Maak een selectie

727 van 727

   

Het beroep van de vader faalt en het incidenteel beroep van de jeugdprofessional slaagt. De klacht van de vader dat de jeugdbeschermer verzuimd heeft contact met de vader op te nemen, naar aanleiding van een melding bij Veilig Thuis (van de vader zelf), heeft het College van Beroep alsnog ongegrond verklaard.

Appellant is [de vader], hierna te noemen: de vader, klager in eerste aanleg, wonende te [woonplaats].

Verweerder is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, beklaagde in eerste aanleg, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI]. De gemachtigde van de jeugdprofessional is de heer mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.

De jeugdprofessional is van [datum] 2014 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is hij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep verwijst naar de beslissing in eerste aanleg van het College van Toezicht in zaaknummers 19.489Ta, 20.094Ta en 20.181Ta van 26 maart 2021 (in totaal 20 klachtonderdelen).

1.2 Het College van Toezicht heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdelen 2 (klacht 2 van zaaknummer 19.489Ta) en 11 (klacht 7 van zaaknummer 20.094Ta) en klachtonderdeel 15 (klacht 2 van zaaknummer 20.181Ta) is gegrond verklaard. Voor het overige heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het College van Toezicht heeft afgezien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional.

1.3 Het College van Beroep gaat uit van de stukken van het College van Toezicht. Daarnaast heeft het College van Beroep kennis genomen van:

  • het beroepschrift (ontvangen op 4 mei 2021);
  • het verweerschrift tevens houdende incidenteel beroep (ontvangen op 19 juli 2021);
  • het verweerschrift tegen het incidenteel beroep (ontvangen op 5 december 2021);
  • de aanvullingen op het beroepschrift (ontvangen op 29 juni 2021 en 15 oktober 2021).

1.4 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 maart 2022 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en zijn gemachtigde.

2     De feiten

2.1 De vader heeft drie minderjarige zonen. De oudste zoon is geboren in 2004, de middelste zoon is geboren in 2006 en de jongste zoon is geboren in 2009.

2.2 De relatie van de vader en de moeder van de kinderen is in 2011 beëindigd. Het ouderlijk gezag over de kinderen werd aanvankelijk tot 23 juni 2016 gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. Op 23 juni 2016 is het gezamenlijk gezag voor de periode van een jaar geschorst. De moeder is in deze periode belast geweest met het eenhoofdig gezag. Vanaf 23 juni 2017 is de schorsing van het gezamenlijk gezag van rechtswege opgeheven. op 21 september 2017 heeft de rechtbank het gezag van de vader beëindigd en is bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan alleen toekomt aan de moeder. Deze beschikking heeft het gerechtshof op 21 augustus 2018 bekrachtigd. De kinderen wonen bij de moeder.

2.3 De kinderrechter heeft op 23 september 2011 de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, maar per 23 maart 2018 beëindigd. Op 12 februari 2019 zijn de kinderen opnieuw onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, maar per 12 mei 2020 beëindigd. 

2.4 De jeugdprofessional heeft de ondertoezichtstelling gedurende drie verschillende periodes uitgevoerd: de eerste periode was rondom de start van de ondertoezichtstelling in 2011, in welke periode op verzoek van de vader een andere gezinsvoogd werd aangesteld. Daarna is de jeugdprofessional gedurende een tweede periode betrokken geweest bij de ondertoezichtstelling, te weten van maart 2016 tot maart 2018. Van 12 februari 2019 tot 12 mei 2020 is de jeugdprofessional voor de derde maal belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode zowel voor de Jeugdzorgwerker als voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) gelet op de wisseling van de registratiekamer tijdens de betrokkenheid van de jeugdprofessional), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

4     De beoordeling van het beroep

Het beroepschrift van de vader richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdelen 1 tot en met 14 en 16 tot en met 20. Het incidenteel beroep van de jeugdprofessional richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel 15. Deze klachtonderdelen worden hieronder weergegeven, waarna het oordeel van het College van Beroep volgt.

4.1 Klachtonderdeel 1 (klacht 1 zaaknummer 19.489Ta, principaal beroep)

4.1.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 1. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt geformuleerd: “De door de rechtbank opgelegde omgangsregeling tussen de vader en de kinderen wordt niet nageleefd, waar de jeugdprofessional zorg voor dient te dragen. De jeugdprofessional weigert uitvoering te geven aan de beschikkingen van 12 februari 2019, 11 maart 2019 en 27 september 2019.”

4.1.2  Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht dit klachtonderdeel terecht ongegrond heeft verklaard. De stellingen van de vader in beroep komen in essentie neer op een herhaling van de stellingen die hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. Het College van Beroep is het eens met de overwegingen van het College van Toezicht dat niet is gebleken dat de jeugdprofessional geweigerd heeft uitvoering te geven aan de beschikking van 27 september 2019 en neemt deze over. Voor zover de vader in beroep aanvoert dat de jeugdprofessional tot 6 juni 2019 geen actie heeft ondernomen voor herstel van het contact tussen de vader en de oudste zoon, ziet het College van Beroep niet in welk tuchtrechtelijk verwijt de jeugdprofessional kan worden gemaakt. Zo heeft de rechtbank de vader op 25 juli 2018 het recht op omgang met de oudste zoon ontzegd voor de duur van twaalf maanden. Tot 25 juli 2019 kon derhalve geen omgang plaatsvinden tussen de vader en de oudste zoon. Dat de jeugdprofessional voor die tijd geen actie heeft ondernomen tot herstel van het contact tussen de vader en de oudste zoon, acht het College van Beroep dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Bovendien kan het College van Beroep de vader niet volgen dat de jeugdprofessional belast was met het herstel van het contact tussen de vader en de oudste zoon. Zo is in de beschikking van de kinderrechter van 12 februari 2019 (waarin de kinderen opnieuw onder toezicht zijn gesteld) onder andere het volgende opgenomen: “Daarnaast kan de gezinsvoogd gedurende de ondertoezichtstelling samen met de kinderen een vertrouwensband opbouwen en hen ondersteunen bij de omgangsregeling met hun vader. In juli 2019 verloopt de ontzegging van het contact tussen de vader en [de oudste zoon]. Het is belangrijk dat [de oudste zoon] dan voldoende ruimte krijgt om mogelijke veranderingen in zijn gevoelens voor zijn vader te bespreken met een onafhankelijke derde.” Het College van Beroep leest hierin dat de rechtbank het naderende einde van de ontzegging van de omgang met de oudste zoon onder de aandacht heeft willen brengen en de eventuele professionele ondersteuning bij deze verandering voor de oudste zoon. Zo ver is het echter niet gekomen, aangezien de zoon begin juni 2019 de uitlatingen heeft gedaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag in het verleden door de vader, naar aanleiding waarvan de jeugdprofessional op 24 juni 2019 een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling heeft ingediend.

4.1.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.2 Klachtonderdeel 2 (klacht 2 zaaknummer 19.489Ta, principaal beroep)

4.2.1 In de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 2 als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft middels aantoonbare onwaarheden eraan bijgedragen, dan wel ervoor gezorgd, dat het gezag van de vader beëindigd is.” Het College van Toezicht heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in het klachtonderdeel.

4.2.2 Het College van Toezicht heeft terecht overwogen dat het College van Beroep in zaaknummer 18.019B over dit klachtonderdeel al een beslissing heeft genomen. In beroep voert de vader aan dat er zich nieuwe feiten hebben voorgedaan. De vader verwijst naar een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) van 19 november 2020, met als onderwerp “Rectificatie”. Hieruit zou volgens de vader volgen dat de jeugdprofessional de rechtbank en de RvdK in 2016 en 2017 onjuist heeft geïnformeerd over de medische behandelingen van de kinderen. Alhoewel daar überhaupt geen juridische grondslag toe bestaat, geeft deze brief het College van Beroep geen aanleiding om terug te komen op de eerdere beslissing in zaaknummer 18.019B, waarin is geoordeeld dat niet is gebleken dat de jeugdprofessional de RvdK onjuist heeft geïnformeerd en de feiten (bewust) verdraaid heeft. Zo staat in deze brief, onder meer, het volgende: “U heeft -naar achteraf is gebleken, maar gedurende het onderzoek in 2017 nog niet bekend was- terecht gesteld dat er geen sprake was van een meervoud van medische behandelingen, maar van slechts één medische behandeling”. Dat volgens de RvdK achteraf is gebleken dat het niet om een meervoud van medische behandelingen ging, brengt nog niet met zich mee dat de jeugdprofessional in 2016 en 2017 onjuiste informatie heeft verschaft en evenmin dat de jeugdprofessional hiermee heeft bijgedragen aan de beëindiging va het gezag van de vader.

4.2.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 3. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt geformuleerd:  “Het achterhouden van essentiële zaken na de aantijgingen die de oudste zoon van de vader heeft gedaan. Volgens de vader kan de jeugdprofessional wel inschatten dat deze aantijgingen niet waar zijn.”

4.3.2 Het College van Beroep oordeelt dat de vader in beroep de stellingen die hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, heeft herhaald. Het College van Beroep onderschrijft het oordeel van het College van Toezicht en de overwegingen waarop dat oordeel rust. Van een jeugdprofessional mag worden verwacht dat een dergelijk ernstige melding, met potentieel verstrekkende gevolgen, serieus genomen wordt en dat voorzichtigheid en een terughoudende opstelling is geboden. Zeker wanneer ook een politieonderzoek loopt. Mede gelet op de te betrachten terughoudendheid kan niet gesteld worden dat de jeugdprofessional essentiële informatie heeft achtergehouden richting de rechtbank. Het College van Beroep kan zich dan ook verenigen met het oordeel van het College van Toezicht dat de jeugdprofessional in dit kader geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.3.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.4 Klachtonderdeel 4 (klacht 4 zaaknummer 19.489Ta, principaal beroep)

4.4.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 4. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt geformuleerd: “De jeugdprofessional weigert zichzelf te laten vervangen dan wel een tweede jeugdprofessional toe te laten ondanks de eerdere aanbeveling van het College van Toezicht, de gebrekkige samenwerking en meerdere gegrond verklaarde klachten.”

4.4.2 De tuchtcolleges van SKJ hebben in de procedures waarbij partijen betrokken zijn geweest, bij herhaling geoordeeld dat het laten vervangen van een jeugdprofessional een bevoegdheid van de GI is, waardoor de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College van Beroep sluit zich daar opnieuw bij aan. Bovendien heeft de jeugdprofessional ook in de onderhavige procedure zorgvuldig gemotiveerd waarom hij ervoor heeft gekozen als jeugdbeschermer te blijven optreden.

4.4.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.5 Klachtonderdeel 5 (klacht 1 zaaknummer 20.094Ta, principaal beroep)

4.5.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 5. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “Ook na de beslissing van het College van Toezicht van 21 oktober 2019 blijven weigeren het plan van aanpak te overleggen en te bespreken met de vader.”

4.5.2 Het College van Beroep kan zich verenigen met het oordeel van het College van Toezicht dat er geen wettelijke plicht bestaat waaruit volgt dat met de vader, een ouder zonder gezag, overleg gevoerd dient te worden over het plan van aanpak. Het College van Toezicht heeft terecht overwogen dat in artikel 1.1 van de Jeugdwet in de begripsbepalingen onder “ouder” expliciet de “gezaghebbende ouder” wordt genoemd (naast de adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder). De omstandigheid dat de vader in de procedure bij de rechtbank is aangemerkt als belanghebbende, maakt dit niet anders. Het zijn van belanghebbende heeft in een procedure bij de rechtbank verschillende gevolgen, bijvoorbeeld dat zij recht hebben op inzage en afschrift van de processtukken (artikel 290 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), maar die gevolgen zijn beperkt tot de procedure bij de rechtbank.

4.5.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.6 Klachtonderdeel 6 (klacht 2 zaaknummer 20.094Ta, principaal beroep)

4.6.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 6. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional weigert na de beschikkingen van 24 oktober 2019, 14 november 2019 en 16 januari 2020 binnen de wettelijk gestelde termijnen een plan van aanpak met de vader te overleggen en te bespreken. Dit terwijl de vader in de procedures tot verlenging van de ondertoezichtstelling als belanghebbende is aangemerkt.”

4.6.2 Het College van Beroep overweegt dat de beroepsgronden van de vader een herhaling betreffen van hetgeen hij in de procedure in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. Het College van Beroep ziet geen aanleiding anders te oordelen dan het College van Toezicht. Voor wat betreft de stelling van de vader dat het College van Toezicht eraan voorbij gaat dat hij door de rechtbank als belanghebbende is aangemerkt in de procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling, verwijst het College van Beroep naar hetgeen daarover is overwogen in het vorige klachtonderdeel.

4.6.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.7 Klachtonderdeel 7 (klacht 3 zaaknummer 20.094Ta, principaal beroep)

4.7.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 7. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional weigert uitvoering te geven aan de beschikking van 27 september 2019 waarbij de rechtbank hem heeft belast met de uitvoering van de omgangsregeling.”

4.7.2 Het College van Toezicht heeft zich bij dit klachtonderdeel beperkt tot de beoordeling van het aanvullende verwijt van de vader dat de jeugdprofessional geen verlengingsverzoek van de ondertoezichtstelling heeft ingediend, ondanks dat de omgangsregeling niet liep en de jeugdprofessional wel zou moeten weten dat bij het eindigen van de ondertoezichtstelling de voorlaatste omgangsbeschikking weer zou gaan gelden. Zo heeft het College van Toezicht vastgesteld dat reeds onder klachtonderdeel 1 is overwogen dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het tenuitvoerleggen van de beschikking van 27 september 2019. Mede in dit licht kan ook het verwijt van de vader over het niet verlengen van de ondertoezichtstelling niet slagen. Op het moment dat de jeugdprofessional de afsluitrapportage van de ondertoezichtstelling indiende was er immers sprake van omgang. Bovendien kan het College van Beroep zich niet aan de indruk onttrekken dat de vader de ondertoezichtstelling met name verlengd had willen zien, om de omgang tussen hem en de kinderen nader vorm te geven. Het College van Beroep acht het in dit kader van belang dat de rechtbank – ondanks de door de vader naar voren gebrachte omgangsproblematiek – kennelijk heeft beoordeeld dat de betrokken minderjaren niet langer ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, zodat dat de gronden voor een ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zijn. Het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om in de beoordeling van rechterlijke beslissingen te treden. Indien de vader het niet eens is met het beëindigen van de ondertoezichtstelling, staat daar een andere procedure voor open en kan dit niet (indirect) aangevochten worden door een tuchtrechtelijke procedure aanhangig te maken. Gelet op het voorgaande sluit het College van Beroep zich aan bij het College van Toezicht dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het niet laten verlengen van de ondertoezichtstelling.

4.7.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.8 Klachtonderdeel 8 (klacht 4 zaaknummer 20.094Ta, principaal beroep)

4.8.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 8. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional weigert zichzelf te vervangen ondanks meerdere verzoeken daartoe van de vader. Dat geldt eveneens voor een onderzoek naar ouderverstoting.”

4.8.2 Net als het College van Toezicht stelt het College van Beroep vast dat het eerste gedeelte van dit klachtonderdeel reeds als ongegrond is beoordeeld onder klachtonderdeel 4. Ten aanzien van het door de vader gewenste onderzoek naar ouderverstoting werpen de standpunten van de vader in beroep geen ander licht op het oordeel van het College van Toezicht. Het College van Toezicht heeft zorgvuldig gemotiveerd dat een jeugdprofessional (in het gedwongen kader) tot op zekere hoogte een eigen professionele verantwoordelijkheid en bevoegdheid heeft om af te wegen hoe de uitvoering van de ondertoezichtstelling vormgegeven zal worden. Het College van Beroep handhaaft dan ook het oordeel van het College van Toezicht.

4.8.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.9 Klachtonderdeel 9 (klacht 5 zaaknummer 20.094Ta, principaal beroep)

4.9.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 9. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional dient onrechtmatig de afsluitrapportage van de ondertoezichtstelling in.”

4.9.2 In de beroepsgronden brengt de vader (opnieuw) naar voren dat de omgangsregeling volgens hem niet liep en dat de jeugdprofessional de gang van zaken hieromtrent onjuist heeft weergegeven in de afsluitrapportage van de ondertoezichtstelling. Zoals reeds uit de beoordeling onder klachtonderdelen 1 en 7 valt de jeugdprofessional geen verwijt te maken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de beschikking van 27 september 2019 en de beslissing van de jeugdprofessional ten aanzien van het niet verlengen van de ondertoezichtstelling. Als gevolg hiervan kan de jeugdprofessional naar het oordeel van het College van Beroep ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt ten aanzien van het indienen van de afsluitrapportage van de ondertoezichtstelling. Voor het overige heeft de vader (ook in beroep) onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de afsluitrapportage feitelijke onjuistheden bevat.

4.9.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.10 Klachtonderdeel 10 (klacht 6 zaaknummer 20.094Ta, principaal beroep)

4.10.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 10. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional weigert te monitoren dat de moeder de door de rechtbank vastgestelde informatieregeling nakomt en hier actie in te ondernemen.”

4.10.2 Het College van Beroep onderschrijft het oordeel van het College van Toezicht dat een jeugdbeschermer vanuit zijn of haar regiefunctie de mogelijkheid heeft om ouders erop aan te spreken dat zij hun wettelijke plichten jegens hun kinderen en/of de andere ouder dienen na te komen, maar dat de eerste verantwoordelijkheid om wettelijke plichten jegens een andere ouder na te komen, bij de ouders zelf ligt. De stelling van de vader dat hij door de rechtbank als belanghebbende is aangemerkt, maakt dit niet anders. Het College van Beroep verwijst (opnieuw) naar hetgeen hierover is overwogen onder klachtonderdeel 5.

4.10.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.11 Klachtonderdeel 11 (klacht 7 zaaknummer 20.094Ta, principaal beroep)

4.11.1 In de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 11 als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft verzuimd actie te ondernemen dan wel te reageren op de vele indoctrinaties die de kinderen de afgelopen jaren hebben moeten ondervinden.” Het College van Toezicht heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in dit klachtonderdeel.

4.11.2 Het College van Beroep kan zich verenigen met het oordeel van het College van Toezicht dat de vader heeft nagelaten de feiten en gronden van dit klachtonderdeel te voorzien van een heldere toelichting of onderbouwing. Ook in beroep heeft de vader nagelaten te concretiseren welk handelen (of nalaten) de jeugdprofessional specifiek (en op welke momenten) wordt verweten. Het overleggen van een lijst met voorbeelden die volgens de vader duiden op indoctrinatie van de kinderen (door de moeder) is daartoe onvoldoende.

4.11.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.12 Klachtonderdeel 12 (klacht 8 zaaknummer 20.094Ta, principaal beroep)

4.12.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 12. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional stuurt de afsluitrapportage ter kennisname aan de vader, terwijl hij weet dat de vader inmiddels als belanghebbende is aangemerkt.”

4.12.2 Het College van Beroep oordeelt dat de vader in beroep geen standpunten naar voren heeft gebracht die ertoe zouden moeten leiden dat de beslissing van het College van Toezicht op dit punt vernietigd moet worden. De vader heeft in beroep zijn klacht herhaald en het College van Toezicht heeft onder 5.12.3 van de beslissing zorgvuldig gemotiveerd dat het in de gegeven omstandigheden navolgbaar is dat de jeugdprofessional de afsluitrapportage slechts ter kennisname aan de vader heeft gestuurd. Het College van Beroep is het eens met deze overwegingen.

4.12.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.13 Klachtonderdeel 13 (klacht 9 zaaknummer 20.094Ta, principaal beroep)

4.13.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 13. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt geformuleerd: “De inhoud van de afsluitrapportage is eenzijdig gekleurd, staat vol onwaarheden en is niet transparant opgesteld.”

4.13.2 Dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de nakoming van de beschikking van 27 september 2019, de beslissing om de ondertoezichtstelling niet te verlengen en het indienen van de afsluitrapportage, is reeds als ongegrond beoordeeld onder klachtonderdelen 1, 7 en 9. Net als het College van Toezicht, is het College van Beroep van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbare bewoordingen in de afsluitrapportage niet is gebleken. Ook in beroep heeft de vader onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd welke passages tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn en waarom.

4.13.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.14 Klachtonderdeel 14 (klacht 1 zaaknummer 20.181Ta, principaal beroep)

4.14.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 14. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft voorafgaand aan het wijzigingsverzoek omgang van 24 juni 2019 zijn positie als professional misbruikt en onwaarheden verkondigd aan de rechtbank. Ook is de rechtbank niet volledig geïnformeerd.”

4.14.2 Het College van Beroep stelt vast dat het College van Toezicht heeft overwogen dat dit klachtonderdeel en de toelichting daarop nagenoeg hetzelfde verwijt behelst als het ongegrond verklaarde klachtonderdeel 3. Onder verwijzing naar de beoordeling bij dat klachtonderdeel oordeelt het College van Toezicht dat niet gebleken is dat de jeugdprofessional voorafgaand aan het wijzigingsverzoek van 24 juni 2019 zijn positie als professional heeft misbruikt en onwaarheden heeft verkondigd aan de rechtbank. In beroep voert dat de vader aan dat het College van Toezicht over het hoofd ziet dat het in dit klachtonderdeel, anders dan in klachtonderdeel 3, gaat over het verdraaien van de uitlatingen van [hulpverleningsinstantie]. De vader heeft in zijn beroepschrift een opsomming gegeven van beweringen die de jeugdprofessional volgens hem bij de rechtbank heeft gedaan, maar heeft niet onderbouwd waaruit zou moeten blijken dat de jeugdprofessional de uitlatingen van [hulpverleningsinstantie] heeft verdraaid. Het College van Beroep handhaaft dan ook het oordeel van het College van Toezicht.

4.14.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.15 Klachtonderdeel 15 (klacht 2 zaaknummer 20.181Ta, incidenteel beroep)

4.15.1 Het beroep van de jeugdprofessional richt zich tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel 15. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft verzuimd contact op te nemen met de vader naar aanleiding van een melding bij Veilig Thuis.”

4.15.2 Het College van Beroep oordeelt dat het College van Toezicht het klachtonderdeel ten onrechte gegrond heeft verklaard. Het College van Beroep acht de door het College van Toezicht beschreven norm juist dat het onder de taken van een jeugdprofessional valt om de direct betrokkene(n) te informeren, nadat een Veilig Thuis melding wordt overgedragen. Anders dan het College van Toezicht, acht het College van Beroep het echter in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de jeugdprofessional dat in de onderhavige casus heeft nagelaten. Het College van Beroep kan zich voorstellen dat het voor de vader prettig was geweest wanneer hij wel een terugkoppeling van de jeugdprofessional had ontvangen (waarin bijvoorbeeld kenbaar zou worden gemaakt dat de jeugdprofessional naar aanleiding van de melding geen vervolgstappen zou zetten), maar acht het te ver gaan om te oordelen dat de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke norm heeft geschonden door dat na te laten. Daartoe acht het College van Beroep het van belang dat het een melding van de vader zelf betrof en hij in die hoedanigheid reeds op de hoogte was van de melding. Het College van Beroep ziet dan ook niet in op welke wijze de vader hierdoor in zijn belangen is geschaad. Bovendien heeft de vader niet betwist dat de inhoud van de melding (rondom ouderverstoting) voor de jeugdprofessional geen nieuwe informatie bevatte en dat de jeugdprofessional naar aanleiding van de melding actie heeft ondernomen jegens de moeder en de zoon. Gelet hierop zal het College van Beroep de beslissing van het College van Toezicht vernietigen en klachtonderdeel 15 alsnog ongegrond verklaren.

4.15.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de jeugdprofessional slaagt.

4.16 Klachtonderdeel 16 (klacht 3, zaaknummer 20.181Ta, principaal beroep)

4.16.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 16. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional geeft tegenstrijdige signalen af aan de rechtbank.”

4.16.2 Net als het College van Toezicht oordeelt het College van Beroep dat reeds is geconcludeerd dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt rondom het indienen van de afsluitrapportage en daardoor evenmin rondom het ingediende verweerschrift van 12 maart 2020 in de procedure bij het gerechtshof, waarin is verzocht de omgangsregeling van 27 september 2019 in stand te houden, omdat de moeder en de ex-partner van de vader in overleg afspraken konden maken over de begeleide omgang. De standpunten van de vader in beroep (die een herhaling betreffen van de eerdere stellingen over de omgang) kunnen daar geen verandering in brengen.

4.16.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.17 Klachtonderdeel 17 (klacht 4 zaaknummer 20.181Ta, principaal beroep)

4.17.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 17. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional is zijn belofte niet nagekomen die aan de rechtbank is gedaan.”

4.17.2 De behandeling in beroep heeft geen ander licht geworpen op de beoordeling van dit klachtonderdeel. Zoals reeds onder klachtonderdeel 1 is beoordeeld valt de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt te maken ten aanzien van de uitvoering die is gegeven aan de omgangsregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 27 september 2019. Uit de stukken blijkt dat in de correspondentie na voornoemde beschikking zowel Humanitas, als de begeleiding door de ex-partner van de vader ter sprake komen. Vervolgens is begeleide omgang middels de ex-partner van de vader tot stand gekomen, hetgeen in lijn is met de beschikking van 27 september 2019.

4.17.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.18 Klachtonderdeel 18 (klacht 5 zaaknummer 20.181Ta, principaal beroep)

4.18.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 18. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft de vader toegezegd dat hij eerst zou zorgen de omgangsregeling uitvoerbaar te maken voordat hij de ondertoezichtstelling zou afsluiten.”

4.18.2 Het College van Beroep overweegt dat reeds uitvoerig is gemotiveerd dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt door te beslissen de ondertoezichtstelling – ondanks de door de vader naar voren bedenkingen over de uitvoering van de omgangsregeling – niet te verlengen. De omgangsregeling is uitvoerbaar gebleken, ook na het beëindigen van de ondertoezichtstelling. De vader heeft in beroep geen standpunten naar voren gebracht die het College van Beroep aanleiding geven daar anders over te oordelen.

4.18.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.19 Klachtonderdeel 19 (klacht 6 zaaknummer 20.181Ta, principaal beroep)

4.19.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 19. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “De jeugdprofessional heeft de omgangsbeschikking zonder tussenkomst van de rechtbank gewijzigd, wat in strijd is met de Nederlandse geldende rechtspraak.”

4.19.2 Het College van Beroep oordeelt dat de behandeling van de zaak in beroep geen ander licht op de beoordeling van dit klachtonderdeel heeft geworpen. De stelling van de vader dat de jeugdprofessional de omgangsregeling heeft gewijzigd door de duur van de omgang en de goedkeuring van een derde over te laten aan de moeder, kan het College van Beroep niet volgen. Het College van Beroep is het eens met het College van Toezicht dat ouders na het eindigen van de ondertoezichtstelling een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben om uitvoering te geven aan de omgangsregeling, dan wel dat het op de weg van de ouder(s) ligt om een wijzigingsverzoek met betrekking tot de omgang bij de rechtbank in te dienen. Dat laatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien de opgelegde begeleiding wegvalt, of er sprake is van een gewijzigde omstandigheid (zoals de geseponeerde aangifte).

4.19.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

4.20 Klachtonderdeel 20 (klacht 7 zaaknummer 20.181Ta, principaal beroep)

4.20.1 Het beroep van de vader richt zich tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel 20. In de procedure bij het College van Toezicht is dit klachtonderdeel als volgt is geformuleerd: “Ondanks het einde van de ondertoezichtstelling wil de jeugdprofessional persé aanwezig zijn bij het hoger beroep over het gezag van de vader.”

4.20.2 Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van dit klachtonderdeel. Ook in beroep heeft de vader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de jeugdprofessional de vader wilde dwarszitten door, na de beëindiging van de ondertoezichtstelling, aanwezig te zijn bij de zitting. De vader heeft die stelling niet met stukken onderbouwd.

4.20.3 Het College van Beroep is van oordeel dat het beroep van de vader faalt.

5     De beslissing

Het College van Beroep komt tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel 15 alsnog ongegrond;
  • handhaaft voor het overige het oordeel van het College van Toezicht in de beslissing van 26 maart 2021 in zaaknummers 19.489Ta, 20.094Ta en 20.181Ta.

Deze beslissing is op 28 april 2022 genomen door het College van Beroep in de samenstelling van de heer mr. M.A. Stammes (voorzitter), mevrouw mr. C.C.J. Maas-van Es (lid-jurist), mevrouw M. Grol (lid-beroepsgenoot), mevrouw M.L.F. Grijseels (lid-beroepsgenoot) en mevrouw D.J.E. de Graaf (lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. A.V. Verweij (secretaris).

de heer mr. M.A. Stammes, voorzitter

mevrouw mr. A.V. Verweij, secretaris