Maak een selectie

727 van 727

   

Het beroep van een jeugdbeschermer slaagt. Het College van Toezicht heeft ten onrechte op eigen initiatief een klachtonderdeel uitgebreid. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. M.A. Stammes, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M.L.F. Grijseels, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[Jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], hierna te noemen: de GI,

tegen:

[Klager], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de vader, wonende te [plaatsnaam].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, advocaat te Amsterdam.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam partner], partner van de vader.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift, met de bijlagen, dat de vader op 25 februari 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift, met de bijlagen, dat de jeugdprofessional op 17 april 2019 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.055Ta van 15 juli 2019;
– het pro forma beroepschrift, ingediend op 22 juli 2019, en het aanvullende beroepschrift met de bijlagen die de jeugdprofessional op 6 oktober 2019 heeft ingediend;
– het verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel beroep, dat de vader op 20 november 2019 heeft ingediend;
– het verweerschrift tegen het incidentele beroep, dat de jeugdprofessional op 20 januari 2020 heeft ingediend;
– de pleitnota die de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft overgelegd.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen I (deels), II (deels) en VII gegrond verklaard en de klachtonderdelen III, IV, V en VI ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3 De jeugdprofessional heeft op 22 juli 2019 tegen deze beslissing – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 De vader heeft op 20 november 2019 een verweerschrift tegen het beroep ingediend. In dit verweerschrift heeft de vader tevens incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van het College van Toezicht.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Van de zijde van de jeugdprofessional is een gedragsdeskundige van de GI als toehoorder aanwezig geweest.

1.6 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 26 maart 2020 wordt verstuurd.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige zoon die is geboren in 2004. Voordat de zoon één jaar was, is de moeder met hem vertrokken en is zij bij haar moeder en broer ingetrokken.

2.2 De ouders zijn in juni 2006 gescheiden. Zij zijn gezamenlijk belast met het gezag over de zoon.

2.3 Bij beschikking van 1 april 2011 heeft de kinderrechter voor de duur van twaalf maanden de zoon onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling [GI1], hierna te noemen: [GI1]. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bekend tot 1 april 2020.

2.4 Bij beschikking van 22 augustus 2011 heeft de rechtbank de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd in zoverre dat er tussen de zoon en de vader een opbouwende (zorg)regeling is vastgelegd. Deze opbouwende zorgregeling wordt in het belang van de zoon geacht. Aan deze regeling is een dwangsom verbonden per keer dat de moeder haar medewerking weigert te verlenen aan de regeling.

2.5 Op verzoek van [GI1] heeft de kinderrechter bij beschikking van 11 november 2013 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om de zoon in een 24-uurs accommodatie van een zorgaanbieder te plaatsen. De zoon is eind 2013 bij [naam instelling] geplaatst.

2.6 De kinderrechter heeft bij beschikking van 20 mei 2016 [GI1] vervangen door de GI, waarmee de uitvoering van de ondertoezichtstelling is overgedragen van [GI1] aan de GI.

2.7 In juni 2017 hebben de jeugdprofessional en een collega de casus overgenomen van twee andere collega’s.

2.8 De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kinderrechter van 31 maart 2017, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon is verlengd. In de beschikking van 28 juni 2017 overweegt het hof – voor zover relevant – als volgt: “Gelet op de verharde strijd waarin de ouders al jarenlang met elkaar verwikkeld zijn en het effect dat dit heeft op [de zoon], heeft het hof ter zitting aan de ouders een voorstel gedaan, inhoudende dat zij voor de periode van een half jaar op geen enkele wijze contact met elkaar zullen zoeken, of onderhouden, ook niet per e-mail of geschrift. Dit wordt de ‘schotten’ aanpak genoemd: er wordt als het ware een schot tussen de ouders geplaatst. Gedurende zo’n periode verlopen alle contacten op ouderniveau via de GI. In die periode kan het kind zowel bij de vader als bij de moeder verkeren. Deze periode wordt benut om rust te creëren: rust voor de ouders en met name voor [de zoon].”

2.9 Op 19 september 2017 is een brief aan de vader gestuurd namens de manager van de jeugdprofessional. Gelet op de hoeveelheid aan telefonische en face-to-face contacten en veelheid aan e-mailberichten is besloten de communicatie te stroomlijnen. Er is – kort weergegeven – bepaald dat er niet meer per e-mail wordt gecorrespondeerd. Als het nodig is een onderwerp schriftelijk te behandelen, dan wordt dit per brief gedaan. Daarnaast is er eens per week een telefonisch spreekuur ingesteld. Van het telefonisch contact wordt een kort verslag gemaakt dat wordt verstuurd per post.

2.10 Op 1 oktober 2017 is de machtiging tot uithuisplaatsing geëindigd nu de GI geen verlenging van deze machtiging heeft verzocht aan de kinderrechter. De Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, heeft op 2 oktober 2017 kenbaar gemaakt zich niet tegen dit besluit van de GI te verzetten.

2.11 Op 1 oktober 2017 is de zoon bij de moeder gaan wonen. Het is een proefplaatsing onder intensieve begeleiding van [jeugdhulpinstelling], hierna te noemen: de jeugdhulpinstelling. Daarbij was het de bedoeling dat de zoon tien dagen bij de moeder en vier dagen bij vader zou gaan wonen om te bekijken of het perspectief van de zoon bij de moeder ligt, bij de vader of elders. Deze verdeling tussen de moeder en de vader is niet doorgegaan.

2.12 Vanaf november 2017 heeft de jeugdprofessional de casus alleen doorgezet, in verband met een ingediende klacht van de vader tegen haar collega.

2.13 Op 9 november 2017 heeft de jeugdprofessional de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven die inhoudt dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals vastgesteld in de beschikking genoemd onder 2.4, wordt geschorst en dat de GI een verzoekschrift tot wijziging van de contactregeling gaat indienen bij de kinderrechter. In deze schriftelijke aanwijzing is de vader daarnaast een begeleide regeling aangeboden van een uur per week bij de vader thuis. Reden voor deze schriftelijke aanwijzing en het verzoek tot wijziging van de contactregeling is dat de zoon heeft aangegeven de (uitgebreidere) regeling zoals vastgesteld in 2011, niet meer aan te kunnen. Bij beschikking van 15 december 2017 heeft de kinderrechter deze schriftelijke aanwijzing bekrachtigd en is het verzoek van de GI tot wijziging van de contactregeling toegewezen voor de duur van drie maanden.

2.14 Blijkens de beschikking van de kinderrechter van 10 april 2018 heeft de vader niet in kunnen stemmen met begeleide contacten en heeft nogmaals verzocht het contact met de zoon onbegeleid plaats te laten vinden. De kinderrechter is van oordeel dat de veelheid aan procedures en stand van zaken op dat moment, vragen om een onmiddellijke oplossing in het belang van de zoon. De kinderrechter heeft de vader een limiet gesteld en verzocht het aanbod om onder begeleiding de eerstvolgende woensdag contact te hebben, te overwegen en zijn standpunt daarover te bepalen. De vader heeft vervolgens ter zitting uitdrukkelijk gezegd geen gebruik te willen maken van dit aanbod. Gelet hierop heeft de kinderrechter de verzoeken tot het vaststellen van een (minimale) contactregeling moeten afwijzen.

2.15 Op 22 augustus 2018 heeft de jeugdprofessional een brief geschreven aan de vader, waarin staat dat de GI overweegt de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar gezagsbeëindiging van de vader. Daarnaast is, zoals de jeugdprofessional in genoemde brief aan vader meedeelt, besloten de rechtbank te verzoeken een bijzondere curator voor de zoon te benoemen zodat deze kan onderzoeken wat in het kader van de omgang in het belang van de zoon is. Om dit onderzoek te kunnen doen gaat de GI de kinderrechter verzoeken het recht op contact tijdelijk te schorsen.

2.16 Op 28 december 2018 is een bijzondere curator benoemd voor de zoon. In afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van de bijzondere curator is het recht op contact van de vader door de kinderrechter geschorst tot 7 maart 2019.

2.17 Op 25 februari 2019 heeft de jeugdprofessional bij de RvdK een verzoek ingediend tot raadsonderzoek naar gezagsbeëindiging van de vader.

2.18 Op 7 maart 2019 heeft een zitting bij de kinderrechter plaatsgevonden. Tijdens deze zitting heeft de bijzondere curator geadviseerd vooralsnog geen omgang te bepalen tussen de vader en de zoon gelet op de zwaarwegende belangen van de zoon. De vader heeft tijdens deze zitting geweigerd onder begeleiding van derden contact met zijn zoon te hebben, ook niet als die begeleiding van tijdelijke aard zou zijn. De kinderrechter heeft op 7 maart 2019 het recht op omgang voor de duur van één jaar geschorst.

2.19 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van 2 [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift van de jeugdprofessional richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen I (deels), II (deels), en VII (deels), voorzover deze klachtonderdelen gegrond zijn verklaard.

3.4 Het incidentele beroepschrift van de vader richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van de klachtonderdelen I (deels), II (deels), III en VI, voor zover deze klachtonderdelen ongegrond zijn verklaard.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 Hierna zullen de in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de vader in het incidentele beroepschrift nieuwe klachtonderdelen heeft opgenomen zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en kan het College van Beroep daar geen oordeel over geven.

4.2 Klachtonderdelen I en II (principaal en incidenteel beroep)

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht zijn de klachtonderdelen I en II als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional houdt onvoldoende rekening met de voorgeschiedenis van de casus en zij komt de lopende omgangsregeling niet na.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Ten aanzien van het deel van de klacht dat de jeugdprofessional onvoldoende rekening heeft gehouden met de voorgeschiedenis van de casus, stelt het College [van Toezicht] voorop dat het door partijen aangeleverde dossier een veelheid aan bijlagen bevat, die zelfs teruggaan tot 2011. Op de vraag van het College [van Toezicht] tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aan de vader wat hij mist uit de voorgeschiedenis, heeft de vader geantwoord: “het hele dossier”. Gezien de grote hoeveelheid aan stukken, waaronder beschikkingen van de kinderrechter, correspondentie bestaande uit brieven en e-mailberichten, de uitspraak van de klachtencommissie en gespreks- en onderzoeksverslagen is het College [van Toezicht] van oordeel dat er in deze casus sprake is van een zeer uitgebreid dossier. Het College [van Toezicht] volgt de vader dan ook niet in dit deel van de klacht, temeer nu de vader ook bij navraag niet duidelijk aangeeft wat hij specifiek mist.

In het tweede deel van de klacht verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij de lopende omgangsregeling niet nakomt, dan wel heeft stopgezet. Voor het College [van Toezicht] staat vast dat op 22 augustus 2011 door de kinderrechter een omgangsregeling is vastgesteld (kort gezegd: een weekendregeling). Ruim twee jaar later, op 11 november 2013, is de zoon uit huis geplaatst. Van december 2015 tot mei 2016 is er slechts één uur per week begeleid contact geweest tussen de vader en de zoon. Bij beschikking van 21 april 2016 heeft de kinderrechter bepaald dat de oorspronkelijke omgangsregeling van 22 augustus 2011 moest worden hervat. Het College [van Toezicht] heeft uit de stukken opgemaakt dat vanaf medio 2017 het perspectief van de zoon open lag en dat de zoon op dat moment zelf aangaf slechts één uur per week begeleid contact met de vader te willen. Kort daarna, in de zomer van 2017, is de jeugdprofessional bij de casus betrokken geraakt. Vast staat ook dat de zoon vanaf 1 oktober 2017 volledig bij de moeder is geplaatst en dat er vanaf dat moment geen contact meer is geweest tussen de vader en de zoon. Naar het College [van Toezicht] gebleken is, was het oorspronkelijke plan de zoon tien dagen bij de moeder en vier dagen bij de vader te plaatsen, om te onderzoeken waar de zoon het meest tot zijn recht zou komen. Het zogenaamde perspectief lag open. Uit het dossier blijkt dat de vader daar – om hem moverende redenen – geen medewerking aan heeft willen verlenen, en dat de ‘gedeelde plaatsing’ daarom geen doorgang heeft gevonden. Vervolgens is de zoon teruggeplaatst bij de moeder. Omdat de vader uitvoering van de destijds in de beschikking van de rechtbank van 22 augustus 2011 vastgestelde omgangsregeling eiste, heeft de GI besloten de vader op 9 november 2017 een schriftelijke aanwijzing te geven. Daarin is, omdat de zoon nakoming van de oude regeling niet meer aankon en die regeling derhalve niet langer in zijn belang werd geacht, het contact tussen de vader en de zoon beperkt tot één uur begeleide omgang per week. Het College [van Toezicht] leest in de beschikking van 15 december 2017 terug dat de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing heeft bekrachtigd en de regeling van de zorg- en opvoedingstaken van 11 augustus 2011 heeft gewijzigd. In dezelfde beschikking heeft de rechter opgenomen dat de zoon ernstig bedreigd wordt in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en dat door de aanhoudende strijd een veilig en stabiel opvoedbeleid ontbreekt. Gezien de uitlatingen van de zoon tegen de jeugdprofessional, de school, de verschillende hulpverleners en ook de kinderrechter over de contacten met de vader, alsook het klem zitten van de zoon tussen de ouders en de emotionele onveiligheid die de zoon daardoor ervaart, is de kinderrechter met de GI van mening dat het contact met de vader in eerste instantie begeleid opgestart moest worden, en wel zo spoedig mogelijk, nu de zoon daar ook zelf om vraagt en schriftelijk heeft geuit dat dan de verstandhouding tussen hen wel weer zal verbeteren. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional benadrukt dat de strategie altijd gericht is geweest op het herstellen van het contact tussen de vader en de zoon. Het College [van Toezicht] overweegt echter dat voor contactherstel tussen de vader en de zoon de medewerking van de vader noodzakelijk is en dat voldoende is gebleken dat de vader daar niet, althans niet voldoende aan heeft willen meewerken. Het College [van Toezicht] verwijst in dat verband ook naar de beschikking van de kinderrechter van 10 april 2018, waarin de vader verzocht wordt het aanbod om begeleid contact met de zoon te hebben te overwegen, waarna de vader uitdrukkelijk heeft gezegd van dat aanbod geen gebruik te willen maken. De omgangsregeling is derhalve eerst geschorst en daarna gewijzigd, maar het College [van Toezicht] heeft niet kunnen vaststellen dat de jeugdprofessional de omgangsregeling niet nakomt en ziet om die reden in dit deel van de klacht geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Als derde deel van de klacht wordt de jeugdprofessional verweten dat de vader op 30 oktober 2017 een brief heeft ontvangen, waarin zij excuses aanbiedt dat zij de vader niet heeft geïnformeerd dat de zoon niet naar de vader toe wil. Na het lezen van de brief is het College [van Toezicht] gebleken, dat de jeugdprofessional de zoon hierover op 4 oktober 2017 heeft gesproken. Tijdens dat gesprek bleek reeds dat de zoon, ondanks de opdracht van de kinderrechter, niet meer naar de vader wilde. Dergelijke informatie was naar het oordeel van het College [van Toezicht], ook omdat de zoon een paar dagen daarvoor volledig bij de moeder was geplaatst, voor de vader relevant. Op die informatie had hij, als gezaghebbend vader, ook recht. Ondanks de excuses die de jeugdprofessional in de brief heeft aangeboden, levert dit niet (tijdig) informeren van de vader naar het oordeel van het College [van Toezicht] een schending op van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel G (Overeenstemming /instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.” Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen deels gegrond verklaard, voor zover het betrekking heeft op het niet tijdig informeren van de vader dat de zoon geen omgang meer met hem wilde. Voor het overige zijn de twee klachtonderdelen ongegrond verklaard.

Principale beroep
4.2.3 De jeugdprofessional is van mening dat het College van Toezicht de klacht zelfstandig heeft uitgebreid door een derde klachtonderdeel aan klachtonderdeel I en II toe te voegen. Dit derde klachtonderdeel blijkt niet uit de originele klacht zoals door de vader geformuleerd noch uit de mondelinge behandeling van de klacht. De jeugdprofessional heeft bij het College van Toezicht dan ook geen verweer gevoerd tegen dit ‘derde klachtonderdeel’ en is hiermee bij het lezen van de beslissing van het College van Toezicht voor het eerst geconfronteerd. De jeugdprofessional acht dit in strijd met een zorgvuldige (tucht)procesvoering en een eerlijk proces. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst de jeugdprofessional op de beslissing van het College van Beroep in zaaknummer 17.008B-2, waarin is geoordeeld dat het College van Toezicht ten onrechte op eigen initiatief een klacht heeft uitgebreid.

4.2.4 De vader stelt zich op het standpunt dat de woordkeuze ‘derde deel’ wellicht wat verwarrend is van het College van Toezicht, maar de brief van 30 oktober 2017 is in de oorspronkelijke klacht vermeld en is een onderdeel van klachtonderdeel II. Dit is één van de situaties die centraal stond in het klachtonderdeel om aan te tonen dat de omgangsregeling niet werd nageleefd.

4.2.5 Het College van Beroep volgt het standpunt van de jeugdprofessional dat het College van Toezicht ten onrechte het klachtonderdeel heeft uitgebreid en overweegt hiertoe als volgt. Het College van Beroep stelt vast dat de vader klachtonderdeel II bij het College van Toezicht als volgt heeft geformuleerd: “Gezinsvoogd komt de lopende omgangsregeling niet na.” De vader heeft vervolgens in de toelichting op het klachtonderdeel onder meer het volgende opgeschreven: “Pas begin november krijgt hij een mager excuusbriefje (20) voor het niet informeren. Er ontbreekt echter iedere juridische grond of onderbouwing voor het stopzetten van de omgang.” Naar het oordeel van het College van Beroep heeft de toelichting van de vader betrekking op het al dan niet nakomen van de lopende omgangsregeling en heeft hij geen klacht gericht tegen het tijdsverloop tussen het op de hoogte zijn van het feit dat zijn zoon niet naar hem wilde gaan en het hem hierover informeren door de jeugdprofessional. Het College van Beroep kan dan ook niet volgen dat het College van Toezicht in de bestreden beslissing een derde deel van de klacht heeft opgenomen waarin het tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt geacht dat de vader niet (tijdig) is geïnformeerd. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht hiermee het klachtonderdeel van de vader ten onrechte heeft uitgebreid. In dat kader verwijst het College van Beroep naar de beslissing in zaaknummer 17.028B waarin het College van Beroep zich heeft uitgelaten over het ten onrechte uitbreiden van klachtonderdelen en/of klachtonderdelen die zijn gedestilleerd uit een door een klager aangeleverde toelichting. De klager heeft de verantwoordelijkheid om klachten helder te formuleren op grond van artikel 7.5 onder d. van het Tuchtreglement (versie 1.2), al dan niet bijgestaan door een vertrouwenspersoon of een gemachtigde. De omvang van de klachten die ter beoordeling aan de tuchtcolleges voor liggen, dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges zelf, helder te zijn. Teneinde de schijn van partijdigheid te voorkomen heeft het College van Toezicht, dan wel het College van Beroep, niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren en/of te destilleren uit een door een klager aangeleverde toelichting. Voor zover een jeugdprofessional toch aanleiding ziet zich op alle onderdelen te verweren maakt het vorengaande niet anders. Het College van Beroep kan zich indenken dat een jeugdprofessional zich zo goed mogelijk wil verweren in een aanhangige procedure. Juist gelet hierop dient naar het oordeel van het College van Beroep de reikwijdte van de ingediende klachten te allen tijde voor alle betrokkenen helder en transparant te zijn. Concluderend is het College van Beroep van oordeel dat het College van Toezicht klachtonderdeel II ten onrechte heeft uitgebreid.

Het principale beroep ten aanzien van dit klachtonderdeel slaagt.


Incidentele beroep

4.2.6 De vader stelt zich in het incidentele beroep op het volgende standpunt. De vader is het niet eens met de passage uit de beslissing van het College van Toezicht waarin is geoordeeld dat het College van Toezicht de vader niet volgt in zijn stelling dat hij ‘het hele dossier mist’. De vader noemt in zijn beroepschrift voorbeelden van wat hij – wat betreft de voorgeschiedenis – mist in het dossier: de vele zorgen die gerenommeerde instanties en rechters hebben geuit en kenbaar hebben gemaakt over zijn zoon, zijn gezinssituatie bij moeder en moeder zelf. De eerste zorgen dateren uit 2005 en lopen door tot en met de zomer van 2017. Alle zorgen betreffen volgens de vader tot die tijd (de opvoedsituatie bij) de moeder en geen instantie heeft tot dan toe meldingen gedaan over de vader.

Verder is de vader het niet eens met de volgende passage in de beslissing van het College van Toezicht: “uit het dossier blijkt dat vader – om hem moverende redenen – geen medewerking wil verlenen aan gedeelde plaatsing.” De optie van gedeelde plaatsing (middels schottenbenadering) is alleen benoemd, maar nooit inhoudelijk besproken. Op 24 augustus 2017 is er een gesprek geweest met de jeugdprofessional waarin ze aangaf dat ze nog niet voldoende van de casus op de hoogte was, dat ze zaken uit ging zoeken en dat ze nog niet wist of ze als jeugdprofessional in de casus aan zou blijven. De vader en zijn partner hebben vele vragen en zorgen kenbaar gemaakt, maar hierop is geen antwoord gegeven. De volgende dag blijkt dat is besloten dat de zoon teruggaat naar de moeder, terwijl dit niet geregeld, aangegeven of besproken is.

4.2.7 De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader in zijn incidentele beroep (nog steeds) niet concreet heeft gemaakt hoe er door de jeugdprofessional onvoldoende rekening is gehouden met de voorgeschiedenis. De jeugdprofessional wenst te benadrukken dat het niet zo kan zijn dat de vader in beroep nog andere/nieuwe punten ter onderbouwing van dit klachtonderdeel naar voren brengt. Daarnaast zijn de beslissingen over de omgangsregeling uitvoerig onderbouwd en telkenmale bekrachtigd door de kinderrechter en het hof en daarbij is de voorgeschiedenis c.q. context uitvoerig meegewogen. Ten aanzien van de gedeelde plaatsing brengt de jeugdprofessional het volgende naar voren. De gedeelde plaatsing, zoals geadviseerd door het hof en voorgenomen door de GI, heeft geen doorgang gevonden omdat de vader hieraan aantoonbaar zijn medewerking heeft geweigerd. Een gedeelde plaatsing was niet mogelijk omdat de vader het contract voor de proefplaatsing van zes maanden niet wilde tekenen en geen medewerking wilde verlenen. Vervolgens namen de zorgen over de opstelling van de vader na 12 oktober 2017 toe, waardoor het contact beperkt diende te worden c.q. diende te worden aangepast tussen de zoon en de vader en er geen sprake meer kon zijn van een proefplaatsing bij hem.

4.2.8 Het College van Beroep stelt vast dat de vader ten aanzien van de voorgeschiedenis in de beroepsprocedure heeft geprobeerd het klachtonderdeel uit te breiden. Het College van Beroep verwijst naar hetgeen hierover is opgenomen onder 4.1.2 van deze beslissing. Voor zover de grief van de vader betrekking heeft op de gedeelde plaatsing, kan het College van Beroep het standpunt van de vader hierover niet volgen. Het College van Beroep overweegt dat het College van Toezicht in de bestreden beslissing helder uiteen heeft gezet hoe de gang van zaken is geweest ten aanzien van de gedeelde plaatsing en de omgangsregeling. De vader heeft daarnaast onvoldoende feitelijk onderbouwd dat het gesprek op 24 augustus 2017 is verlopen zoals in het incidentele beroepschrift wordt geschetst. Uit het dossier heeft het College van Beroep opgemaakt dat er veelvuldig (uitvoerig) schriftelijk contact is geweest tussen de jeugdprofessional, haar collega en de vader. Zo heeft de jeugdprofessional in de brief aan de vader van 30 juli 2018 geschetst hoe de communicatie met betrekking tot (onder andere) de schottenbenadering is verlopen. Hierbij merkt het College van Beroep ook op dat een deel van deze communicatie voor de betrokkenheid van de jeugdprofessional heeft plaatsgevonden. De vader heeft deze gang van zaken onvoldoende betwist. Naar het oordeel van het College van Beroep is uit de overgelegde stukken voldoende gebleken dat de vader geen medewerking heeft verleend aan de gedeelde plaatsing waardoor er geen sprake is van een onjuist oordeel hierover door het College van Toezicht.

Het incidentele beroep van de vader ten aanzien van deze klachtonderdelen faalt.

4.2.9 Het College van Beroep komt tot het oordeel dat de grief van de jeugdprofessional slaagt en dat de grieven van de vader falen. Het College van Beroep verklaart de klachtonderdelen I en II alsnog  geheel ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel III (incidenteel beroep)

4.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel III als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft hem geen informatie verstrekt over de zoon.”

4.3.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel – voor zover relevant – als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] heeft niet kunnen vaststellen dat de vader niet door de jeugdprofessional is geïnformeerd over de zoon. [..]Voorts is het College [van Toezicht] gebleken dat de jeugdprofessional de vader op 30 juli 2018 schriftelijk heeft geïnformeerd dat de jeugdhulpinstelling – onder meer – gelet op het gesprek van 28 februari 2018 zeker genegen is de vader te informeren, maar er de voorkeur aan geeft de vragen van de vader schriftelijk te beantwoorden. De jeugdprofessional heeft in haar verweer onbetwist verklaard dat de vader van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.[..]” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.3.3 De vader is van mening dat het pertinent onjuist is dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om bij de jeugdhulpstelling informatie op te vragen. De vader stelt dat hij al vanaf september 2017 probeert informatie te krijgen. Dit is schriftelijk gebeurd, per post en e-mail, naar de jeugdprofessional, de GI en de hulpverlening. Het duurt tot februari 2018 voordat er een reactie komt op de vragen over de hulpverlening.

4.3.4 De jeugdprofessional wil benadrukken dat het gaat om de jeugdhulpinstelling, en niet om de GI zoals de vader lijkt te veronderstellen. Het betreft hier een aanbod van de jeugdhulpinstelling om schriftelijk vragen te stellen, maar de vader heeft hier aantoonbaar geen gebruik van gemaakt.

4.3.5 Het College van Beroep overweegt over dit klachtonderdeel als volgt. De overweging van het College van Toezicht waartegen de vader beroep heeft ingesteld, ziet op de mogelijkheid voor de vader om informatie op te vragen bij de jeugdhulpinstelling. Dit betreft geen handelen of nalaten van de jeugdprofessional en om die reden kan dit haar niet tuchtrechtelijk worden verweten.

4.3.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel III.

4.4 Klachtonderdeel VI (incidenteel beroep)

4.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VI als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional zet de vader onterecht weg als niet meewerkend en agressief.”

4.4.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel – voor zover relevant – als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] heeft de stelling van de vader dat de jeugdprofessional hem ‘agressief’ heeft genoemd niet kunnen vaststellen. De vader heeft dit niet met objectieve stukken onderbouwd. De jeugdprofessional heeft in haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling van de klacht ook ontkend dat zij dergelijke uitlatingen heeft gedaan, doch wel heeft zij de vader als ‘verbaal agressief’ omschreven. Wat het College [van Toezicht] in de rapportage omtrent de verlenging van de ondertoezichtstelling van 8 mei 2018 heeft gelezen, is dat de vader zich jegens de jeugdprofessionals grensoverschrijdend heeft gedragen. Bovendien staat, zeker nu de vader dat in zijn klacht ook zelf erkent, voldoende vast dat menig telefoongesprek met de vader niet goed verlopen is en voorts dat hij ook in het bijzijn van zijn zoon gefrustreerd heeft gereageerd. Hoewel het College [van Toezicht] zich bewust is van de onwenselijke impact op de vader van bepaalde beschrijvingen van zijn gedrag, is het College [van Toezicht] van oordeel dat het een jeugdprofessional vrij staat dergelijk gedrag van een betrokken ouder te benoemen. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat de jeugdprofessional hier geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.[..]” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.4.3 De vader stelt over dit klachtonderdeel dat de jeugdprofessional de vader agressief heeft genoemd in een telefoongesprek met zijn partner, in de aanwezigheid van de vader. Deze opmerking heeft veel impact gehad op zijn partner. Dat de jeugdprofessional ‘verbaal agressief’ zou hebben gezegd, is onjuist. Hiervoor hebben de vader en zijn partner het betreffende telefoongesprek te vaak teruggeluisterd.

4.4.4 De jeugdprofessional is van mening dat het oordeel van het College van Toezicht dat de vader dit klachtonderdeel niet met objectieve stukken heeft onderbouwd, juist is. In beroep herhaalt de vader wat hij reeds in eerste aanleg over dit klachtonderdeel naar voren heeft gebracht.

4.4.5 Het College van Beroep stelt vast dat het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de vader zijn stelling niet met objectieve stukken heeft onderbouwd. Ook tijdens de beroepsprocedure heeft de vader dit nagelaten. Partijen hebben een andere visie op hetgeen er al dan niet is gezegd. Onder deze omstandigheden kan het College van Beroep niets ten aanzien van dit klachtonderdeel vaststellen, omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van de vader niet gegrond kan worden bevonden nu het College van Beroep niet de feiten kan vaststellen die hieraan ten grondslag liggen.

4.4.6 Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft de ongegrondverklaring door College van Toezicht van klachtonderdeel VI.

4.5 Klachtonderdeel VII (principaal beroep)

4.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VII als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional neemt beslissingen zonder dit met de vader te bespreken of toe te lichten.”

4.5.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] leest de klacht van de vader aldus dat hij een brief heeft ontvangen waarin staat dat de GI overweegt de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar een gezagsbeëindigende maatregel, dat de vader twee dagen de tijd heeft gekregen daarop te reageren, waarna de vader gedurende twee maanden niets meer van de jeugdprofessional heeft gehoord. Voor het College [van Toezicht] staat vast dat de vader op 22 augustus 2018 van de jeugdprofessional een brief heeft ontvangen waarin staat dat, ondanks diverse pogingen, met de vader geen contact gelegd kan worden, waardoor een aantal besluiten schriftelijk aan hem wordt gecommuniceerd. Eén van de besluiten betreft het voornemen van de GI de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar gezagsbeëindiging van de vader. Het College [van Toezicht] leest in de genoemde brief dat er zorgen over de vader bestaan en dat hij hiervoor verwezen wordt naar een eerder verzoekschrift van 17 november 2017 en stukken die zijn ingediend bij de rechtbank op 11 december 2017. Het College [van Toezicht] overweegt dat het niet zo kan zijn dat de vader uit eerdere stukken heeft moeten kunnen begrijpen, dan wel afleiden, dat een dergelijke ingrijpende maatregel als gezagsbeëindiging in de verwachting lag. Stel dat dit al zo zou zijn, dan nog had het op de weg van de jeugdprofessional gelegen om de vader tenminste te vragen naar zijn mening hierover. Het College [van Toezicht] overweegt voorts dat de inhoud van de overwegingen om tot dit besluit te komen zeer summier zijn en de termijn die de vader is gegeven om te reageren, te weten 24 uur, te kort is en derhalve niet realistisch. Mocht enkel schriftelijke communicatie mogelijk zijn met de vader, en het College [van Toezicht] is zich bewust van het verweer van de jeugdprofessional dat de vader niet in gesprek wilde en ook de postbezorging bij de vader niet vlekkeloos verliep, dan nog had de jeugdprofessional – gelet op de mogelijke impact hiervan op de vader – het verzoekschrift aan de vader moeten doen toekomen en hem daarnaast de gelegenheid moeten geven binnen een redelijke termijn te reageren, alvorens het verzoekschrift naar de rechtbank te sturen. Dat de vader pas in januari 2019 het verzoekschrift ontvangt, terwijl de vader onweersproken heeft gesteld hier tussentijds contact over opgenomen te hebben met de bureaudienst, acht het College [van Toezicht] de jeugdprofessional tuchtrechtelijk te verwijten. De maatregel tot gezagsbeëindiging wordt ervaren als een (zeer) verstrekkende maatregel, en om die reden is het volgens het College [van Toezicht] noodzakelijk dat het voornemen hiertoe door de jeugdprofessional zorgvuldig gemotiveerd wordt. Het verweer van de jeugdprofessional dat zij zich heeft ingespannen het verzoekschrift in januari 2019 alsnog naar de vader te sturen, doet aan deze plicht niet af. Gelet op het voorgaande is het College [van Toezicht] van oordeel dat de jeugdprofessional niet in lijn heeft gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode, in die zin dat de jeugdprofessional onvoldoende oog heeft gehad voor de rol en de positie van de vader als gezaghebbend ouder. Voorts heeft de jeugdprofessional artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden, nu zij de vader onvoldoende heeft meegenomen in het traject de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar gezagsbeëindiging.

Ten aanzien van het deel van de klacht van de vader dat het gezinsplan te laat is opgemaakt en niet met hem is besproken, overweegt het College [van Toezicht] als volgt. De jeugdprofessional heeft onbetwist verklaard dat het gezinsplan te laat is opgesteld als gevolg van de operatie die zij heeft ondergaan. Al eerder bij klachtonderdeel V heeft het College [van Toezicht] geopperd dat het verstandig was geweest de jeugdprofessional gedurende haar afwezigheid te vervangen. Dat dit niet is gebeurd en daardoor het gezinsplan te laat is opgesteld, kan in de ogen van het College [van Toezicht] de jeugdprofessional niet worden aangerekend. Terugkerend punt in de klachten van de vader is dat er niets met hem besproken wordt, waar hij bij het onderhavige klachtonderdeel doelt op het gezinsplan. Het College [van Toezicht] heeft zich reeds eerder uitgesproken over de moeizame samenwerking, waar de vader naar het oordeel van het College [van Toezicht] een groot aandeel in heeft gehad, en overweegt dat dat eveneens toeziet op het bespreken van het gezinsplan.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel gegrond verklaard, doch voor zover het toeziet op het te laat opgestelde gezinsplan niet verwijtbaar.

4.5.3 De jeugdprofessional acht het oordeel van het College van Toezicht dat de jeugdprofessional beslissingen neemt zonder dit met de vader te bespreken, aantoonbaar onjuist. De jeugdprofessional leidt uit het oordeel van het College van Toezicht af dat de onderbouwing is toegespitst op de gezagsbeëindigende maatregel. Allereerst is de jeugdprofessional van mening dat het niet zo kan zijn dat dit klachtonderdeel gegrond wordt verklaard op basis van één beslissing van de jeugdprofessional, terwijl de vader in zijn klachtonderdeel spreekt over beslissingen. Daarnaast deelt de jeugdprofessional het oordeel van het College van Toezicht inhoudelijk ook niet vanwege het volgende. Uit de overwegingen van het College van Toezicht blijkt dat het College van Toezicht ervanuit is gegaan dat in oktober 2018 door de RvdK een verzoekschrift tot gezagsbeëindigende maatregel is ingediend. Dit is onjuist. Het verzoek waar het College van Toezicht het in de overwegingen over heeft, betreft het verzoekschrift van de jeugdprofessional tot wijziging van de contactregeling en benoeming van een bijzondere curator en betreft geen verzoek tot gezagsbeëindiging. Het College van Toezicht heeft twee verzoekschriften door elkaar gehaald. De brief van 22 augustus 2018 waar het College van Toezicht naar verwijst betreft een overweging van de GI om over te gaan tot een verzoek aan de RvdK tot onderzoek naar een verderstrekkende maatregel. Het uiteindelijke besluit om dit verzoek te doen is uiteindelijk later genomen, te weten op 26 februari 2019. De onderbouwing van de brief van 22 augustus 2018 is gelegen in het feit dat er al langere tijd zorgen zijn over de invulling van het gezag door de vader. De recente zorgen kwamen daar nog bij. Dat de vader weigerde in gesprek te gaan met de jeugdprofessional, maakte dat er geen andere optie was dan de vader schriftelijk te informeren. Met betrekking tot de korte reactietermijn op de brief, stelt de jeugdprofessional – zoals ook kenbaar gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van de klacht – dat deze onbedoeld kort is geweest. De brief is later verzonden dan gepland en de reactietermijn was gekoppeld aan de verzenddatum, waardoor deze abusievelijk kort is uitgevallen. De vader heeft echter niet te kennen gegeven meer tijd nodig te hebben voor een reactie. De vader heeft pas achteraf over dit punt geklaagd. Als de jeugdprofessional dit destijds had geweten, had zij hem een langere reactietijd gegeven.

4.5.4 De vader stelt dat het wel degelijk gaat om meerdere beslissingen en niet maar om één beslissing. Daarnaast betwist de vader het standpunt van de jeugdprofessional dat hij niet kenbaar zou hebben gemaakt meer tijd nodig te hebben om te reageren op de brief d.d. 22 augustus 2018. De vader heeft gereageerd en duidelijk gemaakt dat het niet mogelijk is zo snel inhoudelijk te reageren. Een reactie op deze brief heeft de vader pas twee maanden later ontvangen. Dat de jeugdprofessional de vader schriftelijk informeert acht hij acceptabel, maar niet dat er geen of pas weken later vervolg of toelichting komt.

4.5.5 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de jeugdprofessional slaagt en overweegt hiertoe als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het verzoek tot onderzoek naar gezagsbeëindiging op 25 februari 2019 door de jeugdprofessional aan de RvdK is gedaan. Er is dan ook sprake van een omissie door het College van Toezicht voor zover er in de bestreden beslissing is geoordeeld dat de vader het verzoekschrift ten aanzien van de gezagsbeeïndigende maatregel pas in januari 2019 heeft ontvangen. Het College van Beroep heeft, net als de jeugdprofessional, de indruk dat het College van Toezicht in het oordeel twee verzoeken c.q. verzoekschriften heeft verward. De brief van 22 augustus 2018 is bedoeld om de vader te laten reageren op het voornemen van de GI om aan de RvdK een verzoek tot onderzoek naar gezagsbeëindiging te doen. Op dit moment was de beslissing om het verzoek tot onderzoek daadwerkelijk te doen nog niet genomen. Het oordeel van het College van Toezicht berust ten aanzien hiervan dan ook op een kennelijke misslag. De jeugdprofessional heeft onbetwist gesteld dat de reactietermijn op de brief abusievelijk is gekoppeld aan de (latere) verzenddatum en daarom te kort was. Daarnaast heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep een brief overgelegd waaruit blijkt dat zij de vader op 24 oktober 2018 een brief heeft gestuurd waarin zij hem (nogmaals) verzoekt om zijn mening kenbaar te maken over het eventuele verzoek aan de RvdK om een verderstrekkende maatregel te onderzoeken. De vader heeft erkend deze brief te hebben ontvangen. Naar het oordeel van het College van Beroep is de vader derhalve voldoende in de gelegenheid geweest op het voornemen te reageren en was er op dat moment nog geen sprake van een daadwerkelijk verzoek waardoor de vader niet in zijn belangen is geschaad. Volledigheidshalve merkt het College van Beroep nog op dat het verzoekschrift, een verzoek is tot het wijzigen van de contactregeling. In het ingediende verweerschrift bij het College van Toezicht heeft de jeugdprofessional toegelicht dat dit verzoekschrift wordt gestuurd aan de rechtbank en dat deze er vervolgens zorg voor draagt dat deze naar partijen wordt gestuurd. Het College van Beroep ziet in dit kader geen onzorgvuldige handelwijze van de jeugdprofessional, bovendien betreft de geschetste werkwijze de gebruikelijke gang van zaken bij de rechtbank. Dat het langer heeft geduurd bij de rechtbank voordat de vader het verzoekschrift toegestuurd heeft gekregen, waarbij de jeugdprofessional in de tussentijd zich nog heeft ingespannen dat de vader toch een afschrift hiervan zou krijgen, doet aan het voorgaande niet af. Ook ten aanzien van het ingediende verzoekschrift is er dan ook geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de zijde van de jeugdprofessional. Tot slot merkt het College van Beroep het volgende op. In de bestreden beslissing heeft het College van Toezicht het (te) laat opstellen van het gezinsplan gegrond verklaard doch niet tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht. De jeugdprofessional heeft tegen dit deel van de klacht geen beroep ingesteld omdat zij – blijkens het beroepschrift – in de veronderstelling is dat dit deel van de klacht ongegrond is verklaard. Het College van Beroep overweegt ambtshalve over dit deel van de klacht als volgt. Het College van Beroep is van oordeel dat dit deel van de klacht ten onrechte door het College van Toezicht is uitgebreid. Het College van Beroep stelt vast dat het te laat opstellen van het gezinsplan geen onderdeel uitmaakt van het door de vader geformuleerde klachtonderdeel bij het College van Toezicht. Het College van Beroep verwijst voor het ten onrechte uitbreiden van de klacht naar hetgeen is overwogen onder 4.2.5 van deze beslissing en hier als herhaald en ingelast kan worden beschouwd. Anders dan bij de beoordeling van de klachtonderdelen I en II ziet het College van Beroep echter ten aanzien van dit deel van de klacht het belang niet – omdat het College van Toezicht dit handelen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft geacht – om dit oordeel in beroep te herstellen.

4.5.6 De grief van de jeugdprofessional slaagt. Het College van Beroep verklaart klachtonderdeel VII alsnog deels ongegrond, voor zover het de brief van 22 augustus 2018 betreft en het ingediende verzoekschrift ten aanzien van het wijzigen van de contactregeling. Voor het overige handhaaft het College van Beroep het oordeel van het College van Toezicht, zij het onder aanvulling van de motivering.

4.6 Conclusie

4.6.1 Het College van Beroep komt tot de slotsom dat de grieven van de jeugdprofessional slagen en dat de grieven van de vader falen. Dit leidt ertoe dat de klachtonderdelen I en II alsnog in zijn geheel ongegrond worden verklaard en klachtonderdeel VII deels. Nu het College van Toezicht het te laat opstellen van het gezinsplan wel gegrond doch niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft geacht, bestaat er voor het College van Beroep geen aanleiding de opgelegde maatregel van waarschuwing te handhaven. Het College van Beroep zal deze dan ook intrekken en ziet af van het opleggen van een andere tuchtrechtelijke maatregel aan de jeugdprofessional.

4.6.2 Het College van Beroep heeft oog voor de grote impact die de deze complexe zaak heeft gehad op (het handelen van) de jeugdprofessional en het team waarin zij werkzaam is, welke impact nadien door het oordeel van het College van Toezicht nog verder is vergroot. Het College van Beroep merkt in dit kader nog op dat het de indruk heeft dat de jeugdprofessional er steeds naar heeft gestreefd te handelen met het belang van de zoon voorop. Het is het College van Beroep gebleken dat dit vanwege de zeer moeizame samenwerking met de vader en het feit dat er in deze zaak bovengemiddeld veel is gecommuniceerd niet makkelijk is geweest.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – de klachtonderdelen I, II en VII (deels), voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen, alsnog ongegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 15 juli 2019 in zaaknummer 19.055Ta;
  • handhaaft voor het overige het oordeel van het College van Toezicht;
  • trekt de opgelegde maatregel van waarschuwing in.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 26 maart 2020 aan partijen toegezonden.

de heer mr. M.A. Stammes,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris