Maak een selectie

727 van 727

   

Een zorgprofessional, die betrokken is geweest bij het coördineren van de omgang tussen de moeder en dochter, heeft wekelijks gesprekken met de dochter gevoerd, maar zij heeft de gezaghebbende moeder daarover geen (frequente) terugkoppeling gegeven. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional zich te algemeen op het standpunt heeft gesteld dat de privacy van de jeugdige dat zou rechtvaardigen. Een dergelijke afweging dient gemotiveerd en met de ouder gedeeld te worden.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Naam klaagster], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 9 november 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[Naam beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als zorgprofessional bij Stadsteam [woonplaats 2], hierna te noemen: het stadsteam.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. N. Poggenklaas, advocaat te Alkmaar.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:
– het aangepaste klaagschrift ontvangen op 25 november 2019;
– het verweerschrift ontvangen op 24 januari 2020;
– de conclusie van repliek ontvangen op 30 april 2020;
– de conclusie van dupliek ontvangen op 6 mei 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 25 mei 2020. De beslissing is op 6 juli 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een minderjarige dochter. De dochter is geboren in 2010.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de dochter, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2014 uit elkaar. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de dochter. De dochter woont bij de vader.

2.3 In oktober 2015 is de moeder veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf vanwege poging tot moord op de vader. Teneinde het contact (hierna: de omgang) tussen de moeder en dochter gedurende de detentie te realiseren, is de vrijwilligersorganisatie Exodus ingezet. Exodus biedt opvang en begeleiding aan (ex-)gedetineerden en hun familieleden. Tot september 2018 hebben de moeder en dochter gedurende één keer per maand omgang gehad tijdens de zogeheten moeder-kind-dag in de penitentiaire inrichting.

2.4 De jeugdprofessional raakt eind 2017 bij de vader betrokken. De door haar geboden begeleiding houdt dan hoofdzakelijk verband met een persoonlijk hulpverleningstraject van de vader. In dezelfde periode wordt ook kennisgemaakt met de dochter, omdat een deel van de hulpvragen van de vader zagen op zijn vaardigheden als opvoeder.

2.5 In het najaar van 2018 heeft de moeder elk weekend verlof, waardoor de omgang tussen de moeder en dochter niet meer kon plaatsvinden via de maandelijkse moeder-kind-dag. In oktober 2018 dient de moeder daarom een aanvraag in voor een begeleide omgangsregeling (hierna: BOR) bij de gemeente [plaatsnaam]. De moeder wordt op 1 november 2018 doorverwezen naar de jeugdprofessional. Na e-mailcontact tussen de moeder en de jeugdprofessional vindt tussen hen op 23 november 2018 een kennismakingsgesprek plaats.

2.6 Op 24 november 2018 verzoekt de moeder haar advocaat per e-mailbericht om met de advocaat van de vader contact op te nemen teneinde begeleide omgang vanuit Exodus op te starten.

2.7 Op 29 november 2018 wordt in een multidisciplinair overleg van het stadsteam bepaald dat de jeugdprofessional vanaf dat moment zich enkel nog bezig gaat houden met het adviseren over en in goede banen leiden van de omgang. De persoonlijke hulpvragen van de vader worden vanaf dan door een andere professional behandeld.

2.8 Vanaf december 2018 vinden enkele omgangsmomenten plaats, onder begeleiding van een vrijwilligster van Exodus.

2.9 Per 1 februari 2019 is de moeder onder voorwaarden vervroegd in vrijheid gesteld.

2.10 In februari 2019 wordt bekend dat de vrijwilligster van Exodus uitvalt wegens ziekte. Op 22 februari 2019 doet de jeugdprofessional daarom per e-mailbericht het voorstel de begeleiding tijdelijk over te nemen. De door de jeugdprofessional voorgestelde begeleide omgangsmomenten komen niet van de grond.

2.11 Op 10 maart 2019 vindt een onbegeleid omgangsmoment tussen de moeder en dochter plaats. De ouders zijn dat samen overeengekomen.

2.12 Op 12 april 2019 vindt een behandeling bij de rechtbank plaats, onder meer over de vast te stellen zorgregeling. De advocaat van de vader heeft de jeugdprofessional per e-mailbericht van 8 april 2019 verzocht daarbij aanwezig te zijn. De jeugdprofessional benadrukt tijdens de behandeling van de rechtbank het belang van omgang tussen de moeder en dochter, maar zij spreekt ook haar zorgen uit over het loyaliteitsconflict dat bij de dochter kan gaan ontstaan.

2.13 Bij beschikking van de rechtbank van 24 april 2019 wordt onder meer de volgende voorlopige zorgregeling bepaald: de moeder en dochter hebben eenmaal per maand 2,5 uur omgang onder begeleiding van de vrijwilligster van Exodus, dan wel in het kader van een BOR. Tevens wordt de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) verzocht onderzoek te doen naar welke (opbouwende) zorgregeling in het belang van de dochter is.

2.14 Het onderzoek van de RvdK is vastgelegd in het raadsrapport van 27 september 2019. De jeugdprofessional is tijdens het raadsonderzoek als informant gehoord. Voor wat betreft de zorgregeling adviseert de RvdK de rechtbank deze in een frequentie van 2 uur per maand bij de moeder te laten plaatsvinden, eerst onder begeleiding en na een positieve beoordeling, en in overleg met de ouders, kan het onbegeleid plaatsvinden. Blijkens het raadsrapport heeft de vader op 14 november 2018 een verzoek tot eenhoofdig gezag ingediend. In het raadsrapport wordt geadviseerd het gezamenlijk gezag van de ouders te wijzigen naar eenhoofdig gezag van de vader. De uitkomst van de (eventuele) rechterlijke procedure rondom het gezag is niet bekend bij het College.

2.15 In november 2019 wordt bekend dat de vrijwilligster van Exodus opnieuw uitvalt wegens ziekte.

2.16 Op 22 november 2019 stuurt de jeugdprofessional per e-mailbericht aan de ouders de aanvraag voor een BOR met het verzoek wijzigingen door te geven of de aanvraag ondertekend aan haar te retourneren.

2.17 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat zij gedurende haar betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.17 van deze beslissing. Gelet hierop wijst het College erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dienen te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De vier in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht, de conclusie van repliek, als het verweer en de conclusie van dupliek samengevat en zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De omgang tussen de moeder en haar dochter wordt onnodig vertraagd.

Toelichting:
In oktober 2018 heeft de moeder formulieren ingevuld voor een BOR. De vader wilde namelijk graag dat de begeleide omgang tussen de moeder en dochter opgebouwd zou worden. De jeugdprofessional heeft deze aanvraag geannuleerd, omdat zij een andere mening was toegedaan. Een jaar later, in november 2019, met stress, een rechtszitting en gemiste omgang, stelt de jeugdprofessional alsnog een BOR voor. Wanneer haar daarvan de noodzaak gevraagd wordt, is het antwoord dat destijds de BOR enkel geannuleerd was omdat de vader daarvoor geen toestemming gegeven had. Deze reden is echter niet terug te lezen in de e-mailberichten van 2018.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De BOR aanvraag kon niet worden doorgezet, omdat de vader daaraan zijn medewerking niet verleende. Voor een BOR is toestemming van beide ouders vereist. De jeugdprofessional heeft dat herhaaldelijk met de moeder besproken. Bovendien zijn de ouders, met behulp van hun advocaten, kort na het indienen van de aanvraag tot een andere regeling gekomen. Deze werd ook nagekomen, met uitzondering dat in maart 2019 geen begeleiding bij de omgang is geweest. Een BOR aanvraag was op dat moment ook niet langer noodzakelijk.
Daarnaast wordt erop gewezen dat uit alle correspondentie blijkt dat de jeugdprofessional vanaf 2018 doorlopend aangedrongen heeft op omgang tussen de moeder en dochter. Toen de vrijwilliger van Exodus uitviel, heeft de jeugdprofessional zelfs aangeboden de begeleiding op haar vrije dagen op zich te nemen. De moeder heeft daarmee ingestemd. De jeugdprofessional heeft juist alles, wat in redelijkheid van haar verwacht kon worden, in het werk gesteld om de omgang tussen de moeder en dochter zo goed mogelijk te laten verlopen.

4.1.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De BOR werd in oktober 2018 aangevraagd, omdat de vader verzocht had de bezoeken te beginnen met begeleiding. De moeder acht het dan ook vreemd dat de jeugdprofessional stelt dat de vader geen BOR wenste. De gemeente [plaatsnaam] heeft destijds de moeder doorverwezen naar de jeugdprofessional.

4.1.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
Er is reeds betoogd en onderbouwd dat de jeugdprofessional de omgang niet onnodig vertraagd heeft. Ze heeft zich er – in het belang van de dochter – juist voor ingezet de zorgregeling voort te zetten toen deze dreigde vast te lopen. Voorts wordt erop gewezen dat het uitvoeren en bewerkstelligen van een zorgregeling primair de verantwoordelijkheid is van de ouders. De jeugdprofessional heeft een adviserende en coördinerende taak gehad.

4.1.5 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional wordt verweten dat zij de omgang tussen de moeder en dochter onnodig vertraagd heeft, omdat zij de ouders in november 2019 verzocht heeft een BOR aanvraag in te vullen terwijl de moeder een dergelijke aanvraag al in november 2018 geprobeerd had in te dienen. De moeder is gedetineerd geweest waardoor de omgang in de penitentiaire inrichting (tot september 2018) tussen haar en de dochter één keer per maand plaatsvond tijdens de moeder-kind-dag. In oktober 2018 heeft de moeder bij de gemeente een aanvraag voor een BOR ingediend, omdat de maandelijkse moeder-kind-dag geen mogelijkheid meer was vanwege haar weekendverlof. Zodoende heeft de gemeente de moeder doorverwezen naar de jeugdprofessional, omdat de jeugdprofessional al betrokken was bij de vader en dochter. Tussen de jeugdprofessional en de moeder heeft vervolgens op 23 november 2018 een kennismakingsgesprek plaatsgevonden. Het College leidt af uit het e-mailbericht van de moeder, gericht aan haar advocaat van 24 november 2018, dat zij destijds heeft kunnen instemmen met het opstarten van omgang wat begeleid zou worden door de vaste vrijwilligster van Exodus (bijlage 4 van het verweerschrift). In het e-mailbericht verzoekt de moeder haar advocaat immers contact op te nemen met de advocaat van de vader om begeleide omgang vanuit Exodus op te starten. Vanwege deze gewijzigde vorm van begeleide omgang is de BOR aanvraag daarna niet doorgezet, maar kennelijk met instemming van de moeder, althans zij is op de BOR aanvraag ook niet teruggekomen en gebleken is dat vanaf december 2018 de begeleide omgang vanuit Exodus is opgestart.
Voor wat betreft de begeleide omgang in de periode daarna, tot november 2019 (tweede BOR aanvraag), overweegt het College als volgt. Nadat de vaste vrijwilligster van Exodus in februari 2019 onverwacht uitviel, heeft de jeugdprofessional voorgesteld de begeleiding (tijdelijk) over te nemen. Het staat vast dat de begeleide omgang daarna, in ieder geval in maart 2019, niet goed van de grond is gekomen. Hoewel het College niet af wil doen aan het belang van frequente omgang tussen een ouder en kind, wordt vastgesteld dat de afgezegde omgang buiten de invloedssfeer van de jeugdprofessional valt. Uit de e-mailcorrespondentie van maart 2019 blijkt namelijk dat het voor de vader praktisch onhaalbaar bleek te zijn om de afspraken na te komen (bijlage 6 en 7 van het verweerschrift). Bovendien is kort daarna een rechterlijke zorgregeling vastgelegd bij beschikking van 24 april 2019, zoals opgenomen onder 2.13 van deze beslissing. Alles overwegende is het College van oordeel dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van de omgang, dan wel de BOR aanvraag.

4.1.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional weigert contact met de moeder en zij wordt niet betrokken bij de hulpverlening.

Toelichting:
De jeugdprofessional voert wekelijks gesprekken met de dochter. De moeder heeft daarover geen enkele terugkoppeling gekregen. Op één kennismakingsgesprek na, zijn ook geen gesprekken met de moeder gevoerd. Er heeft enkel e-mailcorrespondentie over de omgang plaatsgevonden. Omdat contact uitbleef, heeft de moeder op 22 april 2019 contact gezocht met de jeugdprofessional. Daarop kreeg zij enkel een bot e-mailbericht terug waarin geen excuses gemaakt werden. Verder blijkt daar uit dat de jeugdprofessional geen rekening houdt met de gevoelens van de moeder en zij niet is ingegaan op de zorgen van de moeder.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Uit de reactie van de jeugdprofessional van 26 april 2019 blijkt dat wel degelijk contact geweest is en dat de vragen beantwoord worden. De jeugdprofessional is steeds inhoudelijk ingegaan op vragen van de moeder. Zij is ook degene geweest die het initiatief genomen heeft voor het kennismakingsgesprek en zij heeft constant gewezen op het belang van de omgang. Er wordt dan ook betwist dat er geen contact zou zijn of dat de moeder onvoldoende betrokken wordt.
Het klopt overigens dat de moeder niet telkens op detailniveau op de hoogte gebracht is van de inhoud van de met de dochter gevoerde gesprekken (en/of de vader). Met het delen van meer details komt de privacy van anderen, met name de dochter, in het geding. Daarbij is het van belang dat een jeugdige ervan uit kan gaan dat de inhoud van gesprekken vertrouwelijk blijft, zodat een jeugdige vrijelijk zijn of haar gevoelens kan bespreken. In dat kader wordt verwezen naar beslissing 19.055Ta van 15 juli 2019 van het College van Toezicht van SKJ.
Ten overvloede wordt erop gewezen dat de plicht tot informatieverstrekking in eerste instantie bij de ouders ligt (artikel 1:337b van het Burgerlijk Wetboek). Het is ook niet aannemelijk gemaakt dat de jeugdprofessional relevante informatie voor de moeder achterhoudt. De jeugdprofessional heeft de moeder op de hoogte gebracht van relevante ontwikkelingen inzake de omgang en de kindgesprekken. Ter illustratie wordt gewezen op een e-mailbericht van 2 juli 2019 van de jeugdprofessional die onder meer aan de moeder verstuurd is, waarin ingegaan wordt op hetgeen de dochter kenbaar gemaakt heeft aan de jeugdprofessional.

4.2.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft meermaals geweigerd aan de moeder een terugkoppeling te geven over de gesprekken die zij op regelmatige basis met de dochter gevoerd heeft. Met als motivatie dat de moeder daar geen recht op had vanwege de privacywet. De moeder heeft echter nu van de leidinggevende van de jeugdprofessional vernomen dat zij wel recht heeft op een terugkoppeling. De jeugdprofessional heeft bewust gelogen, informatie achtergehouden en de moeder niet in de gelegenheid gesteld op de informatie te reageren.

4.2.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
Tijdens het kennismakingsgesprek heeft de jeugdprofessional aangeboden regelmatig contact te hebben met de moeder, hetgeen niet nodig werd geacht. Ook latere initiatieven heeft de moeder afgewezen. De jeugdprofessional heeft de moeder steeds van relevantie informatie voorzien. De leidinggevende deelt geen andere informatie met de moeder dan dat de jeugdprofessional met haar zou delen. Daarbij wordt nog steeds – in het belang van de dochter – een mate van geheimhouding betracht.

4.2.5 Het College overweegt als volgt:
In dit klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij weigert met de moeder contact op te nemen en haar ook niet bij de hulpverlening betrekt. Voor wat betreft het contact met de moeder, is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional dat zou weigeren. Op 24 november 2018 heeft tussen hen een kennismakingsgesprek plaatsgevonden en in de periode daarna heeft het contact (al dan niet op verzoek van de moeder) per e-mail plaatsgevonden. Blijkens de overgelegde stukken heeft de jeugdprofessional op de e-mailberichten van de moeder gereageerd en haar ook op de hoogte gehouden van de omgangsmomenten. Dit gedeelte van het klachtonderdeel wordt dan ook ongegrond verklaard.
Ten aanzien van het betrekken van de moeder bij de hulpverlening, overweegt het College als volgt. Vanuit het stadsteam is de jeugdprofessional tenminste vanaf 29 november 2018 betrokken bij het coördineren van de omgang tussen de moeder en dochter. Het College verwijst daarvoor naar 2.7  van deze beslissing. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de jeugdprofessional in dat kader ook wekelijkse gesprekken met de dochter heeft gevoerd. In het e-mailbericht aan de moeder van 26 april 2019 (bijlage 12 van het verweerschrift) omschrijft de jeugdprofessional dat als volgt: “De contacten met [dochter] had ik altijd al. Dat heb ik je verteld in het kennismakingsbezoek en opnieuw tijdens de rechtszitting. Ik spreek [dochter] wekelijks. In die contacten hebben we het over alles wat haar bezighoudt en kan helpen. Haar omgang met jou bespreken we daar ook. We bereiden het voor om aktiviteiten te kunnen kiezen die zij leuk vind en waar ze plezier aan beleeft en we bespreken het na om haar de mogelijkheid te geven met iemand over de omgang en haar contact met papa en mama te praten die haar daarbij kan helpen.” Het College heeft in de overgelegde stukken niet gezien dat een (frequente) terugkoppeling aan de moeder is gegeven van de wekelijkse gesprekken tussen de jeugdprofessional en de dochter. De jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift toegelicht dat zij dat heeft nagelaten vanwege de privacy van de dochter. Het College overweegt dat de moeder, als gezaghebbende ouder, in beginsel recht heeft op informatie/inlichtingen over de verleende jeugdhulp, zeker gezien de leeftijd van de dochter (onder de twaalf jaar). Dat volgt uit artikelen 7.3.11 lid 1 en 2 juncto 7.3.15 lid 1 van de Jeugdwet. Op grond van artikelen 7.3.11 lid 3 juncto 4.1.1 lid 3 van de Jeugdwet kunnen inlichtingen slechts achterwege gelaten worden wanneer de jeugdprofessional met het verstrekken daarvan “niet geacht kan worden de zorg van een goed jeugdhulpverlener in acht te nemen”. Het College is het met de jeugdprofessional eens dat privacyoverwegingen daarbij een rol (kunnen) spelen. In het onderhavige geval is het College echter van oordeel dat de jeugdprofessional dat standpunt (te) algemeen ingenomen heeft ten opzichte van alle wekelijkse gevoerde gesprekken met de dochter. In het geval een jeugdprofessional meent dat de privacy van een jeugdige zwaarder dient te wegen dan het recht van de gezaghebbende ouder op informatie, is het College van oordeel dat op de jeugdprofessional een zware motivatieplicht rust. Dat houdt in dat de belangenafweging rondom een zogeheten conflict van plichten, in dit geval het conflict tussen de plicht tot het geven van informatie aan de gezaghebbende moeder en de plicht tot het waarborgen van de privacy van de dochter, transparant met de gezaghebbende ouder(s) gedeeld wordt. Met het enkele algemene argument, dat het delen van informatie de privacy van de dochter schendt, kan volgens het College niet worden volstaan. Temeer omdat de gesprekken zeer frequent, op wekelijkse basis, hebben plaatsgevonden, en daarbij ook ingegaan is op de omgang tussen de moeder en dochter, en wat daarin mogelijk helpend zou kunnen zijn voor de dochter. Dergelijke informatie beschouwt het College als zeer relevante informatie voor de moeder en het bestendigen, dan wel verbeteren, van de omgang tussen haar en de dochter. Het College komt tot de conclusie dat de moeder onvoldoende betrokken is bij de jeugdhulp die de jeugdprofessional geboden heeft aan de dochter, wat een schending oplevert van artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode en artikelen 7.3.11 lid 1 en 2 juncto 7.3.15 lid 1 van de Jeugdwet.

4.2.6 Het College verklaart het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional de moeder onvoldoende betrokken heeft bij de hulpverlening.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional faalt in het realiseren van omgangsmomenten tussen de moeder en dochter.

Toelichting:
Zoals toegelicht was in oktober 2018 de BOR dankzij de jeugdprofessional van de baan. In de periode september 2018 – maart 2019 hebben slechts twee omgangsmomenten van 2 uur plaatsgevonden. Omdat de jeugdprofessional niets ondernam in het opstarten van een bezoekregeling, heeft de moeder op eigen initiatief, via haar advocaat, de organisatie Exodus benaderd. Nadat de jeugdprofessional het bezoek zou begeleiden vanwege de afwezigheid van de vrijwilligster van Exodus, werd het bezoek afgezegd, twee dagen voordat het zou plaatsvinden. De vader heeft er alsnog voor gezorgd dat de omgang door kon gaan. Na het prettig verlopen bezoek, was het contact tussen de ouders overduidelijk wat verbeterd. Totdat de jeugdprofessional de vader erop wees dat het niet slim was geweest en ten nadele van zijn positie zou zijn. Deze reactie heeft ervoor gezorgd dat het prille contact tussen de ouders voor een aantal maanden weer om zeep geholpen was, terwijl een jeugdprofessional juist contact tussen de ouders moet aanmoedigen en ondersteunen. Op dit moment verschuilt de jeugdprofessional zich achter de beslissing van de rechtbank van 12 april 2019, waaruit volgens haar blijkt dat het bezoek begeleid dient plaats te vinden. De rechter heeft destijds echter ook een BOR geaccepteerd, wat gebaseerd is op zelfstandige omgang tussen ouder en kind. Wanneer deze in mei 2019 opgestart was, zou de BOR inmiddels afgerond zijn zodat de omgang onbegeleid plaats zou vinden.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Vooropgesteld wordt dat de jeugdprofessional enkel een adviserende en coördinerende rol heeft (gehad) voor wat betreft de omgang. Van het begeleiden van de omgangsmomenten is het niet gekomen. In de periode tot aan de beschikking van de rechtbank van 12 april 2019 heeft de jeugdprofessional in het belang van de dochter aangeboden de omgang te begeleiden, vanwege het uitvallen van de vrijwilligster van Exodus. Dat het daar uiteindelijk niet van gekomen is, komt omdat de vader vanwege praktische redenen de dochter meermaals niet naar [plaatsnaam 2] kon brengen. De jeugdprofessional heeft echter steeds het belang van de omgang benadrukt.
Op 10 maart 2019 heeft onbegeleide omgang plaatsgevonden. De jeugdprofessional heeft daarover in het belang van de dochter haar zorgen kenbaar gemaakt, omdat zij niet wil dat de dochter in een loyaliteitsconflict komt. Op grond van de Beroepscode dient een jeugdprofessional in zijn of haar afweging het belang van een jeugdige altijd voorop te plaatsen. Het belang van de moeder, dat zij meer en onbegeleide omgang wil, botst volgens de jeugdprofessional met het belang van de dochter, dat zij niet een loyaliteitsconflict krijgt. Een jeugdprofessional heeft de vrijheid haar zorgen over een bepaalde situatie kenbaar te maken, indien dat in het belang van de jeugdige geacht wordt.
De rechtbank achtte zich 12 april 2019 onvoldoende voorgelicht om een zorgvuldige en weloverwogen beslissing te nemen ten aanzien van het vaststellen van de zorgregeling. Tijdens de behandeling van het verzoek zijn partijen tot de afspraak gekomen de oude regeling – inhoudende begeleide omgang – te hervatten. Dat de moeder niet blij is dat de jeugdprofessional haar zorgen heeft gedeeld en dat zij niet blij is met de huidige zorgregeling, kan de jeugdprofessional begrijpen. Dat betekent echter nog niet dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft door op te komen voor het belang van de dochter.

4.3.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft nooit de volledige beschikking van de rechtbank ontvangen, enkel een passage welke door de moeder toegezonden is omtrent de vastgelegde duur voor de begeleide bezoeken. De in het verweerschrift aangedragen informatie is dan ook incompleet. Ook worden in het verweerschrift uitspraken gedaan over wat de moeder zou vinden van de zorgen van de jeugdprofessional en de zorgregeling. De jeugdprofessional weigert gesprekken met de moeder te voeren waardoor zij niet kan weten hoe de moeder over deze zaken denkt. De moeder vindt het namelijk niet erg dat zorgen gedeeld worden, indien het kan worden voorzien van heldere argumentatie.

4.3.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
Het advies dat gegeven is tijdens de behandeling bij de rechtbank is tot stand gekomen na overleg met het interdisciplinaire team. De belangrijkste argumentatie is duidelijk naar voren gekomen, namelijk de vrees voor het ontstaan van een loyaliteitsconflict bij de dochter in het geval de omgang zonder begeleiding zou plaatsvinden. De moeder heeft dus wel de benodigde toelichting ontvangen. Van het verstoren van de zorgregeling is geen enkele sprake geweest. De jeugdprofessional heeft simpelweg vastgehouden aan de zorgregeling zoals door de ouders onderling afgesproken en/of door de rechter vastgelegd. Het is niet aan de jeugdprofessional om die regeling op verzoek van de moeder te wijzigen of daarin het voortouw te nemen.

4.3.5 Het College overweegt als volgt:
Geconstateerd wordt dat dit klachtonderdeel overlap heeft met klachtonderdeel 1, waarin reeds geoordeeld is dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft ten aanzien van de BOR aanvraag, dan wel de omgang (waaronder begrepen de afgezegde omgang van 10 maart 2019). Het nakomen van de afspraken rondom de begeleide omgang in maart 2019 bleek voor de vader praktisch niet haalbaar. Voorts acht het College het zorgvuldig en in lijn met de professionele standaard dat de jeugdprofessional aan de begeleide omgang heeft willen blijven vasthouden, nu dat de geldende afspraken waren en zij daarin het belang van de dochter leidend heeft laten zijn. Voor zover de jeugdprofessional specifiek in dit klachtonderdeel nog verweten wordt dat zij zich over het onbegeleide omgangsmoment van 10 maart 2019 negatief uitgelaten heeft, is dat voor het College niet vast komen te staan.

4.3.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional is oneerlijk, bevooroordeeld en niet in staat neutraal te zijn.

Toelichting:
De jeugdprofessional is vanaf het begin bevooroordeeld geweest en het voelt voor de moeder of zij een hekel aan haar heeft, hetgeen niet onder stoelen of banken wordt gestoken. Misschien mede daardoor verspreidt zij veel leugens over de moeder. De moeder is bang dat de dochter beïnvloed wordt met de mening van de jeugdprofessional, omdat zij klaarblijkelijk niet neutraal en eerlijk kan zijn. De jeugdprofessional lijkt te handelen uit confirmation bias.
De jeugdprofessional beroept zich steeds op haar ‘adviserende rol’, maar bemoeit zich wel overal mee. Zij beweert dat de rechter haar gevraagd heeft deel te nemen aan de zitting van 12 april 2019, wat een leugen is. Zij is gewoon naar de rechtbank gekomen en is uiteindelijk binnengelaten, volstrekt tegen de zin van de moeder in. Daar heeft zij de rechter van ‘advies’ voorzien, wat gebaseerd is op lucht en haar mening. De jeugdprofessional wil bezoek onder begeleiding en heeft dat ook zo aan de rechter geadviseerd, zonder dat het op feiten of gegronde argumenten gestoeld is. Daarbij zijn geen gesprekken met de moeder gevoerd en is geen risicoanalyse gemaakt. Desondanks heeft zij zich kundig genoeg geacht de rechter te adviseren. Door het handelen van de jeugdprofessional, wordt de dochter haar moeder ontnomen en dat al een jaar lang. Op papier schrijft zij dat omgang zo belangrijk is, maar in de praktijk doet zij er alles aan om het bezoek te saboteren, uit te stellen dan wel te annuleren.
De moeder wil weten welke (gefundeerde) argumenten aan haar advies ten grondslag liggen, maar zij krijgt daar nooit een eerlijk en rechtstreeks antwoord op. Dat frustreert de moeder omdat het te kennen geeft dat er geen argumenten zijn maar dat alles op haar mening gebaseerd is.
Dan is er nog een passage in het raadsrapport van de jeugdprofessional, deze berust uitsluitend op onwaarheden, leugens, dan wel aannames. Behoudens een kennismaking in oktober 2018, heeft de jeugdprofessional immers geen woord met de moeder gewisseld. Bijzonder acht de moeder het dan ook dat de jeugdprofessional een dergelijk verhaal over de moeders situatie, haar gedrag en karakter kan vertellen. Daarmee wordt wederom de omgang gesaboteerd. De jeugdprofessional weigert de moeder te erkennen, zij is onbeschoft, leugenachtig, vals en saboteert moedwillig contact tussen de ouders.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De advocaat van de vader heeft de jeugdprofessional uitgenodigd aanwezig te zijn tijdens de zitting van de rechtbank, hetgeen blijkt uit het overgelegde e-mailbericht van 8 april 2019. Partijen hebben uiteindelijk ingestemd met haar aanwezigheid tijdens deze zitting. Dat de moeder niet tevreden is met het advies dat zij gegeven heeft, wordt begrepen. De jeugdprofessional is zich ook bewust van de negatieve impact op de moeder van haar adviezen. Het staat haar echter vrij om dergelijke (onderbouwde) adviezen te delen. In dat kader wordt opnieuw verwezen naar beslissing 19.055Ta van 15 juli 2019 van het College van Toezicht van SKJ. Op welke momenten en welke wijze de jeugdprofessional onbeschoft zou zijn geweest, wordt niet duidelijk.

4.4.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De moeder heeft niet ingestemd met de aanwezigheid van de jeugdprofessional tijdens de zitting. De vader en de rechter wilden dat. Voorts was het gegeven advies niet objectief. De jeugdprofessional heeft immers enkel met de vader en de dochter gesproken, er is geen risicoanalyse gemaakt en de voortgang van de bezoeken is niet bijgehouden. Op deze wijze heeft de rechter geen objectief oordeel kunnen vellen, omdat de aangedragen informatie incompleet was.

4.4.4 In de conclusie van dupliek handhaaft de jeugdprofessional haar verweerschrift ten aanzien van dit klachtonderdeel.

4.4.5 Het College overweegt als volgt:
Het College acht het verwijt in dit klachtonderdeel verstrekkend en grievend, te weten dat de jeugdprofessional oneerlijk, bevooroordeeld en niet neutraal zou zijn, met als toelichting op het klachtonderdeel dat zij tevens onbeschoft, leugenachtig, vals is en moedwillig het contact tussen de ouders saboteert. Dergelijke verstrekkende verwijten dienen nog meer dan anders voldoende concreet onderbouwd en gemotiveerd te worden. De moeder heeft dat geprobeerd te doen door het overleggen van e-mailcorrespondentie, en te wijzen op de rechterlijke procedure van april 2019 en het raadsrapport van 27 september 2019. Het is echter voor het College voldoende aannemelijk geworden dat de jeugdprofessional op grond van de wekelijkse gevoerde gesprekken met de dochter tot een professionele visie is gekomen en haar belang vooropgesteld heeft, meer in het bijzonder het willen voorkomen van het ontstaan van een loyaliteitsconflict bij de dochter. Gezien de voorgeschiedenis tussen de ouders en de complexe verhoudingen, acht het College deze visie t volgen waardoor haar op dat punt geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Wanneer een jeugdprofessional vervolgens als informant wordt opgeroepen (in een rechterlijke procedure of gedurende een raadsonderzoek) heeft deze – tot op zekere hoogte – een eigen professionele bevoegdheid om te bepalen welke informatie over het hulpverleningstraject gedeeld wordt. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. De overige verwijten in dit klachtonderdeel zijn door de moeder niet of onvoldoende feitelijk onderbouwd.

4.4.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.5 Conclusie

4.5.1 Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 2 gedeeltelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft nagelaten de moeder, als gezaghebbende ouder, (frequent) een terugkoppeling te geven over de wekelijkse gevoerde gesprekken met de dochter, terwijl deze ook gedeeltelijk zijn gegaan over de omgang tussen de moeder en dochter. De jeugdprofessional heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode en artikelen 7.3.11 lid 1 en 2 juncto 7.3.15 lid 1 van de Jeugdwet. Het College stelt voorop dat grote waarde wordt gehecht aan het betrekken van de (gezaghebbende) ouder(s) bij een hulpverleningstraject. Niettemin wordt het op grond van de stukken aannemelijk geacht dat de jeugdprofessional gedurende haar betrokkenheid het belang van de dochter voorop heeft willen stellen. Voorts wordt er vanuit gegaan dat dit oordeel eraan bijdraagt dat de jeugdprofessional voor toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast, zodat deze in lijn is met de professionele standaard. Alles overwegende ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:
– verklaart klachtonderdeel 2 gedeeltelijk gegrond;
– verklaart voor het overige klachtonderdelen 1 tot en met 4 ongegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 6 juli 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris