Maak een selectie

727 van 727

   

Een jeugdprofessional dient van inhoudelijke gesprekken dusdanige aantekeningen te maken dat een (inhoudelijke) terugkoppeling van het gesprek gegeven kan worden.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
mevrouw drs. P.F.M. Bakker-Leenders, lid-beroepsgenoot,
mevrouw drs. N.M. Zwarts-Berensen, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[klager 1] en [klager 2], klagers in eerste aanleg, hierna samen te noemen: de ouders, wonende te [woonplaats],

tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam geweest als orthopedagoog bij [de zorggroep], hierna te noemen: de zorggroep.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

De ouders worden in deze zaak bijgestaan door hun gemachtigde de heer M.E. Kranenburg, werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

 

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift, dat de ouders op 4 oktober 2019 bij het College van Toezicht hebben ingediend, waaronder begrepen één geluidsopname, inclusief transcriptie;
– het verweerschrift, dat de jeugdprofessional op 26 januari 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de conclusie van repliek, die de ouders op 24 april 2020 bij het College van Toezicht hebben ingediend;
– de conclusie van dupliek, die de jeugdprofessional op 1 mei 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 19.449Ta van 15 juni 2020;
– het beroepschrift dat de ouders op 1 juli 2020 tegen voornoemde beslissing hebben ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 21 juli 2020 heeft ingediend.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond verklaard.

1.3 De ouders hebben op 1 juli 2020 tegen deze beslissing – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Door de jeugdprofessional is op 21 juli 2020 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep zou aanvankelijk plaatsvinden op 18 november 2020. In verband met de aanscherping van de maatregelen rondom COVID-19 kon deze mondelinge behandeling geen doorgang vinden.

1.6 Op 18 november 2020 zijn partijen bericht dat het College van Beroep voornemens is om de zaak digitaal te behandelen. De ouders hebben tegen dit voornemen van het College van Beroep bezwaar gemaakt. De voorzitter van het College van Beroep heeft daarop besloten om de zaak in aanwezigheid van partijen te behandelen zodra de maatregelen rondom COVID-19 dit weer toelaten.

1.7 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2021 in aanwezigheid van de ouders en de jeugdprofessional. De ouders zijn in verband met de afwezigheid van de heer Kranenburg bijgestaan door zijn collega de heer J.S. Meij, vertrouwenspersoon bij AKJ.

1.8 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd. Partijen zijn op 22 november 2021 bericht dat de beslissing dezelfde dag – vervroegd – aan partijen wordt verzonden.

2     De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De ouders hebben een minderjarige dochter. De dochter is geboren in 2003 en is dus thans meerderjarig. De ouders waren tot de meerderjarigheid van de dochter gezamenlijk belast met gezag over haar.

2.2 Op 27 mei 2017 is de dochter geplaatst op de zorggroep als zijnde haar toekomstgerichte woonvoorziening. Na deze plaatsing is tussen de ouders en de directrice van de zorggroep een conflict ontstaan.

2.3 In maart 2019 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden en is besloten een verzoek tot onderzoek te doen aan de Raad voor de Kinderbescherming.

2.4 Op 14 juni 2019 hebben de moeder en de jeugdprofessional telefonisch contact gehad. Van dat contact hebben de ouders aan de procesregisseur van de gemeente een verslag per e-mail toegestuurd. Op 18 juni 2019 heeft de jeugdprofessional in een reactie aan de procesregisseur laten weten dat zij zich niet in het verslag kan vinden en dat zaken uit hun verband zijn getrokken. Voor verdere vragen verwijst zij naar haar leidinggevende.

2.5 Vanaf eind juni 2019 is de jeugdprofessional niet meer werkzaam bij de zorggroep.

2.6 De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 juli 2019 de dochter onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend waardoor de plaatsing op de zorggroep gecontinueerd is. Tussen de ouders en de dochter is op dit moment geen contact.

2.7 De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2016 als pedagoog geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel 2 dat het College van Toezicht ongegrond heeft verklaard.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 Hierna zal de in het beroepschrift aangehaalde klacht worden besproken en beoordeeld. De oorspronkelijke klacht wordt genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover de ouders in het beroepschrift nieuwe klachtonderdelen hebben opgenomen zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en geeft het College van Beroep daar geen oordeel over.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 2 als volgt geformuleerd: “De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij onwaarheden vertelt.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Van een jeugdprofessional kan, enkele dagen na een gevoerd (telefoon)gesprek, niet verwacht worden dat desgevraagd een gedetailleerde inhoudelijke terugkoppeling van dat gesprek gegeven kan worden. Voor de ouders is dit anders geweest, omdat zij kennelijk over een geluidsopname van het gesprek beschikten. Het is het College [van Toezicht] niet gebleken dat de jeugdprofessional daarvan op de hoogte was, evenmin dat zij deze geluidsopname toegestuurd heeft gekregen. Onder die omstandigheden had de jeugdprofessional kunnen volstaan met het geven van een algemene terugkoppeling van het gevoerde gesprek. In het onderhavige geval heeft de jeugdprofessional echter voldoende gemotiveerd waarom zij heeft afgezien van het geven van een (algemene) terugkoppeling, namelijk omdat zij geen onderdeel wilde worden van een conflict waarbij zij (inhoudelijk) niet betrokken was. Het College [van Toezicht] volgt de jeugdprofessional in deze afweging en acht het zorgvuldig dat zij professionele afstand heeft willen bewaren. Voorts heeft de directrice de jeugdprofessional in het opvolgende contact uit de e-mailcorrespondentie gehaald. Onder deze omstandigheden is het College [van Toezicht] van oordeel dat de jeugdprofessional heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

4.2.3 De ouders stellen zich op het standpunt dat het onbegrijpelijk is hoe de beslissing van het College van Toezicht de kwaliteit van de dienstverlening verbetert. De beroepsgroep leert van deze beslissing dat zij na enkele dagen niet meer inhoudelijk hoeven te weten wat zij met een ouder hebben besproken. Bovendien was er in het onderhavige geval geen sprake van enkele dagen. Het gesprek tussen de ouders en de jeugdprofessional vond plaats op vrijdag en de ouders hebben het verslag dinsdag opgestuurd. Aangezien de jeugdprofessional van dinsdag tot en met vrijdag werkt, heeft zij het verslag haar eerstvolgende werkdag ontvangen. Het is niet onredelijk om van de jeugdprofessional te verwachten dat zij van een gesprek zodanige aantekeningen maakt, dat zij in staat is om op een later moment minimaal een algemene samenvatting van het gesprek te geven.
Daarnaast vragen de ouders niet om een gedetailleerde terugkoppeling, maar om aan te geven wat er aan hun terugkoppeling niet klopt, nadat de jeugdprofessional heeft aangegeven zich er niet in te herkennen. Het College van Toezicht heeft dit verschil onvoldoende ingezien. Verder heeft het College van Toezicht volgens de ouders ten onrechte geoordeeld dat de jeugdprofessional geen algemene weergave van het gesprek heeft hoeven geven, omdat zij geen onderdeel van het conflict wilde worden. Van een jeugdprofessional mag verwacht worden dat hij of zij geen onderdeel van een conflict wil worden, maar dat is niet een reden om geen algemene weergave van een gesprek meer te hoeven kunnen geven. Daarnaast is de jeugdprofessional het gesprek met de ouders aangegaan en daarmee heeft zij ook de verantwoordelijkheid op zich genomen om te kunnen terugkoppelen wat er is besproken. Het besluit van de directrice om de jeugdprofessional uit de discussie te halen is bovendien geen relevant argument. De jeugdprofessional heeft een eigen verantwoordelijkheid en daarin is leidend wat de waarden en normen van het beroep zijn, niet wat een directrice besluit. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep hebben de ouders verzocht om, indien het College van Beroep komt tot een gegrondverklaring van het klachtonderdeel, af te zien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional.

4.2.4 De jeugdprofessional stelt dat zij de intentie had om tijdens het telefoongesprek de onderwijsontheffing van de dochter met de ouders te bespreken. Zij had tijdens dit gesprek kunnen teruggrijpen op het onderwerp, maar zij wilde de ouders een luisterend oor bieden. Verder stelt de jeugdprofessional dat er weliswaar een werkdag tussen het telefoongesprek en het verslag zat, maar dat er alsnog vier dagen tussen zaten. Daarnaast heeft zij wel degelijk gerapporteerd over het telefoongesprek, echter niet in detail. De rapportage is vooral gericht op het doel van het gesprek, namelijk de ouders informeren over de onderwijsontheffing van de dochter. De conclusies die de ouders trokken zijn met name gebaseerd op de details. Dit had de jeugdprofessional kunnen aangeven bij de gemeente en de ouders, maar er werd besloten dat zij zich niet in het conflict zou mengen.

4.2.5 Het is het College van Beroep gebleken dat de ouders primair beroep hebben ingesteld omdat er naar hun mening een ongewenste precedentwerking voortvloeit uit de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep is van oordeel dat de grief slaagt en overweegt hierover als volgt. Het zou onwenselijk zijn als van een jeugdprofessional een paar dagen na een gesprek niet meer verwacht kan worden dat een (inhoudelijke) terugkoppeling van een gesprek gegeven kan worden. Het College van Beroep volgt de ouders in het standpunt dat het aan de jeugdprofessional is om van inhoudelijke gesprekken dusdanige aantekeningen te maken dat een (inhoudelijke) terugkoppeling gegeven kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van persoonlijke werkaantekeningen (artikel 31 lid 4 en 5 van de Beroepscode NVO, versie 2017). In zoverre zal het College van Beroep dit oordeel van het College van Toezicht dan ook vernietigen. Het College van Beroep overweegt daarnaast dat er in deze casus niet zozeer sprake is van het niet kunnen geven van een (inhoudelijke) terugkoppeling, maar dat de jeugdprofessional dit om haar moverende redenen heeft nagelaten c.q. niet willen doen. Hoewel het College van Beroep begrip heeft voor het standpunt dat een jeugdprofessional zich geen onderdeel wil maken van een strijd, is het College van Beroep anders dan het College van Toezicht van oordeel dat dit argument van de jeugdprofessional in dit geval geen stand kan houden. De inhoud van het telefoongesprek tussen de ouders en de jeugdprofessional is verder gegaan dan het bespreken van de onderwijsontheffing van de dochter. De jeugdprofessional was op de hoogte van het conflict tussen de ouders en de directrice van de zorggroep, maar heeft desondanks (desgevraagd) haar visie gegeven op diverse aangelegenheden binnen de zorggroep. Erop gelet dat dit uitspraken zijn geweest die de jeugdprofessional zelf heeft gedaan, en enkel zij dus de juistheid hiervan kon bevestigen of het gesprekverslag kon corrigeren, had het op haar weg gelegen om inhoudelijk te reageren op het gespreksverslag dat de moeder van het gesprek had gemaakt. Door dit na te laten is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met artikel 10 lid 3 van de Beroepscode (Zorgvuldigheid).

4.2.6 De grief slaagt.

4.3 Conclusie

4.3.1 Het College van Beroep komt tot de slotsom dat de grief van de ouders slaagt. Dit heeft tot gevolg dat klachtonderdeel 2 alsnog gegrond wordt verklaard. Het College van Beroep ziet echter geen aanleiding om aan de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen en overweegt hierover als volgt. Het College van Beroep heeft oog voor de complexe situatie waarin de jeugdprofessional heeft moeten werken. Zij was als beginnend orthopedagoog bij de zorggroep werkzaam en had in de casus een beperkte rol. Er is daarnaast niet eerder een tuchtklacht tegen haar ingediend en heeft zij gereflecteerd op haar handelen. Het voorgaande in samenhang maakt dat het College van Beroep afziet van het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel aan de jeugdprofessional.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel 2 alsnog gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 15 juni 2020 in zaaknummer 19.449Ta;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional;
  • handhaaft voor het overige het oordeel van het College van Toezicht, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 22 november 2021 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris