Maak een selectie

457 van 457

   

Het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de jeugdprofessional diplomafraude heeft gepleegd, waardoor de registratie bij SKJ niet legitiem is.

19.437Ta Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 3 augustus 2020

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[De leidinggevende], klager, hierna te noemen: de leidinggevende, werkzaam bij [de instelling].

op 29 oktober 2019 namens de jeugdzorginstelling ingediende klaagschrift tegen:

[De jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, voorheen werkzaam als pedagogisch medewerker bij [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift, ontvangen op 29 oktober 2019;
  • het verweerschrift, ontvangen op 15 december 2019;
  • de aanvullingen op het klaagschrift, ontvangen op 11 en 15 mei 2020;
  • de reactie van de jeugdprofessional op voornoemde aanvullingen, ontvangen op 10 juni 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (versie 6 april 2020), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Met het oog op de bewijsvoering bleek het College van Toezicht behoefte te hebben aan meer informatie dan in het dossier aanwezig was. Op basis van artikel 14.3 van het Tuchtreglement (versie 1.3) van SKJ heeft de voorzitter van het College van Toezicht de klager op 30 april 2020 verzocht nadere stukken in het geding te brengen. Op 11 en 15 mei 2020 heeft de klager hier gevolg aan gegeven en deze stukken ingediend. Op 3 juni 2020 heeft het College van Toezicht de jeugdprofessional in de gelegenheid gesteld op deze nadere stukken te reageren. De reactie van de jeugdprofessional is op 10 juni 2020 door SKJ ontvangen.

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 22 juni 2020. De beslissing is op 3 augustus 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Het College gaat uit van de volgende feiten:

2.1 De jeugdprofessional is op 14 december 2016 in dienst getreden van de jeugdzorginstelling. Vanaf december 2018 is hij werkzaam als pedagogisch medewerker op een intensieve behandelafdeling.

2.2 Begin augustus 2019 heeft de jeugdprofessional intern gesolliciteerd op [functie]. De jeugdprofessional heeft hiervoor een curriculum vitae (verder: cv) aangeleverd. Dit cv bleek af te wijken van het cv dat al in het personeelsdossier zat. Daardoor is er intern onduidelijkheid ontstaan over de accreditatie van het door de jeugdprofessional behaalde diploma Sociaal Pedagogische Hulpverlening (verder: SPH) en zijn opleidingsverleden. Op 6 augustus 2019 heeft de HR-adviseur ad interim (verder: HR-adviseur) de leidinggevende hierover geïnformeerd.

2.3 Op 9 augustus 2019 is de jeugdprofessional uitgenodigd voor een arbeidsvoorwaardengesprek en is hem ook verzocht zijn diploma mee te brengen. Tijdens dat gesprek, dat plaatsvond op 13 augustus 2019, had de jeugdprofessional zijn diploma niet bij zich.

2.4 Op 15 augustus 2019 is de jeugdprofessional nogmaals schriftelijk verzocht zijn diploma aan de jeugdzorginstelling te verstrekken.

2.5 Op 16 augustus 2019 heeft de HR-adviseur de leidinggevende geïnformeerd dat de jeugdprofessional zijn diploma niet wenst af te geven en dat hij tevens toestemming weigert voor een zogenaamde diplomacheck.

2.6 Op 20 augustus 2019 is de jeugdprofessional in een e-mailbericht uitgenodigd uitleg te komen geven waarom hij weigert zijn diploma af te geven.

2.7 Op 3 september 2019 heeft het gesprek plaatsgevonden tussen de clusterleider, de HR-adviseur en de jeugdprofessional. Afgesproken is dat de jeugdprofessional een uittreksel van zijn diploma (in Pdf-formaat) van de Dienst Uitvoering Onderwijs (verder: DUO) zal aanleveren.

2.8 Na het gesprek op 3 september 2019 heeft de jeugdprofessional de clusterleider van de jeugdzorginstelling geïnformeerd zich terug te trekken uit de sollicitatieprocedure.

2.9 Op 16 september 2019 heeft de interim-manager van de jeugdzorginstelling een brief geschreven aan de jeugdprofessional met het dringende verzoek het uittreksel van het SPH-diploma uiterlijk 18 september 2019 voor 17.00 uur per e-mail toe te sturen. De jeugdprofessional is medegedeeld dat het arbeidsrechtelijke consequenties zal hebben wanneer hij dit niet aanlevert.

2.10 Op 19 september 2019 heeft de jeugdprofessional via de e-mail zijn ontslag ingediend. Op diezelfde datum heeft [de onderwijsinstelling] bevestigd, dat het diploma niet van hen is.

2.11 Op 23 september 2019 zou een gesprek plaatvinden tussen de jeugdprofessional en de jeugdzorginstelling over de gang van zaken. De jeugdprofessional is niet verschenen.

2.13 Op 24 september 2019 heeft de regiodirecteur van de jeugdzorginstelling de jeugdprofessional schriftelijk geïnformeerd dat het dienstverband met onmiddellijke ingang wordt beëindigd. In de brief staat – onder meer – het volgende: “Wij constateren dat in uw personeelsdossier een kopie van een vervalst diploma is opgenomen. Deze kopie heeft u bij indiensttreding aan ons verstrekt. Bij uw sollicitatie naar [ functie] (juli 2019) heeft u een curriculum vitae overgelegd waarin u de opleiding van Sociaal Pedagogisch Hulpverlener noemt, waarbij u aangeeft dat u in 2015 het diploma heeft behaald. Ook voor uw huidige functie van (Pedagogisch Medewerker A) is vereist dat u beschikt over een afgeronde relevante hbo-opleiding. Dit alles tezamen maakt dat wij niet anders kunnen concluderen dan dat u onjuiste informatie heeft verschaft over het beschikken over de juiste kwalificaties voor de functie die u nu beoefent. De opleiding is niet door u gevolgd en u heeft daar geen diploma voor behaald. Op basis van uw curriculum vitae en gezien ook het vervalste diploma kunnen wij niet anders concluderen dan dat u documenten heeft gemanipuleerd en valsheid in geschrifte heeft gepleegd.”

2.14 Op 27 september 2019 heeft de HR-adviseur namens de jeugdzorginstelling een melding gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

2.15 Op 3 oktober 2019 heeft de leidinggevende namens de jeugdzorginstelling aangifte gedaan tegen de jeugdprofessional van valsheid in geschrifte en oplichting. In de aangifte staat: “Doordat de verdachte een valselijk opgemaakt diploma heeft aangeleverd, is er nadeel ontstaan voor de jeugdzorginstelling.”

2.16 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2019 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4          De klacht, het verweer en de beoordeling

Zowel de klacht, het verweer als de nadere reactie worden zakelijk weergegeven, en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 De Klacht

4.1.1 De jeugdzorginstelling verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft diplomafraude gepleegd.

Toelichting:

Bij de interne sollicitatie naar [functie] in juli 2019 heeft de jeugdprofessional een cv overgelegd, waarin hij benoemt zijn SPH-diploma in 2015 te hebben behaald. Op 19 september 2019 heeft [de onderwijsinstelling] bevestigd dat het SPH-diploma niet van hen afkomstig is. Op het diploma staat vermeld dat het behaald is op 11 maart 2015. Echter, het logo van [de onderwijsinstelling], dat op het diploma van de jeugdprofessional staat, wordt niet meer gebruikt sinds 2010. De persoon die het diploma namens de examencommissie heeft ondertekend, is sinds 2014 niet meer werkzaam bij [de onderwijsinstelling]. Ook is volgens [de onderwijsinstelling] de naam van deze persoon fout gespeld en ontbreken er punten en komma’s op het diploma. De jeugdprofessional blijkt bovendien niet bekend te zijn bij [de onderwijsinstelling]; hij heeft daar volgens de onderwijsinstelling geen opleiding genoten. In het dossier van de jeugdprofessional zit daarom een kopie van een vervalst diploma.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Toen de jeugdprofessional in 2016 in dienst trad van de jeugdzorginstelling heeft hij een verkeerd cv met handgeschreven notities in een portaal geüpload. Dat kon hij daarna niet meer wijzigen of verwijderen. Hij heeft van de toenmalige HR-adviseur geen terugkoppeling gekregen dat er iets niet klopte. De jeugdprofessional is op dat moment niet gevraagd om een uittreksel van zijn diploma via DUO aan te leveren.

De jeugdprofessional kan zich tegen het eenzijdige verhaal van de jeugdzorginstelling niet verdedigen, omdat alle bestanden en e-mailwisselingen na zijn ontslag zijn geblokkeerd. Wel heeft hij indertijd van een medewerker van de jeugdzorginstelling begrepen dat er een diplomacheck gedaan zou worden voor niet functionerende medewerkers. Hiertoe beschouwde hij zichzelf niet.

De jeugdprofessional heeft het gesprek op 3 september 2019 met de HR-adviseur als onprettig ervaren. De ingediende klacht heeft niets te maken met zijn professionele handelen. De leidinggevende was juist zeer te spreken over zijn functioneren.

De jeugdprofessional heeft zelf besloten zich terug te trekken uit de sollicitatieprocedure. Hij heeft een aantal diensten meegelopen met een [collega] en meerdere groepen bezocht. Hier was duidelijk te zien dat nog steeds gehandeld werd vanuit macht en/of repressie. Dat is niet zijn manier van werken. De jeugdprofessional heeft later via de e-mail zijn ontslag ingediend. Hij was van plan om de twee maanden opzegtermijn in acht te nemen. Echter, de druk die de HR-adviseur uitoefende, deed de emmer overlopen en daardoor heeft de jeugdprofessional geweigerd verder mee te werken. Vijf dagen later kreeg hij via de e-mail te horen dat hij op staande voet ontslagen was. Dit was volgens de jeugdprofessional gebaseerd op een summier onderzoek waarvoor hij geen toestemming heeft gegeven.

De jeugdprofessional heeft in zijn verweerschrift een e-mailbericht uit 2017 opgenomen, gericht aan het management. Daarin heeft hij zijn ongenoegen geuit over de gang van zaken op managementniveau. Functioneringsgesprekken worden niet gehouden, het personeelsdossier wordt niet of nauwelijks bijgehouden en er wordt met twee maten gemeten. Ter ondersteuning van zijn onvrede heeft de jeugdprofessional in zijn verweerschrift ook diverse negatieve nieuwsberichten over de jeugdzorginstelling opgenomen.

De jeugdprofessional voert tot slot aan dat hij ruim 20 jaar werkzaam is in het jeugddomein en dat hij niet de enige is die in deze vervelende situatie terecht is gekomen. Er is zelfs sprake geweest de klachten te bundelen maar daar wil de jeugdprofessional geen energie meer in steken.

4.1.3 De jeugdprofessional heeft in zijn reactie op de nadere bewijsstukken, ingediend door de jeugdzorginstelling, het volgende aangevoerd:

De HR-adviseur met een missie heeft bewijslast vergaard door middel van knip en plakwerk en het aanschrijven van een onderwijsinstantie waar de jeugdprofessional nooit onderwijs heeft gevolgd. Op basis van het cv van 16 oktober 2016 is de jeugdprofessional indertijd aangenomen. De HR-adviseur heeft toen gezegd: “Met jouw ervaring qua onderwijs kan je veel voor ons betekenen.” De vraag naar goed en bekwaam personeel was destijds al een groot probleem voor de jeugdzorginstelling. De formatie werd vooral ingevuld met uitzendkrachten en zelfstandigen. De nadere bewijsstukken van de jeugdzorginstelling geven een reëel beeld dat er de afgelopen jaren zeer amateuristisch met bekwaam personeel is omgegaan. De jeugdzorginstelling is slecht in het nieuws gekomen, er zijn niet de juiste intensieve behandelingen aangeboden, verantwoordelijken waren niet of nauwelijks beschikbaar, en er werden geen beleidsmatige veranderingen geïmplementeerd.

Wat de jeugdprofessional destijds juist enorm aantrok, was het verbeteren van het behandeltraject, het creëren van eenduidig handelen, een verbinding maken tussen school en de leefgroep(en), de continuïteit en veiligheid voor de jongeren waarborgen, het introduceren van de-escalerend werken en repressief handelen en/of een repressief klimaat minimaliseren.

Voor nu wil de jeugdprofessional de afgelopen periode zo snel mogelijk afsluiten. Hij schaamt zich diep dat hij voor de jeugdzorginstelling heeft gewerkt. De jeugdprofessional heeft daarom zelf de beslissing genomen om ontslag in te dienen.

De jeugdprofessional heeft zich te allen tijde voor de volle 100% ingezet voor de jeugdigen en de jeugdzorginstelling. De leidinggevenden waren lovend, dan wel tevreden over zijn functioneren. Zijn ziekteverzuim was nihil, gezien het plezier dat de jeugdprofessional in zijn werk had. Aan zijn bekwaamheid is nooit getwijfeld. Dit leest de jeugdprofessional nergens terug.

4.1.4 Het College overweegt als volgt:

Op grond van de stukken acht het College de klacht niet, dan wel onvoldoende, weersproken door de jeugdprofessional. Het College stelt daarom vast dat de jeugdprofessional op basis van een vals diploma heeft gewerkt, oftewel diplomafraude heeft gepleegd. Het lijdt geen twijfel dat het werken binnen de jeugdhulp op basis van een vals diploma onder alle omstandigheden in strijd is met de belangen van jeugdige cliënten. Dat het hier gaat om aan de zorg van de jeugdprofessional toevertrouwde jongeren met complexe (gedrags)problemen maakt het zo mogelijk nog kwalijker.

Het College overweegt dat een algemeen geldende norm in het jeugddomein is, dat een jeugdprofessional door het naleven van de beroepsnormen en door daar persoonlijk verantwoording voor af te leggen, het vertrouwen in de jeugdhulp bevordert. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional deze norm, opgenomen in artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessionals (hierna te noemen: de Beroepscode) geschonden. Een andere norm in de Beroepscode is dat de jeugdprofessional zijn beroep deskundig uitvoert op basis van actuele kennis en in nauwe aansluiting op de ontwikkelingen in de jeugdhulp (artikel B: Bevordering deskundigheid). Juist doordat de jeugdhulp sterk in ontwikkeling is, vraagt dit van de jeugdprofessional speciale aandacht om recente kennis, inzichten en maatschappelijke behoeften bij zijn deskundigheidsbevordering te betrekken. Nu de jeugdprofessional heeft gewerkt op basis van een vals diploma, is dit artikel eveneens geschonden. Datzelfde geldt voor artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode. Een jeugdprofessional dient zich er volgens de toelichting op dit artikel bewust van te zijn dat in de hulpverlening aan jeugdige cliënten maatschappelijke normen en waarden een grote rol spelen. Tot slot is naar het oordeel van het College artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) geschonden. In dit artikel staat dat de jeugdprofessional vanuit zijn eigen deskundigheid bijdraagt aan de ketenhulpverlening, dat hij daarbij de grenzen van zijn eigen expertise erkent, en bereid is zijn professionele oordelen ter discussie te stellen. De toelichting op het artikel vermeldt dat de inzet en erkenning van de eigen beroepsdeskundigheid van de jeugdprofessional essentieel is voor de kwaliteit van de jeugdhulp en jeugdbescherming en bijdraagt bij aan goede samenwerking in de hulp- en dienstverlening.

Het College overweegt voorts dat professionals die werken op hbo-niveau of hoger én werkzaamheden verrichten in het jeugddomein, die volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling om de inzet van een geregistreerd professional vragen, zich moeten registreren in het Kwaliteitsregister Jeugd. Dit vloeit voort uit artikel 5.1.1 (Paragraaf 5.1. ‘Geregistreerde professionals’) Besluit Jeugdwet. Voor registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd dient de jeugdprofessional echter aan bepaalde registratie-eisen te voldoen, waaronder aantonen dat hij een passende opleiding heeft genoten. Dit staat opgenomen in hoofdstuk 2 van bijlage I ‘Registratiecriteria voor de kamer Jeugd- en gezinsprofessionals, behorende bij het Registratiereglement Kwaliteitsregister Jeugd’. Nu de jeugdprofessional er geen blijk van heeft gegeven een passende opleiding te hebben genoten, doordat hij – ondanks diverse verzoeken van de jeugdzorginstelling – geweigerd heeft dit aan te tonen, is zijn registratie bij SKJ niet legitiem. Ook in de onderhavige tuchtprocedure heeft de jeugdprofessional geen enkel bewijs overgelegd. Hij heeft zijn diploma niet overhandigd, noch op andere wijze aangetoond dat er geen sprake is van een vals diploma. Gelet op de klacht had dit van de jeugdprofessional verwacht mocht worden. Het College oordeelt dan ook dat de jeugdprofessional met zijn handelen ver buiten de grenzen van een bekwame beroepsuitoefening is getreden.

De jeugdzorginstelling heeft op 19 september 2019 van [de onderwijsinstelling] per e-mail bevestigd gekregen dat er sprake is van een vals diploma. De jeugdzorginstelling heeft onbetwist gesteld dat [de onderwijsinstelling] heeft verklaard dat de jeugdprofessional daar geen opleiding heeft gevolgd. Op het diploma van de jeugdprofessional staat dat het is behaald op 11 maart 2015. Echter, het logo op het diploma van de jeugdprofessional wordt niet meer gebruikt sinds 2010. Ook is de persoon, die het diploma namens de examencommissie van [de onderwijsinstelling] heeft ondertekend, daar sinds 2014 niet meer werkzaam en is de naam fout gespeld. Verder ontbreken er op het diploma punten en komma’s. Het College is daarom van oordeel dat voldoende is aangetoond dat de jeugdprofessional zijn diploma heeft vervalst.

4.1.5 Het College verklaart de klacht gegrond.

4.2 Conclusie

4.2.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft gewerkt met jongeren met complexe (gedrags)problemen, terwijl hij niet beschikte over het juiste diploma. Het College concludeert dat er voldoende bewijzen zijn om aan te nemen dat de jeugdprofessional diplomafraude heeft gepleegd. Toen er bij de jeugdzorginstelling onduidelijkheid ontstond over het diploma, heeft de jeugdprofessional geen medewerking willen verlenen, geen openheid van zaken gegeven en op geen enkele wijze zijn best willen doen om hier helderheid in aan te brengen. Het College meent dat dit handelen ver buiten de grenzen van een bekwame beroepsuitoefening valt. Ook in de onderhavige tuchtprocedure heeft de jeugdprofessional onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij over het juiste diploma beschikt. Het handelen van de jeugdprofessional heeft mogelijk ernstig nadeel opgeleverd voor de aan hem toevertrouwende jongeren. Artikel B (Bevordering deskundigheid), artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) en artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode zijn geschonden. Tevens heeft de jeugdprofessional niet aan de registratie-eisen voldaan, zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van bijlage I Registratiecriteria voor de kamer Jeugd- en gezinsprofessionals behorende bij het Registratiereglement Kwaliteitsregister Jeugd. Doordat hij niet heeft aangetoond dat hij een passende opleiding heeft genoten, is zijn registratie bij SKJ daarom niet legitiem.

4.2.2 Naar het oordeel van het College zijn de gedragingen van de jeugdprofessional dusdanig ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaarder dat deze de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel rechtvaardigen. Dat is de maatregel van doorhaling. De handelswijze van de jeugdprofessional getuigt niet van professioneel handelen en ondermijnt het vertrouwen in de jeugdhulp, de beroepsuitoefening en/of het aanzien van het beroep. Daarbij weegt voor het College zwaar mee dat de jeugdprofessional zijn professionele verantwoordelijkheid niet heeft genomen. Hij heeft zich tegenover de jeugdzorginstelling niet verantwoord en zich niet leerbaar en toetsbaar opgesteld, noch heeft hij zich verantwoord in de onderhavige tuchtprocedure. Het College meent dat het vertrouwen in het zuiverend vermogen van de beroepsgroep aanmerkelijk wordt geschaad wanneer de registratie van de jeugdprofessional in stand blijft. Dat is vanuit het oogpunt van deugdelijke en betrouwbare jeugdhulp ook niet verantwoord. Bovendien is de registratie van de jeugdprofessional, nu hij geen passende opleiding heeft genoten, ook niet legitiem. Voorkomen dient te worden dat de jeugdprofessional bij een volgende jeugdzorginstelling gaat werken onder dezelfde voorwendselen en mogelijk opnieuw kwetsbare jongeren aan zijn zorg worden toevertrouwd.

4.2.3 Het College legt bovendien, bij wijze van voorlopige voorziening, schorsing van de registratie op. Deze voorziening wordt direct van kracht en door het bestuur van SKJ ten uitvoer gelegd. De registratie blijft geschorst totdat de beslissing tot doorhaling van de registratie onherroepelijk is geworden, dan wel in hoger beroep is vernietigd.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van doorhaling;
  • legt – bij wijze van voorlopige voorziening – schorsing van de registratie op.

Aldus gedaan door het College en op 3 augustus 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris