Maak een selectie

727 van 727

   

Het beroep van de vader slaagt. Voor zover de jeugdprofessional wordt verweten dat zij de vader niet of niet naar behoren heeft betrokken bij het opstellen van de rapportage, wordt de klacht alsnog gegrond verklaard.

Appellant is [de vader], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de vader. Zijn gemachtigde is [de gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

Verweerder is [de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, voorheen werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI]. Haar gemachtigde is de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. De jeugdprofessional is van [datum] 2019 tot [datum] 2020 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd. Met ingang van [datum] 2021 is zij heringetreden en met ingang van die datum staat zij (weer) als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep verwijst naar de beslissing in eerste aanleg van het College van Toezicht in zaaknummer 20.525Ta van 12 augustus 2021. Het College van Toezicht heeft in deze beslissing klachtonderdeel 1 gegrond en klachtonderdeel 2 ongegrond verklaard. Er is geen maatregel aan de jeugdprofessional opgelegd.

1.2 Het College van Beroep gaat uit van de stukken van het College van Toezicht. Daarnaast heeft het College van Beroep kennis genomen van het beroepschrift (ontvangen op 23 september 2021), het verweerschrift (ontvangen op 2 december 2021) en wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van het beroep.

1.3 De digitale mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 april 2022 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de gemachtigden. Tevens is vanuit SKJ een toehoorder aanwezig geweest.

2     De feiten

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De zoon is geboren in 2009 en de dochter in 2007.

2.2 De relatie van de vader en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, is beëindigd. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder en hebben een zorgregeling met de vader. 

2.3 De kinderrechter heeft op 1 mei 2018 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. 

2.4 De jeugdprofessional is op 19 maart 2019 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon. Een collega van de jeugdprofessional was belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter. Vanaf 1 november 2019 werkten de jeugdprofessional en haar collega samen aan deze zaak.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

4     De beoordeling van het beroep

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel 2. Dit klachtonderdeel wordt hieronder weergegeven, waarna het oordeel van het College van Beroep volgt.

4.1 Klachtonderdeel 2

4.1.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 2. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional betrekt de vader niet of niet naar behoren bij het opstellen van rapportages en schendt de privacy door de rapportage naar de advocaat van de vader te sturen.”

4.1.2 Uit het beroepschrift maakt het College van Beroep op dat het beroep van de vader specifiek betrekking heeft op het eerste deel van klachtonderdeel 2, te weten het verwijt dat de jeugdprofessional de vader niet of niet naar behoren heeft betrokken bij het opstellen van [de rapportage]. Het College van Beroep volgt de vader in zijn grief dat het College van Toezicht dit gedeelte van de klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Het College van Beroep neemt daarbij in overweging dat de jeugdprofessional reeds in eerste aanleg en bij herhaling in beroep heeft aangegeven dat zij inziet dat zij de rapportage, in plaats van alleen naar de advocaat van de vader, ook rechtstreeks aan de vader had moeten sturen en hem in de gelegenheid had moeten stellen om op de rapportage te reageren. Het College van Beroep overweegt dat op grond van artikel 4.1.3, eerste en tweede lid, van de Jeugdwet [de rapportage] onderdeel is van verantwoorde hulp, zoals opgenomen in artikel 4.1.1 van de Jeugdwet. Volgens de toelichting op artikel 4.1.3, tweede lid, van de Jeugdwet dient een goed hulpverlener te overleggen met de (jeugdige en) ouders over de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. Om dat te waarborgen, is het vereiste van overleg over de rapportage opgenomen in het tweede lid. Het vereiste van overleg vloeit ook voort uit de ‘Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’. Op pagina 5 van deze richtlijn staat: “Zorg óók bij hulpverlening in het gedwongen kader voor gezamenlijke besluitvorming met ouders en jeugdigen.” Daarnaast volgt uit de toelichting op artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode dat er in het geval van door de rechter opgelegde jeugdhulp en jeugdbescherming meestal geen sprake is van overeenstemming/instemming, maar dat de jeugdprofessional waar mogelijk bij de jeugdige cliënt (en zo nodig diens ouders/opvoeders en andere betrokkenen) zal proberen een proces op gang te brengen met als doel mee te werken aan de hulp- en dienstverlening. Dat de samenwerking tussen de jeugdprofessional en de vader niet optimaal was, de vader mogelijk in een ander kader heeft gezegd niet met de jeugdprofessional te willen spreken en de advocaat van de vader heeft verzocht alle stukken (ook) rechtstreeks naar haar te sturen, doet naar het oordeel van het College van Beroep aan voornoemde verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional niet af. Daarbij neemt het College van Beroep ook in overweging dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep (nogmaals) heeft toegelicht dat de advocaat van de vader had verzocht om alle stukken (ook) rechtstreeks naar haar te sturen, omdat zij niet alle stukken van de vader had ontvangen. Eén van de uitgangspunten bij het uitvoeren van de taak van een jeugdprofessional is het in overleg met ouders en jeugdige opstellen en aanpassen van het hulpverleningsplan, in dit geval [de rapportage]. Volgens het College van Beroep ontslaat het verzoek van de advocaat van de vader de jeugdprofessional daarom dan ook niet van de taak om de rapportage aan de vader te overleggen en zich tot het uiterste in te spannen om het met hem te bespreken. Nu het vast staat dat de jeugdprofessional de rapportage niet rechtstreeks naar de vader heeft gestuurd en heeft nagelaten de rapportage met de vader te bespreken, is het College van Beroep, anders dan het College van Toezicht, van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en met haar handelen artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode heeft geschonden. Gelet hierop zal het College van Beroep de beslissing van het College van Toezicht ten aanzien van dit gedeelte van de klacht vernietigen en klachtonderdeel 2 gedeeltelijk gegrond verklaren.

4.1.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep slaagt.

5     Maatregel: geen maatregel

5.1 Het College van Beroep komt tot de slotsom dat de grief van de vader ten aanzien van klachtonderdeel 2 slaagt. Als gevolg hiervan wordt klachtonderdeel 2, naast klachtonderdeel 1, gedeeltelijk gegrond verklaard, te weten voor dat gedeelte waarbij de jeugdprofessional wordt verweten dat zij de vader niet of niet naar behoren heeft betrokken bij het opstellen van [de rapportage]. Net als het College van Toezicht, ziet het College van Beroep geen aanleiding om de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen en overweegt hierover als volgt. Allereerst heeft de jeugdprofessional gereflecteerd op haar handelen en haar excuses aangeboden. Daarnaast heeft het College van Beroep oog voor de omstandigheden van het geval. Zo was de jeugdprofessional ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd nog een beginnend jeugdbeschermer. Bovendien lijkt sprake te zijn geweest van miscommunicatie met de advocaat van de vader. Tot slot heeft de vader mogelijk, in een ander kader, gezegd niet met de jeugdprofessional te willen spreken en wordt door geen van de partijen ontkend dat de samenwerking tussen de jeugdprofessional en de vader moeizaam was. Dit is het College van Beroep ook gebleken tijdens de mondelinge behandeling van het beroep. Het College van Beroep gaat ervan uit dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit deze casus en in het vervolg anders zal handelen in soortgelijke situaties.

6     De beslissing

Het College van Beroep komt tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel 2 alsnog gedeeltelijk gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 12 augustus 2021;
  • handhaaft voor het overige de beslissing van het College van Toezicht.

Deze beslissing is op 2 juni 2022 genomen door het College van Beroep in de samenstelling van de heer mr. A.P. van der Linden (voorzitter), mevrouw H.C.L. Greuters (lid-jurist), mevrouw R.J. Douglas (lid-beroepsgenoot), de heer W.L. Scholtus (lid-beroepsgenoot) en de heer M.M. Last (lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. S. Pijper (secretaris) en mevrouw mr. A.V. Verweij (tweede secretaris).

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter

mevrouw mr. S. Pijper, secretaris