Maak een selectie

457 van 457

   

Geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door jeugdprofessional die buiten kantoortijd e-mailberichten stuurt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klaagster], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 3 maart 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 3 maart 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 4 mei 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 12 juni 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 14 juli 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling (versie 1) zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen de wederpartij naar voren heeft gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2020. De beslissing is op 21 september 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Uit de in medio 2011 verbroken relatie van de ouders zijn twee dochters geboren. De oudste dochter is geboren in 2008 en de jongste dochter is geboren in 2009, hierna gezamenlijk: de kinderen. De ouders waren aanvankelijk samen belast met het gezag over de kinderen. Vanaf de relatiebeëindiging hebben de kinderen bij de moeder gewoond.

2.2 De kinderrechter heeft op 22 mei 2012 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 21 mei 2021. Vanuit de GI zijn er sinds het uitspreken van de ondertoezichtstelling diverse jeugdbeschermers bij de uitvoering hiervan betrokken geweest.

2.3 De kinderrechter heeft op 1 december 2015 een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld waarin – voor zover relevant – is bepaald dat de kinderen op zaterdag verblijven bij grootouders (vz), waar de vader dan vervolgens contact met de kinderen heeft.

2.4 De jeugdprofessional is sinds januari 2017 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Aanvankelijk voerde hij de ondertoezichtstelling uit samen met een collega. Deze collega is in oktober 2017 wegens ziekte is uitgevallen.

2.5 In de periode van 29 januari 2017 tot en met 24 maart 2017 is er een gezinsopname van de moeder en de kinderen geweest bij [de instelling 1] in verband met problematiek binnen het gezin. In het eindverslag is opgenomen dat er sprake moet zijn voor de kinderen van een omgeving met stabiele opvoeders en dat de GI hierin beslissingen dient te nemen. In het kader hiervan adviseert [de instelling 1] voor de moeder vervolgbehandeling voor haar emotieregulatie.

2.6 De kinderrechter heeft op 17 mei 2017 de beschikking met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals weergegeven onder 2.3, gewijzigd en heeft voor de periode van 20 mei 2017 t/m 26 september 2017 momenten bepaald waarop de vader omgang met de kinderen heeft.

2.7 Op 11 augustus 2017 verzoekt de GI de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing voor de kinderen te verlenen. Aanleiding voor het verzoek is het niet meewerken van de moeder aan de omgang van de kinderen met de vader. Op 19 september 2017 heeft de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing voor de kinderen verleend.

2.8 De kinderen zijn na het verlenen van de uithuisplaatsing eerst in een crisispleeggezin geplaatst en aansluitend geplaatst op een leef-/behandelgroep van [de instelling 2]. Sinds oktober 2019 woont de jongste dochter in een gezinshuis. De oudste dochter woont sinds mei 2019 bij de vader. De machtiging uithuisplaatsing voor de oudste dochter liep tot 21 mei 2020 en is niet meer verlengd.

2.9 Vanwege samenwerkingsproblemen tussen de jeugdprofessional en de moeder is er in februari 2018 een tweede jeugdbeschermer aangesteld als contactpersoon voor de moeder.

2.10 Op 20 maart 2018 heeft de GI het opvoedbesluit genomen waarin is opgenomen dat vanwege de aanvaardbare termijn een thuisplaatsing bij de moeder niet meer aan de orde is. De rechtbank heeft op 26 april 2018, in de beschikking omtrent de verlening van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing, hierover het volgende overwogen: “De visie van de GI dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt, wordt door de rechtbank gedeeld. Ondanks veelvuldig ingezette hulpverlening worden de kinderen door de moeder nog steeds belast met volwassenenproblematiek en kan zij geen emotionele toestemming geven voor de omgang met de vader. Daarbij lijkt de moeder over onvoldoende probleem- en zelfinzicht te beschikken, waardoor zij onmachtig is de situatie te veranderen.”

2.11 Op 9 oktober 2018 hebben de jeugdprofessional en diens collega de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven. In de schriftelijke aanwijzing is – voor zover relevant – het volgende opgenomen: “De schriftelijke aanwijzing heeft betrekking op:
– het niet houden aan de gemaakte afspraken. In het kader van het onderzoek naar het woonperspectief van de meiden bij vader heeft [de GI] besloten dat vader het bezoek van de meiden aan de GGD arts op 10-10-2018 zal begeleiden. U geeft aan desondanks aan toch aanwezig te zullen zijn bij het bezoek van de kinderen aan de GGD arts 10 oktober a.s.”
Concreet is de moeder de aanwijzing gegeven om niet aanwezig te zijn bij de afspraak bij de GGD op 10 oktober 2018. Ondanks de schriftelijke aanwijzing is de moeder op deze afspraak aanwezig geweest. Op 20 december 2018 is het verzoek van de moeder om schriftelijke aanwijzing van 9 oktober 2018 vervallen te verklaren, afgewezen.

2.12 Op 30 oktober 2018 heeft de collega van de jeugdprofessional de moeder geïnformeerd dat de GI de rechtbank gaat verzoeken om hen gedeeltelijk te belasten met het gezag over de kinderen voor zover het de toestemming voor een medische behandeling betreft. Daarnaast is aan de moeder kenbaar gemaakt dat de GI de Raad voor de Kinderbescherming gaat verzoeken een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel voor de moeder.

2.13 Op 19 november 2018 heeft de GI de kinderrechter verzocht te bepalen dat de GI gedeeltelijk wordt belast met het gezag over de kinderen voor zover het de toestemming voor een medische behandeling betreft. De kinderrechter heeft hierover – voor zover relevant – als volgt overwogen: “De moeder heeft op de zitting en ook in haar gedrag bij de GGD arts laten zien dat zij niet inziet dat haar optreden bij onder andere medische behandelingen, belastend is voor de kinderen. De moeder wil betrokken blijven worden bij [de kinderen], wat ook blijkt uit het feit dat zij de schriftelijke aanwijzing van de GI van 9 oktober 2018 had genegeerd.” De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en hen belast met het gezag over de kinderen met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling tot 22 mei 2019. Op 15 oktober 2019 heeft het hof de beschikking van de kinderrechter vernietigd.

2.14 Op 8 januari 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd. Met ingang van deze datum is de vader eenhoofdig belast met het gezag over de kinderen.

2.15 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2013 in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. In de periode van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 is hij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat hij gedurende zijn betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.15 van deze beslissing. Gelet hierop wijst het College erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dienen te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De jeugdprofessional komt toezeggingen van zijn voorganger omtrent omgang niet na.

Toelichting:
In januari 2017 was de eerste kennismaking tussen de moeder en de jeugdprofessional. Dit contact heeft per e-mail plaatsgevonden. De moeder was op dat moment opgenomen bij [de instelling 1]. De jeugdprofessional heeft tijdens deze opname meerdere e-mailberichten gestuurd dat er omgang met de vader van de kinderen moest komen. De moeder stelt dat dit in strijd is met het standpunt van de GI tijdens de zitting over de verlenging van de OTS in 2016. De jeugdprofessional heeft daarnaast (telefonisch) een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing gegeven, maar is niet overgegaan tot het daadwerkelijk geven van een schriftelijke aanwijzing. Ook heeft de jeugdprofessional ten onrechte bij [de instelling 1] om een opvoedbesluit gevraagd gericht op het perspectief van de kinderen.

4.1.2 Het College stelt vast dat de moeder haar klacht op 3 maart 2020 heeft ingediend. De mogelijkheid tot het indienen van een klacht(onderdeel) vervalt door verjaring na drie jaar (artikel 6.5 van het Tuchtreglement). Gelet hierop kan de moeder – gelet op de datum waarop de klacht is ingediend – klagen over handelen van de jeugdprofessional vanaf 3 maart 2017. De moeder heeft dit klachtonderdeel echter onderbouwd met diverse stukken uit 2016 en januari 2017. Gelet op de verjaringstermijn is de moeder niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel (artikel 7.6 sub a. Tuchtreglement) en kan het College hierover geen inhoudelijk oordeel geven. Voor zover de moeder in het klachtonderdeel verwijst naar het opvoedbesluit dat de jeugdprofessional aan [de instelling 1] heeft gevraagd, zal het College hierop ingaan bij de beoordeling van klachtonderdeel 3.

4.1.3 Het College is van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel 1.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De jeugdprofessional heeft niet helder gemaakt aan welke doelen de moeder dient te werken.

Toelichting:
Na de opname in [de instelling 1] was de bedoeling dat er hulpverlening voor de moeder via de jeugdprofessional geregeld zou worden. Er was echter sprake van wachtlijsten waardoor tijdelijk hulpverlening via [de instelling 3] is ingezet. De moeder heeft van de jeugdprofessional tweeënhalve maand de tijd gekregen om een positieve verandering te laten zien. De jeugdprofessional heeft echter niet helder benoemd welke positieve verandering getoond moet worden en hoe bepaald kan worden dat die er geweest is. Ook voor [de instelling 3] was niet helder welke doelen er waren. Vanuit [de instelling 3] is bij de jeugdprofessional nagevraagd wat de doelen waren, maar daar is geen antwoord op gekomen. In september 2017 waren de tweeënhalve maand van [de instelling 3] voorbij en stuurde de jeugdprofessional een schriftelijke aanwijzing aan de moeder omdat zij de omgang met de vader blokkeerde. De moeder is tegen deze aanwijzing in beroep gegaan en heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij zorgen had in de vorm van seksueel misbruik door de vader. Deze signalen hebben geleid tot een spoeduithuisplaatsing. De moeder heeft daarna op meerdere momenten aan de jeugdprofessional gevraagd wat er nodig was om de uithuisplaatsing te beëindigen. Hierop heeft zij een e-mail van de jeugdprofessional ontvangen waarin staat dat zij op een aantal gebieden mee moet werken aan hulpverlening en dat toekomstperspectief niet te geven is. De jeugdprofessional heeft vaak gezegd dat de moeder moet werken aan haar persoonlijke problematiek, dit terwijl de moeder vond dat zij dat al gedaan had en dit een afgesloten hoofdstuk was.

4.2.2 De jeugdprofessional stelt dat al in het gesprek in november 2016 door de voorgangers van de jeugdprofessional is gesproken over de voorwaarden. Deze voorwaarden zijn blijven staan in het gezinsplan dat de jeugdprofessional in 2017 met zijn collega heeft opgesteld. Daarnaast zijn er doelen opgesteld in de bepaling jeugdhulp in april 2017 en deze doelen zijn tijdens het intakegesprek van [de instelling 3] besproken met de ouders. Ook voor wat betreft de uithuisplaatsing zijn er doelen gesteld, zoals onder andere blijkt uit bijlage 9 bij het klaagschrift. De doelen waren voornamelijk gericht op het duidelijk krijgen van wat de achtergronden zijn van de aanwezige problematiek, welke hulpverlening noodzakelijk werd geacht en of er duidelijkheid gegeven kon worden over het perspectief van de kinderen voor wat betreft de woonsituatie van de kinderen op de lange termijn. De jeugdprofessional heeft veelvuldig in e-mailberichten aan de moeder aangegeven hulpverlening voor de persoonlijke problematiek noodzakelijk te vinden. Dit is ook beschreven in het gezinsplan van 26 november 2019. Ook [de instelling 1] heeft in het eindrapport aangegeven dat dit van belang is, maar de moeder ziet er de noodzaak niet van in. Zo geeft de moeder in een e-mail van 23 juni 2017 aan dat de hulpverlening voor wat betreft de emotieregulatie niet nodig is. Deze e-mail is een reactie op een verslag van een gesprek van 8 juni 2017 waarin vanuit de GI duidelijk is gemaakt aan de moeder dat van haar wordt verwacht dat zij persoonlijke hulpverlening aangaat bij een GGZ-instelling. De moeder heeft in het gesprek aangegeven dit niet te doen en de GI heeft daarop aangegeven dat omdat de moeder blijft weigeren, dit schrijven wordt beschouwd als een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing voor wat betreft het organiseren van persoonlijke hulpverlening bij een GGZ-instelling gericht op emotieregulatie.

4.2.3 De moeder stelt in haar conclusie van repliek dat in tegenstelling tot wat de jeugdprofessional stelt, hij niet helder is geweest naar haar toe over de te behalen doelen. Als de doelen helder waren geweest, zou de moeder niet steeds opnieuw gevraagd hebben wat de doelen waren. Voor zover de jeugdprofessional verwijst naar de gestelde voorwaarden uit productie 4 bij het verweerschrift, stelt de moeder dat deze doelen na de opname bij [de instelling 1] niet meer van toepassing waren. De bepaling jeugdhulp waar de jeugdprofessional naar verwijst, kende de moeder tot de ontvangst van het verweerschrift niet.

4.2.4 De jeugdprofessional betwist in de conclusie van dupliek dat de doelen niet duidelijk waren voor de moeder. Daarnaast betwist de jeugdprofessional dat hij niet heeft gereageerd op e-mailberichten van de moeder. Op de e-mailberichten is altijd gereageerd en in de talloze e-mailberichten is contact geweest met de moeder over de gemelde zorgen en het inzetten van de hulpverlening. Ook hebben er regelmatig gesprekken plaatsgevonden.

4.2.5 Het College stelt vast dat uit de e-mail van [de instelling 3] van 30 augustus 2017 blijkt dat de doelen van de jeugdhulp zoals neergelegd in de bepaling jeugdhulp van 20 april 2017, met de moeder zijn besproken. Het College volgt het standpunt van de moeder dan ook niet dat de (inhoud van de) bepaling jeugdhulp van april 2017 bij haar niet bekend is en dat voor [de instelling 3] niet duidelijk zou zijn geweest aan welke doelen er diende te worden gewerkt. Wel is het College gebleken dat [de instelling 3] in de e-mail van 30 augustus 2017 heeft gevraagd aan de jeugdprofessional en diens collega of er bodemeisen waren vastgelegd. Het College overweegt echter dat het klachtonderdeel van de moeder geen betrekking heeft op het vastleggen van eventuele bodemeisen, maar ziet op doelen. Daarvan is het College gebleken dat deze ten aanzien van de inzet van de hulpverlening van [de instelling 3] voldoende duidelijk waren.
Voor zover het klachtonderdeel van de moeder zich richt tegen de doelen met betrekking tot de uithuisplaatsing van de kinderen, overweegt het College als volgt. Het is het College gebleken dat de jeugdprofessional in zijn e-mail van 13 oktober 2017 helder uiteen heeft gezet wat er vanuit de GI van de moeder wordt verwacht tijdens de uithuisplaatsing van de kinderen. Ook heeft de jeugdprofessional in deze e-mail transparant gecommuniceerd dat hij op dat moment (nog) niets kon zeggen over de duur van de uithuisplaatsing en over de toekomst en het perspectief omdat dit afhankelijk was van de uitkomsten en adviezen die voort zouden komen uit het persoonlijkheidsonderzoek van de kinderen. Hoewel het College begrijpt dat de moeder graag van de jeugdprofessional had gehoord wat er nodig was om de uithuisplaatsing te beëindigen, was dit informatie die de jeugdprofessional op dat moment niet kon geven omdat eerst het perspectief van de kinderen onderzocht moest worden. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional in overeenstemming heeft gehandeld met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode doordat hij heeft geprobeerd een proces op gang te brengen zodat de moeder mee zou werken aan de hulpverlening en transparant is geweest wat er in dat kader van de moeder werd verwacht. Het College ziet dan ook geen aanleiding de jeugdprofessional ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.2.6 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 2 ongegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De jeugdprofessional was van meet af aan niet gericht op de thuisplaatsing van de kinderen.

Toelichting:
De moeder stelt dat al bij het eerste contact de jeugdprofessional zijn focus had op het perspectief van de kinderen. Ten tijde van de plaatsing van de moeder bij [de instelling 1] heeft de jeugdprofessional aangegeven dat er een opnamebesluit moest komen. De moeder heeft hieruit begrepen dat de jeugdprofessional bedoelde dat het opvoedperspectief ergens anders dan bij de moeder diende te zijn. Bij de moeder is het beeld ontstaan dat de jeugdprofessional partijdig is voor de vader.

4.3.2 De jeugdprofessional erkent dat hij een duidelijk toekomstperspectief wilde voor de kinderen. De jeugdprofessional heeft zich gericht op het onderzoeken van een duidelijk en verantwoord perspectief voor de kinderen. De jeugdprofessional heeft daarbij alle noodzakelijke stappen doorlopen en stelt dat hij daarmee zorgvuldig heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft de stappen die hij heeft genomen in het verweerschrift uiteengezet. De jeugdprofessional betwist dat hij partijdig is geweest voor de vader. De jeugdprofessional heeft het belang van de kinderen steeds voorop gesteld en uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank. De jeugdprofessional is duidelijk geweest naar de moeder over wat er nodig was vanuit de visie van de GI en waar nodig is aangegeven wat de gevolgen kunnen zijn van het niet naleven daarvan. Dit heeft de jeugdprofessional gedaan om de medewerking van de moeder te krijgen en ook om de visie van de GI te kunnen laten toetsen door de (kinder-)rechter in het geval van een schriftelijke aanwijzing. Helaas kon de moeder zich herhaaldelijk, ook na toetsing en bekrachtiging door de rechtbank, er niet in voegen.

4.3.3 De moeder betwist in de conclusie van repliek dat de jeugdprofessional zich na de periode bij [de instelling 1] heeft gericht op thuisplaatsing van de kinderen. Zoals ook bij klachtonderdeel 2 kenbaar gemaakt, was het voor de moeder niet helder waar aan gewerkt moest worden.

4.3.4 De jeugdprofessional merkt in de conclusie van dupliek op dat na de gezinsopname bij [de instelling 1] hulpverlening in de thuissituatie is ingezet. Er hebben gezamenlijke gesprekken plaatsgevonden tussen de moeder, de vader en de jeugdprofessional waarin de voortgang van de hulpverlening en de omgang is besproken. Er zijn afspraken met betrekking tot de omgang gemaakt. De moeder heeft zich daar, ook na het ontvangen van een schriftelijke aanwijzing, niet aan gehouden. De jeugdprofessional stelt dat er vervolgens een zorgvuldig traject is gevolgd waarbinnen veel onderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij de informatie is gewogen en uiteindelijk heeft geleid tot een perspectief voor beide kinderen.

4.3.5 Het College overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de jeugdprofessional het toekomstperspectief voor de kinderen helder wilde krijgen. Het College overweegt dat dit past bij de taak die de jeugdprofessional had. Het College heeft de indruk gekregen dat de jeugdprofessional zorgvuldig te werk is gegaan. Dit maakt het College onder andere op uit de genomen stappen die de jeugdprofessional in zijn verweerschrift heeft beschreven en welke met stukken zijn onderbouwd. Het College heeft hieruit niet op kunnen maken dat de jeugdprofessional vanaf het begin af aan niet gericht is geweest op de thuisplaatsing van de kinderen. Zoals reeds bij klachtonderdeel 2 overwogen heeft de jeugdprofessional transparant gecommuniceerd wat er van de moeder werd verwacht en waar de duur van uithuisplaatsing en het toekomstperspectief van de kinderen van afhankelijk waren. Uit het opvoedbesluit van 20 maart 2018 blijkt dat de hulpverlening aan het gezinssysteem vanaf 2013 zorgvuldig is geanalyseerd en vervolgens wordt gemotiveerd de conclusie getrokken dat vanwege de aanvaardbare termijn de thuisplaatsing bij de moeder volgens de GI niet meer aan de orde is. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional met betrekking tot het perspectief van de kinderen zorgvuldig gehandeld.

4.3.6 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1 De jeugdprofessional gebruikt diagnoses voor een doel waar ze niet voor bedoeld zijn.

Toelichting:
In 2012 heeft de GGZ een diagnose gesteld over de moeder. Het betreft een diagnose gericht op behandeling van de moeder met de geldigheid van een jaar, waarin expliciet is opgenomen dat de diagnose niet voor andere doeleinden mag worden gebruikt. De jeugdprofessional gebruikt deze diagnose echter in de gezinsplannen vanaf 2017 zonder daarbij aan te geven dat het een verouderde diagnose betreft. De moeder heeft meerdere keren verzocht aan de jeugdprofessional om dit niet meer te doen. Enerzijds omdat de diagnose niet geschreven was voor dat doel, anderzijds omdat de moeder aan de problematiek heeft gewerkt en daar stappen in heeft gezet. De jeugdprofessional blijft echter tot op heden in iedere rechtszaak de diagnose aanhalen.

4.4.2 De jeugdprofessional stelt dat de GGZ-instelling al voor zijn betrokkenheid diagnoses heeft gesteld en dat hulpverlening is geadviseerd. Dit was onder andere in 2014 het geval toen ambulante spoedhulp betrokken was en gezinstherapie is geadviseerd. Er is met zekerheid borderline vastgesteld bij de moeder, daarnaast is er sprake van mogelijke laagbegaafdheid. De behandelaar van de GGZ-instelling heeft in juni 2016 aangegeven dat de diagnose van de moeder een grote risicofactor is voor het welzijn van de kinderen. De GI heeft de persoonlijkheidsproblematiek in het gezinsplan laten staan omdat er vanuit de geconstateerde persoonlijke problematiek door verschillende hulpverleners wordt aangegeven dat dit een risicofactor kan zijn voor het welzijn van de kinderen, zoals de jeugdprofessional reeds heeft toegelicht bij klachtonderdeel 2.

4.4.3 De moeder bestrijdt in haar conclusie van repliek dat er diagnoses zijn gesteld waaruit met zekerheid blijkt dat zij borderline heeft. Wel erkent de moeder dat er diagnoses zijn gesteld waaruit blijkt dat zij trekken van borderline heeft. De jeugdprofessional gaat daarnaast niet in op het verwijt dat de moeder hem meerdere keren heeft verzocht de oude diagnoses niet meer te gebruiken. De moeder heeft ook benoemd dat zij niet meer de persoon is die zij was ten tijde van het onderzoek bij de GGZ-instelling. Zelfs als er al een borderline stoornis zou zijn vastgesteld, dan heeft de moeder ten tijde van het contact met de jeugdprofessional – jaren na het GGZ onderzoek – dat inmiddels een plaats in haar leven gegeven en kan zij daar beter mee omgaan dan toen. Het is om die reden wrang voor de moeder dat een onderzoek uit 2012 terug blijft komen en afbreuk doet aan alle inspanningen die zij sindsdien heeft gedaan.

4.4.4 De jeugdprofessional stelt in zijn conclusie van dupliek dat deskundigen hebben gesteld dat de persoonlijke problematiek van de moeder een negatieve weerslag kan hebben op het functioneren van de kinderen en daarom is emotieregulatie therapie geadviseerd. Voor zover bekend heeft de moeder deze niet afgerond. De jeugdprofessional heeft zich niet gericht op de behandeling van de borderline kenmerken, maar op het aangaan van de emotieregulatie therapie zoals geadviseerd door [de instelling 1] na de gezinsopname. Dit heeft de jeugdprofessional meerdere malen bespreekbaar gemaakt, maar zonder resultaat. In dat kader verwijst de jeugdprofessional naar het eindverslag van [de instelling 1].

4.4.5 Het College overweegt als volgt. Het is het College gebleken dat de jeugdprofessional in de (geactualiseerde) gezinsplannen informatie heeft opgenomen over de vermeende problematiek van de moeder. Anders dan de moeder in dit klachtonderdeel stelt, is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional onterecht diagnoses gebruikt. Het College leest in gezinsplan een beschrijving van hetgeen in de stukken over de problematiek van de moeder is opgenomen. Het College overweegt dat het past bij de taak van de jeugdprofessional om mogelijke risicofactoren voor de kinderen te beschrijven. Daarnaast is het College gebleken dat de jeugdprofessional ook heeft aangehaakt bij de afsluitrapportage van [de instelling 1] waaruit blijkt dat zij de moeder een vervolgbehandeling gunnen gericht op haar emotieregulatie. Dit heeft de jeugdprofessional, blijkens de beschikking van 19 september 2017, ook kenbaar gemaakt tijdens de zitting die over de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen heeft plaatsgevonden. Ook dit acht het College navolgbaar. Hierbij overweegt het College dat de moeder de GI geen toestemming gaf voor contact met de kinderen en dat zij (nog) geen behandeling voor haar emotieregulatie was gestart. Gelet hierop acht het College het passend dat een jeugdprofessional eventuele risicofactoren beschrijft, onder andere zodat dit meegewogen kan worden in een eventuele (rechterlijke) beslissing. Gelet op het voorgaande is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional enkel uit is gegaan van een (verouderd) onderzoek van de GGZ-instelling en dit in elke rechtszaak blijft aanhalen. Het College volgt aldus het standpunt van de jeugdprofessional dat dit in de gezinsplannen is blijven staan omdat de persoonlijke problematiek van de moeder door meerdere hulpverleners werd onderschreven en hij zich heeft gericht op de behandeling van de emotieregulatie van de moeder.

4.4.6 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 4 ongegrond is.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De jeugdprofessional communiceert niet respectvol dan wel onprofessioneel.

Toelichting:

De jeugdprofessional stuurt e-mailberichten in de weekenden en e-mailberichten met veel hoofdletters en uitroeptekens waarin de toon ronduit aanvallend is. Deze e-mailberichten zijn aanleiding geweest om een gesprek met de leidinggevende van de jeugdprofessional aan te gaan. Daarnaast stelt dat de moeder dat zij weleens een gezinsplan op zondag heeft ontvangen. Dit komt dan voor de moeder zeer onverwachts en levert stress op, ook omdat zij in het weekend met vragen niemand kan bereiken.

4.5.2 De jeugdprofessional erkent dat hij weleens in het weekend e-mailberichten heeft verzonden aan de moeder. De intentie was zo snel mogelijk de ouders te voorzien van notulen met gemaakte afspraken. Als hij had geweten dat dit belastend voor de moeder was, dan had hij hier uiteraard rekening mee gehouden. De moeder heeft dit echter niet aan de jeugdprofessional kenbaar gemaakt. Daarnaast betwist de jeugdprofessional dat hij de moeder niet onheus heeft bejegend en dat de e-mailberichten in een bepaalde context gezien dienen te worden.

4.5.3 De moeder erkent in de conclusie van repliek dat zij de jeugdprofessional inderdaad niet heeft aangesproken op het versturen van e-mailberichten in het weekend. Zij is echter van mening dat van een jeugdprofessional mag worden verwacht dat deze zelf kan inschatten dat het voor de ouders niet wenselijk is om in het weekend berichten te ontvangen die waarschijnlijk niet positief zullen vallen. Daarnaast is de moeder van mening dat een opdracht in hoofdletters, met uitroeptekens en zo dwingend als de jeugdprofessional deze in zijn e-mailbericht heeft geformuleerd, verre is van de-escalerend en daardoor niet zorgvuldig. De moeder is teleurgesteld dat de jeugdprofessional er in zijn verweer geen blijk van geeft dat hij dit (h)erkent.

4.5.4 De jeugdprofessional stelt in zijn conclusie van dupliek dat het werk als jeugdbeschermer zich allang niet meer beperkt tot doordeweekse dagen van 9 tot 5. Als de jeugdprofessional had geweten dat het versturen van e-mailberichten in het weekend een dusdanige impact had, zou hij deze berichten niet verstuurd hebben. Voor wat betreft het aangehaalde citaat uit het e-mailbericht van de jeugdprofessional stelt hij dat hij in zijn e-mail een duidelijke grens wilde trekken om te voorkomen dat de oudste dochter opnieuw in een voor haar onmogelijke en belastende situatie zou worden geplaatst.

4.5.6 Het College overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de jeugdprofessional buiten kantoortijden e-mailberichten naar de moeder heeft gestuurd en dat de moeder de jeugdprofessional niet op de hoogte heeft gesteld van de stress die dit bij haar oplevert. Het College stelt voorop dat het de voorkeur heeft dat een jeugdprofessional binnen zijn reguliere werkuren zijn werkzaamheden kan verrichten. In het geval dit echter niet mogelijk blijkt dient een afweging te worden gemaakt of er belang bij is dat de ontvanger van de e-mailberichten zo spoedig mogelijk wordt geïnformeerd of dat dit kan wachten tot de eerstvolgende werkdag. In deze situatie heeft de jeugdprofessional er kennelijk voor gekozen om op een zaterdag een terugkoppeling c.q. gespreksverslag te geven van het gesprek over het toekomstperspectief van de kinderen dat de dag ervoor had plaatsgevonden. Het College kan zich voorstellen dat de jeugdprofessional dit heeft willen schrijven met het gesprek van de dag ervoor nog vers in het geheugen zodat alle betrokkenen zo zorgvuldig mogelijk geïnformeerd zouden worden. Ondanks dat het College begrip heeft voor de stress die dit bij de moeder teweeg brengt en dat het in een dergelijk geval ongelukkig is dat de moeder niemand kan bereiken met vragen over de e-mail, ziet het College geen aanleiding voor een tuchtrechtelijk verwijt richting de jeugdprofessional. Datzelfde geldt voor het gezinsplan dat op een zondagochtend naar de moeder (en de vader) is gestuurd. Uit de begeleidende e-mail blijkt dat het gezinsplan op korte termijn naar de rechtbank gestuurd zou worden en de ouders werden om die reden in de gelegenheid gesteld om op het gezinsplan te reageren. Ook hier geldt dat het beter is dat dergelijke e-mailberichten tijdens kantoortijden worden gestuurd, maar het College heeft de overtuiging dat de jeugdprofessional hier zorgvuldig heeft gewogen of het noodzakelijk was om de ouders buiten kantoortijden te informeren. Daar komt bij dat de moeder niet eerder dan in deze procedure kenbaar heeft gemaakt het ontvangen van de e-mailberichten in de weekenden niet prettig te vinden. De jeugdprofessional heeft dus niet de mogelijkheid gekregen om zijn handelwijze zo nodig aan te passen. Tot slot overweegt het College over het verwijt van de moeder dat de e-mailberichten van de jeugdprofessional aanvallend zijn als volgt. Het is uit een aantal overgelegde e-mailberichten gebleken dat de jeugdprofessional soms op directe wijze heeft gecommuniceerd met de moeder. Het voert echter te ver om te oordelen dat er hier sprake is van onprofessioneel en niet respectvol handelen van de jeugdprofessional. Het College is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor een tuchtrechtelijk verwijt.

4.5.7 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 5 ongegrond is.

4.6 Klachtonderdeel 6

4.6.1 De jeugdprofessional heeft de gezag status van de moeder buiten beschouwing gelaten.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft op diverse momenten gehandeld alsof de moeder een ouder zonder gezag is. Zo heeft de jeugdprofessional haar niet meer betrokken bij afspraken van de kinderen bij de GGD en iedere andere medische afspraak. Op 20 december 2018 heeft de rechter de GI gedeeltelijk belast met het gezag (medisch), welke beschikking het hof op 15 oktober 2019 heeft vernietigd. Het gedeeltelijke gezag was al beëindigd in mei 2019 omdat het slechts opgelegd kan worden tot het einde van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional is echter blijven handelen alsof er nog gedeeltelijk gezag bij hem lag.

4.6.2 De jeugdprofessional stelt dat ook de rechtbank geen perspectief meer zag voor wat betreft opvoeding en verzorging in de thuissituatie bij de moeder. Ten aanzien van de vader stelt de rechtbank dat het perspectief moet worden onderzocht. In dit licht is afgesproken dat de vader met de kinderen naar de GGD zou gaan en dat de moeder achteraf wordt ingelicht. De moeder was het daar niet mee eens. Omdat hier geen overeenstemming over te bereiken was, is het besluit van de GI in een vooraankondiging vastgesteld. Omdat de moeder aangaf toch aanwezig te zijn op de afspraak, is de vooraankondiging omgezet in een schriftelijke aanwijzing. Het bezoek aan de GGD is vervolgens niet goed verlopen. De jeugdprofessional heeft na deze voor de kinderen problematisch verlopen afspraak besloten dat de moeder niet meer meegaat naar afspraken en achteraf zal worden ingelicht over afspraken. Dit om een herhaling te voorkomen van wat zich heeft afgespeeld. Hierbij wordt heel duidelijk gekozen voor het belang van de kinderen boven het belang van de moeder als gezaghebbende ouder.

4.6.3 De moeder stelt in haar conclusie van repliek dat de jeugdprofessional bewust heeft gekozen voor het belang van de kinderen boven dat van de moeder met gezag. De moeder is van mening dat de jeugdprofessional dit besluit niet zelf had mogen nemen omdat besluiten omtrent het inperken van gezag en informatie aan de (kinder-)rechter zijn en niet aan een jeugdbeschermer.

4.6.4 De jeugdprofessional stelt in zijn conclusie van dupliek dat hij alle gemaakte stappen zorgvuldig heeft besproken binnen het team in aanwezigheid van een gedragsdeskundige. Alle stappen zijn besproken met en medegedeeld aan de ouders en in overleg met de op dat moment aanwezige hulpverlening. Daarnaast heeft de rechtbank c.q. de kinderrechter ieder besluit getoetst.

4.6.5 Het College stelt vast dat de moeder tot januari 2020 belast is geweest met het gezag over de kinderen. Tot dat moment diende de jeugdprofessional haar dan in beginsel ook te betrekken in haar rol als die van moeder met gezag. De jeugdprofessional stelt dat de rechtbank op 26 april 2018 kenbaar heeft gemaakt dat de rechtbank de visie van de GI dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt, deelt. Wat daar ook van zij, op dat moment had de jeugdprofessional c.q. de GI nog geen verzoek gedaan voor een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de moeder. De vraag die dan ook ter beantwoording voorligt is of de jeugdprofessional ten onrechte de moeder niet heeft beschouwd als moeder met gezag. Het College overweegt hierover als volgt. Het is het College gebleken dat de jeugdprofessional zich wel degelijk bewust is geweest van de positie van de moeder als gezaghebbende ouder. Dit maakt het College op uit de e-mailberichten die rondom de afspraak bij de GGD zijn verzonden alsmede de schriftelijke aanwijzing die de jeugdprofessional vervolgens heeft gegeven. De inhoud van de schriftelijke aanwijzing ziet op de specifieke afspraak bij de GGD op 10 oktober 2018. Het verzoek van de moeder om deze schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren is afgewezen. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional ten aanzien hiervan tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarnaast heeft de kinderrechter aanleiding gezien om de GI, voor zover het de toestemming voor een medische behandeling betreft, gedeeltelijk met het gezag te belasten. Deze gedeeltelijke belasting met het gezag heeft tot 22 mei 2019 geduurd. In die periode hoefde de jeugdprofessional de moeder dan ook niet te betrekken bij de medische behandelingen van de kinderen. Dat het hof aanleiding heeft gezien om in oktober 2019 de gedeeltelijke belasting van het gezag alsnog te vernietigen, doet aan het voorgaande niet af omdat het gedeeltelijk gezag toen reeds was geëindigd. Hoewel de moeder zich op het standpunt stelt dat de jeugdprofessional is blijven handelen alsof het gezag gedeeltelijk bij hem lag, heeft de moeder dit standpunt niet nader onderbouwd.

4.6.6 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 6 ongegrond is.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 21 september 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                  mevrouw mr. T. Kuijs

voorzitter                                                                                         secretaris