Maak een selectie

727 van 727

   

Een Veilig Thuis medewerker heeft de vader niet geïnformeerd over het afsluiten van het onderzoek en de afsluitbrief is alleen aan de moeder is toegestuurd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
mevrouw N.A. van Lingen, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.M.G. Bruinhard, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij Veilig Thuis, locatie: [locatie], hierna te noemen: Veilig Thuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. S. Salhi, werkzaam als advocaat te ’s-Gravenhage.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mr. L. Ipenburg, werkzaam als jurist.

1  Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 2 maart 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 23 april 2019;
  • de door de gemachtigde van klager tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 6 mei 2019 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht haar leidinggevende aanwezig geweest. Vanuit het College is als toehoorder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een tweede secretaris aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2  De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is de vader van twee minderjarige dochters. De oudste dochter is geboren in 2014 en de jongste dochter is geboren in 2017, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, hierna te noemen: de moeder, zijn gescheiden. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de moeder. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

2.3

In de Basisregistratie Personen (BRP) staat klager ingeschreven op een adres van een daklozenopvang.

2.4

Na een incident op 8 september 2018 waarbij sprake is geweest van fysiek geweld van klager richting de moeder, is aan klager een tijdelijk huisverbod opgelegd.

2.5

Op 15 oktober 2018 is Veilig Thuis ambtshalve overgegaan tot het doen van een melding, omdat het binnen het traject tijdelijk huisverbod niet gelukt is om tot veiligheidsafspraken te komen.

2.6

Bij beschikking van de rechtbank van 31 oktober 2018 zijn klager en de moeder doorwezen naar het traject ‘Ouderschap Blijft’.

2.7

Naar aanleiding van de gemelde zorgen over de kinderen start Veilig Thuis een onderzoek. Beklaagde wordt per 3 december 2018 (vanwege een wachtlijst) namens Veilig Thuis belast met het doen van het onderzoek. Op 13 december 2018 heeft beklaagde telefonisch contact met klager gehad.

2.8

Op 30 januari 2019 heeft beklaagde aan de moeder, middels de afsluitbrief, geïnformeerd dat Veilig Thuis het onderzoek afsluit. Klager heeft dezelfde afsluitbrief ontvangen op 7 februari 2019 tijdens het intakegesprek van het traject ‘Ouderschap Blijft’.

2.9

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2017 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3  De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klager heeft in het klaagschrift één klachtonderdeel geformuleerd. Het is het College gebleken dat het geformuleerde klachtonderdeel twee verwijten betreft. Namelijk dat klager, als gezaghebbende ouder, door beklaagde niet betrokken is bij het onderzoek van Veilig Thuis en dat de afsluitbrief van het onderzoek alleen aan de moeder geadresseerd en toegestuurd is. Het College heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht deze twee verwijten afzonderlijk besproken en zal dit ook als zodanig in de beslissing opnemen. Partijen hebben hiertegen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht geen bezwaar gemaakt. Onder 3.2 en 3.3 van deze beslissing worden, zakelijk en verkort, de twee klachtonderdelen, het verweer hiertegen en het oordeel van het College weergegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.1.4

Het College dient te beoordelen of beklaagde – als medewerker van Veilig Thuis – is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College toetst daartoe het handelen van beklaagde aan de professionele standaard, te weten de beroepscode, de richtlijnen en specifieke aan de organisatie gerelateerde kaders. De ten tijde van het handelen van beklaagde voor haar geldende Beroepscode, is de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna te noemen: de Beroepscode. Het specifieke aan de organisatie gerelateerde kader waar het College aan toetst betreft in deze casus het Handelingsprotocol Veilig Thuis 2019 (hierna te noemen: het Handelingsprotocol Veilig Thuis). Dit handelingsprotocol is immers blijkens het handelingsprotocol op 25 september 2018 vastgesteld door het overleg van directeuren en bestuurders van het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en het onderzoek van beklaagde heeft plaatsgevonden van 3 december 2018 tot en met 30 januari 2019. In het Handelingsprotocol Veilig Thuis zijn algemene kaders vastgelegd die gelden voor professionals werkzaam bij Veilig Thuis.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het niet betrekken van klager als gezaghebbende ouder bij het onderzoek van Veilig Thuis.

Toelichting:
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft klager toegelicht dat hij op 13 december 2018 telefonisch contact gezocht heeft met Veilig Thuis, omdat hem via de hulpverlening bekend was geworden dat de oudste dochter, zonder zijn toestemming en medeweten, was gehoord door een medewerker van Veilig Thuis. Naar aanleiding hiervan heeft klager een klacht ingediend bij Veilig Thuis en het dossier van de oudste dochter opgevraagd. Omdat een reactie hierop uitbleef, heeft klager het algemene telefoonnummer van Veilig Thuis gebeld. Een medewerker van Veilig Thuis, kennelijk beklaagde, heeft hem dezelfde dag teruggebeld. Het is klager in het telefonisch contact met beklaagde niet duidelijk geworden dat zij belde om te informeren over het gestarte onderzoek van Veilig Thuis. Klager is als gezaghebbende ouder niet meegenomen in het onderzoek, noch geïnformeerd.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Op 15 oktober 2018 heeft Veilig Thuis een zorgmelding vanuit het Team Tijdelijk Huisverbod ontvangen en een dossier aangemaakt. Het dossier is op 3 december 2018 aan beklaagde toegewezen. Op 13 december 2018 heeft beklaagde telefonisch contact opgenomen met klager met als doel om hem te informeren over de zorgmelding en de start van het onderzoek. Tevens wilde beklaagde klager uitnodigen voor een persoonlijk gesprek om de zorgmelding en het hierop volgende onderzoek verder toe te lichten. Klager heeft direct aangegeven dat hij niets met Veilig Thuis te maken wilde hebben, omdat hij ontevreden was over hoe een medewerker in een vorig onderzoek heeft gehandeld. Hij gaf aan een klacht te hebben ingediend tegen deze medewerker en vroeg naar de stand van zaken. Beklaagde heeft toegezegd te gaan bekijken of zij klager in contact kon brengen met degene die daarover gaat. Vervolgens heeft zij aangegeven alsnog in gesprek te willen gaan over de nieuwe zorgmelding om het verhaal van klager te horen. Klager schreeuwde dat hij dit niet wilde en verbrak de verbinding. Enkele minuten later belde klager terug en uitte hij nogmaals zijn boosheid over het verloop van het vorige onderzoek. Beklaagde heeft nogmaals proberen aan te geven dat het belangrijk is dat zij het verhaal en de mening van klager zou horen voor haar onderzoek. Klager gaf nogmaals aan niet met beklaagde in gesprek te willen en heeft haar vervolgens uitgescholden voor mongool. Hierop heeft beklaagde aangegeven dat zij op deze wijze geen constructief gesprek kon voeren. Het lukt klager echter niet op een rustige wijze het gesprek te vervolgen waarop beklaagde de verbinding heeft verbroken. Beklaagde heeft klager wel willen betrekken in het onderzoek, maar hij stond hier niet voor open.

3.2.3

Het College overweegt als volgt.
Het College overweegt dat tijdens de fase van een onderzoek van Veilig Thuis hoofdstuk tien (“Onderzoek”) van het Handelingsprotocol Veilig Thuis van toepassing is. Uit bepaling 10.6.1 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis volgt dat gedurende het onderzoek met alle directbetrokkenen wordt gesproken en dat zij geïnformeerd worden over de inhoud van de melding. Dat zij voorts in de gelegenheid gesteld worden hun visie op de melding te geven en alle relevante informatie aan te dragen. Uit het door beklaagde overgelegde contactjournaal van 13 december 2018 en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is besproken, blijkt dat beklaagde op die dag telefonisch contact met klager heeft opgenomen in het kader van het onderzoek. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht nogmaals benadrukt dat hij niet wist dat hij met beklaagde in het kader van het onderzoek in gesprek was. Het College heeft oog voor het feit dat het voor een ouder, zoals ook voor klager, lastig kan zijn om onderscheid te maken tussen de verschillende hulpverleningsorganisaties en hun medewerkers. Het is aan de jeugdprofessional om hier duidelijkheid in te scheppen. In de onderhavige casus is beklaagde dit kennelijk niet gelukt, maar is het volgens het College voldoende aannemelijk geworden dat de (verbaal agressieve) opstelling van klager hier (mede) de oorzaak van is geweest. Het College wil klager erop wijzen dat het van belang is algemene fatsoensnormen in acht te houden om tot een goede samenwerking te komen. Het College concludeert dat beklaagde, conform het Handelingsprotocol Veilig Thuis, contact met klager als directbetrokkene heeft opgenomen om hem zodoende in de gelegenheid te stellen zijn visie op de melding te geven en hem te betrekken in het onderzoek. Dat dit kennelijk niet gelukt is, valt naar het oordeel van het College beklaagde niet tuchtrechtelijk te verwijten gelet op klagers eigen aandeel in het verloop van het gesprek.
Ten overvloede merkt het College op dat tijdens de mondelinge behandeling van de klacht duidelijk is geworden dat de oudste dochter in een ander traject van Veilig Thuis gehoord is, waarvoor beklaagde geen verantwoordelijkheid draagt. De bevoegdheid van Veilig Thuis voor het horen van jeugdigen in de leeftijd van vier jaar en ouder is overigens opgenomen in hoofdstuk twee van het Handelingsprotocol Veilig Thuis, onder bepaling 3.

3.2.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
De afsluitbrief van het onderzoek van Veilig Thuis is alleen aan de moeder geadresseerd en toegestuurd.

Toelichting:
De brief, waarin het onderzoek van Veilig Thuis is afgesloten, heeft klager op 7 februari 2019 gekregen van een medewerker van  [een instelling voor jeugd- en opvoedhulp] tijdens het intakegesprek van het traject ‘Ouderschap Blijft’. De afsluitbrief is gericht aan de moeder en slechts aan haar geadresseerd. Als gezaghebbende ouder is klager niet geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Op 16 januari 2019 is in een multidisciplinair overleg besproken dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of klager daadwerkelijk op het in het BRP vermelde adres verblijft. Wegens privacyoverwegingen is er toen besloten om de afsluitbrief niet naar het in het BRP vermelde adres te sturen. Tijdens het multidisciplinair overleg is afgestemd dat de afsluitbrief tijdens het intakegesprek bij ‘Ouderschap blijft’ zou worden overhandigd, wat binnen enkele weken zou plaatsvinden.

Volgens de werkwijze van Veilig Thuis ontvangen twee gezaghebbende ouders in vrijwel alle gevallen dezelfde afsluitbrief, met enkel een aangepaste aanhef. Per abuis heeft beklaagde de aanhef in de afsluitbrief voor klager niet aangepast waardoor de brief die klager heeft ontvangen gericht was aan de moeder. Beklaagde vindt het spijtig dat zij de aanhef in de brief over het hoofd heeft gezien, maar benadrukt dat de inhoud van de brief hetzelfde zou zijn geweest en de brief juist bedoeld was om klager als gezaghebbende ouder te informeren over het onderzoek.

3.3.3

Het College overweegt als volgt.
Op grond van artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode is een jeugdprofessional verantwoordelijk voor een zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening. Eveneens verantwoordt een jeugdprofessional de beslissing tot beëindiging tegenover de cliënt. Dit volgt tevens uit hoofdstuk twee, bepaling 2, en hoofdstuk twaalf, bepaling 12.1, van het Handelingsprotocol Veilig Thuis, waarin de verplichting wordt omschreven dat directbetrokkenen worden geïnformeerd op welke wijze en onder welke voorwaarden Veilig Thuis het dossier sluit en dat het doel van het afsluiten inhoudt dat de directbetrokkenen op de hoogte zijn van de resultaten van de bemoeienis van Veilig Thuis. Het College is op grond van voornoemde bepalingen van oordeel dat onder een zorgvuldige afsluiting verstaan wordt dat een afsluitbrief voorzien is van de juiste aanhef en adressering, in dit geval van klager. Temeer omdat het adres persoonsgegevens bevat waarvan het in sommige gevallen niet wenselijk is dat deze voor de andere partij kenbaar worden.
Uit genoemde bepalingen volgt naar het oordeel van het College voorts de verplichting voor een medewerker van Veilig Thuis om directbetrokkenen te informeren op welke wijze en onder welke voorwaarden Veilig Thuis het dossier sluit. In de onderhavige casus is tijdens het multidisciplinaire overleg van 16 januari 2019 besloten dat de afsluitbrief aan klager tijdens het intakegesprek van ‘Ouderschap Blijft’ overhandigd zou worden. Beklaagde heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat tijdens dit overleg niet gesproken is over andere manieren waarop klager geïnformeerd zou kunnen worden. De reden waarom beklaagde zelf niet aan andere mogelijkheden heeft gedacht is dat klager zelf, tijdens het contactmoment op 13 december 2018, had aangegeven geen contact met Veilig Thuis te willen. Daarnaast was het telefonisch gesprek voor beklaagde niet prettig verlopen. Onder genoemde omstandigheden acht het College het voldoende aannemelijk dat beklaagde niet de intentie heeft gehad om klager niet te informeren. Beklaagde heeft slechts geacteerd op hetgeen is besloten tijdens het multidisciplinair overleg. Desalniettemin is het College van oordeel dat op grond van genoemde bepalingen op beklaagde – als zijnde de verantwoordelijke voor het uitgevoerde onderzoek van Veilig Thuis – de plicht rustte klager te informeren over het afsluiten van het onderzoek van Veilig Thuis. Het College wijst op de mogelijkheden om het adres van klager telefonisch dan wel per e-mailbericht te controleren of hem uit te nodigen de afsluitbrief op het kantoor van Veilig Thuis op te halen.
Het College concludeert dat beklaagde met haar nalaten in dit klachtonderdeel in strijd gehandeld heeft met artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode en de bepalingen 2 uit hoofdstuk twee en 12.1 uit hoofdstuk twaalf van het Handelingsprotocol Veilig Thuis.

3.3.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.4 Conclusie

3.4.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdeel II tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Hoewel het College het nalaten met betrekking tot het informeren van klager over het afsluiten van het onderzoek van Veilig Thuis verwijtbaar acht, overweegt het College dat het handelen op zichzelf bezien niet dermate ernstig is dat het opleggen van een maatregel gerechtvaardigd is. Temeer omdat beklaagde geacteerd heeft op hetgeen in het multidisciplinair overleg besloten is en klager alsnog geïnformeerd is over de afsluitbrief tijdens het intakegesprek van ‘Ouderschap Blijft’. Het College wil beklaagde in dit kader evenwel wijzen op de eigen verantwoordelijkheid voor het zorgvuldig afsluiten van de hulpverlening en gaat ervan uit dat dit oordeel bijdraagt aan de bewustwording hiervan.

3.4.2

Het College wil ten overvloede opmerken dat een onderzoek van Veilig Thuis verstrekkende gevolgen kan hebben voor de directbetrokkenen. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangegeven dat het onderzoek, zoals uitgevoerd door beklaagde, door de moeder wordt ingebracht in verschillende gerechtelijke procedures terwijl klager nimmer zijn zienswijze op het onderzoek heeft kunnen geven. Door de mogelijke doorwerking van een onderzoek van Veilig Thuis is het volgens het College van belang dat medewerkers van Veilig Thuis de directbetrokkenen zo goed als mogelijk proberen te betrekken bij het onderzoek, zoals ook het Handelingsprotocol Veilig Thuis voorschrijft. Beklaagde zal als jeugdzorgwerker vaker te maken (gaan) krijgen met emotionele ouders, hetgeen van haar verlangt dat zij zich actief inzet ook deze ouders bij het onderzoek te betrekken. Beklaagde heeft op dit punt tijdens de mondelinge behandeling van de klacht voldoende gereflecteerd en kenbaar gemaakt dat zij in navolgende gevallen de betreffende ouder(s) later in het onderzoek nogmaals in de gelegenheid zal stellen een reactie op het onderzoek te geven.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel I ongegrond;
  • verklaart klachtonderdeel II gegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 17 juni 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris