Maak een selectie

718 van 718

   

Een medewerker van Veilig Thuis heeft tientallen (oud-)cliënten van Veilig Thuis benaderd ter bevrediging van zijn persoonlijke seksuele behoeften. Het contact met de vrouwen kwam tot stand door oneigenlijke en onrechtmatige gebruikmaking van informatie uit digitale dossiers.

Klager is [werkgever], adjunct-directeur van de [organisatie], [locatie], hierna te noemen: de werkgever. De gemachtigde van de werkgever is mevrouw mr. M.F. van der Mersch, advocaat te Amsterdam.

Beklaagde is [jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, medewerker bij Veilig Thuis [locatie] (onderdeel van de [organisatie], [locatie]), hierna te noemen: Veilig Thuis. De jeugdprofessional is van [datum] 2015 tot en met [datum] 2020 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanaf [datum] 2020 staat [jeugdprofessional] als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

Het College heeft over de klacht beraadslaagd op 5 januari 2022 in afwezigheid van de partijen.

Het College gaat uit van het klaagschrift, ontvangen op 4 november 2021. De jeugdprofessional heeft op 20 november 2021 per e-mailbericht kenbaar gemaakt af te zien van het indienen van een verweerschrift. Om deze reden is de partijen geen gelegenheid geboden tot repliek en dupliek.

1     De feiten

1.1 De jeugdprofessional is als medewerker bij Veilig Thuis van 1 november 2016 tot 7 september 2021 verantwoordelijk geweest voor de afhandeling van (spoed)meldingen over huiselijk geweld en/of kindermishandeling.

1.2 Op 26 augustus 2021 is de werkgever op de hoogte gebracht van een melding door een oud-cliënte van de jeugdprofessional. Op grond van de inhoud hiervan heeft de werkgever op 30 augustus 2021 een melding gemaakt bij [het onderzoeksbureau] van de [gemeente]. [Het onderzoeksbureau] heeft de werkgever geadviseerd nader onderzoek te doen naar het handelen van de jeugdprofessional. De werkgever heeft [het onderzoeksbureau] de opdracht gegeven dit onderzoek uit te voeren. Het rapport van [het onderzoeksbureau] maakt deel uit van het klaagschrift.

2     Ontvankelijkheid

2.1 De klacht betreft gedragingen in de periode van 1 juli 2016 tot 25 juli 2021 en is bij het College ingediend op 4 november 2021. Op grond van het Tuchtreglement (versie 1.4) vervalt de mogelijkheid tot het indienen van een klacht na verloop van drie jaar. Deze termijn begint op de dag volgend op de dag waarop het desbetreffende handelen heeft plaatsgevonden, dan wel volgend op de dag waarop de belanghebbende redelijkerwijze van het handelen op de hoogte raakte. De werkgever is op 26 augustus 2021 op de hoogte geraakt van het handelen van de jeugdprofessional. De werkgever is dan ook ontvankelijk in zijn klacht, ook voor zover deze gedragingen betreft die hebben plaatsgevonden vóór 4 november 2018.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode zowel voor de Jeugdzorgwerker als voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) gelet op de wisseling van de registratiekamer tijdens de betrokkenheid van de jeugdprofessional, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

4     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit vier klachtonderdelen. Deze worden hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld. Gelet op hun samenhang worden de klachtonderdelen 1, 2 en 4 gezamenlijk behandeld.

3.1 Klachtonderdeel 1, 2 en 4

3.1.1 De werkgever verwijt de jeugdprofessional dat hij seksueel grensoverschrijdend heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van het gezag en de invloed die hij als hulpverlener heeft ten opzichte van zeer kwetsbare en afhankelijke vrouwen. Daarnaast verwijt de werkgever de jeugdprofessional dat hij zodanig grensoverschrijdende handelingen heeft verricht dat daarmee het vertrouwen in de hulp van Veilig Thuis ernstig is geschaad. De jeugdprofessional heeft het College kenbaar gemaakt zijn grensoverschrijdende gedrag te hebben erkend en de gevolgen van zijn handelen te aanvaarden. De jeugdprofessional heeft geen verweer gevoerd.

3.1.2 Het College oordeelt dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt. Uit het rapport van [het onderzoeksbureau] blijkt dat de jeugdprofessional na sluiting van dossiers door Veilig Thuis contact zocht met tientallen vrouwelijke oud-cliënten van Veilig Thuis. Via WhatsApp stuurde hij grensoverschrijdende berichten aan hen met als doel het hebben van seks. Op grond van de stukken en het feit dat de jeugdprofessional de gebeurtenissen heeft erkend, is voor het College vast komen te staan dat hij met twee oud-cliënten seks heeft gehad en met een derde oud-cliënte intieme handelingen heeft verricht. De jeugdprofessional heeft tegenover [het onderzoeksbureau] verklaard zijn rol als hulpverlener te hebben vergroot om zo het vertrouwen van de vrouwen te winnen. Daarnaast loog hij over zijn persoonlijke situatie door zich voor te doen als vrijgezel. Hij maakte naar eigen zeggen onder meer manipulatief misbruik van de situatie waarin oud-cliënten zich bevonden, trachtte bij de vrouwen thuis te komen op momenten dat de partners en kinderen zich elders bevonden en probeerde er voor te zorgen dat de vrouwen zich afhankelijk van hem voelden. Uit het onderzoeksrapport blijkt tot slot dat het voor de oud-cliënten niet duidelijk was of hij contact met hen had in het kader van de hulpverlening.

Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional gehandeld in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), artikel E (Respect), artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode. Volgens het College heeft de jeugdprofessional doelbewust de op hem van toepassing zijnde professionele normen en waarden naast zich neergelegd en zijn eigenbelang boven dat van oud-cliënten van Veilig Thuis geplaatst. De handelwijze van de jeugdprofessional getuigt niet van professioneel handelen, schaadt het vertrouwen in de jeugdzorg ernstig en is tevens schadelijk voor de organisatie en haar cliënten. Het College rekent het de jeugdprofessional ernstig aan dat hij met opzet misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van de oud-cliënten om zijn eigen verlangens te bevredigen.

3.1.3 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen 1, 2 en 4 gegrond zijn.

3.2 Klachtonderdeel 3

3.2.1 De werkgever verwijt de jeugdprofessional dat hij de toegang tot digitale dossiers van oud-cliënten als hulpverlener heeft misbruikt om zijn eigen verlangens te bevredigen. De jeugdprofessional heeft het College kenbaar gemaakt zijn grensoverschrijdende gedrag te hebben erkend en de gevolgen van zijn handelen te aanvaarden. De jeugdprofessional heeft geen verweer gevoerd.

3.2.2 Het College oordeelt dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken blijkt dat de jeugdprofessional gegevens uit de dossiers van Veilig Thuis raadpleegde voor zijn persoonlijke behoefte. Het doel van het gebruik van deze gegevens was het hebben van seks met de vrouwen. Het contact tussen de jeugdprofessional en de oud-cliënten van Veilig Thuis kwam tot stand of werd onderhouden met oneigenlijke en onrechtmatige gebruikmaking van informatie uit de digitale dossiers. Het College acht dit handelen van de jeugdprofessional in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode.

3.2.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

5     Maatregel: doorhaling met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven

Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot alle klachtonderdelen ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en door zijn grensoverschrijdende gedrag een gevaar vormt voor cliënten. De jeugdprofessional heeft daarmee een zeer ernstige inbreuk gemaakt op meerdere normen van de professionele standaard. Daarnaast is het handelen van de jeugdprofessional ernstig schadelijk voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening en in het aanzien van het beroep. Het vertrouwen in een zuiverend vermogen van de beroepsgroep wordt aanmerkelijk geschaad wanneer de registratie van de jeugdprofessional in stand blijft. Het College acht het daarom passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van doorhaling op te leggen en ontzegt de jeugdprofessional het recht om wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven.

6     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • alle klachtonderdelen zijn gegrond;
  • aan de jeugdprofessional wordt opgelegd de maatregel van doorhaling met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven.

Deze beslissing is op 3 februari 2022 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van de heer mr. R. Orie (voorzitter), de heer W.L. Scholtus en de heer W.M.P. van Engelen (beiden lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. B. van Amerongen (secretaris).

de heer mr. R. Orie, voorzitter

mevrouw mr. B. van Amerongen, secretaris