Maak een selectie

727 van 727

   

Het beroep van de vader slaagt. Voor zover de jeugdprofessional wordt verweten dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot de omgang naar aanleiding van de uitbraak van de coronapandemie, wordt de klacht alsnog gegrond verklaard.

Appellant is [de vader], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de vader. Zijn gemachtigde is [de gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

Verweerder is [de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, voorheen werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI]. Zijn gemachtigde is de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanaf [datum] 2018 staat hij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep verwijst naar de beslissing in eerste aanleg van het College van Toezicht in zaaknummer 20.525Tb van 12 augustus 2021. Het College van Toezicht heeft in deze beslissing de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Er is geen maatregel aan de jeugdprofessional opgelegd.

1.2 Het College van Beroep gaat uit van de stukken van het College van Toezicht. Daarnaast heeft het College van Beroep kennis genomen van het beroepschrift (ontvangen op 23 september 2021), het verweerschrift (ontvangen op 2 december 2021) en wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van het beroep.

1.3 De digitale mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 april 2022 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de gemachtigden. Tevens is vanuit SKJ een toehoorder aanwezig geweest.

2     De feiten

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De zoon is geboren in 2009 en de dochter in 2007.

2.2 De relatie van de vader en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, is beëindigd. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder en hebben een zorgregeling met de vader. 

2.3 De kinderrechter heeft op 1 mei 2018 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI.

2.4 De jeugdprofessional is op 1 november 2019 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter. Een collega van de jeugdprofessional was belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon. Van 1 november 2019 tot 20 mei 2020 werkten de jeugdprofessional en zijn collega samen aan deze zaak.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

4     De beoordeling van het beroep

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klacht. Deze klacht wordt hieronder weergegeven, waarna het oordeel van het College van Beroep volgt.

4.1 De klacht

4.1.1 In de procedure bij het College van Toezicht is de klacht als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft verwijtbaar onzorgvuldig gehandeld met betrekking tot de omgang.”

4.1.2 Uit het beroepschrift en uit de mondelinge toelichting tijdens de digitale mondelinge behandeling van het beroep maakt het College van Beroep op dat het beroep van de vader specifiek betrekking heeft op het door de vader aangehaalde voorbeeld dat de jeugdprofessional naar aanleiding van de uitbraak van de coronapandemie een besluit heeft genomen over de bezoekregeling. De vader is van mening dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat er aan het begin van de uitbraak van de coronapandemie nog veel onduidelijk was over hoe te handelen, waardoor het begrijpelijk wordt geacht dat de jeugdprofessional hierin ook nog zoekende was en de jeugdprofessional om deze reden ten aanzien van dit deel van de klacht geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader slaagt en overweegt hiertoe als volgt. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional erkend dat hij niet juist heeft gehandeld door op 2 april 2020 het volgende e-mailbericht naar de vader te sturen: “Wij, als [de GI], volgen de richtlijnen en adviezen van het RIVM/rijksoverheid. […] Het gevolg hiervan is, tot onze grote spijt, dan ook dat er zolang deze adviezen van kracht zijn, (op dit moment tot de meivakantie) uit oogpunt van veiligheid van zowel u als [de dochter] geen bezoeken kunnen plaatsvinden.” Op 6 april 2020 heeft hij genuanceerd dat het een advies betrof. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional desgevraagd ook toegelicht dat hij al met de ouders in een proces zat om de bezoekregeling anders vorm te geven en hij op dat moment gehandeld heeft naar aanleiding van de angst die bij de moeder heerste omtrent de coronapandemie. Daarnaast stond de dochter al klaar voor het bezoek aan de vader. De jeugdprofessional heeft, naar eigen zeggen, met ‘de korte klap’ geregeerd.
Het College van Beroep is, anders dan het College van Toezicht, van oordeel dat de jeugdprofessional ten aanzien van dit voorbeeld verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft aantoonbaar eerst gehandeld en daarna pas uitgezocht of hij daartoe (juridisch) bevoegd was. In dit geval was door de rechter een zorgregeling vastgesteld, die de jeugdprofessional gewijzigd wilde zien. Dat was niet mogelijk zonder tussenkomst van de rechter. De jeugdprofessional heeft dan ook niet juist gehandeld, door eenzijdig te besluiten dat de bezoeken van de dochter aan de vader tot aan de meivakantie niet konden plaatsvinden. Dat de jeugdprofessional dit besluit na het bezwaar van de vader heeft teruggedraaid en heeft genuanceerd dat het een advies betrof, doet aan de onjuistheid hiervan niet af. Gelet op de omstandigheid dat de jeugdprofessional onder druk en in korte tijd (de dochter stond al klaar) een beslissing moest nemen, had de jeugdprofessional over de contactmomenten met spoed met de ouders in overleg moeten treden. Wanneer hij geen overeenstemming had kunnen bereiken met de ouders en hij tot de meivakantie van de bestaande zorgregeling wilde afwijken, had het op zijn weg gelegen om hiertoe een verzoek in te dienen bij de rechtbank op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek. De jeugdprofessional heeft er echter (in eerste instantie) voor gekozen alle bezoeken tot aan de meivakantie niet door te laten gaan.
Nu de jeugdprofessional niet op de hoogte was van zijn (juridische) (on-)bevoegdheden op dit terrein, acht het College van Beroep artikel B (Bevordering deskundigheid) van de Beroepscode geschonden. In dit artikel is opgenomen dat de jeugdprofessional zijn beroep deskundig uitoefent op basis van actuele kennis en in nauwe aansluiting op ontwikkelingen in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Gelet op het voorgaande zal het College van Beroep de beslissing van het College van Toezicht vernietigen en de klacht ook gegrond verklaren voor zover de klacht ziet op het voorbeeld dat de jeugdprofessional onzorgvuldig heeft gehandeld naar aanleiding van de uitbraak van de coronapandemie. Anders dan de vader, ziet het College van Beroep geen aanleiding de klacht in dit licht volledig gegrond te verklaren, nu de vader in de toelichting bij de klacht ook verwijten heeft aangedragen ten aanzien waarvan het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Het voert om die reden te ver om te oordelen dat de jeugdprofessional in zijn algemeenheid verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot de omgang.

4.1.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep slaagt.

5     Maatregel: geen maatregel

5.1 Net als het College van Toezicht, ziet het College van Beroep geen aanleiding om de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen en overweegt hierover als volgt. De jeugdprofessional heeft allereerst gereflecteerd op zijn handelen en heeft erkend dat hij niet juist heeft gehandeld. Daarnaast heeft het College van Beroep er oog voor dat het handelen van de jeugdprofessional heeft plaatsgevonden aan het begin van de coronapandemie, toen er nog veel onrust, angst en onduidelijkheid heerste (ook over hoe te handelen binnen de jeugdhulp en jeugdbescherming). Het College van Beroep gaat er bovendien vanuit dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit deze casus.

6     De beslissing

Het College van Beroep komt tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – het gedeelte van de klacht dat ziet op het besluit over de bezoekregeling bij de start van de coronapandemie alsnog gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 12 augustus 2021;
  • handhaaft voor het overige het oordeel van het College van Toezicht.

Deze beslissing is op 2 juni 2022 genomen door het College van Beroep in de samenstelling van de heer mr. A.P. van der Linden (voorzitter), mevrouw H.C.L. Greuters (lid-jurist), mevrouw R.J. Douglas (lid-beroepsgenoot), de heer W.L. Scholtus (lid-beroepsgenoot) en de heer M.M. Last (lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. S. Pijper (secretaris) en mevrouw mr. A.V. Verweij (tweede secretaris).

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter

mevrouw mr. S. Pijper, secretaris