Maak een selectie

727 van 727

   

De raadsonderzoeker heeft tijdens een zitting bij het gerechtshof niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

De voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, hierna te noemen: de voorzitter, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],
ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming (locatie: [plaatsnaam]), hierna te noemen: de RvdK.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De voorzitter heeft kennisgenomen van:
– het digitale klaagschrift ontvangen op 26 januari 2019, met de bijlagen;
– de digitale aanpassing van het klaagschrift ontvangen op 6 maart 2019 met de bijlagen.
De voorzitter heeft, de stukken gelezen hebbende, op grond van artikel 8.8 sub a van het Tuchtreglement, besloten om direct over te gaan tot de beoordeling van de door klaagster ingediende klachten.

2 De klachtonderdelen en de beoordeling

2.1 Klachtonderdeel I

2.1.1.

Klaagster verwijt beklaagde dat hij de inhoud van het raadsrapport niet kende en dat beklaagde zich niet nader heeft geïnformeerd.

2.1.2

Uit de door klaagster overgelegde klachtbrief aan de RvdK en de tuchtklachtbrief van januari 2019 maakt de voorzitter het volgende op. De klacht heeft betrekking op uitlatingen over de omgang die beklaagde als zittingsvertegenwoordiger heeft gedaan tijdens een zitting op 20 april 2018 bij het gerechtshof in [zittingsplaats]. De collega’s van beklaagde hebben een raadsrapport opgesteld. Volgens klaagster heeft beklaagde tijdens eerdergenoemde zitting meerdere keren gezegd dat hij niet wist wat hij moest adviseren en heeft hij letterlijk gezegd dat het advies van de raadsonderzoekers op hem niet logisch is overgekomen. Ook heeft beklaagde naar de mening van klaagster geen overleg gehad met zijn collega’s die het raadsonderzoek hebben uitgevoerd en heeft hij geen kennis genomen van de inhoud.
De voorzitter overweegt dat de klachtbehandelaar van de RvdK in de klachtbeslissing van 19 juli 2018 heeft opgenomen dat beklaagde zich niet herkent in de uitlatingen. Met de opmerking ‘dat hij niet wist wat de overwegingen waren geweest van zijn collega’s’ heeft hij kenbaar willen maken dat hij geen persoonlijk overleg met zijn collega’s heeft gehad. Als zittingsvertegenwoordiger is beklaagde niet verplicht om vooraf te overleggen met de collega’s die het raadsrapport hebben opgesteld. Uit de klachtbeslissing blijkt voorts dat beklaagde van mening was dat de focus van het rapport duidelijk was hetgeen past binnen de autonomie van beklaagde. De voorzitter is van oordeel dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Op grond van artikel 8.8 lid a van het Tuchtreglement verklaart de voorzitter het klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

2.2 Klachtonderdeel II

2.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat hij tegen het belang van de kinderen in heeft geadviseerd doordat hij zich niet heeft verdiept in de rapportage. De donderdag was geen geschikte dag voor de omgang tussen vader en de twee kinderen maar beklaagde heeft tijdens de zitting gezegd dat zowel de woensdag als de donderdag zou kunnen. Hij wist niet wat hij moest adviseren. Dit geldt overigens ook voor zijn advies over het slapen van de kinderen.

2.2.2

De voorzitter overweegt dat in het raadsrapport staat dat vader ten aanzien van de voorgestelde omgangsregeling alternatieven heeft voorgesteld. De collega’s van beklaagde hebben deze niet met klaagster kunnen bespreken omdat zij heeft afgezien van een adviesgesprek. Klaagster heeft in haar reactie op het raadsrapport aangegeven dat zij het eens is met de voorgestelde omgangsregeling. Zij heeft niet gereageerd op de alternatieven. In dit licht is het begrijpelijk dat beklaagde op basis van de informatie die hij tijdens de zitting heeft verkregen de adviezen heeft aangepast. Beklaagde is hiermee niet getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Op grond van artikel 8.8 lid a van het Tuchtreglement verklaart de voorzitter het klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

2.3 Klachtonderdeel III

2.3.1

Klaagster verwijt beklaagde dat hij heeft beweerd dat hij niets heeft aangegeven over de omgang omdat de reactie van klaagster op het advies zou ontbreken. Klaagster heeft weliswaar geen gesprek meer gehad met de collega’s van beklaagde maar heeft haar reactie op het advies later door haar advocaat laten indienen. De reactie van klaagster zat zowel bij de rechtsstukken als bij de rapportage. Deze stukken zijn ter zitting benoemd.

2.3.2

De voorzitter overweegt dat klaagster in deze procedure geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde deze uitlating heeft gedaan. Op grond van artikel 8.8 lid a van het Tuchtreglement verklaart de voorzitter het klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

3 De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus gedaan door de voorzitter en op 29 maart 2019 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns
voorzitter