Maak een selectie

727 van 727

   

Het beleid van de instelling is pedagogisch verantwoord. Klachten hierover worden ongegrond verklaard.

Beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 21.039Ta

Klaagster is [klaagster]. Gemachtigde: [gemachtigde].

De jeugdprofessional is [de jeugdprofessional], werkzaam als GZ-psycholoog […] bij [de instelling]. De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2015 als psycholoog geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Gemachtigde: [gemachtigde].

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2021 in aanwezigheid van klaagster, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

Het College gaat uit van het aangepaste klaagschrift (ontvangen op 29 maart 2021), het verweerschrift (ontvangen op 11 mei 2021), de pleitnota van de gemachtigde van klaagster en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

2.1 Klaagster is geboren in 2000. Zij is op 26 oktober 2017 gaan wonen bij [de instelling]. Dit betrof hulpverlening in het vrijwillig kader. Na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, heeft de gemeente een beschikking afgegeven voor verlengde jeugdhulp.

2.2 Op [datum] 2018 is de hulpverleningsovereenkomst beëindigd. Klaagster is toen zelfstandig gaan wonen in een andere gemeente.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor psychologen, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Ontvankelijkheid van de klacht

3.1 De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verschillende onderdelen van haar klaagschrift. De klacht die ziet op de SKJ-registratie van medewerkers van [de instelling] en de klacht die betrekking heeft op de huisregels van [de instelling] hadden veel eerder naar voren kunnen worden gebracht. Ook is de termijn van drie jaar verstreken.

3.2 Op grond van artikel 6.5 van het Tuchtreglement, versie 1.4, vervalt de mogelijkheid tot het indienen van een klacht na verloop van drie jaar. Deze termijn begint op de dag volgend op die waarop het desbetreffende handelen heeft plaatsgevonden, dan wel volgend op de dag waarop de belanghebbende redelijkerwijze van het handelen op de hoogte raakte. Het College stelt vast dat de klacht ziet op de periode 1 februari 2018 tot 30 augustus 2018. Het klaagschrift is ingediend op 1 februari 2021. Dit betekent dat de mogelijkheid tot het indienen van de klacht niet is vervallen. Het College verklaart klaagster daarom ontvankelijk in haar klaagschrift.

4     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit vier klachtonderdelen. Deze worden hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 Klaagster verwijt de jeugdprofessional dat zij niet heeft ingegrepen bij onjuiste gedragingen van haar collega’s. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1.2 Allereerst merkt het College op dat voor de beoordeling van dit klachtonderdeel eerst de vraag moet worden beantwoord of sprake is geweest van onjuiste gedragingen van de collega’s van de jeugdprofessional en indien dit het geval was, of de jeugdprofessional had moeten ingrijpen.
Wat betreft de eerste vraag heeft klaagster de volgende voorbeelden gegeven van de onjuiste gedragingen van de collega’s: regels opstellen en sancties opleggen alsof sprake is van een gesloten accommodatie (waaronder het inleveren van haar mobiele telefoon), het bepalen wie klaagster mag zien en voor hoe lang, het geven van een ‘gele kaart’ die medewerker 1 zelf heeft ondertekend nadat klaagster dit weigerde, en tot slot heeft medewerker 1 een negatief competentiemodel over klaagster opgesteld zonder dat dit met haar is besproken. Daarnaast heeft de jeugdprofessional niet ingegrepen toen medewerker 2 zonder toestemming de kamer van klaagster heeft gecontroleerd.
Het College stelt vast dat klaagster bij de start van de hulpverlening bekend was met de huisregels van [de instelling]. In de huisregels staan onder andere afspraken opgenomen over het ontvangen van bezoek en kamercontroles. Ten aanzien van deze twee onderwerpen hebben medewerker 1 en medewerker 2 slechts uitvoering gegeven aan de bij klaagster bekende huisregels. Wat betreft het voorbeeld van het inleveren van de mobiele telefoon, merkt het College op dat op (middelbare) scholen of in thuissituaties in het algemeen regels gelden omtrent het gebruik hiervan. Het komt het College dan ook niet vreemd voor dat klaagster haar mobiele telefoon tijdens huiswerkuren/dagbesteding moest inleveren ter bevordering van de concentratie. Desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft klaagster bovendien verklaard dat zij haar mobiele telefoon niet heeft ingeleverd. Daar waar klaagster heeft aangevoerd dat medewerker 1 de gele kaart zelf heeft ondertekend, blijkt uit het dossier dat medewerker 1 heeft opgeschreven dat klaagster weigerde de gele kaart in ontvangst te nemen. Onder dit bericht heeft zij haar handtekening gezet. Tot slot merkt het College op ten aanzien van het voorbeeld van het competentiemodel, dat daarin staat opgenomen dat deze op 20 februari 2018 met klaagster is besproken. Dit blijkt ook uit het gespreksverslag van 26 maart 2018: “[medewerker 1] legt het competentiemodel uit. Hier was onduidelijkheid over. Deze kwam negatief over.” Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional hieraan toegevoegd dat klaagster de gelegenheid heeft gekregen om een nieuw competentiemodel op te (laten) stellen, maar dat klaagster van dit aanbod geen gebruik heeft gemaakt. Klaagster heeft dit niet tegengesproken.
Gelet op het voorgaande ziet het College geen aanleiding om te concluderen dat sprake is geweest van onjuiste gedragingen van de collega’s van de jeugdprofessional. Aan de beantwoording van de tweede vraag, namelijk of de jeugdprofessional had moeten ingrijpen, komt het College daarom niet toe.

4.1.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 Klaagster verwijt de jeugdprofessional dat het door haar opgestelde beleid van [de instelling] in strijd is met de wet. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.2.2 Klaagster stelt dat een aantal artikelen van de huisregels vallen onder vrijheidsbeperkende maatregelen van artikel 6.3.3 en artikel 6.3.4 van de Jeugdwet. De jeugdprofessional betwist dat sprake zou zijn van vrijheidsbeperkende maatregelen en stelt dat [de instelling] omgangsregels als kader heeft opgesteld. Klaagster heeft twee voorbeelden genoemd in haar klaagschrift. Het College zal zich in de beoordeling van dit klachtonderdeel tot deze twee voorbeelden beperken.
Het eerste voorbeeld is dat kamercontroles uitgevoerd mogen worden. De jeugdprofessional heeft aangegeven dat een kamercontrole (tegenwoordig kamercheck genoemd) in de aanwezigheid van de cliënt wordt uitgevoerd. In het geval een cliënt vergeet het raam te sluiten of het licht uit te doen, komt het wel eens voor dat de medewerkers dit voor de cliënt doen. Deze handelwijze acht het College navolgbaar. Ook in de thuissituatie zal de ouder het licht uit doen of het raam sluiten indien dit wordt vergeten.
Het tweede voorbeeld is dat volgens klaagster in de huisregels staat opgenomen dat personeelsleden gedurende bezoekmomenten mogen meeluisteren met de gesprekken en dat het onduidelijk is wie dat bepaalt en waarom. In dit kader stelt het College vast dat in de huisregels staat opgenomen dat de trajectbegeleider kan bepalen dat tijdens het bezoek toezicht wordt gehouden in de vorm van meeluisteren en dat dit vooraf aan de cliënt en het bezoek wordt gecommuniceerd.
Het College acht de twee voorbeelden van klaagster gelet op het karakter van een organisatie als [de instelling] pedagogisch verantwoord en niet in strijd met de wet.

4.2.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 Klaagster verwijt de jeugdprofessional dat zij met haar opgestelde beleid een beheersregime heeft gecreëerd. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3.2 Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd toegelicht dat met ‘beheersregime’ wordt gedoeld op de vrijheidsbeperkende maatregelen. In dit kader verwijst het College allereerst naar de overweging onder 4.2.2 van deze beslissing waar het College heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van vrijheidsbeperkende maatregelen. Het College concludeert dan ook dat geen sprake is geweest van een beheersregime. Daarbij merkt het College op dat sprake was van hulpverlening in het vrijwillig kader. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat klaagster in eerste instantie niet bij [de instelling] wilde wonen, onder andere omdat er geen goede Wi-Fi verbinding was. Op het moment dat zij bij [de instelling] ging wonen was zij hiermee bekend, net als met de huisregels. Indien klaagster van mening was dat haar vrijheidsbeperkende maatregelen zouden worden/waren opgelegd, dan had zij [de instelling] kunnen verlaten.

4.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1 Klaagster verwijt de jeugdprofessional dat zij de zorg onjuist heeft willen afsluiten. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.4.2 Klaagster heeft aangevoerd dat zij op [datum] 2018 een brief van de jeugdprofessional heeft ontvangen waarin wordt medegedeeld dat de hulpverlening stopt. In deze brief stond geen duidelijke opgave van redenen. Klaagster heeft geweigerd de ontvangstbevestiging te ondertekenen en uiteindelijk mocht zij toch bij [de instelling] blijven. Hierna is klaagster zelf op zoek gegaan naar een andere woonruimte en is zij begin [maand] 2018 verhuisd. De jeugdprofessional heeft volgens klaagster geen nazorg of andere begeleiding aangeboden.
Het College volgt klaagster niet in haar verwijt. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de jeugdprofessional meermaals contact heeft gehad met de gemeente om een passende woonplek voor klaagster te vinden. Daarbij heeft de jeugdprofessional gesprekken gevoerd over de financiering van de woonplek. Ook leest het College in de e-mail van [datum] 2018 dat de jeugdprofessional met klaagster en haar ouders de financiën zou gaan bespreken voor de nieuwe woonplek van klaagster. Tot slot blijkt uit de e-mail van [datum] 2018 dat de gemeente heeft aangegeven dat [de instelling] zich geen zorgen hoefde te maken over de begeleiding, omdat vanuit de WMO passende hulp kon worden geboden.

4.4.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5     De beslissing

Het College verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is op 17 november 2021 genomen door de heer mr. R. Orie (voorzitter), mevrouw drs. S. Pantelić en mevrouw drs. S. de Schutter (beide lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. M.R. Veerman (secretaris).

de heer mr. R. Orie
voorzitter

mevrouw mr. M.R. Veerman
secretaris