Maak een selectie

727 van 727

   

Het beroep slaagt. De voorzitter van het College van Beroep acht het niet passend en mogelijk prematuur dat de klacht door de voorzitter van het College van Toezicht kennelijk ongegrond is verklaard. De klacht is terug verwezen naar het College van Toezicht.

De voorzitter van het College van Beroep, mevrouw mr. M.M. Brink, heeft beslist:

in de zaak van:

[Klaagster], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: klaagster, werkzaam bij [de Praktijk], hierna te noemen: de Praktijk,

tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdzorgwerker bij de gemeente [gemeente].

De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2017 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter van het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift, dat de klaagster op 24 juli 2021 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht in zaaknummer 21.313Ta van 12 november 2021;
– het beroepschrift dat de klaagster op 8 december 2021 tegen voornoemde beslissing heeft ingediend;

1.2 De voorzitter van het College van Toezicht heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft klaagster op 8 december 2021 (tijdig) beroep aangetekend.

2     Het beoordelingskader

2.1 De voorzitter van het College van Beroep beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional bij het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

2.2 De voorzitter van het College van Beroep toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. De voorzitter van het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3     Het beroep en de beoordeling

3.1 De klacht

3.1.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is de klacht als volgt geformuleerd: “De klaagster verwijt de jeugdprofessional het werk niet te hebben verricht volgens de gemaakte afspraken van de opdracht. Vervolgens heeft de jeugdprofessional in de periode van oktober 2020 tot en met januari 2021 facturen ingediend voor werk dat hij niet heeft verricht. Deze facturen zijn door de Praktijk gedeeltelijk betaald. De jeugdprofessional heeft – ondanks de vele verzoeken van de Praktijk om de gesprekken met ouders te rapporteren – tot op heden geen rapportages/bewijzen aangeleverd. Volgens de klaagster zijn de handelingen van de jeugdprofessional in strijd met artikelen D, M, O, R en T van de Beroepscode.”

3.1.2 De voorzitter van het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “De voorzitter van het College van Toezicht overweegt dat de klaagster onvoldoende heeft aangetoond dat de algemene tuchtnorm in artikel 3.1 van het Tuchtreglement door de jeugdprofessional is geschonden. Wat de gevolgen van het professionele handelen (of nalaten) van de jeugdprofessional zijn geweest voor het betrokken gezin van de kinderen A. blijkt niet uit de klacht en de overgelegde bijlagen daarbij. Voor de voorzitter [van het College van Toezicht] is dan ook niet vast te stellen of er sprake is van enig handelen in strijd met de professionele standaard die in het jeugddomein geldt voor een behoorlijke uitoefening van het beroep waarvoor de jeugdprofessional is geregistreerd. Ten overvloede merkt de voorzitter [van het College van Toezicht] op dat zij de indruk heeft dat de tuchtklacht die voorligt (meer) toeziet op een financieel of zakelijk geschil tussen de Praktijk en de jeugdprofessional. Uit artikel 3.3 van het Tuchtreglement blijkt dat er binnen het tuchtrecht van SKJ geen uitspraken worden gedaan over mogelijke financiële gevolgen van het handelen van de jeugdprofessional. Naar het oordeel van de voorzitter [van het College van Toezicht] is voor een zakelijk geschil in het kader van het tuchtrecht evenmin ruimte.” De voorzitter van het College van Toezicht heeft de klacht op grond van artikel 7.8 lid a van het Tuchtreglement, versie 1.4, kennelijk ongegrond verklaard.

3.1.3 Klaagster is het niet eens met de beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht. Volgens klaagster is er ondeugdelijk onderzoek gedaan en staat de beslissing niet in lijn met hetgeen is voorgevallen. De voorzitter van het College van Toezicht oordeelt dat de gevolgen van het professionele handelen (of nalaten) van de jeugdprofessional voor het betrokken gezin onvoldoende zijn aangetoond. Klaagster voert in dit kader aan dat zij bij het indienen van de klacht heeft aangegeven dat zij inhoudelijk geen stukken en/of rapporten kan aanleveren vanwege de AVG wetgeving en haar geheimhoudingsplicht. Daarom heeft zij verwezen naar de betrokken jeugdzorgwerker van [de instelling]. De voorzitter van het College van Toezicht heeft geen contact met haar opgenomen, waardoor er relevante en belangrijke informatie mist omtrent de gevolgen van het nalaten van de jeugdprofessional. Daarnaast stelt klaagster dat het niet om een financieel of zakelijk geschil tussen de Praktijk en de jeugdprofessional gaat. Het gaat klaagster er om dat de handelingen van de jeugdprofessional in strijd zijn met de Beroepscode.

3.1.4 De voorzitter van het College van Beroep oordeelt dat het beroep van klaagster slaagt en overweegt daartoe als volgt:
Een klacht is kennelijk ongegrond indien het op grond van de door een klager beschikbaar gestelde gegevens op voorhand al duidelijk en evident is dat de klacht niet kan slagen. In gevallen als deze zal het horen van partijen niets veranderen aan het oordeel op voorhand dat de klacht ongegrond is. De voorzitter van het College van Beroep is van oordeel dat hier in de onderhavige zaak geen sprake van is. Zo roept de klacht zoals ingediend door klaagster (te) veel vragen op. De voorzitter van het College van Beroep acht het in dit licht niet passend en mogelijk prematuur dat de klacht kennelijk ongegrond is verklaard. Daarnaast volgt de voorzitter van het College van Beroep klaagster in haar grief dat de voorzitter van het College van Toezicht ten onrechte (ten overvloede) heeft geoordeeld dat de klacht enkel lijkt toe te zien op een financieel of zakelijk geschil tussen de Praktijk en de jeugdprofessional. Klaagster schrijft in haar klacht niet over terugvordering van (eventueel) te veel betaalde gelden, of vraagt een oordeel hierover van de tuchtcolleges van SKJ. De voorzitter van het College van Beroep maakt uit de toelichting bij de klacht en de overgelegde stukken op dat klaagster met haar klacht een serieus signaal voor het jeugddomein heeft willen afgegeven. Gelet op het voorgaande zal de voorzitter van het College van Beroep de klacht op grond van artikel 7.8 sub b van het Tuchtreglement, versie 1.4, terugverwijzen naar het College van Toezicht.

3.1.5 Het beroep van klaagster slaagt.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter van het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • vernietigt het oordeel van de voorzitter van het College van Toezicht in zaaknummer 21.313Ta van 12 november 2021, voor zover aan het oordeel van de voorzitter van het College van Beroep onderworpen;
  • verwijst de klacht terug naar het College van Toezicht.

Aldus gedaan door de voorzitter van het College van Beroep en op 3 januari 2022 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter