Maak een selectie

727 van 727

   

Het College van Toezicht beoordeelt de verjaring van de klacht en de ontvankelijkheid van de vader na een eerdere tussenbeslissing van het College van Toezicht.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[de vader], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 17 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als [jeugd- en gezinsprofessional] bij [de instelling]. De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd. Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T.S.A. Kloos.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

 De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers, werkzaam als jurist bij &jeugd.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift van de vader van 17 januari 2020;
  • het bezwaar van de vader van 5 februari 2020 over de vermeende verjaring van (een deel van) de klacht;
  • het verweer van de jeugdprofessional op het bezwaar van 3 maart 2020;
  • de tussenbeslissing van het College van Toezicht van 2 april 2020;
  • de beslissing van het College van Beroep met zaaknummer 20.011B van 3 september 2020;
  • het e-mailbericht van het College van Toezicht aan de gemachtigde van de vader van 13 oktober 2020;
  • het aangevulde klaagschrift ontvangen op 27 oktober 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 5 januari 2021;
  • de pleitnota die de gemachtigde van de vader voorafgaand aan de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft overgelegd.

1.2 De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021 in aanwezigheid van de gemachtigde van de vader, de jeugdprofessional en haar gemachtigde. De vader was verhinderd. Daarnaast was een toehoorder aanwezig in de hoedanigheid van collega van de gemachtigde van de jeugdprofessional.

1.3 Na afloop van de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De ontvankelijkheid

2.1 Het verloop van de procedure

2.1.1 Op 17 januari 2020 heeft de vader bij het College van Toezicht een klaagschrift ingediend dat bestaat uit drie klachtonderdelen over het handelen van de jeugdprofessional over de periode van 19 februari 2016 tot en met 9 september 2019.

2.1.2 Na ontvangst van het klaagschrift heeft de voorzitter van het College van Toezicht de klacht ambtshalve getoetst op verjaring. De vader is daarop in de gelegenheid gesteld een gemotiveerd verzoek in te dienen, waaruit blijkt dat hij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen (conform artikel 6.7 van het Tuchtreglement, versie 1.3). De vader heeft op 5 februari 2020 een bezwaar ingediend tegen de vermeende verjaring van (een deel van) de klacht. De jeugdprofessional heeft op 3 maart 2020 verweer ingediend op het bezwaar van de vader.

2.1.3 Bij tussenbeslissing van 2 april 2020 heeft de voorzitter van het College van Toezicht als volgt beslist op het bezwaar van de vader:

  • “wijst het verzoek van de vader af en handhaaft de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement;
  • oordeelt dat het klaagschrift tenminste aanpassing behoeft met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn;
  • verklaart tegen deze beslissing met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing;
  • houdt de zaak aan tot en met 30 april 2020 in afwachting van een eventuele beroepsprocedure.”

2.1.4 Op 29 april 2020 heeft de vader tijdig beroep aangetekend tegen de tussenbeslissing van 2 april 2020. Op 26 juni 2020 heeft de jeugdprofessional een verweerschrift ingediend.

2.1.5 Bij beslissing van 3 september 2020 heeft de voorzitter van het College van Beroep zich onbevoegd verklaard te oordelen over het beroep en de zaak terugverwezen naar het College van Toezicht.

2.1.6 Het College van Toezicht heeft vervolgens de procedure hervat. Bij e-mailbericht van 13 oktober 2020 is de vader in de gelegenheid gesteld om het klaagschrift aan te passen (conform artikel 7.7 van het Tuchtreglement). In dit e-mailbericht is tevens het volgende opgenomen: “Op 3 september 2020 heeft het College van Beroep een beslissing genomen in [deze zaak], zichzelf onbevoegd verklaard, en de zaak terugverwezen naar het College van Toezicht. De tussenbeslissing is derhalve onherroepelijk geworden, wat betekent dat klachtonderdeel 1 is verjaard en niet meer door het College van Toezicht in behandeling zal worden genomen.”

2.1.7 Op 27 oktober 2020 heeft de vader het klaagschrift aangevuld. Op 5 januari 2021 heeft de jeugdprofessional een verweerschrift ingediend. Hierna is een datum voor een digitale mondelinge behandeling van de klacht bepaald.

2.1.8 Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht op 17 mei 2021 is de ontvankelijkheid van de vader in klachtonderdeel 1 besproken. Volgens de vader heeft het College partijen ten onrechte bericht (bij e-mailbericht van 13 oktober 2020) dat bij tussenbeslissing van 2 april 2020 is beslist dat één of meer klachtonderdelen zijn verjaard. De jeugdprofessional stelt dat uit dat e-mailbericht volgt dat de beslissing over de niet-ontvankelijkheid van de vader in klachtonderdeel 1 onherroepelijk is geworden en dat het in strijd zou zijn met de goede procesorde daar op terug te komen, aangezien de jeugdprofessional ook geen verweer heeft gevoerd tegen klachtonderdeel 1.

2.2 De beoordeling

2.2.1 Het College is van oordeel dat de voorzitter van het College van Toezicht met haar beslissing van 2 april 2020 dat “niet kan worden afgeweken van de verjaringstermijn” geen bindende eindbeslissing heeft gegeven over de (gedeeltelijke) verjaring van de klacht en daarmee de ontvankelijkheid van de vader. Nu de voorzitter van het College van Beroep dat evenmin heeft gedaan (door zich onbevoegd te verklaren), ligt de beoordeling van de verjaring van de klacht en de ontvankelijkheid van de vader thans aan het College voor. Het College oordeelt hierover als volgt.

2.2.2 Artikel 6.5 van het toepasselijke Tuchtreglement luidt als volgt: “De mogelijkheid tot het indienen van een klacht vervalt door verjaring na drie jaar. De termijn van verjaring begint op de dag volgend op die waarop het desbetreffende handelen heeft plaatsgevonden, dan wel volgend op het moment waarop de belanghebbende van het handelen op de hoogte raakte.”

2.2.3 De vader verwijt de jeugdprofessional in klachtonderdeel 1 dat zij partijdig en nalatig is geweest. Genoemd handelen of nalaten heeft een voortdurend karakter. De verjaringstermijn bij een voortdurend handelen of nalaten begint in beginsel pas te lopen op de dag volgend op die waarop daaraan een einde komt, in deze zaak: bij het eindigen van de betrokkenheid van de jeugdprofessional bij de zaak. Het College is oordeel dat de betrokkenheid van de jeugdprofessional is geëindigd bij het uitkomen van de namens haar ondertekende rapportage in het kader van het […] onderzoek en -advies, gedateerd op 18 januari 2017. De dag volgend op die datum begint de verjaringstermijn, aldus op 19 januari 2017. Dit betekent dat de vader op grond van artikel 6.5 van het Tuchtreglement tot 19 januari 2020 de mogelijkheid had het verwijt geformuleerd in klachtonderdeel 1 in te dienen. Het klaagschrift van de vader is ingediend op 17 januari 2020, aldus binnen de termijn.

2.2.4 Het College is van oordeel dat de vader ontvankelijk is in alle onderdelen van zijn klacht.

2.2.5 Ter zitting van 17 mei 2021 was de behandeling van de klacht gesloten. Gelet op het bovenstaande is het College echter van oordeel dat de jeugdprofessional in de gelegenheid dient te worden gesteld een verweerschrift in te dienen voor klachtonderdeel 1. Het College zal dan ook de behandeling van de klacht heropenen.

3     De tussenbeslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende tussenbeslissing:

  • bepaalt dat de vader ontvankelijk is in alle onderdelen van zijn klacht;
  • heropent de behandeling van de klacht met zaaknummer 20.023Ta;
  • houdt de verdere behandeling van de klacht aan tot 9 augustus 2021 teneinde de jeugdprofessional in de gelegenheid te stellen een verweerschrift in te dienen voor klachtonderdeel 1;
  • bepaalt dat klachtonderdeel 1 hierna inhoudelijk zal worden behandeld op een nader te bepalen wijze op een nader te bepalen datum en tijdstip;
  • houdt iedere verdere beslissing aan;
  • bepaalt dat tegen deze tussenbeslissing alleen beroep mogelijk is gelijktijdig met de eindbeslissing.

Aldus gedaan door het College en op 28 juni 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn
voorzitter

mevrouw mr. T.S.A. Kloos
secretaris