Maak een selectie

442 van 442

   

Het beroep van een vader slaagt niet. Het ligt op de weg van diegene die beroep instelt om de beroepsgronden te onderbouwen. Het enkel volstaan met de stelling dat het College van Toezicht iets is vergeten te melden of vragen is onvoldoende ter onderbouwing.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
de heer W.L. Scholtus, lid-jurist,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[Appellant], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

tegen:

[Verweerster], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift, met de bijlagen, dat de vader op 13 november 2018 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift, met de bijlagen, dat de jeugdprofessional op 10 september 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 18.158T van 15 januari 2020;
– het beroepschrift dat de vader op 5 maart 2020 tegen de voornoemde beslissing heeft ingediend;
– het verweerschrift, met de bijlagen, dat de jeugdprofessional op 4 mei 2020 heeft ingediend.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen 1, 3 en 4 ongegrond verklaard en klachtonderdeel 2 deels (on)gegrond. Het College van Toezicht heeft afgezien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional.

1.3 De vader heeft op 5 maart 2020 tegen deze beslissing – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Op 9 juni 2020 zijn partijen bericht dat het College van Beroep vanwege de ontwikkelingen rondom COVID-19 werkt volgens een tijdelijke regeling. De voorzitter heeft op grond van artikel 16 jo. 5 van de tijdelijke regeling (versie 1) geoordeeld dat de zaak geen mondelinge behandeling behoeft. Partijen zijn conform de tijdelijke regeling in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen de wederpartij naar voren heeft gebracht (repliek en dupliek). De vader heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om (tijdig) een conclusie van repliek in te dienen.

1.5 Per e-mailbericht van 16 juli 2020 zijn partijen bericht dat de schriftelijke behandeling van het beroep – zonder aanwezigheid van partijen –  zal plaatsvinden op 30 juli 2020. Tevens zijn partijen bericht dat de beslissing op 10 september 2020 per aangetekende post aan hen wordt verzonden.

2 De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 Uit het in 2008 beëindigde huwelijk van de ouders is in 2007 een dochter geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de dochter.

2.2 De dochter woont bij de moeder. Tussen de vader en de dochter is er een zorgregeling geweest die de rechtbank op 29 juni 2011 heeft vastgesteld en welke de ouders hebben aangepast op 16 september 2011.

2.3 De kinderrechter heeft de dochter op 12 januari 2016 onder toezicht gesteld van een andere gecertificeerde instelling dan de GI. Op 1 februari 2016 is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd.

2.4 De jeugdprofessional is van april 2016 tot 10 april 2018 namens de GI belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional is sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode van [datum] 2013 t/m [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

2.5 Op 6 juli 2016 is de omgang tussen de vader en de dochter gestopt omdat er zorgen waren over de veiligheid van de dochter bij de vader. De GI heeft op 21 juli 2016 een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. De vader heeft bij de voorzieningenrechter onder andere de nakoming van de zorg- en contactregeling gevorderd. De voorzieningenrechter heeft op 20 juli 2016 de vorderingen van de vader afgewezen.

2.6 De rechtbank heeft op 4 augustus 2016 bepaald dat de vader eenmaal per veertien dagen onder begeleiding twee uur contact met de dochter heeft. Ook heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) verzocht om een onderzoek te doen naar de vraag welke zorg- en opvoedingsregeling het meeste in het belang van de dochter is.

2.7 De ouders hebben van oktober 2016 tot 23 mei 2017 deelgenomen aan het traject [traject].

2.8 De RvdK heeft in het raadsrapport van 20 januari 2017 voorwaarden gesteld aan de contactregeling tussen de vader en de dochter.

2.9 De rechtbank heeft op 8 maart 2017 bepaald dat de vader eenmaal per veertien dagen contact met de dochter heeft gedurende twee uur op het kantoor van de GI. De GI kan deze regeling uitbreiden of nader invullen.

2.10 Op 18 april 2017 en 17 januari 2018 hebben de vader en de jeugdprofessional met elkaar een bemiddelingsgesprek gevoerd. De clustermanager van de GI en een vertrouwenspersoon van het AKJ zijn hierbij aanwezig geweest.

2.11 De GI heeft op 15 maart 2018 de rechtbank verzocht om een wijziging in de verdeling van de zorg- en opvoedtaken waarbij het contact tussen de vader en de dochter één keer per maand gedurende twee uur onder begeleiding zal plaatsvinden op het kantoor van de GI met ingang van 15 maart 2018 t/m juli 2018.

2.12 De GI heeft de vader op 28 maart 2018 een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin is bepaald dat het contact tussen de vader en de dochter eens per maand plaatsvindt.

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen 1 t/m 4, voor zover het College van Toezicht deze ongegrond heeft verklaard.

4 Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1 Hierna zullen de in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

4.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de vader in het beroepschrift nieuwe klachtonderdelen heeft opgenomen zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en kan het College van Beroep daar geen oordeel over geven.

4.2 Klachtonderdeel 1

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 1 als volgt geformuleerd: “De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij onvoldoende kennis heeft van de methodiek die van toepassing is in jeugdbeschermingszaken waarin er sprake is van een complexe echtscheiding. Zij heeft gedurende de uitvoering van haar taak als jeugdbeschermer niet de meervoudige partijdigheid gehanteerd. Zij heeft in contactjournaals en in het onder 2.[11] genoemde verzoekschrift van 15 maart 2018 de mening van de moeder over het handelen van de vader niet als mening van de moeder aangeduid maar als feit opgeschreven. Ook heeft de jeugdprofessional de bevindingen van haar collega tijdens de begeleide omgang op 7 juni 2017 buiten alle rapportages gelaten. Verder heeft de jeugdprofessional in de contactjournaals geen verslag bijgevoegd van de omgangsmomenten terwijl zij in verzoekschriften vrij gedetailleerd hiervan verslag doet en dan met name van de voor de vader negatieve voorvallen.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. De jeugdprofessional heeft in het verzoekschrift vermeld wat de mening van de moeder is en wat de moeder heeft aangegeven. Ook uit de overgelegde contactjournaals blijkt niet dat de mening van de moeder als feit is opgenomen.

Het College [van Toezicht] begrijpt uit de klacht dat de vader wenste dat het verslag van de begeleide omgang van 7 juni 2017 meer aandacht zou krijgen in de verslaglegging omdat deze omgang positief is verlopen. Het College [van Toezicht] leest in het verzoekschrift van 15 maart 2018 op pagina 7 dat de jeugdprofessional heeft beschreven dat de omgangsmomenten tussen de vader en de dochter wisselend verlopen, maar dat er ook plezier is tijdens de omgangsmomenten. Het College [van Toezicht] concludeert dat de jeugdprofessional niet alleen negatieve aspecten heeft genoemd. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd toegelicht dat zij binnen de GI de vrijheid had om onder meer in het verzoekschrift van 15 maart 2018 zeer uitgebreid verslag te doen van deze omgangsmomenten. 

De jeugdprofessional heeft een afweging gemaakt tussen het welzijn van de dochter en het recht op omgang tussen de vader en de dochter. Dat de vader het niet eens is met de beperking van de omgangsmomenten is begrijpelijk. Het College [van Toezicht] kan zich voorstellen dat het voor de vader moeilijk is geweest dat hij zijn dochter minder heeft gezien en dat hij zich hierdoor tekort gedaan voelde, maar op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is onvoldoende feitelijk komen vast te staan dat de jeugdprofessional onvoldoende kennis heeft van de methodiek en dat zij zich niet meervoudig partijdig heeft opgesteld.“ Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.2.3 De vader voert ten aanzien van dit klachtonderdeel het volgende aan. In de beoordeling van klachtonderdeel 1 concludeert het College van Toezicht dat de jeugdprofessional heeft toegelicht dat zij binnen de GI de vrijheid heeft om (zelf te bepalen hoe) verslag te doen van omgangsmomenten. Indien het College van Toezicht heeft bedoeld dat er inzicht is gegeven in de werkinstructie van de GI uit 2010 (er wordt nog gesproken over beter beschermd), dan vraagt de vader zich af in hoeverre werkinstructies uit 2010 relevant zijn voor het huidige handelen. Meer recentere werkinstructies gebaseerd op de methodiek complexe scheidingen geven veel adequatere instructies aan jeugdprofessionals hoe zij zich kunnen verhouden voor wat betreft meerzijdige partijdigheid. Het verstrekken van informatie over de (begeleide) omgangsmomenten is een vorm van transparantie die beide partijen noodzakelijk achten binnen de uitvoering van de ondertoezichtstelling. In de beoordeling vergeet het College van Toezicht te melden dat de (betreffende) omgang heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017 en dat deze voor het eerst terugkomt op 15 maart 2018 in een verzoekschrift. Het College van Toezicht heeft daarnaast verzuimd te vragen waarom er pas melding van wordt gedaan bijna één jaar na het omgangsmoment.

4.2.4 De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat dit klachtonderdeel geen beroepsgrond bevat. De formulering van het eerste klachtonderdeel betrof de stelling van de vader dat de jeugdprofessional onvoldoende kennis zou hebben van de methodiek complexe scheiding. In beroep stelt de vader de vraag, bij wijze van grief, of de werkinstructie uit 2010 thans nog relevant is voor het huidige handelen. Hiermee treedt de vader buiten de reikwijdte van het klachtonderdeel zoals ingediend bij het College van Toezicht.

4.2.5 Het College van Beroep overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. Allereerst verwijst het College van Beroep naar hetgeen in deze beslissing is opgenomen onder 4.2. De beroepsgronden kunnen aldus enkel zien op beoordeling van het College van Toezicht van de oorspronkelijke klachtonderdelen. Het is het College van Beroep gebleken dat de vader het er kennelijk niet mee eens is dat het College van Toezicht heeft overwogen dat de jeugdprofessional gemotiveerd heeft toegelicht dat zij binnen de GI de vrijheid heeft om te bepalen hoe er verslag wordt gedaan van de omgangsmomenten. De onderbouwing van deze grief volgt het College van Beroep echter niet aangezien niet is gebleken dat het College van Toezicht zich in het oordeel heeft gebaseerd op de methodiek uit 2010 die de vader in zijn beroepschrift heeft aangehaald, noch heeft de vader gemotiveerd toegelicht wat er in meer recentere werkinstructies is opgenomen waardoor het oordeel van het College van Toezicht onjuist zou zijn. Het had op de weg van de vader gelegen om zijn beroepsgrond op dit onderdeel te onderbouwen. Hetzelfde geldt voor zover de vader in zijn beroepschrift heeft aangehaald dat het College van Toezicht in het oordeel vergeten is zaken te melden en/of zaken is vergeten te vragen. In zijn algemeenheid merkt het College van Beroep in dat kader op dat het in een procedure niet ongebruikelijk is dat partijen een veelheid aan informatie bij het behandelend college aanleveren. Het is dan vervolgens aan het behandelend college om – in het licht van het klachtonderdeel dat een klager heeft geformuleerd – de relevante informatie te selecteren en het handelen van de jeugdprofessional te beoordelen en het oordeel te motiveren. Gelet hierop is het enkel volstaan met de stelling dat het College van Toezicht iets is vergeten te melden of te vragen onvoldoende ter onderbouwing van een beroepsgrond/grief. Het ligt op de weg van diegene die beroep instelt om te onderbouwen waarom bijvoorbeeld bepaalde informatie verkeerd is geïnterpreteerd of ten onrechte buiten beschouwing is gelaten en waarom dit maakt dat het oordeel van het College van Toezicht onjuist is. De vader heeft nagelaten zijn beroepschrift op deze wijze te onderbouwen.

4.2.6 De grief faalt.

4.3 Klachtonderdeel 2

4.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 2 – voor zover relevant – als volgt geformuleerd: “De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld omdat zij in haar verzoekschriften gebruik heeft gemaakt van feitelijk onjuiste informatie. [..]Tot slot heeft de jeugdprofessional in het verzoekschrift van 15 maart 2018 een conclusie getrokken over de bevindingen van de school dat niet overeenkomt met de inhoud van het verslag van het contact met de school in het contactjournaal.”

4.3.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel – voor zover relevant – als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. Uit het verslag van het [ziekenhuis] van 13 juni 2018 concludeert het College [van Toezicht] dat de dochter een aantal incidenten heeft aangehaald en dat zij daarnaast voorbeelden heeft genoemd van horen zeggen. De stelling van de vader is daarmee feitelijk onjuist. Verder blijkt uit het verzoekschrift van 15 maart 2018 dat de jeugdprofessional heeft vermeld dat de dochter op school om geheimhouding heeft gevraagd aan de leerkracht hetgeen in grote lijnen overeenstemt met de inhoud van het contactjournaal.[..]” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel deels ongegrond verklaard.

4.3.3 De vader is het niet eens met de beoordeling van dit klachtonderdeel, in het bijzonder voor zover het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de dochter van de vader (op school) om geheimhouding heeft gevraagd en de directe link die de jeugdprofessional legt met het negatieve gedrag van de vader. Naar de mening van de vader is het College van Toezicht hiermee tekortgeschoten in het zorgvuldig beoordelen van de klacht. Ook bevat het verweerschrift van de jeugdprofessional (subtiele) onjuistheden en zijn er daarnaast tijdens de mondelinge behandeling van de klacht onderdelen ter sprake gekomen, die niet in de beslissing van het College van Toezicht terug te vinden zijn.

4.3.4 De jeugdprofessional vindt de grief van de vader onbegrijpelijk en onjuist. Uit de correspondentie van de school met de jeugdprofessional blijkt aantoonbaar dat de dochter wel degelijk om geheimhouding heeft gevraagd. Zij verwijst ter onderbouwing naar het verweerschrift zoals ingediend bij het College van Toezicht en het daarbij overgelegde contactjournaal. De vader treedt buiten de reikwijdte van de klachtonderdelen voor zover de vader in zijn beroepschrift naar voren brengt dat het verweerschrift onjuistheden bevat, hetgeen de jeugdprofessional betwist, en dat dingen die gezegd zouden zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet terug te vinden zijn in de beslissing van het College van Toezicht.

4.3.5 Het College van Beroep stelt vast dat het klachtonderdeel zoals de vader dit heeft geformuleerd bij het College van Toezicht, zich beperkt tot het opnemen van feitelijke onjuistheden in rapportages. Naar het oordeel van het College van Beroep heeft het College van Toezicht terecht en op goede gronden geoordeeld dat niet is gebleken dat de jeugdprofessional feitelijk onjuiste informatie heeft opgenomen over de geheimhouding van de dochter op school. Voor zover de vader stelt dat het verweerschrift (subtiele) onjuistheden bevat en er tijdens de mondelinge behandeling van de klacht onderdelen ter sprake zijn gekomen die niet in de bestreden beslissing terug te vinden zijn, verwijst het College van Beroep naar hetgeen reeds is overwogen onder 4.2 en 4.2.5 van deze beslissing.

4.3.6 De grief faalt.

4.4 Klachtonderdeel 3

4.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 3 als volgt geformuleerd: “De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij ondanks dat zij op de hoogte was van de moeizame samenwerking tussen hen en de enorme spanning die dat bij de vader teweeg heeft gebracht, geen enkel initiatief heeft genomen om de samenwerking te verbeteren. De vader heeft twee keer in een brief gevraagd om een andere jeugdprofessional.”

4.4.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. De jeugdprofessional heeft door bemiddelingsgesprekken te voeren met de vader laten zien dat zij open heeft gestaan voor een verbetering van de samenwerking. Niet de jeugdprofessional, maar de GI neemt het besluit om een jeugdbeschermer te vervangen. Onweersproken is gesteld dat er bij de GI intern gesprekken zijn geweest over een mogelijke vervanging van de jeugdprofessional waarna de GI heeft besloten dat de jeugdprofessional zou aanblijven omdat zij een goede band had opgebouwd met de dochter. Daarnaast had de collega van de jeugdbeschermer die enkele keren de omgang heeft begeleid, geen ruimte in haar caseload. Nu het hier niet gaat om een individueel besluit van de jeugdprofessional maar om een instellingsbesluit, kan de jeugdprofessional geen verwijt worden gemaakt.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.4.3 De vader stelt dat het College van Toezicht er in de beoordeling van het klachtonderdeel ten onrechte vanuit is gegaan dat de jeugdprofessional de bemiddelingsgesprekken heeft willen voeren. Op nadrukkelijk verzoek van de vader zijn deze gesprekken tot stand gekomen en binnen de werkinstructies van de GI zijn jeugdprofessionals verplicht gehoor te geven aan zulke verzoeken. Het College van Toezicht heeft volledig verkeerd geïnterpreteerd dat de jeugdprofessional open heeft gestaan voor verbetering van de samenwerking. Daarnaast betreurt de vader het dat het College van Toezicht heeft overwogen dat er ‘onweersproken’ is gesteld dat er interne gesprekken zijn gevoerd, maar dat geen inzicht is gegeven waaruit dat zou blijken. De vader is van mening dat de jeugdprofessional wel degelijk een individuele verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het creëren van een samenwerkingsrelatie. Het afschuiven van deze verantwoordelijkheid naar de organisatie past niet binnen de beroepscode.

4.4.4 De jeugdprofessional stelt dat de vader in beroep de bemiddelingsgesprekken uitlicht, terwijl dit klachtonderdeel was gericht op het feit dat de jeugdprofessional zich niet heeft willen laten vervangen door een collega c.q. dat er geen tweede jeugdbeschermer is aangesteld. Het College van Toezicht is daarom begrijpelijkerwijs op dat punt uitvoerig ingegaan. Ten aanzien van de verbetering van de relatie stelt de jeugdprofessional dat zij de gesprekken over de onvrede van de vader altijd is aangegaan. Dat de vader om deze gesprekken heeft verzocht doet niet af aan het feit dat de jeugdprofessional haar medewerking daaraan heeft verleend. Ten overvloede merkt de jeugdprofessional op dat er strikt genomen geen plicht bestaat om een bemiddelingsgesprek te voeren. De jeugdprofessional vindt zelf overigens wel dat jeugdprofessionals hier te allen tijde hun medewerking aan dienen te verlenen. Bovendien heeft de vader er zelf voor gekozen om een klacht in te dienen tegen de leidinggevende zodat de focus van de jeugdprofessional werd verschoven naar de leidinggevende.

4.4.5 Het College van Beroep overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. Het College van Beroep volgt de vader niet in zijn standpunt dat de jeugdprofessional niet open heeft gestaan voor verbetering van de samenwerking omdat het de vader is geweest die de bemiddelingsgesprekken heeft verzocht. Naar het oordeel van het College van Beroep is het niet relevant wie om de bemiddelingsgesprekken heeft verzocht noch of er vanuit de GI voor de jeugdprofessional een verplichting bestaat om aan deze bemiddelingsgesprekken deel te nemen. Vaststaand feit blijft dat er door middel van deze bemiddelingsgesprekken is geprobeerd de samenwerking te verbeteren. Het is het College van Beroep echter ook gebleken dat de focus van de vader na het bemiddelingsgesprek op 18 april 2017 verschoven lijkt te zijn naar de cluster- en vervolgens naar de regiomanager van de jeugdprofessional. Uit de stukken blijkt dat de vader meerdere keren heeft verzocht om een andere jeugdbeschermer aan te stellen: onder andere op 5 januari 2018 aan de vestigingsmanager en op 31 januari 2018 aan de regiomanager. In reactie hierop is aan de vader gemotiveerd toegelicht waarom er vanuit de GI niet over is gegaan tot het vervangen van de jeugdprofessional. Hoewel het College van Beroep het standpunt van de vader volgt dat een jeugdprofessional een verantwoordelijkheid heeft voor wat betreft het (proberen te) verbeteren van de samenwerkingsrelatie, kan zij er niet tuchtrechtelijk verwijtbaar voor worden gehouden als er vanuit de GI besloten wordt om haar niet te vervangen.

4.4.6 De grief faalt.

4.5 Klachtonderdeel 4

4.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 4 als volgt geformuleerd: “De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij door haar afwezigheid onvoldoende heeft gezorgd voor de continuïteit van het hulpverleningsproces. Zij heeft zich veelvuldig op het laatste moment afgemeld en is afspraken niet nagekomen. In de ruim twee jaar tijd dat de jeugdprofessional was betrokken, hebben er slechts dertien driegesprekken plaatsgevonden. Ondanks veelvuldig verzoek van de vader heeft de jeugdprofessional deze gesprekken niet ingepland. Ook is de jeugdprofessional zes keer vervangen tijdens de omgangsmomenten met de dochter. Tot slot was zij telefonisch slecht bereikbaar en heeft zij niet gereageerd op terugbelverzoeken.”

4.5.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] overweegt als volgt. De jeugdprofessional heeft hard gewerkt om de continuïteit van het hulpverleningsproces te waarborgen. Zo heeft zij naast de dertien drie gesprekken die hebben plaatsgevonden, rapportages geschreven, zijn er meerdere gerechtelijke procedures geweest en heeft het [ziekenhuis] onderzoek gedaan naar de dochter. Ook was de jeugdprofessional vaak bij de begeleide omgang tussen de vader en de dochter betrokken. Het is begrijpelijk dat de jeugdprofessional gedurende de twee jaar dat zij bij deze casus was betrokken, afspraken heeft afgezegd. Zij heeft toegelicht waarom de drie gesprekken zijn gestopt. Dat de jeugdprofessional telefonisch slecht bereikbaar was en niet heeft gereageerd op terugbelverzoeken van de vader, is door de vader niet nader onderbouwd.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.5.3 De vader stelt ten aanzien van dit klachtonderdeel dat het College van Toezicht zich niet als onafhankelijk college heeft opgesteld. Zowel in de beoordeling als in de conclusie geeft het College van Toezicht een oordeel over het handelen van de jeugdprofessional waarover geen klacht is ingediend.

4.5.4 De jeugdprofessional stelt dat dit klachtonderdeel geen beroepsgrond bevat. Het richt zich op een ten overvloede overweging die het College van Toezicht vrij is te maken en deze overweging maakt het oordeel niet onjuist.

4.5.5 Het College van Beroep overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. Als er een klacht wordt ingediend over het handelen van een jeugdprofessional is het de taak van het behandelend college om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van het handelen van de jeugdprofessional. Het kan voorkomen dat het behandelend college anders denkt over het beklaagde handelen dan een klager of een jeugdprofessional. In dit specifieke geval heeft de vader geklaagd dat de jeugdprofessional onvoldoende heeft gezorgd voor de continuïteit van het hulpverleningsproces en dat zij veelvuldig afspraken niet is nagekomen. Blijkens het oordeel van het College van Toezicht heeft het een andere indruk gekregen van het handelen van de jeugdprofessional dan de vader en heeft het college beschreven waarop dit oordeel is gebaseerd. Het College van Beroep ziet niet in hoe het oordeel van het College van Toezicht leidt tot de conclusie dat het zich niet als onafhankelijk college zou hebben opgesteld. Er wordt immers een oordeel gevraagd over het handelen van de jeugdprofessional met betrekking tot het continueren van het hulpverleningsproces. Dit oordeel heeft het College van Toezicht gegeven.

4.5.6 De grief faalt.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in zaaknummer 18.158T van 15 januari 2020, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 10 september 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris