Maak een selectie

552 van 552

   

Een jeugdbeschermer heeft zowel de vader als de betrokken ketenpartners onvoldoende betrokken in de besluitvorming naar het verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 11 juni 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI] [locatie], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.M. Haverkort.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. M.J.I. Assink, werkzaam als advocaat te Rijswijk.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 17 juli 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 18 september 2020;
  • de aanvulling op het klaagschrift (het proces-verbaal van de zitting op 5 december 2019) ontvangen op 6 november 2020;
  • de pleitnota die de gemachtigde van de vader voorafgaand aan de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft ingediend;
  • de pleitnota die de gemachtigde van de jeugdprofessional voorafgaand aan de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft ingediend.

1.2 Naar aanleiding van de coronamaatregelen is de mondelinge behandeling van de klacht enige tijd aangehouden. De klacht is digitaal mondeling behandeld op basis van de Tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), versie 4 december 2020. Deze behandeling vond plaats op 18 maart 2021 in aanwezigheid van de vader met zijn gemachtigde, en de jeugdprofessional met zijn gemachtigde.

1.3 Bij de behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd.

2 De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De oudste zoon is geboren in 2006 en de jongste zoon in 2008.

2.2 De oudste zoon heeft een autisme spectrum stoornis en een chromosoomafwijking. Om deze reden gaat hij sinds januari 2011 voor dagbesteding naar de zorgboerderij [de Zorgboerderij] te [plaats 1] (hierna te noemen: de Zorgboerderij).

2.3 De vader en de moeder van de kinderen zijn gescheiden. Na het feitelijk uiteengaan eind 2016 is het huwelijk ontbonden op 31 december 2019. De oudste zoon verblijft bij de vader en de jongste zoon verblijft bij de moeder. Tussen de vader en de jongste zoon is een omgangsregeling vastgesteld. De oudste zoon had in april 2017 nog een minimaal contact met zijn moeder, en daarna niet meer.

2.4 Aanvankelijk werd het ouderlijk gezag over de kinderen uitgeoefend door de ouders gezamenlijk. Op 20 december 2019 heeft de kinderrechter het gezag over de jongste zoon gewijzigd en de moeder eenhoofdig belast met het ouderlijk gezag. De ouders bleven gezamenlijk belast met het gezag over de oudste zoon.

2.5 Op 13 oktober 2016 heeft Veilig Thuis een melding gedaan bij de beschermingstafel vanwege zorg over forse relationele problemen tussen de ouders waarmee de kinderen werden belast. De ouders hebben een verschillende visie op de problematiek. Na het overleg van de beschermingstafel is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) een onderzoek gestart dat op 2 december 2016 is afgerond met een rapport.

2.6 Op verzoek van de RvdK zijn de kinderen op 23 december 2016 onder toezicht gesteld voor de duur van twaalf maanden. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

2.7 Sinds 2017 is de jeugdprofessional als tweede opeenvolgende jeugdbeschermer betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

2.8 Op 8 juni 2018 heeft de rechtbank een bijzondere curator benoemd. In de echtscheidingsprocedure van de ouders vond de rechtbank het noodzakelijk dat de kinderen een eigen stem krijgen voor wat betreft de contactregeling en het hoofdverblijf van de kinderen. Op 20 juli 2018 heeft de bijzondere curator haar werkzaamheden gestaakt.

2.9 In 2019 is voor de oudste zoon individuele therapie ingezet bij [de instelling] (hierna te noemen: [de instelling]). Tevens hebben de ouders systeemtherapie gevolgd. Deze trajecten zijn op 27 november 2019 afgesloten met een eindrapport.

2.10 Op 20 november 2019 heeft de jeugdprofessional aan de vader een eerste schriftelijke aanwijzing gezonden, die door de rechtbank is bekrachtigd op 20 december 2019. In deze schriftelijke aanwijzing waren vier instructies opgenomen voor de vader, gericht op neutraal communiceren over de moeder en het niet betrekken van de kinderen in onderwerpen die samenhangen met de echtscheiding.

2.11 Op 28 november 2019 heeft de jeugdprofessional aan de vader een tweede schriftelijke aanwijzing gezonden. Deze schriftelijke aanwijzing is op 20 december 2019 door de rechtbank als vervallen verklaard. Op basis van het rapport van [de instelling] sloot de rechtbank aan bij de inschatting dat het doel gericht op contactherstel tussen de moeder en de oudste zoon niet haalbaar is.

2.12 Op 13 februari 2020 is een tweede jeugdbeschermer toegevoegd aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De aanleiding voor dit besluit is de eerste tuchtklacht met zaaknummer 19.511Ta die de vader had ingediend bij SKJ. De GI heeft in een brief toegelicht dat zij met deze beslissing wilde voorkomen dat bij de vader het beeld ontstaat dat de meervoudige partijdigheid in het geding zou kunnen komen. Concreet betekent dit dat de jeugdprofessional de regie houdt, maar dat hij tijdens gesprekken met de vader vergezeld en ondersteund wordt door de tweede jeugdbeschermer. Ook zal de tweede jeugdbeschermer deelnemen aan de schriftelijke uitwisseling tussen de vader en de GI.

2.13 Op 8 juni 2020 dient de jeugdprofessional een verzoekschrift in voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de oudste zoon, voor plaatsing in een instelling met een specialisatie op het gebied van autisme voor de duur van zes maanden. Op 29 juli 2020 heeft de kinderrechter het verzoek van de jeugdprofessional voor een machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.

2.14 De vader heeft een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI, die heeft laten weten dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak in onderhavige procedure bij SKJ. Tevens heeft de vader de Kinderombudsman geïnformeerd.

2.15 De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de jeugdprofessional met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en het nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

De twee in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden één voor één besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de toelichting op de klacht en het verweer samengevat weergegeven. Daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat hij de vader niet of onvoldoende heeft betrokken bij en/of geïnformeerd over zijn voornemen om een machtiging tot uithuisplaatsing te vragen.

Toelichting:
De oudste zoon woont bij de vader die belast is met het ouderlijk gezag. Om deze reden dient de jeugdprofessional de vader nauw te betrekken bij het nemen van een beslissing over de oudste zoon en hem uitgebreid te informeren. Weliswaar stelt de jeugdprofessional dat er tijdens rechterlijke procedures in 2018 met de rechtbank over de mogelijkheid van een uithuisplaatsing is gesproken, maar een rechtbanksessie is niet wat in de Beroepscode wordt bedoeld met informatievoorziening in duidelijke taal. Het doel van een rechtszaak is niet om met de vader in gesprek te zijn. Daarbij dient de jeugdprofessional na te gaan of de vader alles goed heeft begrepen, met name omdat tijdens procedures in jargon wordt gesproken. Pas op 5 december 2019 tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de vader voor het eerst begrepen dat de jeugdprofessional voornemens was om de oudste zoon uit huis te plaatsen. In een verzoekschrift dat de moeder drie maanden later op 19 maart 2020 bij de rechtbank heeft ingediend met betrekking tot de omgangsregeling met de jongste zoon, blijkt dat de jeugdprofessional op dat moment géén plannen had voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Om deze reden vraagt de moeder zich in haar verzoekschrift af of dit een juiste beslissing is. Plotseling stuurt de jeugdprofessional op 14 mei 2020 een brief aan de kinderrechter waarin hij het verzoekschrift voor een machtiging tot uithuisplaatsing aankondigt. Volgens de vader blijkt zowel uit de brief als het verzoekschrift de partijdigheid van de jeugdprofessional, omdat hij hierin zegt het moreel niet verantwoord te vinden dat de moeder hoogstwaarschijnlijk nooit meer contact met de oudste zoon zal hebben. Tot de brief van 14 mei 2020 waren er alleen vage stellingen dat een uithuisplaatsing een optie zou kunnen zijn. Maar op het moment dat de jeugdprofessional besluit daadwerkelijk een machtiging aan te vragen had dit met de vader besproken moeten worden. Zeker omdat bekend is dat de vader is gediagnosticeerd met [een autisme spectrum stoornis], waardoor duidelijke communicatie voor hem extra belangrijk is. Maar dat heeft de jeugdprofessional ten onrechte niet gedaan.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional stelt dat hij de ‘Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ (hierna te noemen: de Richtlijn Uithuisplaatsing) heeft gevolgd. De Richtlijn Uithuisplaatsing geeft aan dat ouders betrokken willen zijn bij de besluitvorming en het recht hebben om hun mening te geven. Dit is gebeurd. De mogelijkheid van uithuisplaatsing als ultieme consequentie is vroegtijdig ter tafel gekomen en meerdere malen met de vader besproken. Zowel voor als na 5 december 2019. Voor het eerst kwam de uithuisplaatsing ter sprake op 7 augustus 2018 tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank, en vervolgens ook op 12 oktober 2018 ter zitting in een andere procedure. Dat de vader voldoende is betrokken bij de besluitvorming blijkt ook uit het proces-verbaal van de zitting van 5 december 2019: de rechter concludeert dat de mogelijkheid van uithuisplaatsing wellicht niet door de jeugdprofessional op papier is gezet maar kennelijk wel met de vader is besproken, wat de vader niet heeft betwist. Over de periode ná 5 december 2019 verwijst de jeugdprofessional naar het e-mailbericht van 6 april 2020 waarin de vader stelt dat de jeugdprofessional “op basis van niets een verhaal [is] begonnen over uithuisplaatsing”. Tevens verwijst de jeugdprofessional naar de eerdere procedure bij SKJ met zaaknummer 19.511Ta tussen dezelfde partijen. In de conclusie van dupliek heeft de jeugdprofessional op 8 mei 2020 opgesomd waarom het niet is gelukt om hulpverlening voor de oudste zoon te realiseren: de mogelijkheden voor contactherstel raakten uitgeput door de houding van de vader die hieraan niet of onvoldoende wilde meewerken. Wanneer de situatie niet verandert, zal de moeder nooit meer contact met de zoon kunnen hebben. Omdat de jeugdprofessional dat moreel onaanvaardbaar acht, resteert enkel nog de optie van een uithuisplaatsing. De jeugdprofessional heeft de vader op 14 mei 2020 geïnformeerd over zijn voornemen om de dilemma’s in deze kwestie aan de rechter voor te leggen. In het verzoekschrift heeft de jeugdprofessional uitvoerig onderbouwd op grond van welke overwegingen hij tot het verzoek komt. Vervolgens heeft de vader de gelegenheid gekregen om hierop te reageren en zijn visie is in de beoordeling van de rechtbank meegenomen. Volgens de jeugdprofessional is er geen enkele aanwijzing dat de vader iets niet zou hebben begrepen of meer uitleg nodig zou hebben.
Daarbij is van belang dat de jeugdprofessional alles heeft geprobeerd om in gesprek te blijven, maar de vader maakte dit onmogelijk. Om dezelfde reden heeft de bijzondere curator medio 2018 haar taak neergelegd. Uit het eindverslag van de bijzondere curator blijkt dat de reden hiervoor was het ontbreken van de noodzakelijke medewerking door de vader en een e-mailbericht van de vader welke zij als intimiderend heeft ervaren. Tevens verwijst de jeugdprofessional naar het e-mailbericht van de vader van 19 maart 2019. De reactie van de vader was dermate negatief dat dit geen enkele opening bood voor een gesprek. In de procedure bij SKJ met zaaknummer 19.511Ta heeft de vader ongefundeerd geïnsinueerd naar een verliefdheid tussen de jeugdprofessional en de moeder waarna de vader dringend is verzocht dergelijke toespelingen niet meer te maken. Tenslotte wijst de jeugdprofessional op de beschikking van 29 juli 2020. Hier overweegt de rechter dat de vader inmiddels zo overtuigd is geraakt van het samenspannen van de jeugdbeschermer met de moeder, dat er geen enkele samenwerking meer mogelijk is. Om die reden vindt de jeugdprofessional dat de klacht moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de afwijzende en weigerachtige opstelling van de vader.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de vader onvoldoende heeft betrokken bij het voornemen om een machtiging tot uithuisplaatsing aan de rechtbank te verzoeken en acht dit klachtonderdeel gegrond. Voor een goede professionele relatie is het van belang dat de jeugdprofessional op begrijpelijke wijze relevante informatie verschaft, zoals is vastgelegd in artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode). Tevens moeten ouders betrokken worden in de besluitvorming rondom een uithuisplaatsing volgens de Richtlijn Uithuisplaatsing. De vader dient meer geïnformeerd te worden dan de jeugdprofessional heeft gedaan. Uit het dossier is het College gebleken dat er wel enkele pogingen zijn geweest om met de vader in gesprek te gaan, maar deze dateren van 2019. Daarbij is het College niet gebleken dat deze pogingen de uithuisplaatsing tot onderwerp hebben gehad. Verder heeft de jeugdprofessional verwezen naar drie mondelinge behandelingen waarin ter zitting op de rechtbank de mogelijkheid van een uithuisplaatsing aan de orde zou zijn gekomen. Het College is het met de vader eens dat een rechtbanksetting niet passend is voor het benodigde overleg dat van de jeugdprofessional wordt gevraagd conform de Richtlijn Uithuisplaatsing en de Beroepscode. Ook acht het College een rechtbanksetting hiervoor onvoldoende omdat van de vader niet mag worden verwacht dat hij de relevante informatie destilleert uit hetgeen ter zitting wordt besproken. Mondelinge behandelingen op de rechtbank worden vaak als spanningsvol door ouders ervaren. Dit is met name relevant omdat van de vader bekend is dat hij is gediagnosticeerd met [een autisme spectrum stoornis] en duidelijke communicatie voor hem belangrijk is. De laatste zitting op 5 december 2019 had voor de jeugdprofessional de aanzet voor een gesprek moeten zijn, om met de vader de zorgen te bespreken en wat er concreet nodig is om een uithuisplaatsing te voorkomen. Echter, van gesprekken met de vader hierover is het College niet gebleken, evenmin van pogingen daartoe. Weliswaar verliep de samenwerking met de vader moeizaam, maar van een ervaren jeugdprofessional binnen het gedwongen kader mag worden verwacht dat hij kan omgaan met weerstand bij ouders. Met name vindt het College de afwezigheid van overleg moeilijk te begrijpen omdat er op 13 februari 2020 speciaal een tweede jeugdbeschermer is aangesteld om de jeugdprofessional tijdens gesprekken met de vader te vergezellen en hem te ondersteunen. Echter, deze tweede jeugdbeschermer heeft het College in geen enkel dossierstuk teruggezien; niet in de CC bij e-mailcorrespondentie en ook niet als betrokken collega bij het verzoekschrift. Eventueel had het gesprek met de vader kunnen worden gevoerd met een vertrouwenspersoon erbij om het overleg goed te laten verlopen. Desnoods had het overleg schriftelijk gekund. Indien er wel telefonisch overleg is geweest over het voornemen om een machtiging tot uithuisplaatsing te vragen bij de rechtbank, zoals de jeugdprofessional tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft gesteld, dan had van de jeugdprofessional verwacht mogen worden dat schriftelijk werd bevestigd wat er is besproken. Immers, het is de taak van de jeugdprofessional zich ervan te verzekeren dat de informatie correct is begrepen en de gemaakte afspraken voor iedereen helder zijn. Het College is onvoldoende gebleken dat alle mogelijkheden waren uitgeput.
Het College passeert het bewijsaanbod dat de jeugdprofessional heeft gedaan tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht. Er is uitvoerig verweer gevoerd met 17 bijlagen en de jeugdprofessional is ruimschoots in de gelegenheid geweest het eventueel relevante contactjournaal in de procedure te overleggen. Dat heeft de jeugdprofessional niet gedaan.
In de brief van 14 mei 2020 heeft de jeugdprofessional voor het eerst aan de vader laten weten dat een machtiging tot uithuisplaatsing zal worden aangevraagd. De jeugdprofessional heeft gesteld dat deze brief was bedoeld om de vader te informeren over het voornemen. Echter, het College kan dit niet goed volgen. In een brief aan de vader mag worden verwacht dat deze ook is gericht aan de vader, maar de brief spreekt over ‘de vader’ in de derde persoon. Verder wordt in deze brief niet gevraagd naar de mening van de vader, evenmin wordt er gevraagd om een schriftelijke reactie op het voornemen. Dat laatste blijkt ook uit het feit dat de jeugdprofessional in het verzoekschrift heeft opgenomen dat de vader zijn mening nog moet geven. Gezien de inhoud en de toonzetting van deze brief kan het College zich niet aan de indruk onttrekken dat de brief is gericht aan de rechtbank, die in afschrift is verzonden aan de vader. Zo heeft de vader zelf de brief ook opgevat, want zijn reactie van 24 mei 2020 heeft de vader aan de rechtbank gericht. Maar zelfs in de situatie dat de jeugdprofessional wél de bedoeling had om de vader met deze brief te informeren over het voornemen om een verzoekschrift in te dienen voor een machtiging tot uithuisplaatsing, dan is deze enkele brief – naar het oordeel van het College – niet voldoende voor het voldoen aan de Richtlijn Uithuisplaatsing en artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Met betrekking tot dit oordeel overweegt het College tevens dat een uithuisplaatsing ernstig ingrijpt in het leven van de minderjarige en zijn ouders, met name wanneer er sprake is van complexe persoonlijkheidsproblematiek als die van de oudste zoon. Gezien deze problematiek stelt de jeugdprofessional ook zelf in zijn brief van 14 mei 2020 dat er meerdere contra-indicaties zijn voor een uithuisplaatsing. Verder is gebleken dat de moeder-zoon relatie ernstig is verstoord. [De instelling] heeft uitvoerig gemotiveerd in haar rapport van 27 november 2019 waarom zij geen mogelijkheden zien voor contactherstel. Ook de rechtbank heeft in de beschikking van 20 december 2019 geoordeeld dat de doelen voor contactherstel niet haalbaar zijn gezien de bevindingen van [de instelling], om welke reden de tweede schriftelijke aanwijzing als vervallen werd verklaard. In een situatie zoals deze mag van de jeugdprofessional worden verwacht dat hij alles in het werk stelt om de zorgen uitvoerig met de vader te bespreken, waarbij in gesprek met de vader alle argumenten pro en contra een uithuisplaatsing inzichtelijk worden afgewogen. Dit heeft de jeugdprofessional niet gedaan. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional met dit handelen ernstig is tekortgeschoten.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat hij in aanloop naar het besluit tot uithuisplaatsing onvoldoende de samenwerking met ketenpartners heeft gezocht.

Toelichting:
De vader vindt dat de jeugdprofessional onvoldoende informatie heeft opgehaald bij de andere hulpverleners die betrokken zijn bij de oudste zoon, voorafgaande aan de beslissing om een verzoekschrift in te dienen voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dit is met name van belang omdat de jeugdprofessional op dat moment al geruime tijd geen contact met de oudste zoon heeft gehad. In verband met een lopend Persoonsgebonden budget is bij de oudste zoon betrokken het Jeugd- en Gezinsteam [plaats 2] (hierna te noemen: het JGT). Het JGT heeft aangegeven dat de jeugdprofessional hen niet heeft bevraagd over de situatie. Voor dagbesteding gaat de zoon naar de Zorgboerderij en om die reden is dat een relevante ketenpartner bij wie informatie had moeten worden opgehaald. Echter, de Zorgboerderij is door de jeugdprofessional niet geconsulteerd over het voornemen voor een uithuisplaatsing. Tevens heeft de Zorgboerderij in hun verslag aangegeven dat een uithuisplaatsing hen niet in het belang van de oudste zoon voorkomt.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Volgens de jeugdprofessional gaat de vader eraan voorbij dat het verzoekschrift geen eenzijdig document is waarin enkel wordt aangegeven op grond waarvan tot uithuisplaatsing moet worden overgegaan. De jeugdprofessional benadrukt dat het geen besluit was van de jeugdprofessional zelf. De jeugdprofessional heeft zich uitgebreid en zorgvuldig laten voorlichten. Besluiten werden zorgvuldig voorbereid en multidisciplinair genomen in een kernbesluit, na advies van de gedragswetenschapper. Anders dan de vader stelt is er wel degelijk voldoende overleg gevoerd met relevante ketenpartners over een uithuisplaatsing en een mogelijke plek voor de oudste zoon, voor zover dat door de weigerachtige houding van de vader mogelijk was. De samenwerking van de jeugdprofessional met de ketenpartners was moeizaam of geforceerd omdat de vader eisen stelt, verbaal agressief is en dreigt met het indienen van klachten. De jeugdprofessional sluit niet uit dat de verschillende betrokkenen hierdoor in het belang van de oudste zoon wellicht te veel zijn meegegaan in de eisen en wensen van de vader. In dit kader betwist de jeugdprofessional wat de vader stelt over de Zorgboerderij en hij wenst hierover gescheiden te worden gehoord met een beroep op artikel 9.6 van het Tuchtreglement. Het JGT heeft geen rol in de besluitvorming omdat zij enkel bij de oudste zoon was betrokken in verband met de financiering van de Zorgboerderij, wat al voor de ondertoezichtstelling was geregeld. Verder kreeg het JGT geen toestemming van de vader om de oudste zoon op te nemen in [een online meldsysteem], een online meldsysteem waarin inzichtelijk wordt door wie het gezin wordt ondersteund. Het consult bij [de instelling 2] in februari 2020 heeft de jeugdprofessional niet doorgezet omdat de ouders hiervoor toestemming moesten geven, en de ervaring heeft geleerd dat de vader stelselmatig nergens mee akkoord gaat. Tevens heeft de jeugdprofessional contact gehad met de directeur van [de school], ondanks het feit dat de vader hem had verboden om met de jeugdprofessional te communiceren. Naast [de school] heeft de jeugdprofessional ook gesproken met [de instelling 3] en [de instelling] die een bijdrage hebben geleverd en in de besluitvorming zijn betrokken.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional in aanloop naar de besluitvorming tot uithuisplaatsing onvoldoende de samenwerking met ketenpartners heeft gezocht en acht het klachtonderdeel gegrond. Vanuit zijn eigen deskundigheid draagt de jeugdprofessional bij aan de ketenhulpverlening, zoals is vastgelegd in artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode. In dit artikel is bepaald dat de jeugdprofessional de grenzen van zijn eigen expertise erkent en bereid is zijn professionele oordelen ter discussie te stellen. Echter, dit is het College niet gebleken. De volgende overwegingen zijn hierbij van belang.
Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de vader onweersproken gesteld dat hij ongeveer drie- tot viermaal per jaar contact heeft met het JGT om te bespreken welke hulp of opvang voor de oudste zoon moet worden ingezet. Op basis hiervan mag verwacht worden dat het JGT een redelijk beeld heeft van wat de oudste zoon nodig heeft. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional toegelicht dat hij niet wist dat het JGT (financieel) nog steeds betroken was bij de oudste zoon en het College stelt vast dat de jeugdprofessional het JGT niet heeft geconsulteerd.
Uit de informatie van de Zorgboerderij begrijpt het College dat ook deze ketenpartner niet door de jeugdprofessional is betrokken in de besluitvorming. Dit acht het College met name kwalijk omdat de Zorgboerderij heeft verklaard dat zij een uithuisplaatsing niet in het belang van de oudste zoon wenselijk acht. De Zorgboerderij heeft zicht op het functioneren van de oudste zoon en kan de jeugdprofessional van informatie voorzien die belangrijk is om tot een goede afweging te komen. Uiteraard heeft de jeugdprofessional de mogelijkheid om na zorgvuldige afwegingen anders te besluiten, maar een dergelijke beslissing is niet begrijpelijk zonder nadere motivering. Anders dan de Zorgboerderij heeft verklaard, heeft de jeugdprofessional tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht gesteld dat hij de Zorgboerderij wél zou hebben gesproken op 23 maart 2020 maar dat dit nogal precair zou liggen. Volgens de jeugdprofessional regeert bij hen de angst, omdat de vader als bedreigend wordt ervaren. Dit was de reden voor het verzoek van de jeugdprofessional om gescheiden te worden gehoord, welk verzoek het College bij gebrek aan onderbouwing heeft gepasseerd. Van een professionele ketenpartner als de Zorgboerderij mag worden verwacht dat een (reële) vrees voor klachten geen aanleiding vormt om een verslag op te stellen met een inhoud waar zij niet achter staat. Het College ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de Zorgboerderij en gaat uit van de juistheid ervan.
Verder heeft de jeugdprofessional tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht geen opheldering gegeven over het overleg dat zou zijn gepleegd met [de school], [de instelling 3] en [de instelling]. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht is aan de orde gekomen dat het lastig is voor het College om de stellingen van de jeugdprofessional te beoordelen als hij deze stellingen niet nader onderbouwt. De jeugdprofessional heeft hierop geantwoord dat hij denkt dat er wel stukken in het dossier zitten die dit aantonen, en: “… verder is het een kwestie van vertrouwen en geloven. Als professional die al twintig jaar meeloopt heb ik dat wel zo gedaan”. Het College vindt het wel invoelbaar dat de samenwerking met de vader veel van de jeugdprofessional en de ketenpartners heeft gevergd. Echter, verwacht had mogen worden dat de visie van deze ketenpartners aantoonbaar is meegewogen in de beslissing. In het kernbesluit, dat is overgelegd als bijlage 16 bij het verweerschrift, is hiervan echter niets terug te vinden. Evenmin heeft het College in het dossier aanwijzingen gevonden die het vertrouwen rechtvaardigt, dat de jeugdprofessional voldoende de samenwerking met de ketenpartners heeft gezocht om een beslissing als deze te kunnen onderbouwen.
Vervolgens overweegt het College dat uit het dossier niet blijkt dat de beslissing is genomen op basis van multidisciplinair overleg, zoals de jeugdprofessional heeft gesteld. De jeugdprofessional heeft alleen een advies van de gedragswetenschapper overgelegd, maar hierin is het onderdeel ‘overwegingen’ gewit. Eveneens ontbreekt een datum. Hierdoor is niet duidelijk wanneer en op basis van welke overwegingen de gedragswetenschapper haar advies heeft gegeven. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional erkend dat het kernbesluit wel volledig had moeten zijn vanwege de dilemma’s die er speelden. Uiteindelijk zou het team volgens de jeugdprofessional hebben besloten om de kwestie aan de rechtbank voor te leggen om duidelijkheid te verschaffen, zodat de rechtbank in al haar wijsheid kan bepalen wat er moet gebeuren. Uit het advies van de gedragswetenschapper blijkt inderdaad dat de GI vanwege het dilemma nog geen duidelijk standpunt heeft ingenomen. Ondersteund werd de beslissing om de vraag voor te leggen aan de rechtbank óf een uithuisplaatsing in het belang van de oudste zoon is gerechtvaardigd. De jeugdprofessional heeft klaarblijkelijk gekozen om te vertrouwen op de wijsheid van de rechtbank, zoals hij tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft bevestigd. Echter, naar het oordeel van het College is het de taak en verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional om een gewogen standpunt in te nemen, en dit standpunt dan ter toetsing voor te leggen aan de rechtbank. Ten aanzien van het nemen van een dergelijk ingrijpende maatregel mag verwacht worden dat grote zorgvuldigheid wordt betracht. Juist vanwege het morele dilemma was het geboden om met iedereen rond de tafel te gaan zitten, opdat naast de ouders ook de ketenpartners nadrukkelijk waren betrokken in de afwegingen over wat in het belang van de oudste zoon nodig is. Pas dán kan er een gedragen standpunt worden ingenomen om aan de rechtbank voor te leggen ter toetsing. Immers, het is de GI die een standpunt inneemt en het is de rechtbank die toetst.
Ten slotte valt het College op dat de gedragswetenschapper een afweging heeft gemaakt tussen enerzijds de opvoedingsbehoeften van de oudste zoon en anderzijds de opvoedcapaciteiten van de vader. Dit is in lijn met de Richtlijn Uithuisplaatsing. Maar uit het verzoekschrift blijkt dat de jeugdprofessional het moreel niet verantwoord vindt dat de moeder hoogstwaarschijnlijk nooit meer contact met de oudste zoon zal hebben. Ook uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de jeugdprofessional een uithuisplaatsing als enige optie ziet omdat hij het verlies van contactherstel met de moeder ethisch niet acceptabel acht. Naar het oordeel van het College legt de jeugdprofessional hier zijn eigen morele maatstaf ten grondslag aan het verzoek, in plaats van het in de wet neergelegde criterium. Immers, een uithuisplaatsing moet noodzakelijk zijn in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid (artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek). Het College acht dit relevant omdat de samenwerking met ketenpartners meer is dan enkel het verzamelen van informatie. Juist omdat er een ‘moreel dilemma’ werd ervaren kan een samenwerking met betrokken professionals binnen de keten corrigerend werken waar mogelijk persoonlijke motieven in de afweging leidend dreigen te worden. Immers, van de jeugdprofessional mag worden verwacht dat hij zijn professionele oordelen ter discussie stelt. Ook in deze corrigerende werking ligt het belang van de ketensamenwerking zoals die in artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode tot uitdrukking is gebracht.
Alles overwegende is het College van oordeel dat de jeugdprofessional in zijn besluitvorming onvoldoende de samenwerking heeft gezocht met de ketenpartners en daardoor ernstig is tekortgeschoten.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.3 Conclusie

4.3.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot beide klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten. De jeugdprofessional heeft in de aanloop naar het bij de rechtbank indienen van een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing twee belangrijke stappen overgeslagen: het overleg met de vader en het overleg met de ketenpartners. Gezien de bijzondere kwetsbaarheid van de oudste zoon en het feit dat bij de vader sprake is [een autisme spectrum stoornis], had van de jeugdprofessional een grote mate van zorgvuldigheid mogen worden verwacht in de besluitvorming. In strijd met de Richtlijn Uithuisplaatsing heeft de jeugdprofessional de vader niet betrokken in de besluitvorming en de vader onvoldoende geïnformeerd. Hiermee heeft de jeugdprofessional ook gehandeld in strijd met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Verder heeft de jeugdprofessional geen overleg gepleegd met het JGT en de Zorgboerderij waar de minderjarige veelvuldig verblijft. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat in de aanloop naar de beslissing de visie van de overige ketenpartners is betrokken zoals [de school], [de instelling 3] en [de instelling]. Evenmin is gebleken dat de jeugdprofessional zijn professionele oordelen ter discussie heeft gesteld in een multidisciplinair overleg. Omdat de jeugdprofessional geen samenwerking heeft gezocht met de betrokken ketenpartners levert dit handelen een schending op van artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode.

4.3.2. Het College acht het passend en geboden aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional met zijn handelen een ernstige inbreuk heeft gemaakt op meerdere normen van de professionele standaard. De uithuisplaatsing is een ingrijpende beslissing in het gezinsleven van een minderjarige en zijn ouders, zeker wanneer er bij de minderjarige sprake is van complexe problematiek. In een situatie als deze mag van de jeugdprofessional worden verwacht dat alle relevante factoren zorgvuldig in de besluitvorming worden meegenomen. Die zorgvuldige afweging heeft het College niet gezien. Niet alleen zijn de vader en de betrokken ketenpartners buiten het proces van besluitvorming gehouden, evenmin is gebleken dat er een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden binnen het multidisciplinaire team. Op grond hiervan is het College van oordeel dat de jeugdprofessional zich te veel door eigen emoties heeft laten leiden. Deze indruk wordt bevestigd door het feit dat de jeugdprofessional aan het verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing zijn eigen morele maatstaf ten grondslag heeft gelegd in plaats van het in de wet neergelegde criterium. Het handelen van de jeugdprofessional is dan ook ernstig schadelijk geweest voor het vertrouwen van de vader in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Anders dan de jeugdprofessional ziet het College de moeizame samenwerking met de vader niet als verzachtende omstandigheid. Van een jeugdprofessional die werkzaam is binnen het gedwongen kader mag verwacht worden dat hij kan omgaan met een zekere mate van weerstand. In deze situatie waarin de jeugdprofessional ernstig de plank misslaat heeft het College een passende reflectie gemist.
Op grond van voorgaande overwegingen acht het College de maatregel van berisping passend. Het openbaar maken van de maatregel van berisping zou met zich meebrengen dat deze maatregel, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd. Nu de schade van het verwijtbare handelen beperkt is gebleven omdat de machtiging tot uithuisplaatsing niet is afgegeven, ziet het College aanleiding om hiervan af te zien. Aan de jeugdprofessional wordt dan ook de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1 en 2 gegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 29 april 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns
voorzitter

mevrouw mr. M.M. Haverkort
secretaris