Maak een selectie

727 van 727

   

Een jeugdbeschermer wordt verweten dat zij rondom de inzet van de ambulante gezinshulp het vertrouwen van de vader heeft geschonden en dat sprake is van machtsmisbruik.

Klager is de heer [klager], hierna te noemen: de vader.

Beklaagde is mevrouw [jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [de GI], locatie [locatie], hierna te noemen: de GI. De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd. Haar gemachtigde is mevrouw mr. M. Kramer, advocaat te Amsterdam.

De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 7 maart 2022 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en haar gemachtigde.

Het College gaat uit van het aangepaste klaagschrift (ontvangen op 17 oktober 2021 en 9 november 2021), het verweerschrift (ontvangen op 21 december 2021) en wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2011 en de zoon in 2013.

1.2 De vader en de moeder van de kinderen zijn sinds juli 2017 uit elkaar. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Sinds maart 2019 is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder en hebben zij een zorgregeling met de vader.

1.3 De kinderrechter heeft op 6 april 2018 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. De jeugdprofessional is vanaf januari 2020 (tot op heden) belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit één klachtonderdeel. Deze wordt hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld.

3.1 Klachtonderdeel 1

3.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij zijn vertrouwen heeft geschonden en dat er sprake is van machtsmisbruik. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1.2 Het College begrijpt uit de toelichting bij dit klachtonderdeel dat dit verwijt specifiek ziet op de e-mail van de jeugdprofessional van 15 juni 2021, gericht aan onder meer de ambulante gezinshulp van de vader. Het College zal zich bij de beoordeling van dit klachtonderdeel daarom ook hiertoe beperken.
Op 16 maart 2021 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd en onder meer overwogen: “Het is de komende periode van belang dat er wordt ingezet op meer betrokkenheid en ondersteuning van de vader richting de kinderen en dat de vader hulpverlening gaat accepteren, zoals de GI heeft aangegeven.”. Hierna is in mei 2021 hulpverlening van [de instantie] bij de vader thuis opgestart. Op 9 augustus 2021 heeft de vader een e-mail ontvangen van de coördinator van [de instantie] met een uitnodiging voor een evaluatiegesprek. Onder deze e-mail hing een mailwisseling, grotendeels van 15 juni 2021, tussen onder meer de jeugdprofessional en de ambulante gezinshulp van de vader. De vader was niet op de hoogte van deze mailwisseling. In een e-mail van 15 juni 2021 schrijft de jeugdprofessional onder meer: “[…] Daarnaast gaf moeder aan zich toch wel zorgen te maken (haar ervaringen uit het verleden komen hierin naar voren) over vader. Ze zegt dat vader (en dat heeft hij ook tijdens jullie kennismaking laten weten), niet achter het feit staat dat er iemand mee kijkt. Dit brengt heel veel spanning voor vader met zich mee. Dit kan zich uiten in rode vlekken, medicijngebruik om rustig te blijven en volgens moeder in alcohol gebruik. Nu is mijn verwachting dat hij niet drinkt in het bijzijn van jullie of de kinderen. Mochten er signalen zijn van alcohol gebruik, is mijn advies om het contact bij vader kort te houden, dit later met mij of iemand van [de instantie] te bespreken zodat wij er samen met vader over kunnen spreken op een ander moment. […]”. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de vader verklaard dat de in deze e-mail opgesomde zorgen, met name het alcoholgebruik, niet zijn besproken in zijn aanwezigheid tijdens het intakegesprek destijds met [de instantie].
Het College stelt allereerst vast dat de hulpverlening van [de instantie] bij de vader thuis is ingezet in opdracht van de kinderrechter. Naar het oordeel van het College blijkt uit de mailwisseling van 15 juni 2021 niet dat de jeugdprofessional op enigerlei wijze meer of anders heeft gedaan dan uitvoering geven aan de opdracht van de kinderrechter. Het College volgt de vader dan ook niet in zijn verwijt dat de jeugdprofessional haar macht zou hebben misbruikt om ambulante hulpverlening bij de vader thuis te kunnen inzetten (voor “spionageactiviteiten”).
Daarnaast volgt het College de vader niet in het verwijt dat de jeugdprofessional het vertrouwen van de vader heeft geschonden omdat zij onder druk van de moeder, en daarmee niet neutraal en onafhankelijk, heeft gehandeld. Uit de e-mail van 15 juni 2021 kan naar het oordeel van het College niet worden afgeleid dat de jeugdprofessional heeft gehandeld onder druk van de moeder. De jeugdprofessional maakt in de e-mail een duidelijk onderscheid tussen de zorgen van de moeder en haar eigen zorgen. Hoewel het beter zou zijn geweest als de zorgen van de moeder over het alcoholgebruik van de vader bij het intakegesprek bij [de instantie] in aanwezigheid van de vader zouden zijn besproken, of de vader op een andere wijze zou zijn geïnformeerd over het delen van de zorgen van de moeder aan [de instantie], is het College van oordeel dat de jeugdprofessional met haar handelen is gebleven binnen de grenzen van een behoorlijke beroepsuitoefening. De vader was namelijk wel op de hoogte van het bestaan van deze zorgen bij de moeder, welke zorgen de jeugdprofessional (in een andere setting) ook met de vader heeft besproken. Tevens kan het College de jeugdprofessional volgen in haar afweging dat het voor de betrokken hulpverlening van belang was om bekend te zijn met deze zorgen van de moeder.
Alles overziend is het College van oordeel dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

3.1.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4     De beslissing

Het College verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is op 14 april 2022 (vervroegd) genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van mevrouw mr. S.C. van Duijn (voorzitter), de heer W.M.P. van Engelen en mevrouw J.A. Pires (beiden lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. I.L.I. Bossert (secretaris) en mevrouw mr. T.S.A. Kloos (tweede secretaris).

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. I.L.I. Bossert, secretaris