december 2019 is de jeugdprofessional (opnieuw) met twee collega’s op huisbezoek geweest bij de vader in [het land]. Vanwege alle gebeurtenissen en het wegloopgedrag van de zoon had de GI besloten dat het noodzakelijk was om de zoon zelf te spreken. De jeugdprofessional betwist dat sprake is geweest van intimidatie, en herkent zich ook niet in dit verwijt. Op 20 december 2019 heeft de [buitenlandse] politie telefonisch laten weten dat de zoon in afwachting van een beroep in de asielprocedure beschermd is, en zij niet zullen assisteren bij een terugkeer van de zoon naar Nederland, oftewel dat hij niet mag worden overgebracht naar Nederland. Op 14 januari 2020 heeft een advocaat, die de [buitenlandse] voogd had aangesteld, kenbaar gemaakt dat de [buitenlandse] autoriteiten niet kunnen meewerken aan het overdragen van de zoon aan de GI zolang de asielprocedure nog loopt. Op grond van deze boodschap besluit de jeugdprofessional niet opnieuw naar [het land] af te reizen. Tevens is op deze dag een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd als gevolg van de aangifte van de GI. Ook heeft de advocaat van de vader een psychologisch rapport over de zoon ingediend, afkomstig van een [buitenlandse] psychologenpraktijk. De vader stelt dat het met de zoon beter ging sinds hij in [het land] verbleef. In het onderzoek staat het volgende opgenomen: “Hij heeft het goed naar zijn zin in [het land] en de berichten van de school wijzen ook in die richting”. De onderzoeker heeft niet aangegeven van wie deze informatie afkomstig is. De informatie lijkt dan ook geen eigen vaststelling, maar gebaseerd op informatie van de vader. Op 27 januari 2020 heeft de jeugdprofessional bericht ontvangen dat de vader is aangehouden en is hij afgereisd naar [het land] om de zoon op te halen. Bij aankomst bleek de vader alweer vrij te zijn. De ontmoeting tussen de vader en de jeugdprofessional is onprettig verlopen. De jeugdprofessional concludeerde dat geen overeenstemming kon worden bereikt over de terugkeer van de zoon naar de moeder en heeft daarop afscheid genomen. Op 14 februari 2020 heeft een oppas de zoon naar het kantoor van de GI gebracht.

Voor wat betreft het niet faciliteren van een bel- of Whatsappafspraak tussen de moeder en de zoon voert de jeugdprofessional het volgende aan. Zoals eerder aangevoerd, was er geen basis om een belcontact te starten. Ook heeft de jeugdprofessional in de dagen na 12 december 2019 diverse keren geprobeerd om telefonisch en via Whatsapp met de vader in contact te komen, maar de vader was niet bereikbaar. De jeugdprofessional is te allen tijde bereid geweest om met de vader gesprekken over de zoon aan te gaan. De vader heeft zelf herhaaldelijk geweigerd om met de jeugdprofessional in gesprek te gaan over de terugkeer van de zoon naar de moeder. Het valt de jeugdprofessional daarom ook niet te verwijten dat er geen gesprek is geweest waarom de vader en de zoon zich dermate onveilig voelden dat de zoon asiel in [het land] heeft aangevraagd.

5.14.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

De zoon is op 4 december 2019 in [het land] toegelaten tot de asielprocedure. Hij had vanaf dat moment recht op bescherming vanuit [het land] en kreeg deze bescherming ook. Op grond van de internationale wet- en regelgeving mocht de jeugdprofessional de zoon derhalve niet ophalen. Dit is ook de reden dat de [buitenlandse] politie hen niet kon ondersteunen in de terugkeer van de zoon naar Nederland. Uit het verweerschrift blijkt niet, ondanks de reflectie, dat de jeugdprofessional tot de conclusie is gekomen dat hij fout zat.

5.14.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

De vader stelt dat het een feit is dat de zoon op 4 december 2019 asiel heeft aangevraagd in [het land]. Dit feit was op die datum niet bij de jeugdprofessional bekend. In de officiële stukken van de [buitenlandse] autoriteiten (beslissing op de asielaanvraag) staat 6 december 2019 als datum van aanvraag genoemd. Dit is ook de datum waarop de rechtbank het gezag van de ouders heeft beëindigd. De vader heeft zelf nagelaten de jeugdprofessional een kopie van de aanvraag te overhandigen. De jeugdprofessional heeft via de school van de zoon een moeilijk leesbaar document ontvangen waaruit bleek dat een asielaanvraag was gedaan, maar hierin was de datum van aanvraag niet goed. Ook in de onderhavige tuchtprocedure heeft de vader geen document overgelegd waaruit blijkt dat de zoon op 4 december 2019 asiel heeft aangevraagd in [het land]. De jeugdprofessional is als jeugdbeschermer die namens de GI de tijdelijke voogdij uitoefende, naar [het land] afgereisd met de bedoeling om de zoon op te halen. Hij heeft de intentie gehad om gesprekken te voeren en op die manier de vader en de zoon te bewegen om de zoon te laten terugkeren naar Nederland. Omdat duidelijk werd dat de gesprekken geen resultaat hadden, is de jeugdprofessional zonder de zoon teruggekeerd naar Nederland. De zoon is niet onder dwang teruggebracht naar Nederland.

De jeugdprofessional kan zich niet vinden in de stelling dat hij niet gereflecteerd heeft op zijn handelen. Dit is tijdens het hulpverleningsproces en zeker ook tijdens het schrijven van het verweer gebeurd. Het is duidelijk dat de vader een andere overtuiging heeft. De jeugdprofessional vindt het jammer dat de vader de reflectie niet (h)erkent.

5.14.5 Het College overweegt als volgt:

De vader heeft nagelaten om klachtonderdeel 26 nader te onderbouwen. Het College kan niet toetsen welke instructies zouden zijn genegeerd, dan wel of de jeugdprofessional zich intimiderend heeft opgesteld. De feiten en gronden voor dit klachtonderdeel ontbreken. Het College oordeelt dat de vader niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.

Ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional geen bel- of Whatsappafspraak heeft gemaakt tussen de moeder en de zoon toen hij bij de vader in [het land] verbleef, overweegt het College als volgt. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College in zijn verweerschrift voldoende aangegeven dat er geen basis was voor het starten van belcontact. Het valt de jeugdprofessional daarom niet tuchtrechtelijk te verwijten dat er geen bel- of whatsappafspraak is gecreëerd. Bovendien stond het de vader en/of de zoon vrij om zelf contact met de moeder te zoeken.
De stelling van de vader dat de jeugdprofessional onvoldoende heeft stilgestaan dat gedurende het verblijf in [het land] het beter ging met de zoon, is niet als tuchtrechtelijk verwijt geformuleerd, noch onderbouwd en kan daarom niet door het College worden getoetst. Tot slot stelt het College vast dat partijen elkaar tegenspreken voor wat betreft het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional

heeft nagelaten om het gesprek aan te gaan waarom de vader en de zoon zich zo onveilig voelden dat de zoon asiel heeft aangevraagd in [het land]. De jeugdprofessional geeft in zijn verweerschrift aan dat hij meermaals heeft geprobeerd om met de vader in contact te komen en te allen tijde bereid is geweest om met de vader gesprekken over de zoon aan te gaan. Aan het woord van de een kan niet meer geloof worden gehecht dan aan het woord van de ander. Het is vaste jurisprudentie dat het verwijt van de vader niet gegrond kan worden bevonden, nu het College niet de feiten kan vaststellen die hieraan ten grondslag liggen.

5.14.6 Het College is van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in de klachtonderdelen 26 en 34 en dat de klachtonderdelen 27 en 41 ongegrond zijn.

5.15 Klachtonderdeel 31

5.15.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft geen onderscheid gemaakt tussen feiten en meningen en onvoldoende navraag gedaan.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft in diverse e-mailberichten signalen vanuit de moeder voor feiten aangenomen. De jeugdprofessional heeft nagelaten aan de vader te vragen of de signalen kloppen. In plaats daarvan is de vader hier direct op aangesproken.

5.15.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional geeft aan wat deze zaak met hem heeft gedaan. De complexiteit van de casus heeft tot gevolg dat de jeugdprofessional voortdurend het gevoel heeft in een spagaat te zitten. Op veel momenten was het moeilijk te bepalen wat het beste was voor de kinderen. Doordat de ouders beiden zo overtuigd zijn dat zij het goede voor hebben met hun kinderen en dat de andere ouder het kind beschadigt, lijkt het erop dat de ouders enkel kunnen handelen vanuit hun eigen visie en overtuiging. Hierdoor zijn de ouders onberekenbaar in de samenwerking. Voor de jeugdprofessional is het onmogelijk te achterhalen wat de waarheid was of is. Bovendien is het niet (meer) mogelijk om met de vader te reflecteren op zijn eigen handelen. Voorts is het gecompliceerd dat beide ouders een netwerk hebben dat aan ‘hun kant’ staat. Het netwerk wordt ook meegezogen in de strijd. Voordat de jeugdprofessional van start ging, zijn verschillende andere jeugdbeschermers betrokken geweest. De ouders hadden een duidelijke visie welke jeugdbeschermer in hun ogen goed was en welke niet. Een gevolg van deze hevige strijd is, zoals gezegd dat elk van de ouders ervan overtuigd is dat een hulpverlener of vóór of tegen hen is. Dit leidt er automatisch toe dat elk van de ouders denkt dat de hulpverlener partijdig is wanneer een beslissing wordt genomen die de andere ouder niet past. Een meer objectieve beoordeling is niet meer mogelijk. Het klaagschrift van de vader geeft hier duidelijk blijk van.

5.15.3 Het College overweegt als volgt:

De vader verwijst ter onderbouwing van dit klachtonderdeel naar een brief die hij aan de jeugdprofessional heeft geschreven, waarin hij reageert op een e-mailbericht van de jeugdprofessional aan de vader. In deze brief geeft de vader aan wat volgens hem feitelijk onjuist is aan hetgeen de jeugdprofessional heeft gesteld in het e-mailbericht. Wat echter volgens de vader feitelijk onjuist is, wordt niet gespecificeerd en niet nader onderbouwd. Hierdoor zijn de feiten en gronden die aan dit klachtonderdeel ten grondslag liggen onvoldoende duidelijk en concreet.

5.15.4 Het College is van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.

5.16 Klachtonderdeel 32

5.16.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de vader niet de verslagen te overhandigen van de overleggen, waarin besluiten zijn genomen.

Toelichting:

De jeugdprofessional zegt dat de besluiten genomen worden in overleg met het team. De vader heeft meerdere keren gevraagd naar een verslag van deze gesprekken. Als vader heeft hij recht op dat deel van het dossier, zeker in de periode dat hij nog gezag had. Maar ook als niet gezaghebbende ouder heeft hij recht op informatie.

5.16.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De vader heeft op 7 december 2019 een verzoek om inzage in zijn dossier gedaan. De ontvangst van dit verzoek is op 12 december 2019 per brief aan de vader bevestigd. Op 6 januari 2020 heeft de GI de vader eveneens per brief geïnformeerd dat – gezien de omvang van het dossier – de termijn van verstrekking van het dossier wordt verlengd. Op 6 februari 2020 heeft de vader de gevraagde stukken ontvangen. Dat de vader zegt dat hij geen stukken heeft ontvangen, begrijpt de jeugdprofessional dan ook niet. In dit klachtonderdeel heeft de vader niet duidelijk gemaakt welke dossierstukken hij niet zou hebben ontvangen, dan wel mist.

5.16.3 Het College overweegt als volgt:

De jeugdprofessional heeft betwist dat de vader geen inzage in zijn dossier heeft gekregen. Hij heeft onweersproken verklaard dat de vader op 7 december 2019 een verzoek tot inzage in het dossier heeft gedaan, dat de vader tussentijds op 6 januari 2020 is geïnformeerd dat de termijn tot het verstrekken van inzage zal worden verlengd, en dat de vader de stukken op 6 februari 2020 heeft ontvangen. Dat de vader geen inzage heeft gekregen in de stukken die hij heeft opgevraagd, is het College dan ook niet gebleken en dat de stukken later zou worden overgelegd, is de vader schriftelijk medegedeeld. Omdat de vader in zijn conclusie van repliek het standpunt van de jeugdprofessional niet heeft betwist, staat voor het College voldoende vast dat aan zijn verzoek tot inzage in het dossier tegemoet is gekomen.

5.16.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.17 Klachtonderdeel 33 en 39

5.17.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de lijn van de vorige jeugdbeschermers niet over te nemen en ook door er niet voor te zorgen dat de eerdere toegezegde hulp, dan wel vervangende hulp werd gestart.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft binnen twee weken nadat de ondertoezichtstelling van de kinderen was overgedragen van de vorige GI naar de GI, de uitgezette lijn volledig veranderd. Dit is opmerkelijk, aangezien hij het dossier amper had doorgenomen en er toezeggingen waren gedaan om de lijn van de vorige GI over te nemen. Voorts heeft de vorige jeugdbeschermer hulpverlening toegezegd vanuit [de praktijk 1]. De jeugdprofessional heeft nagelaten ervoor te zorgen dat deze hulp, dan wel vervangende zorg van start ging. Deze hulp was gezien de situatie dringend nodig.

5.17.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De vorige GI heeft het gezin bij de praktijk van [de praktijk 1] aangemeld. Sindsdien heeft de jeugdprofessional contact onderhouden met [de praktijk 1]. In eerste instantie was niet duidelijk of de gemeente de inzet van [de praktijk 1] zou vergoeden. De aanmelding bij [de praktijk 1] was gericht op omgangsbegeleiding. Door de ontwikkelingen vanaf eind september 2019 tot heden was er geen basis om de begeleide omgang te starten. Inmiddels is [de praktijk 2] gestart en ook hun ondersteuning was gericht op de omgang. Daarnaast is de GGZ-instelling al lange tijd betrokken. Echter gezien de onrust en onduidelijkheid, konden ze de zoon op dat moment niet behandelen. De jeugdprofessional kan bij de ouders onvoldoende voor het voetlicht brengen dat de strijd die zij voeren in verschillende opzichten een grote belemmering is voor de hulpverlening. De voortdurende strijd van de ouders ondermijnt de effectiviteit van ondersteuning aan de kinderen. De kinderen blijven onverminderd klem zitten en komen niet toe aan verwerking van wat ze is overkomen. De uitzichtloosheid van deze situatie vraagt veel van de hulpverleners en daarnaast is het vrijwel zeker dat een hulpverlener onderdeel van de strijd wordt en zelf zal worden geconfronteerd met klachten en procedures. Het is in de praktijk dan ook moeilijk om nog jeugdbeschermers te vinden die willen helpen.

5.17.3 Het College overweegt als volgt:

De vader heeft geen feitelijke onderbouwing overgelegd waaruit blijkt dat de jeugdprofessional – al dan niet – de lijn van de vorige GI heeft overgenomen. Ook heeft de vader niet toegelicht wat de lijn van de vorige GI was. Het is het College dan ook niet duidelijk op welke lijn de vader doelt. Om de schijn van partijdigheid te voorkomen, heeft het College van Toezicht niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren en/of te destilleren uit een door de vader aangeleverde toelichting of uit klachten die onder een van de andere klachtonderdelen zijn opgenomen, zodat dit klachtonderdeel niet gegrond wordt bevonden.

Voorts heeft de vader de jeugdprofessional in klachtonderdeel 39 verweten dat hij geen zorg heeft gedragen voor het starten van de eerder toegezegde hulp, dan wel voor het starten van de vervangende hulp. Volgens de vader heeft de vorige GI hulpverlening toegezegd vanuit [de praktijk 1]. Het College oordeelt dat het op de weg van de vader ligt om een dergelijk verwijt met relevante stukken te onderbouwen. Dat heeft de vader nagelaten.

5.17.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 33 ongegrond is en dat de vader in klachtonderdeel 39 niet-ontvankelijk is.

5.18 Klachtonderdeel 40

5.18.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door valse aangifte tegen de vader te doen.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft bij de politie aangifte gedaan tegen onttrekking van het gezag en/of ontvoering. De jeugdprofessional wist dat de zoon asiel had aangevraagd in [het land]. De jeugdprofessional heeft de artikelen 9.1, 9.3, 18.1, 18.2 en 19.1 van het IVRK geschonden en hij is voornemens dit structureel te blijven doen. Hiermee schendt de jeugdprofessional op ernstige wijze de rechten van de zoon en beschadigt hij willens en wetens zijn welzijn. Daarnaast creëert de jeugdprofessional een zeer onveilige situatie voor de zoon met als gevolg dat hij niet kan herstellen van zijn trauma’s en zich niet goed kan ontwikkelen.

Asiel aanvragen is niet strafbaar. De aanvraag heeft plaatsgevonden toen de vader nog gezag had. Het feit dat de zoon de eerste twee rondes is doorgekomen, geeft aan dat [het land] van mening is dat de rechten van de zoon zijn aangetast en hij als gevolg daarvan beschadigd is geraakt. Bij de derde ronde is zijn asiel afgewezen. De zoon mag in hoger beroep ten aanzien van de asielprocedure en mag zijn asielprocedure ook in [het land] afwachten. Zelfs toen de jeugdprofessional een beroep op […] deed, heeft [lid van de rechterlijke macht] aangegeven dat de zoon niet gedwongen mag worden meegegeven aan de jeugdprofessional. De jeugdprofessional had moeten weten dat er geen sprake is van onttrekken aan het gezag, maar dat het gaat om een serieuze asielaanvraag van een jongetje van tien jaar. De jeugdprofessional heeft dan ook valse aangifte gedaan.

5.18.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional is van mening dat hij geen valse aangifte tegen de vader heeft gedaan. Hij voert hiertoe allereerst aan dat het besluit tot het doen van aangifte is gecommuniceerd met de ouders in het e-mailbericht van 12 december 2019. Daarnaast heeft de jeugdprofessional de keuze van de vader om asiel voor de zoon aan te vragen intern besproken. Voorts heeft de vader in strijd gehandeld met de beschikking van de rechtbank van 6 december 2019, waardoor hij het voor de jeugdprofessional onmogelijk heeft gemaakt om het gezag uit te oefenen. Bovendien laat de vader buiten beschouwing dat voorafgaand aan de asielaanvraag de kinderrechter in Nederland een kinderbeschermingsmaatregel heeft uitgesproken. Tot slot voert de jeugdprofessional aan dat hij zich bij elke nieuwe ontwikkeling heeft beraad op wat het meest in het belang van de zoon was.

5.18.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

Het is feitelijk aantoonbaar dat de zoon sinds 4 december 2019 was toegelaten tot de asielprocedure. De vader had in die tijd nog gezag. Een kind mag zodra het is toegelaten tot een dergelijke procedure niet gedwongen worden teruggebracht naar het land waaruit het kind is gevlucht. Dit heeft de [buitenlandse] voogd ook bevestigd aan de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft aan de vader iets gevraagd wat strafbaar is. Hij heeft daardoor aantoonbaar een valse aangifte gedaan. Ook heeft de jeugdprofessional naar de recherche en justitie verzwegen dat hij degene was die zich oorspronkelijk niet heeft gehouden aan de beschikking van de omgang en de moeder adviseerde zich hier niet aan te houden. De jeugdprofessional heeft hiermee strafrechtelijk gehandeld en zowel de zoon als de vader tot grote wanhoop gedreven. Justitie vond het zeer belangrijk dat de vader aangifte deed. Dit is tijdens het verhoor van de vader bij de recherche uitgebreid aan de orde gekomen.

5.18.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

De jeugdprofessional maakt bezwaar tegen het feit dat de vader suggereert dat een strafrechtelijke veroordeling van de jeugdprofessional vaststaat. De jeugdprofessional is niet veroordeeld en het staat geenszins vast dat dit gaat gebeuren enkel omdat de vader dit wenst. De vader stelt dat het een feit is dat de zoon op 4 december 2019 asiel heeft aangevraagd in [het land]. Dit feit was op 4 december 2019 niet bij de jeugdprofessional bekend. In de officiële stukken van de [buitenlandse] autoriteiten (beslissing op de asielaanvraag) staat 6 december 2019 als datum van aanvraag genoemd. Dit is ook de datum waarop de rechtbank het gezag van de ouders beëindigde. De vader heeft zelf nagelaten de jeugdprofessional een kopie van de aanvraag te overhandigen. De jeugdprofessional heeft via de school van de zoon een moeilijk leesbaar document ontvangen waaruit bleek dat een asielaanvraag was gedaan, maar hierin was de datum van aanvraag niet goed. Ook in de onderhavige tuchtprocedure heeft de vader geen document overgelegd waaruit blijkt dat de zoon op 4 december 2019 asiel heeft aangevraagd in [het land]. De jeugdprofessional is als jeugdbeschermer, die namens de GI de tijdelijke voogdij uitoefende, naar [het land] afgereisd met de bedoeling om de zoon op te halen. Hij heeft de intentie gehad om gesprekken te voeren en op die manier de vader en de zoon te bewegen om de zoon te laten terugkeren naar Nederland. Omdat duidelijk werd dat de gesprekken geen resultaat hadden, is de jeugdprofessional zonder de zoon teruggekeerd naar Nederland. De zoon is niet onder dwang teruggebracht naar Nederland.

5.18.5 Het College overweegt als volgt:

Het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om te oordelen of er sprake is van het doen van een valse aangifte. Daarom is de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

5.18.6 Het College is van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.

5.19 Klachtonderdeel 43

5.19.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft niet puntsgewijs en tijdig antwoord gegeven op de vragen van de vader.

Toelichting:

In oktober 2019 heeft de vader de jeugdprofessional veertien vragen gesteld. Bij herhaling heeft de vader gevraagd om antwoord op deze vragen. Tot op heden is dat onvolledig gebeurd.

5.19.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional gaat ervan uit dat de vader doelt op zijn e-mailbericht van 11 oktober 2019 (14.46 uur) met daarin dertien vragen, en op het e-mailbericht van dezelfde dag (23.06 uur) met een veertiende vraag. Op 15 oktober 2019 heeft de vader daar een reactie op ontvangen. In dat
e-mailbericht wordt aangegeven dat het niet mogelijk is om dagelijks te reageren op de vragen en wordt er verwezen naar de afspraak dat de vader één keer per week een reactie krijgt op de
e-mailberichten van de week daarvoor. De jeugdprofessional schrijft dat hij zal proberen de vragen van de vader rondom de beslissing van de GI de contactmomenten tijdelijk weer begeleid te laten plaatsvinden, zo goed mogelijk te beantwoorden. Op 22 oktober 2019 heeft de jeugdprofessional de vader nog een e-mailbericht gestuurd naar aanleiding van zijn vragen. Op 31 oktober 2019 heeft de vader een e-mailbericht ontvangen met een uitnodiging voor een bemiddelingsgesprek met de jeugdprofessional, de clustermanager en de gedragsdeskundige. Omdat de vader van mening bleef dat hij onvoldoende antwoord had ontvangen op zijn vragen heeft de vader op 4 december 2019 opnieuw een e-mailbericht ontvangen met daarin – op zijn verzoek – puntsgewijs antwoord op zijn vragen.

5.19.3 Het College overweegt als volgt:

Dat de vader bij de jeugdprofessional – bij herhaling – heeft gevraagd om antwoord op zijn vragen, heeft hij niet aangetoond. Ter onderbouwing van de klacht heeft de vader één e-mailbericht van 25 oktober 2019 overgelegd, waarin hij de jeugdprofessional eraan herinnert dat hij op 11 oktober 2019 veertien vragen heeft gesteld en verzoekt deze alsnog punt voor punt te beantwoorden. Het College volgt de jeugdprofessional in zijn verweer, waarin hij aantoont dat hij steeds op verschillende manieren met de vader in gesprek is geweest, en hem ook zoveel mogelijk in zijn vragen tegemoet is gekomen. Met de rechtbank, zoals blijkt uit de beschikking van 6 december 2019, is het College van oordeel dat dit gezin buitensporig veel tijd en aandacht heeft gevraagd van de jeugdprofessional. In het verweer heeft de jeugdprofessional verklaard soms meer dan 25 uur per week aan het gezin besteed te hebben. Het College vindt meerdere (telefoon)gesprekken, e-mailberichten en brieven terug in het dossier, en kan volgen dat de jeugdprofessional niet altijd in staat is geweest om direct en puntsgewijs antwoord te geven op de vele vragen van de vader. Het College is dan ook van oordeel dat de jeugdprofessional hier geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.19.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.20 Conclusie 

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 2 gedeeltelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft nagelaten de in de beschikking van 18 juli 2019 vastgestelde belcontacten tussen de vader en de kinderen vorm te geven. De jeugdprofessional heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode. Het College ziet echter af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zich in de periode dat hij betrokken was bovenmatig ingespannen om zowel de vader, de moeder als de kinderen tegemoet te komen. De jeugdprofessional heeft de belangen van de kinderen terecht op alle momenten vooropgezet. Daarbij heeft de jeugdprofessional gewerkt in zeer een complexe situatie, waarin sprake is geweest van een moeizame samenwerking. Met deze omstandigheden houdt het College rekening.

6     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 2 deels gegrond;
  • verklaart de vader niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 15, 25, 26, 31, 34, 39, 40, 46 en 47;
  • verklaart de klachtonderdelen 1, 3, 4, 6, 7, 9, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 19, 20, 22, 27, 28, 29, 30, 32, 33, 41, 43 en 48 ongegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College op 5 oktober 2020 en op 11 november 2020 opnieuw aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris