Maak een selectie

727 van 727

   

Een jeugdprofessional wordt verweten dat zij partijdig en nalatig is geweest en dat zij zich ten onrechte niet uit de casus heeft teruggetrokken. Tevens verwijt de vader haar dat zij niet heeft opengestaan voor het behandelen van zijn klachten over haar gedragingen.

Klager is [de vader], hierna te noemen: de vader. Zijn gemachtigde is [gemachtigde], vertrouwenspersoon bij AKJ.

Beklaagde is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als [jeugd- en gezinsprofessional] bij [de instelling]. De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd. Sinds [datum] 2018 staat zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd. Haar gemachtigde is de heer mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De tussenbeslissing van het College van Toezicht van 28 juni 2021

Na de digitale mondelinge behandeling van de klacht op 17 mei 2021 heeft het College bepaald dat de vader ontvankelijk is in alle onderdelen van zijn klacht. Daarnaast is de behandeling van de klacht heropend om de jeugdprofessional in de gelegenheid te stellen een verweerschrift in te dienen voor klachtonderdeel 1 onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

1.2 Het verdere verloop van de behandeling van de klacht

De voorzetting van de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 november 2021 in aanwezigheid van de gemachtigde van de vader, de jeugdprofessional en haar gemachtigde.

De vader was niet aanwezig bij de digitale mondelinge behandeling van de klacht, maar hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De gemachtigde van de jeugdprofessional heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat in het Tuchtreglement niets is opgenomen over de mogelijkheid van vertegenwoordiging. Het College verwerpt dit bezwaar. Het enkele feit dat over de mogelijkheid van vertegenwoordiging niets is opgenomen in het Tuchtreglement (versie 1.3), maakt niet dat de vader niet kan en mag worden vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Dat deze gemachtigde de vader met instemming van deze laatste vertegenwoordigde blijkt reeds uit de op 15 november 2021 overgelegde verklaring van de vader ten behoeve van de voortzetting van de digitale mondelinge behandeling van de klacht.

Het College gaat uit van de stukken zoals deze waren ingediend ten tijde van de tussenbeslissing van 28 juni 2021. Daarnaast heeft het College kennisgenomen van het (tweede) verweerschrift (ontvangen op 4 augustus 2021), de verklaring van de vader ten behoeve van de voortzetting van de digitale mondelinge behandeling van de klacht (ontvangen op 15 november 2021) en hetgeen is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht op 15 november 2021.

2     De feiten

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De oudste zoon is geboren in 2009 en de jongste zoon in 2012.

2.2 In februari 2015 zijn de vader en de moeder van de kinderen (gezamenlijk aan te duiden als: de ouders) uit elkaar gegaan. De moeder had aanvankelijk eenhoofdig gezag over de kinderen. Sinds eind 2017 zijn de ouders gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De kinderen hebben een (tijdelijke) omgangsregeling (en later zorgregeling) met de vader.

2.3 Begin februari 2016 heeft de politie een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis. De zorgmelding is op 19 februari 2016 overgedragen aan [de instelling]. [De instelling] heeft toen een onderzoek gestart. De jeugdprofessional en een collega hebben dit onderzoek samen uitgevoerd. Het onderzoek is afgerond met een rapport. De laatste (herziene) versie daarvan is gedateerd 18 januari 2017. In het rapport staat het besluit opgenomen dat [de instelling] per 12 mei 2016 de betrokkenheid heeft beëindigd. [De instelling] heeft vervolgens een doorverwijzing opgesteld naar het Centrum voor Jeugd en Gezin en de destijds betrokken hulpverlening.

2.4 Omstreeks juni 2018 heeft Veilig Thuis een anonieme melding ontvangen. Veilig Thuis is daarop een onderzoek gestart en omstreeks februari 2019 is een Jeugdbeschermingstafel georganiseerd. Hier is onder meer besloten dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK) onderzoek zou doen naar de noodzaak van een ondertoezichtstelling. Het raadsrapport naar aanleiding van dit onderzoek is gedateerd op 31 juli 2019. In het Raadsbesluit heeft de RvdK de kinderrechter verzocht om de kinderen onder toezicht te stellen van [de instelling, tevens gecertificeerde instelling] voor de periode van zes maanden.

2.5 Op 9 september 2019 heeft de kinderrechter het verzoek van de RvdK behandeld. De rechtbank heeft [de instelling] uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de zitting. De jeugdprofessional en een collega zijn namens [de instelling] verschenen.

3     De ontvankelijkheid

3.1 De jeugdprofessional heeft in haar (tweede) verweerschrift aangevoerd dat de vader niet kan worden ontvangen in klachtonderdeel 1. De jeugdprofessional heeft hierbij primair aangevoerd dat het College de bindende eindbeslissing die is neergelegd in het e-mailbericht van het College van 13 oktober 2020 niet had mogen veronachtzamen. Subsidiair betoogt de jeugdprofessional dat haar betrokkenheid bij (de kinderen van) de vader in juni 2016 tot een einde is gekomen en niet op 18 januari 2017 zoals het College heeft vastgesteld in de tussenbeslissing van 28 juni 2021.

3.2 De gemachtigde van de vader heeft zich tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vader kan worden ontvangen in klachtonderdeel 1.

3.3 Het College handhaaft het oordeel dat de vader kan worden ontvangen in klachtonderdeel 1. Het College heeft op dit punt een eindbeslissing gegeven in de tussenbeslissing van 28 juni 2021. Niet gebleken is dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het College zou moeten terugkomen op deze eerder gegeven eindbeslissing. De jeugdprofessional heeft ook geen nieuwe feiten en/of omstandigheden aangevoerd. In aanvulling op de motivering van de tussenbeslissing van 28 juni 2021, merkt het College wel op dat de formulering in het e-mailbericht van het College van 13 oktober 2020 ongelukkig was, maar dat het e-mailbericht een administratieve handeling betrof. Het e-mailbericht kan niet worden beschouwd als een bindende eindbeslissing.

4     Het beoordelingskader

4.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode zowel voor de Jeugdzorgwerker als voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) gelet op de wisseling van de registratiekamer tijdens de betrokkenheid van de jeugdprofessional, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

5     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit drie klachtonderdelen. Deze worden hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld.

5.1 Klachtonderdeel 1

5.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij partijdig en nalatig is geweest. Zij heeft zijn zorgen over de situatie van de kinderen bij de moeder thuis, de problematiek van de moeder en tussen de moeder en de kinderen onvoldoende serieus genomen en (daardoor) ten onrechte geen vervolgonderzoek ingesteld. Dat zij inschattingsfouten heeft gemaakt, volgt uit het raadsrapport van 31 juli 2019, waarin de zorgen van de vader wel volledig zijn herkend en bevestigd. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

5.1.2 Het College overweegt als volgt. In het kader van het onderzoek naar aanleiding van de zorgmelding van de politie, heeft de jeugdprofessional blijkens [het rapport van 18 januari 2017] onder meer gesproken met acht informanten, grotendeels professionals, en met de ouders. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht op 15 november 2021 heeft de jeugdprofessional onweersproken verklaard dat zij met de kinderen heeft gesproken. In het [het rapport van 18 januari 2017] is de informatie van de informanten op een heldere en neutrale wijze weergegeven en (onder het kopje ‘2.2 Krachten en zorgen’) zijn ook de zorgen van de vader benoemd. Uit [het rapport van 18 januari 2017] blijkt ook dat de jeugdprofessional de zorgen van de vader met de moeder heeft besproken. Vanwege die zorgen heeft de jeugdprofessional een gesprek met de ouders gezamenlijk geïnitieerd, maar de vader stelde voorwaarden waardoor dit gesprek niet kon plaatsvinden. Het College ziet in het voorgaande geen aanleiding voor de conclusie dat de jeugdprofessional de zorgen van de vader niet serieus heeft genomen. Zij heeft de zorgen genoegzaam onderzocht en is op grond van haar bevindingen tot de conclusie kunnen komen dat er geen aanleiding was om nader onderzoek in te stellen (zoals de vader verzocht). Daar komt bij dat de vader ten tijde van het onderzoek [van de instelling] geen gezag had. Een ouder zonder gezag heeft in het vrijwillig kader een andere positie dan een ouder met gezag. Desondanks blijkt uit de inhoud van het dossier voldoende dat de jeugdprofessional – binnen de mogelijkheden die zij had – de vader heeft betrokken bij het onderzoek.
Dat in het raadsrapport de situatie in 2019 anders wordt beoordeeld, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat de jeugdprofessional in 2016 partijdig en nalatig heeft gehandeld. Dit blijkt ook niet uit het raadsrapport.
Alles overziend ziet het College geen aanknopingspunten dat de jeugdprofessional partijdig en nalatig heeft gehandeld.

5.1.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.2 Klachtonderdeel 2

5.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij zich ten onrechte niet heeft teruggetrokken uit de casus en dat zij haar beroepsmatig handelen niet heeft getoetst. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

5.2.2 Het College stelt vast dat dit klachtonderdeel specifiek ziet op de tweede betrokkenheid van de jeugdprofessional (weergegeven onder 2.5 van deze beslissing). Het College zal zich bij de beoordeling van dit klachtonderdeel daarom ook hiertoe beperken.
Het College stelt op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht op 17 mei 2021 is besproken vast, dat kort voor aanvang van de zitting op 9 september 2019 besloten is dat de jeugdprofessional mee zou gaan naar de zitting, in plaats van een zieke collega en louter ter ondersteuning van haar collega ter zitting. Hoewel het beter zou zijn geweest om de ouders hierover eerder dan op de rechtbank te informeren, is het College van oordeel dat de jeugdprofessional is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, gelet op het onverwacht verhinderd zijn van haar andere collega en het daarmee samenhangende korte tijdsbestek. Bovendien heeft de jeugdprofessional over de beslissing om mee te gaan naar de zitting overleg gevoerd met haar leidinggevende en een gedragswetenschapper, waardoor zij haar beroepsmatig handelen naar het oordeel van het College voldoende heeft getoetst.
Alles overziend is het College van oordeel dat de jeugdprofessional onder de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.2.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.3 Klachtonderdeel 3

5.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij niet heeft opengestaan voor het behandelen van de klachten over haar gedragingen. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

5.3.2 Het College begrijpt uit de toelichting bij dit klachtonderdeel dat dit verwijt specifiek ziet op het e-mailbericht van de vader van 9 september 2019 en de reactie hierop van de jeugdprofessional van 12 september 2019. Het College zal zich bij de beoordeling van dit klachtonderdeel daarom ook hiertoe beperken.
De vader heeft in zijn e-mailbericht van 9 september 2019 aan de jeugdprofessional met als onderwerp “Verzoek” het volgende geschreven: “Naar aanleiding van ons treffen vandaag bij de Rechtbank zou ik graag in gesprek met u gaan, want ik heb een aantal vragen en ik hoop dat u mij kunt helpen door een en ander te verhelderen. Kunnen wij hiervoor een afspraak plannen? Ik zou het op prijs stellen als uw leidinggevende hierbij aanwezig kan zijn.” Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht op 17 mei 2021 heeft de jeugdprofessional nader toegelicht dat zij de afgelopen vijftien jaar altijd in gesprek is gegaan met cliënten als daarom werd verzocht. De jeugdprofessional kon het e-mailbericht van de vader echter niet rijmen met zijn gedrag en uitspraken eerder die dag. Aangezien de situatie zo precair leek heeft zij na een zorgvuldige afweging en in overleg met haar leidinggevende en de collega’s betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling besloten niet op het verzoek van de vader in te gaan. Zij heeft hem dit laten weten in een kort e-mailbericht van 12 september 2019 en hem verwezen naar haar collega’s die de ondertoezichtstelling zouden uitvoeren.
Het College merkt allereerst op dat uit het e-mailbericht van de vader van 9 september 2019 onvoldoende duidelijk blijkt dat hij met de jeugdprofessional in gesprek wilde over klachten met betrekking tot haar gedragingen. De afweging die de jeugdprofessional vervolgens heeft gemaakt om niet in te gaan op het verzoek van de vader om een persoonlijk gesprek, kan het College goed volgen. Hierbij neemt het College in overweging dat behalve haar aanwezigheid bij de zitting van 9 september 2019 ter ondersteuning van haar collega, de jeugdprofessional sinds 18 januari 2017 niet meer betrokken was bij (het gezin van) de vader. Het College acht het handelen van de jeugdprofessional onder de gegeven omstandigheden dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Wel was het wellicht beter geweest als de jeugdprofessional haar reactie van 12 september 2019 uitgebreider had gemotiveerd dan wel dat zij bij de vader had kunnen informeren wat zijn vragen waren en expliciet (nogmaals) kunnen vermelden dat zij niet betrokken zou zijn bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Bij de tuchtrechtelijke toetsing van het handelen van de jeugdprofessional gaat het er echter niet om of het handelen beter had gekund.

5.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

6     De beslissing

Het College verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is op 21 december 2021 (vervroegd) genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van mevrouw mr. S.C. van Duijn (voorzitter), mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent (lid-jurist), mevrouw J.A. Pires (lid-beroepsgenoot), de heer E.A.J. Ouwerkerk (lid-beroepsgenoot) en de heer W.L. Scholtus (lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. T.S.A. Kloos (secretaris).

mevrouw mr. S.C. van Duijn
voorzitter

mevrouw mr. T.S.A. Kloos
secretaris