Maak een selectie

497 van 497

   

Het beroep van een moeder slaagt niet. Het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om een algemene definitie te geven van een complex begrip als ‘hybride ouderverstoting’, noch om deze definitie aan de hand van enkele dossierstukken toe te passen op de onderhavige casus.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. M.A. Stammes, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[Appellante], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

tegen:

[Verweerder], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als contextueel systeemtherapeut bij [de instelling] te [vestigingsplaats], hierna te noemen: de hulpverleningsorganisatie.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift, dat de moeder op 4 november 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift, dat de jeugdprofessional op 21 februari 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.502Ta van 20 april 2020;
– het beroepschrift dat de moeder op 11 mei 2020 tegen voornoemde beslissing heeft ingediend en het aanvullend beroepschrift dat de moeder op 13 juni 2020 heeft ingediend;

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de moeder niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 3, is klachtonderdeel 1 gegrond verklaard en zijn de klachtonderdelen 2, 4 en 5 ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3 De moeder heeft op 11 mei 2020 tegen deze beslissing – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 De jeugdprofessional heeft, om hem moverende redenen, geen nieuw verweerschrift tegen het beroep ingediend. De jeugdprofessional handhaaft zijn verweer zoals opgenomen in het door hem bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift.

1.5 Op 2 september 2020 zijn partijen bericht dat het College van Beroep vanwege de ontwikkelingen rondom COVID-19 werkt volgens een tijdelijke regeling. De voorzitter heeft op grond van artikel 15 juncto artikel 3 van de tijdelijke regeling geoordeeld dat de zaak geen mondelinge behandeling behoeft.

1.6 Per e-mailbericht van 3 november 2020 zijn partijen bericht dat de schriftelijke behandeling van het beroep – zonder aanwezigheid van partijen – plaatsvindt op 18 november 2020. Tevens zijn partijen bericht dat de beslissing op 30 december 2020 per aangetekende post aan hen wordt verzonden.

2     De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een minderjarige zoon, geboren in 2004, en een dochter.

2.2 De moeder en de vader van de kinderen zijn uit elkaar. Het ouderlijk gezag wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De zoon woont bij de vader, de dochter woont bij de moeder.

2.3 De moeder en de zoon hebben sinds 17 juli 2017 geen contact met elkaar.

2.4 De kinderrechter heeft de zoon op 19 juni 2018 onder toezicht gesteld van de [GI] (verder: de GI) voor de duur van twaalf maanden. De kinderrechter is – samengevat – van oordeel dat uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat er sprake is van een verscheurd geraakte gezinssituatie en dat bij de zoon signalen worden waargenomen die duiden op ouderverstoting ten aanzien van de moeder. De GI heeft een jeugdbeschermer aangesteld, hierna te noemen: de jeugdbeschermer.

2.5 De GI heeft de hulpverleningsorganisatie benaderd met het verzoek een onderzoek bij de zoon uit te voeren om inzichtelijk te krijgen of er ruimte bij hem is voor contactherstel met de moeder en ‘of dat authentiek overkomt’.

2.6 Op 20 februari 2019 heeft een intakegesprek plaatsgevonden met de hulpverleningsorganisatie, waarbij aanwezig waren de ouders, de jeugdprofessional en de jeugdbeschermer. Er is besproken wat de jeugdprofessional zou kunnen betekenen voor het gezin.

2.7 Op 1 maart 2019 heeft de moeder de jeugdprofessional een e-mailbericht gestuurd over ouderverstoting (lees ook: oudervervreemding) en de zogenaamde ‘Karen Woodall methode’. De moeder vraagt zich, gezien de complexe problematiek van ouderverstoting af, of er iemand binnen de hulpverleningsorganisatie hiervoor een gedegen opleiding heeft gevolgd. Op dezelfde dag heeft de jeugdprofessional de moeder per e-mailbericht bevestigd dat hij de vijfdaagse training heeft gevolgd bij Karen Woodall.

2.8 Op 27 maart 2019 heeft de moeder een e-mailbericht ontvangen van de jeugdbeschermer dat de jeugdprofessional geen mogelijkheid zag om tot een constructieve samenwerking te komen, onder meer omdat de zoon geen medewerking wilde verlenen aan gesprekken.

2.9 Op verzoek van de jeugdbeschermer heeft de zoon uiteindelijk ingestemd met één gesprek. Medio juni 2019 heeft de jeugdprofessional dit gesprek gevoerd met de zoon. Het doel van dit gesprek was duidelijkheid te krijgen over de weerstrand die de zoon voelt over het contact met zijn moeder.

2.10 De jeugdprofessional heeft naar aanleiding van voornoemd gesprek een verslag gemaakt, waar hij ‘systeemonderzoek’ boven heeft gezet.

2.11 De conclusie van het systeemonderzoek luidt dat er momenteel weinig ruimte is bij de zoon voor contactherstel met de moeder en dat de zoon authentiek heeft geantwoord. Verder is in het verslag van het systeemonderzoek, onder meer, het volgende opgenomen:

“Hybride verstoting: De ouder die vind dat zij of hij verstoten word reageert op de acties van de ouder “waarvan zij of hij vindt dat dit de verstotende ouder is” op een manier die schadelijk is voor het kind.

(…)
Bij hybride verstoting ga je niet over tot een gedwongen hereniging.
Hereniging kan pas plaatsvinden als de ouder die vindt dat zij of hij verstoten wordt gekalmeerd is en geen druk meer zet op het kind.”

2.12 De moeder heeft telefonisch contact opgenomen met de jeugdprofessional over het verslag van het systeemonderzoek. De moeder heeft van dit telefoongesprek een – ongedateerd – gespreksverslag overgelegd.

2.13 Op 2 september 2019 heeft de moeder een e-mailbericht gestuurd naar de jeugdprofessional, met de jeugdbeschermer in de cc. De moeder verzoekt hen beiden het verslag van het systeemonderzoek niet te gebruiken in de aankomende rechtszaak met betrekking tot het opheffen van de ondertoezichtstelling.

2.14 Op 5 september 2019 heeft de moeder de jeugdprofessional en de jeugdbeschermer een e-mailbericht gestuurd met een uitleg van Karen Woodall over hybride ouderverstoting. Deze uitleg luidt als volgt:

Ik gebruik de term alleen om een geval van ouderlijke vervreemding te beschrijven waarbij er bij een ouder geen persoonlijkheidsstoornis is, niet als een manier om te zeggen dat beide ouders de oorzaak zijn van het probleem”.

2.15 Op 9 september 2019 heeft de moeder van de jeugdbeschermer vernomen dat de jeugdprofessional achter zijn verslag blijft staan en de GI derhalve het verslag van het systeemonderzoek zal gebruiken bij het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling.

2.16 Op 2 oktober 2019 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI tot opheffing van de ondertoezichtstelling afgewezen.

2.17 De jeugdprofessional is van [datum] 2015 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen 1, 2 en 3.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 Hierna zullen de in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep met inachtneming van hetgeen onder 1.4 is overwogen, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de moeder in het beroepschrift nieuwe klachtonderdelen heeft opgenomen, zullen deze door het College van Beroep buiten beschouwing worden gelaten.

4.2 Klachtonderdeel 1

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 1 als volgt geformuleerd: “Er is geen systeemonderzoek gedaan, maar dat staat wel vermeld boven het verslag.

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Ten aanzien van de klacht van de moeder over het uitgevoerde systeemonderzoek overweegt het College [van Toezicht] als volgt. Het College [van Toezicht] ziet als kern van de klacht dat de jeugdprofessional het onderzoek ‘systeemonderzoek’ noemt, terwijl hij alleen met de zoon heeft gesproken. De kern van het verweer is dat het onderzoek deugt, nu de jeugdprofessional drie bronnen (de zoon, de jeugdbeschermer en dossieranalyse) heeft geraadpleegd. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd verklaard dat hij na het intakegesprek op 20 februari 2019 geen heil zag in een onderzoek met de ouders en de zoon, omdat hij van mening was dat er geen constructieve samenwerking mogelijk was. Volgens de bewoordingen van de jeugdprofessional was er “geen ingang”. De jeugdprofessional heeft verder benadrukt dat zijn onderzoek voldoende zorgvuldig is uitgevoerd om het een systeemonderzoek te mogen noemen en dat een systeemonderzoek op verschillende manieren kan worden uitgevoerd. In het verslag van het onderzoek leest het College [van Toezicht] dat de opdracht als volgt is beschreven: ‘Kan de hulpverleningsorganisatie aangeven of er wel/niet ruimte is bij [de zoon] om te denken aan enige vorm van contact met de moeder en of dat authentiek overkomt’. De drie onderzoeksvragen luiden: 1) In welke mate is er sprake van negatieve beïnvloeding door beide of één van beide ouders? 2) Is op dit moment contactherstel met de moeder mogelijk? 3) In hoeverre is contactherstel met de moeder gewenst? In lijn met deze opdracht en de onderzoeksvragen, overweegt het College [van Toezicht] dat systemisch onderzoek een onderzoek impliceert dat gericht is op het gehele systeem en de context waarin zij zich tot elkaar verhoudt. De wijze waarop de jeugdprofessional het onderzoek heeft verricht, voldoet naar het oordeel van het College [van Toezicht] dan ook niet aan de beschrijving van een systeemonderzoek. Met de zoon is slechts één gesprek gevoerd, waarin hem een aantal vragen is gesteld over het contact met zowel de moeder als de vader. De moeder, de vader en de zus, die onderdeel uitmaken van het systeem, zijn in dit onderzoek op geen enkele wijze meegenomen. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat de moeder ervan uit mocht gaan dat zij (en de andere relaties binnen het systeem) betrokken zou(den) worden, en dat in het geval de jeugdprofessional hier een andere keuze in maakt, hij dat gemotiveerd kenbaar maakt aan genoemde betrokkenen. Dat heeft de jeugdprofessional echter nagelaten. Het College [van Toezicht] concludeert dat de jeugdprofessional ten onrechte de term ‘systeemonderzoek’ heeft gebruikt en dat hij het onderzoek onvoldoende deskundig op basis van actuele kennis en daarom niet conform de beroepsstandaard heeft uitgevoerd. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel B (Bevordering deskundigheid) van de Beroepscode. Vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming heeft hij daarmee niet bevorderd, waardoor ook artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode is geschonden.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel gegrond verklaard.

4.2.3 De moeder is het niet eens met de opgelegde maatregel van waarschuwing en verwijst daarbij naar informatie op de website van SKJ waarin is uitgelegd wanneer een waarschuwing wordt opgelegd. Daaruit blijkt dat het reflectief handelen van de jeugdprofessional bij het opleggen van een waarschuwing een rol speelt. Omdat de jeugdprofessional, blijkens de conclusie van het College van Toezicht onder 4.6 van de bestreden beslissing, niet heeft gereflecteerd op zijn handelen, is de moeder van mening dat een berisping opgelegd dient te worden. Ook is het onjuist dat de jeugdprofessional maar een korte periode betrokken is geweest. Zo is de jeugdprofessional van december 2018 tot december 2019 betrokken geweest bij het gezin. Dat is een lange periode van een jaar betrokkenheid.

4.2.4 De jeugdprofessional handhaaft zijn verweer zoals gevoerd tijdens de procedure bij het College van Toezicht. In de bestreden beslissing is dit als volgt weergegeven: “De veronderstelling van de moeder is niet juist. In het verslag van het systeemonderzoek staat duidelijk vermeld welke bronnen de jeugdprofessional heeft gebruikt. Voorts heeft de moeder zonder toestemming van de jeugdprofessional een vertrouwelijk telefoongesprek opgenomen. De verslaglegging van dit gesprek heeft zij verspreid naar onder meer de GI. De verslaglegging is bovendien niet volledig. Digitale geluidsopnamen kunnen tegenwoordig met de huidige moderne middelen gemanipuleerd worden.”

4.2.5 Het College van Beroep stelt vast dat de grief van de moeder zich richt tegen klachtonderdeel 1, dat door het College van Toezicht in zijn geheel gegrond is verklaard. Op grond van artikel 11.1 van het Tuchtreglement, versie 1.3, kan enkel beroep worden ingesteld voor zover een klager c.q. beklaagde door het College van Toezicht in het ongelijk is gesteld. Nu de moeder ten aanzien van dit klachtonderdeel in het gelijk is gesteld, is het niet mogelijk om tegen dit deel van de beslissing beroep in te stellen. Daar komt bij dat de grief zich enkel richt tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel. Het College van Beroep merkt hierbij op dat in zaaknummer 18.003B is geoordeeld dat het niet mogelijk is om beroep in te stellen tegen (de zwaarte van) de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel. Het opleggen van een maatregel, en de eventuele zwaarte daarvan, is een bevoegdheid die toekomt aan de tuchtcolleges van SKJ.

4.2.6 Het College van Beroep is van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar grief gericht tegen klachtonderdeel 1.

4.3 Klachtonderdeel 2

4.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 2 als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional schrijft in het verslag ‘hybride ouderverstoting’ en geeft de verkeerde uitleg aan ‘hybride’.”

4.3.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Of de term ‘hybride’ met betrekking tot ouderverstoting in het verslag wel of niet correct is gebruikt door de jeugdprofessional is voor het College [van Toezicht] niet vast te stellen. De standpunten van partijen lopen uiteen en ook het dossier biedt het College [van Toezicht] onvoldoende handvatten om hierover een oordeel te kunnen geven.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.3.3 De moeder stelt zich op het standpunt dat de jeugdprofessional heeft gelogen over de opleiding die hij bij Karen Woodall heeft gevolgd. De jeugdprofessional stelt dat hij een vijfdaagse cursus zou hebben gevolgd, terwijl de moeder van Karen Woodall heeft vernomen dat het een driedaagse cursus betrof. Voorts stelt de moeder dat de term ‘hybride ouderverstoting’ verkeerd door de jeugdprofessional is gebruikt en verwijst hierbij naar een blog van Karen Woodall waarin de term wordt uitgelegd. Ook verwijst de moeder naar het gespreksverslag van een telefoongesprek tussen de moeder en de jeugdprofessional, waarin hij alle fouten toegeeft.

4.3.4 De jeugdprofessional handhaaft zijn verweer zoals gevoerd tijdens de procedure bij het College van Toezicht. In de bestreden beslissing is dit als volgt weergegeven: “Een zaak is ‘hybride’ als het kind ernstig afwijst, alle tekenen van vervreemding vertoont en beide ouders gehandeld hebben op een manier die ervoor heeft gezorgd dat het kind zich terugtrekt. Zoals in het verslag is weergegeven, hebben beide ouders een rol in deze casus. Beide ouders hebben ervoor gezorgd dat het kind naar één ouder is getrokken.”

4.3.5 Voor zover de moeder stelt dat de jeugdprofessional heeft gelogen over de opleiding die hij bij Karen Woodall heeft gevolgd, is het College van Beroep van oordeel dat dit verwijt geen onderdeel uitmaakt van het oorspronkelijke klachtonderdeel zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Het College van Beroep wijst op hetgeen hierover in deze beslissing onder 4.1.2 is opgenomen en laat dit verwijt buiten beschouwing.
Voor wat betreft het verwijt van de moeder dat de term ‘hybride ouderverstoting’ verkeerd door de jeugdprofessional is gebruikt, oordeelt het College van Beroep als volgt. Het College van Toezicht heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het niet is vast te stellen of de term ‘hybride ouderverstoting’ al dan niet correct door de jeugdprofessional is gebruikt. Partijen verschillen hierover van mening en het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om een algemene definitie te geven van een dergelijk complex begrip, noch om deze definitie aan de hand van enkele dossierstukken toe te passen op de onderhavige casus. Daarnaast heeft de moeder in essentie hetzelfde aangevoerd als in eerste aanleg en heeft zij geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die ertoe zouden moeten leiden dat het oordeel van het College van Toezicht onjuist is. Het College van Beroep ziet dan ook geen aanleiding om de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.3.6 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief faalt en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel 2.

4.4 Klachtonderdeel 3

4.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 3 als volgt geformuleerd: “Het verslag van het systeemonderzoek is door de jeugdprofessional willens en wetens gebruikt.”

4.4.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Uit de e-mail van 9 september 2019 (zie onder 2.16) blijkt dat niet de jeugdprofessional maar de jeugdbeschermer van de GI het verslag heeft ingebracht tijdens de rechtszaak. Dat kan de jeugdprofessional niet worden aangerekend. Het College [van Toezicht] toetst alleen het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional aan de algemene tuchtnorm en is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van een instelling te toetsen.Het College van Toezicht heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in dit klachtonderdeel.

4.4.3 De moeder vindt het oordeel van het College van Toezicht te kort door de bocht. De jeugdprofessional was er wel degelijk van op de hoogte dat het verslag zou worden ingebracht in de procedure tot opheffing van de ondertoezichtstelling. De moeder verwijst hierbij naar haar e-mailbericht van 2 september 2019 aan de jeugdprofessional en de jeugdbeschermer, waarin zij hen verzoekt het verslag van het systeemonderzoek niet te gebruiken in de aankomende rechtszaak. Tevens verwijst zij naar de reactie daarop van de jeugdbeschermer van 9 september 2019. De moeder stelt dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat het inbrengen van het verslag in voornoemde procedure de jeugdprofessional niet aangerekend kan worden. De jeugdprofessional wist dat dit verslag ingebracht ging worden en heeft het willens en wetens goedgekeurd. Hij heeft het verslag opgesteld en is er verantwoordelijk voor waar het verslag voor gebruikt wordt. Ook wist de jeugdprofessional dat er fouten in het verslag stonden. De moeder en de jeugdprofessional hebben dit middels een e-mailbericht en telefonisch besproken.

4.4.4 De jeugdprofessional handhaaft zijn verweer zoals gevoerd tijdens de procedure bij het College van Toezicht. In de bestreden beslissing is dit als volgt weergegeven: “De veronderstelling van de moeder klopt niet. De moeder meent dat de jeugdprofessional wist dat hij fout was. De vraag is waarop de moeder dit baseert. Het is haar mening maar die berust niet op feiten.”

4.4.5 Het College van Beroep sluit zich aan bij het oordeel van het College van Toezicht dat de moeder niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel, aangezien niet de jeugdprofessional, maar de jeugdbeschermer het verslag bij de rechtbank heeft ingebracht. Dat de jeugdprofessional wist dat het verslag bij de rechtbank zou worden ingebracht maakt dat niet anders. Daar komt bij dat niet vastgesteld kan worden dat de jeugdprofessional wist dat er fouten in het verslag stonden, zoals de moeder stelt. Uit de stukken volgt immers dat de jeugdprofessional destijds achter zijn onderzoek en verslaglegging stond, ondanks de bezwaren van de moeder. Daar doet het oordeel van het College van Toezicht dat de jeugdprofessional het begrip ‘systeemonderzoek’ ten onrechte boven zijn verslag heeft gezet niet aan af. Dit kan de jeugdprofessional niet achteraf worden tegengeworpen.

4.4.6 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief faalt en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel 3.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in zaaknummer 19.502Ta van 20 april 2020, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 30 december 2020 aan partijen toegezonden.

de heer mr. M.A. Stammes                                                           mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                          secretaris