Maak een selectie

727 van 727

   

Het beroep van de oma faalt. De beschrijvingen van partijen van wat de oma heeft gezegd tijdens het huisbezoek lopen uiteen. Net als het College van Toezicht kan het College van Beroep onder deze omstandigheden niet vaststellen wat de feitelijke gang van zaken is geweest, zodat de klacht niet gegrond kan worden bevonden.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
mevrouw mr. C.C.J. Maas, lid-jurist,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[Appellante], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de oma, wonende te [woonplaats],

tegen:

[Verweerster], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De oma wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer [gemachtigde], werkzaam als rechtskundig adviseur.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers, werkzaam bij &Jeugd.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het aangepaste klaagschrift, ontvangen op 16 september 2020;
– het verweerschrift, ontvangen op 6 november 2020;
– de reactie op het geluidsfragment, ontvangen op 5 januari 2021;
– de conclusie van repliek, inclusief twee aanvullende stukken, ontvangen op 4 februari 2021;
– de conclusie van dupliek, ontvangen op 19 maart 2021;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 20.343Ta van 3 mei 2021;
– het beroepschrift dat de oma op 14 juni 2021 tegen voornoemde beslissing heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 29 september 2021 heeft ingediend;

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht van de oma ongegrond verklaard.

1.3 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 2 december 2021 in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Vanuit SKJ is een tweede medewerker aanwezig geweest.

2     De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De betrokken minderjarige, hierna te noemen: de kleindochter, is geboren in 2017. De vader en moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kleindochter. In de periode waarop de klacht ziet woont de kleindochter samen met haar moeder bij de oma.

2.2 De kinderrechter heeft op 5 juli 2018 de kleindochter onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd.

2.3 De jeugdprofessional is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kleindochter.

2.4 De vader heeft de rechtbank op 15 mei 2019 verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kleindochter bij hem te bepalen. Op 20 november 2019 is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) door de rechtbank verzocht om een onderzoek uit te voeren inzake de hoofdverblijfplaats van de kleindochter en een zorg- en contactregeling met de niet-verzorgende ouder.

2.5 Op 12 december 2019 heeft de jeugdprofessional samen met een collega een onaangekondigd huisbezoek bij de oma afgelegd. Met toestemming van de jeugdprofessional heeft de oma het gesprek opgenomen. De oma heeft een transcriptie van het gesprek gemaakt.

2.6 Partijen hebben elk een andere beleving over wat tijdens het huisbezoek door de oma is gezegd.

2.7 In het gespreksverslag van voornoemd huisbezoek zoals opgesteld door de jeugdprofessional staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen: “Oma benoemde dat [de kleindochter] is middels verkrachting verwekt. Dit heeft ze gezegd toen [de kleindochter] achter haar op de bank ligt. Dit Zoals zij het gezegd heeft klonk haar boosheid in haar stem”. In de transcriptie van de oma staat deze zinsnede niet opgenomen.

2.8 In het kader van het raadsonderzoek is de jeugdprofessional op 9 maart 2020 als informant telefonisch benaderd. In het raadsrapport staat opgenomen dat volgens de jeugdprofessional de oma in aanwezigheid van de kleindochter heeft gezegd dat zij door verkrachting is verwekt.

2.9 Op 23 maart 2020 heeft de jeugdprofessional haar collega verzocht om naar de gegeven informatie wat betreft het huisbezoek in het raadsrapport te kijken, alvorens dit te accorderen. De collega heeft aangegeven dat het correct stond beschreven.

2.10 Met verwijzing naar de transcriptie heeft de oma de RvdK verzocht om de zinssnede onder 2.8 uit het raadsrapport te verwijderen. Dit verzoek is door de RvdK afgewezen omdat de jeugdprofessional de tekst heeft geaccordeerd.

2.11 Op 24 juli 2020 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kleindochter bij de vader bepaald, waarbij zij middels een machtiging tot uithuisplaatsing eerst in een voorziening van pleegzorg zal verblijven.

2.12 De jeugdprofessional is van [datum] 2014 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional bij het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klacht die het College van Toezicht ongegrond heeft verklaard.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 Hierna zal de in het beroepschrift aangehaalde klacht worden besproken en beoordeeld. De oorspronkelijke klacht wordt genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep. Daarna volgt het oordeel van het College van Beroep.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de oma in het beroepschrift nieuwe klachtonderdelen heeft opgenomen zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en kan het College van Beroep daar geen oordeel over geven.

4.2 De klacht

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is de klacht als volgt geformuleerd: “De oma verwijt de jeugdprofessional een foutieve weergave van het gesprek tijdens het huisbezoek.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over de klacht als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] kan de jeugdprofessional niet volgen in haar stelling dat geen sprake is van fair trial. De jeugdprofessional is na ontvangst van het verweerschrift in de gelegenheid gesteld om te reageren op het geluidsfragment, zodat op dit punt wederhoor heeft plaatsgevonden. Daarnaast is op grond van de Tijdelijke regeling de voorzitter bevoegd om te bepalen of nadere stukken behorend bij de conclusie van repliek of dupliek worden toegelaten. Het is daarbij geen vereiste dat de stukken niet eerder beschikbaar waren. Wel moet gemotiveerd worden waarom de nadere stukken van belang zijn voor de conclusie van repliek of dupliek. Dit heeft de oma gedaan. De oma heeft aangevoerd dat volgens haar uit de nadere stukken blijkt dat de gewraakte zinsnede wel degelijk heeft bijgedragen aan de beslissing van de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing voor de kleindochter te verlenen.
Het College [van Toezicht] gaat daarom over tot de inhoudelijke beoordeling van de klacht. De kern van de klacht ziet op de vraag of de oma tijdens het huisbezoek in het bijzijn van de kleindochter heeft gezegd dat zij door verkrachting is verwekt. De oma stelt zich op het standpunt dat zij dit niet heeft gezegd en zij kan dit volgens haar aantonen middels het toegestuurde geluidsfragment en de bijbehorende transcriptie. De jeugdprofessional daarentegen stelt dat zij de gewraakte zinssnede wel heeft gehoord, en haar collega ook. Ter onderbouwing hiervan heeft de jeugdprofessional het contactjournaal van het huisbezoek en een e-mailbericht van de collega overgelegd.
Het College [van Toezicht] constateert dat partijen van mening verschillen over of de gewraakte woorden door de oma in het gesprek zijn gebruikt. Op het overgelegde geluidsfragment en in de transcriptie zijn de woorden niet te horen of te lezen. Het College [van Toezicht] kan echter niet vaststellen of de gewraakte woorden tijdens het huisbezoek zijn gezegd of niet. Onduidelijk is immers of de geluidsopname het gehele gesprek behelst. Het College [van Toezicht] waardeert het aanbod van de oma om de authenticiteit van het geluidsfragment te willen bewijzen. Het is echter ook dan niet mogelijk om vast te stellen op welk moment in het gesprek de opname is gestart. De opname start nadat de oma de deur voor de jeugdprofessional heeft opengedaan en haar heeft binnengelaten. Bij de start van de opname stelt de oma namelijk een vraag aan de kleindochter. Het College [van Toezicht] kan niet vaststellen of de gewraakte zinsnede is gezegd voor de opname is gestart of mogelijk nadat de opname is beëindigd. Het is dan vaste jurisprudentie dat het verwijt van de oma niet gegrond kan worden bevonden. Het College [van Toezicht] kan de feiten die ten grondslag liggen aan dit verwijt namelijk niet vaststellen. Aan het woord van de een kan immers niet meer geloof worden gehecht dan aan het woord van de ander. Zie hiervoor bijvoorbeeld 19.022B onder 4.3.6 van die beslissing.
Ten overvloede overweegt het College [van Toezicht] nog het volgende. In tegenstelling tot wat de oma op het klaagschrift onder ‘aanvullende informatie’ aangeeft, kan naar het oordeel van het College [van Toezicht] niet worden gesteld dat de kinderrechter haar beslissing heeft gebaseerd op de gewraakte zinssnede in het raadsrapport. De RvdK heeft in het raadsrapport immers geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van de dochter bij de moeder (en de oma) te bepalen. De kinderrechter heeft in de beschikking van 24 juli 2020 uitgebreid gemotiveerd waarom is afgeweken van het advies van de RvdK en heeft in haar overwegingen niet verwezen naar de gewraakte zinssnede. Evenmin komt dit terug in het proces-verbaal van de zitting.” Het College van Toezicht heeft de klacht ongegrond verklaard.

4.2.3 De oma is van mening dat wel degelijk vastgesteld kan worden dat de gewraakte uitspraak niet is gedaan. In de eerste plaats valt dat af te leiden uit het verloop van het gesprek zoals dat hoorbaar is in de geluidsopname en terug te lezen is in de transcriptie. Het is niet aannemelijk dat de gewraakte uitspraak is gedaan voor het begin of het einde van de geluidsopname. Daarnaast stelt de oma dat de jeugdprofessional het door haar gemaakte gespreksverslag, zoals opgenomen in het contactjournaal, niet vooraf aan de oma heeft voorgelegd. Door dit na te laten heeft de jeugdprofessional gehandeld in strijd met het Privacyreglement gecertificeerde instelling (hierna: het Privacyreglement). Hierdoor ligt het bewijsrisico dat de uitspraak is gedaan bij de jeugdprofessional en moet het ervoor gehouden worden dat de uitspraak niet is gedaan. De oma merkt voorts op dat de jeugdprofessional heeft aangegeven niet meer te weten wanneer tijdens het huisbezoek de gewraakte uitspraak zou zijn gedaan. Hieruit volgt dat het gespreksverslag op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Een deugdelijk opgesteld verslag moet immers in chronologische volgorde weergeven wat er is besproken. Er kan aldus geen bewijswaarde worden toegekend aan het gespreksverslag, zeker niet als het gaat om de gewraakte uitspraak. De oma concludeert dat de beslissing van het College van Toezicht niet in stand kan blijven en verzoekt het College van Beroep haar klacht alsnog gegrond te verklaren.

4.2.4 De jeugdprofessional is van mening dat haar in beroep nieuwe verwijten over de totstandkoming van het verslag worden gemaakt en het College van Beroep zich over deze verwijten niet kan uitlaten. Daarnaast kan de jeugdprofessional de oma niet volgen in haar stelling dat het bewijsrisico dat de gewraakte uitspraak is gedaan bij de jeugdprofessional ligt en dat het College van Beroep ervan uit moet gaan dat de uitspraak niet is gedaan zolang het tegendeel niet is bewezen door de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft de uitspraak gehoord, zij heeft hiervan verslag gedaan en alvorens haar bevindingen te delen heeft zij dit bij haar collega nagevraagd. Hiermee heeft zij voldoende zorgvuldig en met inachtneming van de beroepscode gehandeld. Verder stelt de jeugdprofessional dat de gewraakte uitspraak zonder meer in het negatieve beeld past dat de moeder en de oma van de vader van de minderjarige hebben, althans op dat moment hadden. De jeugdprofessional concludeert dat het College van Toezicht op basis van het voorgaande terecht tot het oordeel is gekomen dat de gewraakte uitspraak weliswaar niet te horen is op de geluidsopname, maar dat niet kan worden uitgesloten dat deze op een moment voor het starten of na het beëindigen van de geluidsopname is geuit. Omdat de feiten onduidelijk blijven, kan de klacht niet gegrond worden verklaard. 

4.2.5 Het College van Beroep oordeelt dat de behandeling in beroep geen ander licht op de beoordeling van de klacht van de oma heeft geworpen. Ook het College van Beroep stelt vast dat de beschrijvingen van partijen van wat de oma heeft gezegd tijdens het huisbezoek op 12 december 2019 lijnrecht tegenover elkaar staan. Het is vaste tuchtrechtspraak in gevallen als deze, waarbij de lezingen van partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat de klacht niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat aan het woord van de oma minder geloof wordt gehecht dan dat van de jeugdprofessional, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Net als het College van Toezicht kan het College van Beroep deze feiten niet vaststellen. De stelling van de oma dat het door de jeugdprofessional opgemaakte gespreksverslag onzorgvuldig tot stand is gekomen, maakt dit niet anders. Indien dat al het geval zou zijn (die klacht ligt in deze procedure niet voor), voert het naar het oordeel van het College van Beroep te ver daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat aangenomen moet worden dat de oma de gewraakte uitspraak niet heeft gedaan. Het College van Beroep handhaaft dan ook het oordeel van het College van Toezicht.

4.2.6 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de oma faalt.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in zaaknummer 20.343Ta, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 13 januari 2022 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter

mevrouw mr. A.V. Verweij, secretaris