Maak een selectie

552 van 552

   

Een jeugdbeschermer in het drangkader heeft voortvarend willen handelen, maar daardoor is onvoldoende afgestemd met de moeder als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen. Daarnaast is een fonds aangevraagd zonder de vereiste toestemming van de moeder. Ook wordt de vraag beantwoord of het gebruik van een toestemmingsformulier verplicht is in het vrijwillig kader.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, Lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 21 maart 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional],  beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als [jeugdbeschermer] bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:
– het aangepaste klaagschrift ontvangen op 18 april 2020;
– het verweerschrift ontvangen op 29 juni 2020;
– productie 10 van het verweerschrift ontvangen per post op 20 augustus 2020;
– de ontbrekende producties 0a en 0b van het verweerschrift heeft het College op 7 december 2020 opgevraagd en dezelfde dag per e-mailbericht ontvangen.

1.2 Vanwege het coronavirus, en met instemming van partijen, is de klacht digitaal via Teams behandeld (overeenkomstig artikelen 9 tot en met 13 van de Tijdelijke regeling i.v.m. COVID-19, versie 4 december 2020). De digitale behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 18 december 2020 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en zijn gemachtigde.

1.3 Productie 10 van het verweerschrift betreft een informatiemap vanuit [de instelling] met verschillende algemene folders, deze zijn niet gedigitaliseerd. Productie 10 is daardoor geen onderdeel van het digitale dossier van partijen (‘Mijn SKJ’). De moeder heeft tijdens de digitale behandeling van de klacht desgevraagd bevestigd dat zij ook in het bezit is van de informatiemap en met de inhoud bekend is. Om die reden heeft de voorzitter van het College besloten productie 10 onderdeel te laten uitmaken van het dossier in deze tuchtprocedure.

1.4 Na afloop van de digitale behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken, op 29 januari 2021, verstuurd wordt.

1.5 Op 7 januari 2021 is namens de jeugdprofessional een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van het College met als gevolg dat de procedure in de hoofdzaak (zaaknummer 20.110Ta) is aangehouden. De wrakingskamer heeft op 31 maart 2021 het wrakingsverzoek afgewezen. Partijen zijn vervolgens bericht dat de beslissing in de hoofdzaak op 19 april 2021 verstuurd wordt.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft twee minderjarige kinderen. De oudste dochter is geboren in 2015 en de jongste dochter in 2018.

2.2 De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over de dochters. De vader van de oudste dochter (hierna te noemen: de man) heeft haar erkend. Ten tijde van de betrokkenheid van de jeugdprofessional stond niet vast of de man ook de biologische vader van de jongste dochter was en had de man de jongste dochter niet erkend.

2.3 Het sociale wijkteam van [woonplaats] (hierna: het sociaal team) heeft de casus doorverwezen naar [de instelling]. Op 7 februari 2019 stond het opschalingsgesprek gepland tussen het sociaal team en [de instelling]. Het eerste gedeelte van het gesprek stond gereserveerd voor de moeder, het tweede gedeelte voor de man. Alleen het tweede gedeelte van het gesprek heeft plaatsgevonden. Namens [de instelling] was de jeugdprofessional daarbij aanwezig.

2.4 Van 12 februari 2019 tot en met 25 juli 2019 heeft de casus op de wachtlijst van [de instelling] gestaan in afwachting van de aanstelling van een vaste [jeugdbeschermer]. De jeugdprofessional was in deze periode – samen met een collega – de contactpersoon ter zake van de actuele veiligheid. Na 25 juli 2019 heeft de jeugdprofessional geen betrokkenheid meer gehad.

2.5 Op 22 februari 2019 heeft de moeder een (eerste) tuchtklacht tegen de jeugdprofessional ingediend. Op 27 februari 2019 heeft de moeder deze tuchtklacht ingetrokken, omdat de klacht bij het sociaal team werd behandeld.

2.6 In het kader van een alimentatie- en omgangsprocedure tussen de moeder en de man is op 21 maart 2019 een zitting bij de rechtbank geweest. In deze procedure is [de instelling] als belanghebbende aangemerkt. De jeugdprofessional en zijn collega zijn namens [de instelling] aanwezig geweest. De rechtbank heeft in de beschikking van 10 april 2019 de Raad voor de Kinderbescherming verzocht advies uit te brengen over of er contra-indicaties zijn voor een omgangsregeling tussen de oudste dochter en de man en zo nee, welke vorm, duur en frequentie het meest in het belang van de oudste dochter is. De rechtbank overweegt in de beschikking van 10 april 2019 onder meer als volgt:
“Partijen hebben zich ter gelegenheid van de zitting bereid verklaard om in gesprek te gaan bij het Omgangshuis of bij Humanitas BOR. [De instelling] zal daarvoor het contact leggen. Het streven is om in eerste instantie te komen tot een begeleide omgangsregeling van eenmaal per twee weken een paar uur, en zo veel meer als haalbaar blijkt. De eventuele omgangsregeling zal ook hebben te gelden voor [de jongste dochter].

Partijen hebben ter zitting tevens aangegeven dat zij een afspraak zullen maken bij de gemeente alwaar de man [de jongste dochter] zal erkennen en dat de vrouw hiervoor toestemming zal geven.”

2.7 Op 11 april 2019 heeft de moeder een klacht tegen de jeugdprofessional ingediend bij zijn teammanager. De teammanager heeft de moeder geadviseerd haar onvrede te bespreken bij het reeds geplande kennismakingsgesprek.

2.8 Op 18 april 2019 heeft het gezamenlijke kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen de jeugdprofessional, zijn collega, de moeder en de man. Tijdens dit gesprek ontstond onduidelijkheid over de vraag of de man ook de verwekker is van de jongste dochter. Daardoor werd teruggekomen op het regelen van de erkenning van de jongste dochter, zoals vastgelegd in de beschikking van 10 april 2019. De jeugdprofessional heeft vanwege deze informatie voorgesteld een DNA-test te laten afnemen. Omdat de moeder en de man het niet eens werden over het financieren van de DNA-test, heeft de jeugdprofessional toegezegd uit te zoeken of daarvoor vanuit [de instelling] een fonds aangewend kon worden.

2.9 Op 19 april 2019 heeft de collega van de jeugdprofessional naar aanleiding van het kennismakingsgesprek per e-mailbericht de bodemeisen & veiligheidsafspraken aan de moeder en de man toegestuurd.

2.10 Op 19 april 2019 heeft de moeder aan de teammanager per e-mailbericht laten weten dat zij de klacht tegen de jeugdprofessional vooralsnog laat voor wat het is, omdat het kennismakingsgesprek goed is verlopen.

2.11 Op 25 april 2019 heeft de jeugdprofessional naar aanleiding van het kennismakingsgesprek per e-mailbericht aan de moeder en de man laten weten dat hij contact opgenomen heeft met Humanitas BOR (hierna te noemen: de BOR) en deze instantie voorzien heeft van een korte update. Verder staat in het bericht dat de BOR aankomende week contact met de vrouw en de man op zal nemen, en daarna met de gemeente [woonplaats] over het mogelijke vervolg. De moeder heeft in haar reactie van diezelfde dag gevraagd of het aanbod van de BOR wel voldoende aansluit en wat de afweging is geweest om geen aanmelding te doen voor een Omgangshuis.

2.12 Op 8 mei 2019 heeft de jeugdprofessional bij het Nationaal Fonds Kinderhulp (hierna te noemen: het fonds) een aanvraag ingediend voor het bekostigen van een rechtsgeldige DNA-test.

2.13 Op 16 mei 2019 heeft de moeder opnieuw haar onvrede over de jeugdprofessional bij de teammanager neergelegd.

2.14 Op 22 mei 2019 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden tussen de jeugdprofessional, zijn collega, de moeder en de man. Na afloop van dat gesprek hebben de jeugdprofessional, zijn collega en de moeder gesproken over de onvrede van de moeder. Op 23 mei 2019 heeft de moeder per e-mailbericht vragen gesteld aan de teammanager, naar aanleiding van dit gesprek en haar eerdere geuite onvrede. De teammanager heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met de moeder. In het e-mailbericht met de terugkoppeling van de teammanager staat dat het gesprek naar tevredenheid is afgerond.

2.15 Op 23 mei 2019 (en 12 juni 2019 bij herhaling) heeft de moeder per e-mailbericht de volgende vragen gesteld over het fonds dat beschikbaar is gesteld voor het afnemen van de DNA-test: “Welk fonds is dit? En op basis van welke criteria gaan we dit fonds aanspreken?”.

2.16 Op 24 mei 2019 heeft de moeder per e-mailbericht aan de jeugdprofessional de gegevens van haar huisarts doorgegeven met de vermelding dat zij graag deelneemt aan de DNA-test.

2.17 Op 26 juni 2019 heeft de moeder via de website van [de instelling] een klachtenformulier ingediend  tegen de jeugdprofessional en zijn collega. Ook heeft zij in maart en juni 2019 contact opgenomen met de Nationale Ombudsman. De klacht bij [de instelling] heeft de teammanager op 18 juli 2019 schriftelijk afgehandeld. Omdat de klacht niet naar tevredenheid van de moeder is afgehandeld, heeft zij op 22 juli 2019 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van [de instelling]. De moeder heeft de klacht bij [de instelling] op 21 februari 2020 ingetrokken en nadien de onderhavige tuchtklacht ingediend.

2.18 Op 31 juli 2019 heeft de moeder een klacht ingediend bij het fonds waar de aanvraag is ingediend voor het bekostigen van de DNA-test. Deze klacht is op 24 september 2019 afgehandeld.

2.19 De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De klacht in het klaagschrift wordt besproken en beoordeeld. Zowel de klacht als het verweer worden zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.
Het is het College gebleken dat de moeder in de toegevoegde bijlage genaamd “Tuchtklacht” meerdere en andersluidende verwijten heeft opgenomen dan de verwijten die zij heeft geformuleerd als klacht in het digitale klaagschrift. De verwijten in deze bijlage zijn niet gestructureerd opgenomen, maar verwerkt in één doorlopend verhaal van acht pagina’s. Het College overweegt, onder verwijzing naar hetgeen het College van Beroep heeft overwogen in beslissing 17.028B, d.d. 12 april 2018, in overweging 3.3.10, dat het niet aan de jeugdprofessional of aan het College is om uit de aangeleverde stukken de klachtonderdelen, en daarmee de feiten en gronden waarop deze berusten, te destilleren. Het dient voor alle betrokkenen helder te zijn wat de omvang van de klachten is die ter beoordeling voorliggen aan de tuchtcolleges van SKJ. Het College beperkt zich in de onderhavige procedure dan ook tot het geven van een oordeel over de verwijten welke als zodanig onder de klacht in het digitale klaagschrift geformuleerd zijn.

4.1 De klacht

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij op basis van onjuiste informatie de moeder en de man op een dwaalspoor wil zetten in de hoop hen te intimideren. Ook zijn persoonsgegevens gebruikt zonder toestemming. Zaken zijn aangemeld en aangevraagd onder dwang en intimidatie. Daarnaast is de jeugdprofessional partijdig.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft bij herhaling gezegd dat hij een opdracht had vanuit de rechtbank en dat het aan [de instelling] is om ervoor te zorgen dat de moeder en de man de beschikking zouden naleven. In het vrijwillig kader bestaan er echter geen opdrachten vanuit de rechtbank. In de beschikking is [de instelling] alleen aangemerkt als belanghebbende. Nergens staat een concrete opdracht waardoor de jeugdprofessional een onjuist en onvolledig beeld over zijn rol en betrokkenheid van [de instelling] heeft geschetst.
De zorgen van de moeder omtrent de aanmelding van de BOR zijn genegeerd. De aanmelding is gedaan zonder toestemming of goedkeuring van de moeder. De jeugdprofessional heeft ook het fonds aangevraagd op naam van de jongste dochter zonder toestemming of goedkeuring. De moeder heeft meermaals expliciet kenbaar gemaakt daarvan geen gebruik te willen maken. Daarnaast bestaan er over haar geen zorgen in het kader van de veiligheid en staat niet in de beschikking dat [de instelling] de erkenning moest regelen. Ook is zonder toestemming contact opgenomen met de huisarts van de moeder. Voor deze zaken had de moeder wettelijk gezien eerst een toestemmingsformulier moeten ondertekenen. Dat is nagelaten wat maakt dat de jeugdprofessional in strijd gehandeld heeft met de AVG, de gegevens van de moeder heeft misbruikt en haar privacy heeft geschonden. De moeder is constant weggezet als weigerachtige moeder terwijl zij haar rechten en plichten kent. Daarover zijn steeds heldere en duidelijke vragen gesteld, maar deze zijn genegeerd.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Voor wat betreft de woordkeuze rondom de opdracht vanuit de rechtbank wordt het volgende aangevoerd. Gezien de overwegingen van de rechtbank, zoals onder 2.6 van deze beslissing opgenomen, heeft de jeugdprofessional de afspraak en bereidverklaring van de vrouw en de man rondom het tot stand laten komen van de omgang geformuleerd als ‘opdracht’. Wellicht was het beter geweest wanneer het woord ‘vraag’ was gehanteerd. Het in de beschikking vastgelegde was echter leidend, zolang de vrouw en de man onderling niet tot andere afspraken kwamen. De jeugdprofessional heeft het woord opdracht nooit gebruikt om de moeder te intimideren, dat is nooit zijn bedoeling geweest. Mocht het zo op de moeder zijn overgekomen, dan spijt de jeugdprofessional dat.
Ten aanzien van de aanmelding bij de BOR zonder toestemming van de moeder, wordt het volgende opgemerkt. De moeder spreekt ten onrechte van een aanmelding. De jeugdprofessional heeft enkel telefonisch contact gehad met de BOR om de mogelijkheden te bespreken. De aanmelding is uiteindelijk na een gesprek met de moeder niet tot stand gekomen. De jeugdprofessional is ervan uitgegaan dat hij toestemming had om contact te leggen, naar aanleiding van de beschikking van 10 april 2019 en hetgeen besproken was tijdens het kennismakingsgesprek op 18 april 2019. De moeder heeft pas op 25 april 2019 bezwaren geuit per e-mailbericht, maar het contact was toen al gelegd.
Het toestemmingsformulier wordt normaal gesproken ondertekend bij de start van een vaste [jeugdbeschermer]. Daarom hebben de jeugdprofessional en zijn collega dat gedurende de wachtlijstperiode niet gebruikt. De contacten die zijn gelegd, komen zoals gezegd echter voort uit hetgeen is vastgelegd in de beschikking en tijdens de gesprekken op 18 april en 22 mei 2019.
Ook ten aanzien van de aanvraag van het fonds, wordt aangevoerd dat dit besproken is tijdens het gesprek van 18 april 2019. Het fonds zou worden aangeschreven omdat de moeder en de man geen overeenstemming kregen over het financieren van de DNA-test. De DNA-test werd van belang geacht om vast te kunnen stellen of de man de vader van de jongste dochter is. Tijdens het gesprek van 22 mei 2019 werd afgesproken, in het geval de moeder zou besluiten mee te werken aan de vaderschapstest, dat zij de gegevens van haar huisarts zou e-mailen. Eveneens is besproken dat er dan contact zou worden gelegd met de huisarts voor het afnemen van het DNA-materiaal. De moeder heeft op 24 mei 2019 de gegevens van de huisarts per e-mailbericht verstrekt en zij heeft de afspraak bij de huisarts daadwerkelijk gemaakt. De jeugdprofessional mocht er daarom van uitgaan dat hij toestemming had om de huisarts te benaderen. Achteraf gezien hadden de jeugdprofessional en zijn collega er verstandig aan gedaan om alvast het toestemmingsformulier door de vrouw en de man te laten ondertekenen, vooruitlopend op het toewijzen van een vaste [jeugdbeschermer].
Tot slot herkent de jeugdprofessional zich niet in het verwijt dat hij partijdig zou zijn. De jeugdprofessional heeft nooit meer waarde gehecht aan het belang van de moeder of de man. Uiteraard heeft hij steeds in het belang van de kinderen gehandeld. Dat belang was gediend bij het tot stand laten komen van een omgangsregeling en een antwoord krijgen op de vraag of de man de biologische vader van de jongste dochter is. Bovendien heeft de moeder dit verwijt summier onderbouwd.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Allereerst wordt algemeen ingegaan op het toestemmingsvereiste nu de moeder stelt dat in het vrijwillig kader het gebruik van een toestemmingsformulier verplicht is. Het College is het met de moeder eens dat in het vrijwillig kader alles in overeenstemming en met toestemming van de betreffende cliënten dient plaats te vinden. Het geven van toestemming is op grond van de Jeugdwet echter vormvrij, wat betekent dat toestemming zowel mondeling als schriftelijk mag worden gegeven. Het gebruik van een toestemmingsformulier en het plaatsen van een handtekening, hoewel een dergelijke vorm de voorkeur heeft, is dan ook geen vereiste. Toestemming dient wel gericht gegeven te worden. Met betrekking tot informatie-uitwisseling houdt dat in dat de cliënt geïnformeerd wordt waarvoor de toestemming nodig is, wie de informatie verstrekt, wie of welke instantie de informatie ontvangt en om welke informatie het specifiek gaat. In het geval toestemming mondeling wordt verkregen, dient een jeugdprofessional dat vast te leggen in het dossier. Het College verwijst hiervoor naar de richtlijn “Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming” (herziene versie 2020), pagina 60 (toestemming voor informatie-uitwisseling) en pagina 54 (toestemming voor het starten van hulp). Bij mondelinge gegeven toestemming verdient het volgens het College bovendien de voorkeur een schriftelijke terugkoppeling te geven aan (of te vragen van) de cliënt, bijvoorbeeld per e-mail, waarin vermeld wordt wanneer en waarvoor toestemming is verleend.
Ten tweede geeft het College achtereenvolgens onder 4.1.4, 4.1.5 en 4.1.6 een oordeel over de volgende verwijten zoals door de moeder omschreven in het digitale klaagschrift onder de klacht en de toelichting daarop, zoals ook met partijen tijdens de digitale behandeling is besproken:
– Intimidatie van de moeder vanwege het onjuiste gebruik van de woorden ‘opdracht vanuit de rechtbank’.
– Het delen van persoonsgegevens onder dwang/intimidatie en zonder toestemming ten aanzien van de BOR (waaronder ook het negeren van moeders geuite zorgen), het fonds voor het financieren van de DNA-test en het contact met de huisarts.
– Partijdigheid.

4.1.4 Ten aanzien van het verwijt rondom de intimidatie, vanwege het gebruik van de woorden ‘opdracht vanuit de rechtbank’, overweegt het College als volgt. De moeder stelt dat in het vrijwillig kader geen opdrachten bestaan vanuit de rechtbank, [de instelling] slechts als belanghebbende is aangemerkt in de beschikking van 10 april 2019 en dat daarin nergens een concrete opdracht geformuleerd is. Met verwijzing naar 2.6 van deze beslissing leest het College in de overweging van de rechtbank dat de moeder en de man zich ter zitting bereid verklaard hebben om in gesprek te gaan met het Omgangshuis of de BOR. Daarbij is opgenomen dat [de instelling] daarvoor het contact zal leggen. Gelet op dit laatste acht het College het te begrijpen dat de jeugdprofessional het contact leggen met het Omgangshuis of de BOR heeft opgevat als een opdracht aan [de instelling] en dat ook als zodanig geformuleerd heeft richting partijen. Het College acht het gebruik van deze woorden met verwijzing naar de beschikking van 10 april 2019 dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, ook niet in het vrijwillig kader. Bovendien stelt de moeder dat de jeugdprofessional deze woorden gebruikt heeft om partijen te intimideren. Hetgeen een verstrekkend verwijt is en zou betekenen dat de jeugdprofessional partijen angst zou willen aanjagen door te dreigen met negatieve gevolgen. Daarvan is het College niet gebleken.

4.1.5 Voor wat betreft het delen van de persoonsgegevens, wordt voorop gesteld dat ook hier niet gebleken is dat de jeugdprofessional vormen van dwang of intimidatie heeft gebruikt, zoals de moeder stelt. Het College beperkt zich daarom tot het geven van een oordeel over de verwijten dat persoonsgegevens met de genoemde instanties/personen zijn gedeeld zonder de vereiste toestemming en dat de door de moeder geuite zorgen over de BOR genegeerd zijn.
Voor wat betreft het Omgangshuis en de BOR overweegt het College als volgt. Het is gebruikelijk dat bij aanvang van een hulpverleningstraject, in de zogeheten oriëntatiefase, verschillende hulpverleningstrajecten worden overwogen en voorgelegd aan de cliënt(en). De uiteindelijke keuze gaat in samenspraak met de cliënt(en), en in het vrijwillige kader geldt eveneens het toestemmingsvereiste zoals onder 4.1.3 overwogen. In dit specifieke geval was in de beschikking van de rechtbank van 10 april 2019 reeds voorgesorteerd op de keuze tussen twee trajecten voor het opstarten van de begeleide omgang tussen de kinderen en de man: het Omgangshuis of de BOR. Gelet op de formulering in de beschikking, zoals opgenomen onder 2.6 van deze beslissing, wordt vastgesteld dat zowel de moeder als de man ter zitting toestemming verleend hebben dat [de instelling] namens hen met (één van) deze twee instanties contact op zou nemen. Om die reden is het College van oordeel dat de jeugdprofessional ervan uit mocht gaan dat hij contact mocht leggen met de BOR. Bovendien blijkt uit het e-mailbericht van de jeugdprofessional van 25 april 2019 dat dit eveneens met partijen is besproken tijdens het kennismakingsgesprek op 18 april 2019. In het e-mailbericht is namelijk geschreven (productie 14 van het verweerschrift): “Tijdens ons gezamenlijk gesprek op donderdag 18 april j.l. hebben we afgesproken dat ik jullie een update zou geven van het contact dat ik zou hebben met BOR (Humanitas).” Voor wat betreft het delen van de persoonsgegevens met de BOR heeft de jeugdprofessional dan ook geen tuchtrechtelijke norm overschreden. Overigens is het College het met de jeugdprofessional eens dat het niet tot een daadwerkelijke aanmelding is gekomen.
Dan rest ten aanzien van de twee begeleide omgangstrajecten nog de vraag hoe de jeugdprofessional heeft gehandeld naar aanleiding van de door de moeder geuite zorgen en of dat in lijn is met de professionele standaard. Tijdens de digitale behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd toegelicht dat vanuit [de instelling] enkel de BOR is voorgesteld vanwege (praktische) organisatorische redenen. Het is het College niet gebleken dat deze uitleg op enig moment ook aan de moeder is gegeven. Daarnaast heeft de moeder per e-mailbericht van 25 april 2019 zorgen geuit over de BOR en een specifieke toelichting gevraagd over de afweging waarom het Omgangshuis niet meer tot de mogelijkheden behoorde. De moeder heeft geen reactie op haar e-mailbericht gekregen. Het College is van oordeel dat het onder de verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional valt om aan cliënt(en) voldoende uitleg te verschaffen over voorgestelde hulpverleningstrajecten, waaronder ook eventuele onmogelijkheden en eventuele vragen van cliënten worden besproken en beantwoord. Op deze wijze kan de uiteindelijke keuze in samenspraak en in verbinding met de cliënt(en) genomen worden zoals wordt voorgeschreven in artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) en op grond van de richtlijn “Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming”. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de moeder onvoldoende heeft meegenomen in de afweging rondom de keuze voor het benaderen van de BOR, en dat haar vragen daarover ten onrechte niet beantwoord zijn. Het College acht dit nalaten een schending van genoemd artikel uit de Beroepscode en niet in lijn met de genoemde richtlijn.
Ook wordt de jeugdprofessional verweten dat de aanvraag voor het fonds, en in dat verband het delen van de persoonsgegevens met het fonds, gedaan is zonder toestemming van de moeder. Tijdens de digitale behandeling heeft de jeugdprofessional erkend dat hij tijdens het kennismakingsgesprek van 18 april 2019 met partijen besproken heeft dat hij zou onderzoeken of het fonds aangewend kon worden voor het laten financieren van de DNA-test en dat partijen daarover een terugkoppeling zouden krijgen. In plaats van het geven van een terugkoppeling heeft de jeugdprofessional op 8 mei 2019 de aanvraag voor het fonds gedaan. In deze aanvraag (productie 12 van het verweerschrift) staan onder meer de herleidbare persoonsgegevens van de jongste dochter. Het College is niet gebleken dat de moeder – als wettelijke vertegenwoordiger van de jongste dochter – voor het doen van de aanvraag en het delen van haar persoonsgegevens toestemming heeft gegeven. Het College acht dit handelen van de jeugdprofessional in strijd met artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode. Bovendien is het College ook hier van oordeel dat de moeder onvoldoende is meegenomen in de afweging wat de noodzaak was voor het aanvragen van het fonds, zij niet tijdig geïnformeerd is over de daadwerkelijke aanvraag en wederom haar e-mailbericht onbeantwoord is gebleven met vragen over het fonds, zoals opgenomen onder 2.15 van deze beslissing. Daarom heeft de jeugdprofessional ten aanzien van het fonds ook artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.
Voorts verwijt de moeder ten aanzien van het delen van de persoonsgegevens dat de jeugdprofessional het contact met de huisarts gelegd heeft zonder haar toestemming. De jeugdprofessional heeft daarover aangevoerd dat tijdens het gesprek van 22 mei 2019 is afgesproken dat indien de moeder haar toestemming zou geven voor het laten afnemen van de vaderschapstest, dat zij in dat geval de gegevens van haar huisarts zou delen. Het College acht deze toelichting voldoende aannemelijk gezien het e-mailbericht van de moeder van 24 mei 2019, zoals opgenomen onder 2.16 van deze beslissing, waarin zij op eigen initiatief de gegevens van haar huisarts deelt met de vermelding dat zij graag deelneemt aan de DNA-test. De jeugdprofessional valt dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt te maken in het contact met de huisarts van de moeder.

4.1.6 Tot slot acht het College het verwijt rondom de partijdigheid onvoldoende feitelijk onderbouwd door de moeder. Bovendien leest het College in meerdere e-mailberichten dat de jeugdprofessional zijn meerzijdige partijdigheid waarborgt door aan te geven dat op individuele e-mailberichten niet wordt gereageerd. Het College acht deze werkwijze passend en gangbaar in de praktijk, temeer wanneer sprake is van een complexe verhouding tussen partijen.

4.1.7 Het College is van oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is, namelijk voor wat betreft het onvoldoende ingaan op de zorgen van de moeder rondom de BOR, het doen van de aanvraag bij het fonds zonder de vereiste toestemming en het onvoldoende afstemmen met de moeder over het fonds.

4.2 Conclusie

4.2.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot de klacht gedeeltelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Met de moeder is onvoldoende afgestemd zowel ten aanzien van haar zorgen over de BOR als de aanvraag voor het fonds. Verschillende specifieke vragen die de moeder gesteld heeft, zijn niet beantwoord. Bovendien is niet gebleken dat de vereiste toestemming van de moeder verkregen is voor de aanvraag van het fonds, en het daarin delen van de persoonsgegevens van de jongste dochter. Artikelen G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode zijn geschonden en er is onvoldoende gehandeld volgens de richtlijn “Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming”.

4.2.2 Hoewel grote waarde wordt gehecht aan het afstemmen/informeren van cliënt(en) en eveneens handelen op basis van het toestemmingsvereiste, overweegt het College dat onder de gegeven omstandigheden afgezien wordt van het opleggen van een maatregel. Het wordt voldoende aannemelijk geacht dat de jeugdprofessional voortvarend heeft willen handelen zowel in het belang van de kinderen als op basis van de lopende procedure bij de rechtbank. Bovendien heeft de jeugdprofessional gereflecteerd op zijn handelen en erkend dat op bepaalde punten de afstemming met moeder onvoldoende is geweest. Voorts wordt ervan uitgegaan dat dit oordeel eraan bijdraagt dat de jeugdprofessional in toekomstige gevallen zijn werkwijze aanpast zodat deze in lijn is met de professionele standaard. Alles overwegende ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:
– verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 19 april 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris