Maak een selectie

502 van 502

   

De jeugdprofessional heeft voldoende gereflecteerd op eigen handelen en heeft niet bevooroordeeld gehandeld.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. H. Wintgens, lid-jurist
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

[jeugdprofessional], hierna te noemen: beklaagde.
Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. M. Kramer.

1 Het verloop van de procedure

Op 13 januari 2015 ontvangt het College een klaagschrift met twee bijlagen. Per brief d.d. 10 februari 2015 is aan beklaagde verweer gevraagd. Op 27 maart 2015 heeft het College het verweerschrift ontvangen. Klager heeft een afschrift ontvangen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2015 in aanwezigheid van klager, beklaagde, en haar gemachtigde.
De voorzitter heeft bepaald dat drie met elkaar samenhangende zaken door het College ter zitting gezamenlijk en gelijktijdig worden behandeld.

Het College heeft op 3 september 2015 de mondelinge behandeling aangehouden om zich uit te laten over de ontvankelijkheid van klager en de beklaagde, bij een ontvankelijkheid van klager, in de gelegenheid te stellen inhoudelijk te reageren op de oorspronkelijke klacht van klager zoals hij deze heeft ingediend op 15 oktober 2014.

Het College heeft naar aanleiding van het preliminair verweer door beklaagde, in een tussenbeslissing die op 17 september 2015 aan partijen is toegezonden klager ontvankelijk gesteld in zijn klacht.

Beklaagde heeft het aanvullende verweer verwerkt in haar eerdere verweer en heeft het als compleet verweer toegezonden op 3 november 2015.

Op 3 december 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in aanwezigheid van klager, beklaagde en haar gemachtigde.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de uitspraak uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College heeft in de tussenbeslissing d.d. 17 september 2015 geoordeeld dat het College bevoegd is een oordeel te geven over de inhoud van de klacht van klager en dat klager ontvankelijk is.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klager heeft uit een inmiddels ontbonden huwelijk twee dochters, [oudste dochter] geboren op [datum] 1996 en J. geboren op [datum] 1997. Zij zijn op 14 maart 2013 onder toezicht gesteld. In januari 2013 verzoekt de ex-partner van klager de rechtbank om eenhoofdig gezag over [oudste dochter].
De rechtbank houdt op 15 mei 2013 het verzoek aan in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling (OTS). De OTS is in 2014 verlengd. In de beschikking van 21 mei 2014 heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen de RvdK) verzocht om een onderzoek naar een wijziging in het gezag. De Raad heeft een rapport opgesteld met het advies om de ex-partner eenhoofdig gezag toe te kennen.
De OTS is namens de gecertificeerde instelling(voorheen [naam] […]), hierna te noemen de GI uitgevoerd door beklaagde.

4 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I

Beklaagde heeft stelselmatig geweigerd om reflectie te plegen op haar handelen. Volgens klager heeft beklaagde vele e-mails met klachten naast zich neergelegd en negeert beklaagde het verzoek van klager om een andere gezinsvoogd.

II

Beklaagde heeft onwaarheden verklaard aan de Raad op 29 augustus 2014. Deze onjuistheden zijn opgenomen in het conceptrapport van 9 oktober 2014.

III

Beklaagde heeft na verschillende verzoeken van klager nagelaten haar verklaring en onwaarheden te rectificeren. Klager heeft in een email verzocht om rectificatie van betalingen, het gesprek met [oudste dochter] en de babyfoto’s.

IV

Beklaagde heeft blijk gegeven van een bevooroordeelde mening naar klager.

V

Beklaagde heeft stelselmatig gegevens van de ex-partner van klager weggelaten uit rapporten en verklaringen zodat het handelen van klager is uitvergroot.

VI

Beklaagde heeft de privacy van [jongste dochter] en klager geschonden door een rapportage aan de RvdK in te zenden in de kwestie rondom het gezag over [oudste dochter].

Ter zitting heeft klager zijn klacht nader toegelicht. Klager is van oordeel dat de mening van beklaagde zoals dit in het Raadsrapport is weergegeven onjuist is. Beklaagde noemt volgens klager geen feitelijkheden en beklaagde heeft subjectieve zaken uitvergroot. Beklaagde heeft geweigerd om iets te doen aan de onjuistheden. Klager heef ter zitting te kennen gegeven dat de beroepsnormen over respect, vertrouwelijkheid en het beëindigen van een professionele relatie zijn geschonden.

5 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

I

Klager heeft meerdere malen per e-mail zijn ongenoegens geuit naar beklaagde. Klager is meerdere malen uitgenodigd voor een bemiddelingsgesprek met beklaagde en haar teamleider. Klager heeft dit meermalen geweigerd. Klager is door beklaagde ook gewezen op de procedure bij de klachtencommissie. Beklaagde is zelf niet bevoegd om een andere [jeugdbeschermer] op de zaak te zetten of aan te wijzen en heeft klager doorverwezen naar haar teamleider. Beklaagde heeft de genomen stappen in de uitvoering van de OTS zorgvuldig afgewogen en in overleg met het team, teamleider en gedragsdeskundige genomen.

II

Beklaagde heeft het volledige Raadsonderzoek als bijlage bij het verweerschrift overgelegd. Beklaagde heeft als professional, waarheidsgetrouw een objectieve schets gegeven van de situatie. Beklaagde heeft onderscheid gemaakt tussen feitelijke informatie en professionele visie. Het concept heeft beklaagde samen met haar casuïstiekteam besproken. Klager heeft deze informatie kunnen becommentariëren en kunnen aanvullen.

III

Beklaagde heeft aan de RvdK een verklarende hypothese gegeven waarbij beklaagde een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen feiten en vermoedens. De vermoedens zijn gebaseerd op feitelijke uitspraken en handelingen. In het team zijn deze hypothesen besproken voordat de informatie officieel naar de RvdK is gegaan. De volgende woorden zijn gebruikt om dit te benadrukken: ‘de GI vermoedt’, ‘naar visie van de GI’, ‘hij lijkt’, ‘naar visie van de GI’. Beklaagde heeft met de voorbeelden willen omschrijven dat klager en zijn ex-partner niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen en ook e-mailswisselingen conflictueus verlopen.

IV

Beklaagde is van mening dat beide ouders een rol hebben in het in stand houden van de juridische strijd. Gebleken is dat ouders niet tot overeenstemming komen en het niet lukt om gezamenlijk afspraken te maken. De hypothesen had als doel om juist weer te geven dat beide ouders zich onmachtig voelen en dat een ieder dat op zijn eigen manier uit.

V

Beklaagde heeft vanuit haar professie geïnformeerd en geadviseerd in het belang van [oudste dochter].

VI

Beklaagde is zich er enerzijds van bewust dat beklaagde toestemming aan [jongste dochter]  had moeten vragen omdat [jongste dochter] ten tijde van de verzending op 3 september 2014 meerderjarig was. Anderzijds benadrukt beklaagde dat klager deze klacht namens [jongste dochter] niet kan indienen omdat [jongste dochter] het verzoek zelf had moeten doen omdat zij thans meerderjarig is en klager dan ook niet meer als wettelijk vertegenwoordiger voor [jongste dochter] optreedt.

Ten aanzien van de informatieverstrekking aan klager verwijst beklaagde naar artikel 17 lid 4 van het privacyreglement van de GI. Beklaagde kan zonder toestemming van de cliënt inlichtingen verstrekken aan de RvdK als dit noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van de taken van de RvdK.

Ter zitting verklaart beklaagde desgevraagd dat zaken beter hadden gekund maar dat zij met haar handelen binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het doel van de OTS is van de grond gekomen en deze is inmiddels beëindigd. Het vergroten van de zelfstandigheid van [oudste dochter] heeft op gespannen voet gestaan met de opvattingen van klager.
De meningen van beklaagde en klager verschillen over wat er wel klopt en wat er niet klopt. Beklaagde heeft met collega’s haar mening getoetst voordat zij de RvdK heeft geadviseerd. De communicatie met klager per e-mail is lastig geweest. Beklaagde had dat graag anders gezien.

Als beklaagde zou rectificeren verliest beklaagde haar professionele autonomie en kan zij haar werk niet meer doen. Klager heeft zijn mening kunnen en mogen geven.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College wijst er verder op dat gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor [datum] 2013, de registratiedatum van beklaagde, niet tuchtrechtelijk kunnen worden getoetst. Deze gebeurtenissen zoals het bloedprikken bij [oudste dochter] worden dan ook niet betrokken bij de beoordeling van de klacht.

Het College toetst de klacht van klager niet voor zover deze betrekking heeft op het verstrekken van informatie door beklaagde aan de RvdK met betrekking tot de gegevens van [jongste dochter] aangezien [jongste dochter] ten tijde van de verstrekking meerderjarig was en klager niet meer voor haar als wettelijk vertegenwoordiger kan optreden.

Het College vat de klachtonderdelen als volgt samen en baseert zich op de stukken en op hetgeen ter zitting door partijen is verklaard.

I

De klacht in dit onderdeel luidt kort samengevat dat beklaagde stelselmatig heeft geweigerd om reflectie te plegen op haar handelen. Volgens klager heeft beklaagde vele e-mails met klachten naast zich neergelegd en negeert beklaagde het verzoek van klager om een andere gezinsvoogd.

Het College overweegt dat beklaagde gemotiveerd heeft toegelicht dat zij heeft gereflecteerd op haar handelen door met collega’s te praten en haar handelen heeft getoetst met haar collega’s. Ook heeft het College in de stukken gelezen dat beklaagde klager uitnodigingen heeft verstuurd voor een gesprek over zijn klachten.
Het College overweegt dat de teammanager van beklaagde op 20 maart 2014 klager een e-mail heeft gestuurd waarin hij voorstelt dat klager in een gezamenlijk gesprek met beklaagde en de teammanager zijn klacht toelicht. De teammanager heeft in die email tevens te kennen gegeven dat waar mogelijk naar oplossingen zal worden gezocht. Klager heeft in een e-mail van 21 maart 2014 aan de teammanager geschreven dat een gesprek voor klager geen toegevoegde waarde heeft. De teammanager heeft op 12 juni 2014 klager laten weten dat de mogelijkheid tot een gezamenlijk gesprek nog steeds bestaat.

Voorts overweegt het College dat beklaagde op 4 september 2014 klager per e-mail heeft bericht dat het hem vrij staat om een gesprek te plannen of een klacht in te dienen. Beklaagde verwijst in dezelfde e-mail naar haar teamleider en de site van de GI.
Gelet op het vorengaande, ook in samenhang bezien zal het College dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.

Het College stelt voorts vast dat het besluit om al dan niet overgaan tot het aanstellen van een andere hulpverlener niet binnen de bevoegdheden valt van beklaagde en zal daarom ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.

II

De klacht in dit onderdeel luidt kort samengevat dat beklaagde in het conceptrapport van 9 oktober 2014 onwaarheden heeft verklaard aan de RvdK.

Het College overweegt dat beklaagde meerdere voorbeelden heeft gegeven van de voor haar relevante feiten. Het College is van oordeel dat beklaagde de voor haar relevante feiten correct heeft omschreven en dat beklaagde hierbij een onderscheid heeft gemaakt tussen meningen en feiten. Beklaagde heeft hierbij bewoordingen gebruikt die dat onderscheid ondersteunen zoals: ‘de GI vermoedt’, ‘naar de visie van de GI’, ‘beklaagde gelooft niet dat’, ‘de GI is van mening dat’.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

III

De klacht in dit onderdeel luidt kort samengevat dat beklaagde heeft nagelaten haar verklaring en onwaarheden te rectificeren. Klager heeft in een email verzocht om rectificatie van betalingen, het gesprek met [oudste dochter] en de babyfoto’s.

Het College is van oordeel dat beklaagde op professionele wijze heeft beschreven wat zij heeft meegemaakt en gehoord en onder de professionele verantwoordelijkheid van beklaagde valt.
Het College merkt op dat een andere mening niet automatisch tot rectificatie kan leiden. De verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het beroep blijft liggen bij de jeugdzorgwerker. Deze norm is neergelegd in artikel O van de Beroepscode voor Jeugdzorgwerkers.
Beklaagde is naar het oordeel van het College professioneel autonoom door vanuit haar professie haar mening kenbaar te maken op een wijze zoals zij dit heeft gedaan in haar verklaring.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

IV

De klacht in dit onderdeel luidt kort samengevat dat beklaagde volgens klager blijk heeft gegeven van een bevooroordeelde mening naar klager.

Het College constateert dat noch uit de stukken noch uit de mondelinge behandeling is gebleken dat beklaagde een bevooroordeelde mening heeft jegens klager. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

V

De klacht in dit onderdeel luidt kort samengevat dat beklaagde stelselmatig gegevens van de ex-partner van klager heeft weggelaten uit rapporten en verklaringen zodat het handelen van klager is uitvergroot.

Het College overweegt dat beklaagde op professionele wijze haar mening gegeven over zowel klager als zijn ex-partner. Beklaagde heeft hierbij bewoordingen gebruikt die dat onderscheid ondersteunen zoals: ‘de GI vermoedt’, ‘naar de visie van de GI’ en ‘ik ben van mening dat’.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

VI

De klacht in dit onderdeel luidt kort samengevat dat beklaagde de privacy van [jongste dochter] en klager heeft geschonden door een rapportage aan de RvdK in te zenden in de kwestie rondom het gezag over [oudste dochter].

Het College is van oordeel dat nu [jongste dochter] meerderjarig is, klager niet namens [jongste dochter] een klacht kan indienen.
Klager wordt in dit klachtonderdeel niet ontvankelijk verklaard.

7 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
-klachtonderdelen I, II, III, IV en V zijn ongegrond
-verklaart klager niet ontvankelijk in klachtonderdeel VI.

Aldus gedaan op 3 december 2015 en op 28 januari 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris