Maak een selectie

727 van 727

   

Een vader dient een klacht in over een gewijzigde doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel dient te zijn. Uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt voldoende dat het traject passend is voor de ouders.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
mevrouw N.A.P. Huijs, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [plaatsnaam],

op 8 december 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI]  (locatie: [locatie]), hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 8 december 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 6 februari 2020.

1.2 Op 18 februari 2020 is aan partijen kenbaar gemaakt dat het College voornemens is de klacht op grond van artikel 8.9 van het Tuchtreglement, versie 1.3, schriftelijk af te doen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn geen bezwaar gemaakt tegen dit voornemen.

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020. Partijen zijn hierover op 4 maart 2020 per e-mailbericht geïnformeerd.

1.4 De beslissing is op 17 april 2020 aan partijen verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2011 en de zoon in 2013, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2017 uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De kinderen wonen bij de moeder.

2.3 De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) heeft in het raadsrapport van 26 februari 2018 geadviseerd om de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht te stellen van de GI. Tevens is in hetzelfde raadsrapport geadviseerd de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder te bepalen en een zorg- en contactregeling met de vader vast te stellen.

2.4 De kinderrechter heeft bij beschikking van 6 april 2018 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 6 april 2020.

2.5 De jeugdprofessional is van 2 mei 2018 tot 12 december 2019 belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen. Zij heeft de ondertoezichtstelling vanaf 20 augustus 2018 uitgevoerd samen met haar collega, tevens beklaagde in de zaak 19.559Ta (hierna gezamenlijk aan te duiden als: de jeugdprofessionals).

2.6 In mei 2018 zijn de ouders aangemeld bij [instelling] voor opvoedondersteuning en de methodiek ‘Kinderen uit de Knel’. Op 13 augustus 2018 heeft het intakegesprek met hen plaatsgevonden. De ouders hebben tijdens het intakegesprek aangegeven de meerwaarde van ambulante hulpverlening niet in te zien.

2.7 In een e-mailbericht aan de ouders van 23 augustus 2018 geven de jeugdprofessionals een terugkoppeling van een overleg met [instelling]. Omdat de ouders geen hulpvragen hebben, lijkt opvoedondersteuning niet passend te zijn. De jeugdprofessionals laten de ouders weten dat de behandelcoördinator van [instelling] gaat overleggen welke andere mogelijkheden er op korte termijn zijn en dat de ouders daarover nader geïnformeerd worden.

2.8 De ouders worden vervolgens bij [instelling] aangemeld voor het traject Ouderschap na Scheiding (hierna te noemen: het ONS-traject). De gezins- en systeemtherapeut die het traject gaat begeleiden stuurt op 1 oktober 2018 een e-mailbericht aan de ouders waarin zij kenbaar maakt dat naar haar idee de lopende juridische procedure over een financiële overeenkomst een contra-indicatie vormt om te starten met het ONS-traject en dat zij daarover in overleg gaat met de jeugdprofessionals.

2.9 Naar aanleiding van een telefoongesprek op 4 oktober 2018 met de jeugdprofessionals, heeft de gezins- en systeemtherapeut – gelet op de bedreigde ontwikkeling van de kinderen – besloten te starten met het ONS-traject.

2.10 Op 22 oktober 2018 vindt het startgesprek van het ONS-traject plaats. Hierbij zijn de ouders, de collega en de gezins- en systeemtherapeut aanwezig geweest.

2.11 In november 2018 brengt de RvdK op verzoek van de rechtbank een nieuw advies omtrent de hoofdverblijfplaats uit. De RvdK adviseert de kinderrechter om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader te bepalen en een zorg- en contactregeling met de moeder vast te stellen.

2.12 Op 8 maart 2019 is bij beschikking van de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald. Tevens is een zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld. De vader heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld.

2.13 Op 1 april 2019 heeft de vader na ongeveer tien minuten een gesprek in het kader van het ONS-traject verlaten. De aanleiding daarvoor was de beschikking van 8 maart 2019. De gezins- en systeemtherapeut heeft dat de jeugdprofessionals diezelfde dag telefonisch laten weten. Nadien heeft de vader niet gereageerd op het verzoek van de gezins- en systeemtherapeut contact op te nemen.

2.14 Op 2 juli 2019 hebben de jeugdprofessionals een briefrapportage aan het gerechtshof gestuurd inzake het hoger beroep ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorg- en contactregeling.

2.15 Eind 2019 is het ONS-traject beëindigd vanwege het afbreken van het gesprek op 1 april 2019. De gezins- en systeemtherapeut heeft een eindverslag d.d. 10 december 2019 opgesteld.

2.16 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2016 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

Het College constateert dat de in het klaagschrift geformuleerde klacht uit twee onderdelen bestaat: “onjuiste doorverwijzing” en “verschaffing van onjuiste informatie aan onder andere het gerechtshof.” Het College zal de klacht onder 4.1 en 4.2 van deze beslissing in twee aparte klachtonderdelen bespreken. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende: onjuiste doorverwijzing naar het ONS-traject.

Toelichting:
De ouders zijn doorverwezen naar [instelling] voor het ONS-traject. Dit traject is uitdrukkelijk niet bedoeld voor ouders die nog in gerechtelijke procedures zitten. Dat was en is voor de ouders nog steeds het geval. Na ongeveer tien bijeenkomsten bleek het ONS-traject inderdaad niet te kunnen slagen in verband met meerdere lopende rechtszaken.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Primair wordt aangevoerd dat de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel moet worden verklaard. Het klachtonderdeel betreft feitelijk het handelen van de gezins- en systeemtherapeut. Het is de gezins- en systeemtherapeut die de afweging heeft gemaakt of zij het ONS-traject zou gaan starten of niet. Er is met de gezins- en systeemtherapeut uitvoerig gesproken over het gedwongen kader en het doel van de ondertoezichtstelling, namelijk het wegnemen/verminderen van de bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. Die bedreiging is voornamelijk gelegen in de wijze waarop de ouders met elkaar communiceren. Doordat er tot op dat moment nog geen hulpverlening was geweest werden de kinderen onverminderd belast. Bovendien was het onduidelijk hoelang de juridische procedures nog zouden lopen, waardoor het ook onduidelijk was vanaf wanneer er hulpverlening gestart zou kunnen worden voor de kinderen. Uiteindelijk is de gezins- en systeemtherapeut, in samenspraak met de jeugdprofessionals, tot de conclusie gekomen dat het belang van de kinderen zwaarder weegt dan het mogelijke effect van de juridische procedures. Omdat de emotionele nood bij de kinderen hoog was, is besloten tot inzet van het ONS-traject. In het geval de vader ontvankelijk in het klachtonderdeel wordt verklaard, wordt nog het volgende aangevoerd. De jeugdprofessional heeft samen met de vorige jeugdbeschermer de ouders in mei 2018 aangemeld bij [instelling] voor opvoedondersteuning en de methodiek “Kinderen uit de Knel”. Naar aanleiding van het intakegesprek met de ouders is er een overleg geweest met [instelling]. Op advies van een medewerkster van [instelling] is de aanmelding van de ouders gewijzigd naar het ONS-traject. Het ONS-traject was volgens de medewerkster van [instelling] passender, omdat de gezins- en systeemtherapeut binnen dit traject hulpverlening biedt gericht op de dynamiek tussen ouders die gescheiden zijn. Uit de intakegesprekken met de ouders bleek dat de kernproblematiek van de ouders hierin gelegen is. Dat dit traject noodzakelijk was blijkt ook uit hetgeen de kinderrechter heeft overwogen in de beschikking waarin de ondertoezichtstelling is uitgesproken. Bovendien staat er in de brochure van [instelling] niet opgenomen dat het ONS-traject niet passend is voor ouders waarbij gerechtelijke procedures lopen.

4.1.3 Het College overweegt voor wat betreft de ontvankelijkheid van de vader in dit klachtonderdeel het volgende. De jeugdprofessional heeft gesteld dat het klachtonderdeel toeziet op het handelen van de gezins- en systeemtherapeut. Het College volgt de jeugdprofessional niet in dat standpunt, omdat het geformuleerde klachtonderdeel specifiek de doorverwijzing van de ouders naar het ONS-traject betreft. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional daar, samen met haar collega, verantwoordelijk voor is geweest. De jeugdprofessional is namelijk op 2 mei 2018 betrokken geraakt bij het gezin van de vader en nadien hebben de jeugdprofessionals de doorverwijzing naar het ONS-traject geregeld. Dit klachtonderdeel ziet derhalve op het handelen van de jeugdprofessional. Het College verklaart de vader ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

4.1.4 Inhoudelijk oordeelt het College als volgt. Alhoewel de gezins- en systeemtherapeut in eerste instantie kenbaar gemaakt heeft dat juridische procedures een contra-indicatie vormen voor het ONS-traject, zoals opgenomen onder 2.8 van deze beslissing, blijkt dat niet uit de informatiefolder van [instelling] over het ONS-traject. Daarin is niet opgenomen dat eventuele lopende juridische procedures een contra-indicatie voor het traject vormen. Voorts dient een beschikking van de kinderrechter volgens het College het uitgangspunt te zijn voor het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel, in casu de ondertoezichtstelling. Uit de beschikking van de kinderrechter van 6 april 2018 blijkt dat de kinderen al geruime tijd opgroeien in een zorgelijke opvoedingsomgeving, waarbij sprake is van een voortdurende strijd tussen de ouders en dat de ouders niet in staat zijn om afspraken en keuzes te maken met betrekking tot de omgang. De kinderrechter is van oordeel dat de kinderen niet langer geconfronteerd dienen te worden met de strijd en de slechte communicatie tussen de ouders. Op grond van de beschikking was dringende hulp nodig voor de kinderen, hetgeen de jeugdprofessional heeft gerealiseerd. In voornoemde informatiefolder staat het volgende opgenomen over het ONS-traject: “Ouderschap Na Scheiding is er voor ouders van kinderen van 0-18 jaar, die na de (echt)scheiding het ouderschap en de omgang met de kinderen goed willen invullen maar waar dit door conflicten of strijd steeds niet lukt. Daardoor is één van u of bent u beiden niet meer echt gemotiveerd om tot goede afspraken te komen” en “De gesprekken met een therapeut zijn erop gericht de communicatie te verbeteren tussen u als ex-partners onderling en tussen u als ouders en uw kind”.  Naar het oordeel van het College sluit deze vorm van hulpverlening aan bij de problematiek tussen de ouders zoals beschreven in voornoemde beschikking. Bovendien heeft de jeugdprofessional het advies van de medewerkster van [instelling] – de aanbieder van het traject – met betrekking tot de gewijzigde aanmelding opgevolgd. Ten slotte blijkt uit de eerste evaluatie van het ONS-traject eind januari 2019 dat de vader heeft aangegeven dat het ONS-traject “wat hem betreft, prima verloopt” en er volgens de gezins- en systeemtherapeut een duidelijke stijgende lijn zichtbaar is. Het College concludeert dat er geen sprake is van een onjuiste doorverwijzing van de ouders naar het ONS-traject.

4.1.5 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende: verschaffing van onjuiste informatie aan onder andere het gerechtshof.

Toelichting:
De vader krijgt nu persoonlijk de schuld van het mislukken van het ONS-traject, terwijl de ouders in de eerste plaats helemaal niet naar [instelling] doorverwezen hadden moeten worden.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Gedurende het ONS-traject hebben zeven gespreken plaatsgevonden, waarbij positieve stappen zijn gezet door de ouders. Het feit dat het ONS-traject uiteindelijk niet geslaagd is, is gelegen in de beslissing van de vader om het ONS-traject niet verder voort te zetten nadat de rechtbank bij beschikking van 8 maart 2019 de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder heeft bepaald. Hierover heeft de jeugdprofessional, samen met haar collega, in een briefrapportage van 2 juli 2019 het gerechtshof geïnformeerd. De jeugdprofessional heeft zich voor wat betreft de briefrapportage (mede) gebaseerd op de informatie vanuit het ONS-traject. Deze informatie is ook opgenomen in het eindverslag: “Helaas hebben we alleen maar bovenstaande blokkades besproken, hierna is de vader uit het traject gestapt nadat hij te horen heeft gekregen dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder is.” En voorts: “De [gezins- en systeem]therapeut heeft gedacht vader in mei weer te gaan benaderen nadat de vaststellingsovereenkomst aan de orde is geweest maar vader heeft nooit gereageerd op de verzoeken van de [gezins- en systeem]therapeut tot contact.” De jeugdprofessional kan zich voorstellen dat er een lange onzekere periode is geweest voor de vader (en de moeder) waarin onduidelijk was waar de hoofdverblijfplaats van de kinderen zou worden bepaald. Zeker gezien de verschillende/wisselende adviezen van de RvdK. De jeugdprofessional wil graag oog hebben voor de impact die het traject rondom de hoofdverblijfplaats van de kinderen op de vader heeft gehad, maar kan zich niet vinden in de stellingname dat zij onjuiste informatie aan het gerechtshof heeft verschaft. Het eindverslag van het ONS-traject geeft hetzelfde beeld weer zoals de jeugdprofessional samen met haar collega in de briefrapportage aan het gerechtshof heeft beschreven. De jeugdprofessional stelt zich derhalve op het standpunt dat er geen sprake is van het verschaffen van onjuiste informatie aan het gerechtshof.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
De vader licht in zijn klaagschrift niet concreet toe welke informatie in de briefrapportage aan het gerechtshof volgens hem onjuist is. Het College gaat ervan uit, gelet op de toelichting van de vader bij het klachtonderdeel, dat het de volgende passage betreft:  “[Het ONS-traject] is gestagneerd omdat de vader onvoldoende de inhoud van het traject tot zich liet komen. De oorzaak hiervan lijkt te liggen in de emotie die de vader heeft rondom de lopende juridische procedures die samenhangen met het afwikkelen van de echtscheiding tussen de ouders”. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de jeugdprofessional zich gebaseerd heeft op de informatie die zij van de gezins- en systeemtherapeut had ontvangen over het verloop van het ONS-traject. Het is het College daarbij niet gebleken dat in de briefrapportage aan het gerechtshof onjuiste informatie is opgenomen. De vader is kennelijk weggelopen uit het gesprek van 1 april 2019 en heeft daarna – ondanks verzoeken daartoe – geen contact meer opgenomen met de gezins- en systeemtherapeut. Hetgeen nadien op dezelfde wijze in het eindverslag van het ONS-traject gerapporteerd is. Naar het oordeel van het College is derhalve geen sprake van verschaffing van onjuiste informatie in de briefrapportage van 2 juli 2019 aan het gerechtshof.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 17 april 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege                                                                    mevrouw mr. M.R. Veerman

voorzitter                                                                                         secretaris