Maak een selectie

727 van 727

   

Een jeugdprofessional heeft de grenzen van de professionele relatie overtreden doordat hij een affectieve relatie is aangegaan met de moeder van een gezin waaraan hij hulpverlening heeft geboden.

Klager is [de moeder], hierna te noemen: de moeder. Haar gemachtigde is [gemachtigde], vertrouwenspersoon bij AKJ.

Beklaagde is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, voorheen werkzaam als casemanager bij [de gemeente], hierna te noemen: de gemeente. De jeugdprofessional stond van [datum] 2014 tot en met [datum] 2020 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd.

De hybride mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op maandag 10 januari 2022. De moeder en haar gemachtigde waren fysiek aanwezig bij de mondelinge behandeling van de klacht. De jeugdprofessional was digitaal aanwezig.

Het College gaat uit van het klaagschrift (ontvangen op 12 april 2021), het verweerschrift (ontvangen op 1 juli 2021) en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De moeder heeft (minderjarige) kinderen en zij is in 2018 gescheiden van de vader van de kinderen.

1.2 In de zomer van 2019 heeft de moeder hulp gevraagd bij de gemeente, omdat de kinderen het moeilijk hadden met de echtscheiding.

1.3 Vanaf omstreeks 11 juni 2019 is de jeugdprofessional als casemanager vanuit de gemeente betrokken bij het gezin van de moeder. Op 25 juni 2019 heeft de jeugdprofessional de zaak overgedragen aan een collega.

1.4 Omstreeks augustus/september 2019 heeft de jeugdprofessional zijn werkzaamheden bij de gemeente beëindigd.

1.5 De jeugdprofessional heeft zijn registratie bij SKJ beëindigd per [datum] 2020.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht die de moeder heeft ingediend wordt hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld.

3.1 De klacht

3.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij een affectieve relatie met haar is aangegaan. De jeugdprofessional heeft erkend dat hij niet professioneel heeft gehandeld en zijn handelen toegelicht.

3.1.2 Het is het College gebleken uit de inhoud van het dossier en tijdens de mondelinge behandeling van de klacht dat de jeugdprofessional omstreeks 11 juni 2019 betrokken is geraakt bij het gezin van de moeder. Het eerste (kennismakings)gesprek vond plaats op 13 juni 2019. Het volgende gesprek stond gepland voor 20 juni 2019, maar de jeugdprofessional wilde deze afspraak verzetten. Hij stuurde de moeder hierover de volgende berichten via WhatsApp: “Hoi [de moeder], ik ben nog druk bezig met dingen in gang zetten, uitvragen en aanbieders benaderen hierdoor heb ik nu nog niet veel nieuws dus wil graag onze afspraak verzetten naar een week later verplaatsen” en “Anders zou ik alleen langskomen om even te kletsen en een “wijntje” te doen”. De afspraak van 20 juni 2019 gaat door, maar uit de WhatsAppcorrespondentie blijkt dat dit een privé-afspraak is en niet zakelijk. Daarnaast blijkt uit de inhoud van het dossier dat de jeugdprofessional en de moeder vanaf 20 juni 2019 ook (meer dan zakelijk) contact hebben via het privételefoonnummer van de jeugdprofessional. Op 25 juni 2019 heeft de jeugdprofessional, naar aanleiding van een verzoek van de moeder, de zaak overgedragen aan een collega. Hierna hebben de jeugdprofessional en de moeder tot ongeveer medio juli 2019 privécontact gehouden. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional niet betwist dat sprake was van een affectieve relatie tussen hem en de moeder.
Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij in een professionele relatie een informele c.q. affectieve relatie is aangegaan met de moeder. Het is naar het oordeel van het College onder alle omstandigheden grensoverschijdend om gedurende een professionele relatie een affectieve relatie met een cliënt aan te gaan. Het is aan een jeugdprofessional om ten opzichte van cliënten te allen tijde de professionele grenzen te bewaken, temeer gezien de (vaak) kwetsbare positie van gezinnen waaraan jeugdhulp wordt geboden en de afhankelijkheidsrelatie tussen de hulpverlener en de cliënt(en). De jeugdprofessional heeft deze grenzen onvoldoende bewaakt en is buiten de kaders van de hulpverleningsrelatie getreden. Om deze reden acht het College artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode geschonden. Daarnaast is het College van oordeel dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode, omdat het aangaan van een affectieve relatie het vertrouwen van de moeder in de jeugdhulp heeft geschonden.

3.1.3 Het College is van oordeel dat de klacht gegrond is.

4     Maatregel: voorwaardelijke schorsing

4.1 Het is voor het College vast komen te staan dat de jeugdprofessional de grenzen van een professionele relatie met de moeder heeft overtreden. Bij dergelijk ernstig verwijtbaar handelen is een zware tuchtrechtelijke maatregel op zijn plaats. Het College acht de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van één jaar passend en geboden. Hierbij heeft het College in overweging genomen dat de jeugdprofessional zich in zijn verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling van de klacht weinig reflectief heeft opgesteld ten aanzien van het aangaan van de affectieve relatie en de manier waarop hij vervolgens als professional heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft hierbij eveneens weinig leerbaarheid getoond. Het enkele feit dat de jeugdprofessional (nu er een tuchtklacht is ingediend) in zijn hoedanigheid van privépersoon zijn excuses heeft aangeboden aan de moeder, getuigt nog niet van enige reflectie op zijn professionele handelen. Tot slot is het voor het College onvoldoende aannemelijk geworden dat de jeugdprofessional de affectieve relatie en zijn handelen in dit kader heeft besproken met zijn (voormalig) leidinggevende of – in verband met zijn vertrek bij de gemeente – tijdens een intervisie/supervisiebijeenkomst en op deze manier en/of op enig andere wijze vanuit zijn professie heeft gereflecteerd.

4.2 Het College acht het aangewezen dat de jeugdprofessional vanuit een supervisietraject werkt aan de bewustwording en het toepassen van de beroepsnormen die bekend en standaard worden geacht in de uitoefening van de functie van jeugdprofessional. Het College acht het van belang dat wordt gemonitord of de jeugdprofessional dit traject met goed gevolg aflegt. De jeugdprofessional kan derhalve de schorsing voorkomen door het volgen en goed afleggen van een gecertificeerd supervisietraject van 15 bijeenkomsten van 1 tot 1,5 uur bij de Landelijke Vereniging Supervisie en Coaching (LVSC) aan de hand van de inhoud van de onderhavige beslissing waarbij in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde dienen te komen: professionele distantie, professionele zelfreflectie, grenzen stellen en transparantie in de professionele werkrelatie.

4.3 Gedurende de uitschrijving van de jeugdprofessional uit het Kwaliteitsregister Jeugd kan de maatregel van voorwaardelijke schorsing niet geëffectueerd worden. Nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, treedt de schorsing derhalve in werking wanneer de jeugdprofessional bij een nieuwe registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd niet binnen één jaar aan het bestuur van SKJ een LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname aan het onder 4.2 van deze beslissing omschreven supervisietraject overlegt.

4.4 Het College stuurt deze beslissing toe aan het bestuur van SKJ ter openbaarmaking van de opgelegde maatregel, met daarbij de vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, zoals ook omschreven in artikel 12.1 van het Tuchtreglement, versie 1.4.

5     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • de klacht is gegrond;
  • aan de jeugdprofessional wordt opgelegd de maatregel van voorwaardelijke schorsing van één jaar ingaande op de dag dat de jeugdprofessional zich opnieuw registreert in het Kwaliteitsregister Jeugd;
  • de schorsing treedt in werking indien de jeugdprofessional niet binnen één jaar na de datum dat hij zich opnieuw registreert bij SKJ een LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname aan het supervisietraject aan het bestuur van SKJ heeft overgelegd.

Deze beslissing is op 21 februari 2022 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van mevrouw mr. S.C. van Duijn (voorzitter), mevrouw D.J.E. de Graaf en mevrouw H.W. Kamphof (beiden lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. S. Pijper (secretaris) en mevrouw mr. T.S.A. Kloos (tweede secretaris).

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. S. Pijper, secretaris