Maak een selectie

727 van 727

   

Een Veilig Thuis medewerker wordt verweten dat zij op onzorgvuldige wijze contact heeft gelegd met de moeder, de termijnen niet in acht heeft genomen en onvoldoende onderzoek heeft gedaan.

Klager is [de klager], hierna te noemen: de moeder. De gemachtigde van de moeder is [naam gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als medewerker onderzoek & interventie/crisisdienst bij Veilig Thuis. De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode waar de klacht betrekking op heeft stond zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd. De gemachtigde van de jeugdprofessional is mevrouw mr. J. Huitema, werkzaam bij &Jeugd.

De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 1 november 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional, de jeugdprofessional in zaaknummer 21.122Tb, en de gemachtigden.

Het College gaat uit van het klaagschrift (ontvangen op 23 maart 2021), het verweerschrift (ontvangen op 23 september 2021) en wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De moeder heeft een minderjarige zoon die is geboren in 2018. De ouders van de zoon zijn gezamenlijk belast met het gezag over de zoon. Ten tijde van de betrokkenheid van de jeugdprofessional zaten de ouders in een echtscheidingsprocedure.

1.2 Op 16 juli 2019 doet de politie een zorgmelding bij Veilig Thuis in verband met het vermoeden van de moeder dat de vader haar morfine gebruikt, hij hier verslaafd aan is en hierin dealt.

1.3 Op 27 augustus 2019 vindt vanuit Veilig Thuis de veiligheidsbeoordeling plaats. Op 5 september 2019 neemt Veilig Thuis het triagebesluit om de dienst Voorwaarden & Vervolg in te zetten.

1.4 Op 5 september 2019 raakt de jeugdprofessional als casusverantwoordelijke betrokken. Op 9 september 2019 is de dienst Voorwaarden & Vervolg gestart door een eerste huisbezoek van de jeugdprofessional bij de moeder thuis.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit drie klachtonderdelen. Deze worden hieronder samengevat weergegeven en vervolgens beoordeeld.

3.1 Klachtonderdeel 1

3.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij op onzorgvuldige wijze contact heeft gelegd. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1.2 De moeder stelt dat de jeugdprofessional eerst de vader heeft geïnformeerd over de melding bij Veilig Thuis, terwijl de politie de melding heeft gedaan in overleg met en op basis van informatie van de moeder. De moeder had met de politie afgesproken dat zij eerst benaderd zou worden en was in de veronderstelling dat Veilig Thuis dit overneemt. De jeugdprofessional stelt dat haar geen  tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt omdat zij destijds nog niet bij de casus betrokken was. Een collega van de jeugdprofessional heeft over de melding contact opgenomen met de vader. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de moeder desgevraagd kenbaar gemaakt dat het zou kunnen dat het een andere medewerker dan de jeugdprofessional is geweest die contact met de vader heeft opgenomen. Voor het College is het voldoende duidelijk geworden dat dit inderdaad niet door de jeugdprofessional is gebeurd. Dit leidt het College af uit de aantekening in het dossier van 27 augustus 2019 waarin is opgenomen dat de vader is geïnformeerd over de melding. Op deze datum was de jeugdprofessional nog niet betrokken bij het dossier en staat er een andere jeugdprofessional in het dossier als casusverantwoordelijke vermeld. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional niet degene is geweest die de vader heeft geïnformeerd over de melding, zodat de moeder om die reden geen klacht in kan dienen tegen de jeugdprofessional hierover.

3.1.3 Het College is van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in het klachtonderdeel.

3.2 Klachtonderdeel 2

3.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de termijnen niet in acht heeft genomen. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.2 Het College stelt vast dat Veilig Thuis de melding op 18 juli 2019 heeft ontvangen. Ook is gebleken dat er vervolgens op 27 augustus 2019 contact is opgenomen met de vader en op 3 september 2019 met de moeder. De moeder stelt dat dit een te lange termijn is geweest en dat de jeugdprofessional al eerder contact had moeten leggen. Het College heeft onder 1.4 van deze beslissing al vastgesteld dat de jeugdprofessional vanaf 5 september 2019 de casusverantwoordelijke was. Of er al dan niet sprake is van een (te) lange termijn die tussen de melding en het leggen van contact met de ouders heeft gezeten, betreft dan ook niet het handelen van de jeugdprofessional. In zoverre is het College dan ook van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.
Voor zover de moeder stelt dat de jeugdprofessional het gehele traject tien weken na de melding, op 24 september 2019, had moeten afronden, overweegt het College als volgt. Uit het Handelings-protocol Veilig Thuis 2019 (artikel 9.2) blijkt dat binnen tien weken na de veiligheidsbeoordeling de dienst Voorwaarden & Vervolg afgerond moet zijn. De veiligheidsbeoordeling is op 27 augustus 2019 gedaan. Volgens het Handelingsprotocol had de jeugdprofessional vanaf dat moment tien weken de tijd om het traject af te ronden. De jeugdprofessional heeft de dienst binnen deze termijn, te weten op 25 oktober 2019, afgerond. Om die reden bestaat er geen aanleiding om de jeugdprofessional ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.2.3 Het College is van oordeel dat de moeder deels niet-ontvankelijk is in de klacht voor zover deze betrekking heeft op de termijn tussen de melding en het leggen van contact met de vader en de moeder. Voor het overige is het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel 3

3.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat er onvoldoende en te laat in het proces onderzoek is gedaan. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.2 Het College stelt vast dat de voorganger van de jeugdprofessional op 5 september 2019 het triagebesluit heeft genomen om de dienst Voorwaarden & Vervolg in te zetten. Reden voor de keuze van deze dienst is onder andere dat de moeder kenbaar had gemaakt dat beide ouders open staan voor het maken van vervolgafspraken. De moeder stelt dat de jeugdprofessional voorafgaand aan het eerste gesprek met de ouders had moeten onderzoeken of de zorgen van de moeder over de verslaving van de vader correct waren. De jeugdprofessional heeft volgens de moeder gedurende haar betrokkenheid pas laat contact gelegd met de huisarts waardoor zij toen pas in staat was om een veiligheidsbeoordeling te doen die ergens op was gebaseerd. De jeugdprofessional heeft toegelicht dat in de dienst Voorwaarden & Vervolg de nadruk ligt om in overleg met betrokkenen te kijken welke afspraken nodig zijn om de veiligheid van alle betrokkenen te waarborgen en de focus niet ligt op het doen van onderzoek. Het gesprek met de ouders zou dan ook gaan over het maken van afspraken met betrekking tot de zoon. Daarnaast waren de ouders niet meer bij elkaar op het moment dat de jeugdprofessional betrokken raakte, woonde de vader elders en kon hij ook niet meer bij de medicatie van de moeder komen. Daarnaast had de vader kenbaar gemaakt dat hij bereid is zich preventief te laten testen en open te staan voor hulp.

Het College volgt de jeugdprofessional in het standpunt dat de dienst Voorwaarden & Vervolg er primair op is gericht om in overleg te kijken welke afspraken er nodig zijn om de veiligheid van de betrokkenen te waarborgen. Dat de moeder mogelijk andere verwachtingen had van de inhoud van deze dienst en daarmee van de jeugdprofessional, doet daar niet aan af. Volgens het Handelingsprotocol dient er een doorlopende veiligheidsinschatting plaats te vinden (artikel 9.4) waarna kan worden besloten om toch de dienst Onderzoek in te zetten. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd gesteld dat er tijdens haar betrokkenheid geen sprake was van acute zorgen waardoor de dienst gewijzigd moest worden en/of er onderzoek moest worden gedaan. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional hierin onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld.

3.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • de moeder is niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 1 en 2 (deels);
  • voor het overige zijn de klachtonderdelen ongegrond.

Deze beslissing is op 13 december 2021 genomen door mevrouw mr. S.C. van Duijn (voorzitter), mevrouw S.M.G. Bruinhard en mevrouw M. Grol (beide lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. T. Kuijs (secretaris).

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs, secretaris