Maak een selectie

442 van 442

   

Een jeugdbeschermer heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij in het bijzijn van derden, waaronder de grootvader van moederszijde waartegen de aangifte was gericht, mededelingen heeft gedaan over het studioverhoor van de dochter bij de zedenpolitie, zonder dat zij daartoe vooraf aan de vader toestemming had gevraagd en verkregen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 10 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. M.J.I. Assink, advocaat te Rijswijk.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 31 januari 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 26 maart 2020;
  • de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 4 mei 2020;
  • de aanvulling op het verweerschrift ontvangen op 20 mei 2020 en 28 mei 2020;
  • de door de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 juli 2020 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige dochter, geboren in 2008. De moeder van de dochter is op [datum] 2014 overleden. De vader en de moeder waren met elkaar gehuwd tot aan het overlijden van de moeder.

2.2 Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de vader en de dochter woont bij de vader.

2.3 De relatie tussen de vader en de familie van de overleden moeder is complex. Reeds lange tijd is sprake van een hoogoplopend conflict tussen hen.

2.4 De jeugdprofessional is in eerste instantie in het vrijwillig kader betrokken geweest bij de vader en de dochter. Bij beschikking van 7 maart 2019 heeft de kinderrechter de dochter voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. In voornoemde beschikking is, onder meer, het volgende opgenomen: “[De dochter] zit klem tussen haar vader en de familie van haar moeder en bevindt zich daardoor in een loyaliteitsconflict.” Sinds de ondertoezichtstelling is de jeugdprofessional namens de GI belast met de uitvoering daarvan.

2.5 Op 3 december 2018 heeft de vader aangifte gedaan van een zedendelict tegen de grootvader van moederszijde. Aan die aangifte legt de vader ten grondslag dat de dochter hem verteld heeft dat zij bij de grootvader in bed heeft geslapen en dat de grootvader haar heeft betast.

2.6 Op 3 juli 2019 heeft de jeugdprofessional een brief aan de kinderrechter gestuurd waarin zij, onder meer, het volgende schrijft: “Voor nu ziet de jeugdbeschermer geen contra-indicaties voor begeleide bezoeken. Begeleide bezoeken kunnen belasting voor [de dochter] met zich meebrengen, maar in deze huidige situatie is zij ook belast.”

2.7 In een tweetal beschikkingen van 8 augustus 2019 heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld tussen de dochter en de grootouders en tante van moederszijde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de omgang drie keer onder begeleiding van de GI zal plaatsvinden en dat er binnen twee weken na afloop van de begeleide omgang, onbegeleide omgang zal zijn.

2.8 Op 6 september 2019 heeft de vader het gerechtshof bij incident verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van de onder 2.7 genoemde beschikkingen per direct te schorsen en te bepalen dat de omgangsregeling onder begeleiding zal blijven plaatsvinden, in afwachting van een beslissing in de hoofdzaak. Op 17 september 2019 is de vader in hoger beroep gekomen van de onder 2.7 genoemde beschikkingen. Op 15 oktober 2019 heeft de jeugdprofessional namens de GI bij het gerechtshof een verweerschrift ingediend. Bij beschikking van 6 november 2019 heeft het gerechtshof de verzoeken van de vader in het incident afgewezen. Het gerechtshof overweegt dat onbegeleide omgang aangewezen en in het belang van de dochter is.

2.9 Op 8 november 2019 heeft de jeugdprofessional de vader per e-mail het volgende bericht over de eerste onbegeleide omgang van de dochter met de familie van moederszijde: “[De dochter] is niet alleen met grootvader mz.”

2.10 Op 19 november 2019 is de dochter in een studioverhoor gehoord door de zedenpolitie.

2.11 Op 20 november 2019 heeft de jeugdprofessional tijdens een gepland netwerkoverleg mededelingen gedaan over het studioverhoor van de dochter. Bij dit netwerkoverleg waren de jeugdprofessional, de vader en de grootouders en tante van moederszijde aanwezig. Na afloop van het netwerkoverleg heeft de jeugdprofessional de betrokkenen per e-mail een gespreksverslag toegestuurd. Daarin is, onder meer, het volgende opgenomen:

“Studioverhoor
Op 19 november heeft het studioverhoor met [de dochter] plaatsgevonden. De politie heeft geen dingen gehoord die strafbaar zijn. Hoe [de dochter] erbij zat en hoe zij sprak kregen zij het beeld dat zij de waarheid sprak. Ze koppelen dit terug aan de officier van justitie. We moeten afwachten wat hier nog uit voortkomt.”

2.12 Op 28 november 2019 en 19 december 2019 hebben bemiddelingsgesprekken plaatsgevonden tussen de vader, de jeugdprofessional en haar teammanager. Tijdens deze gesprekken heeft de vader de GI verzocht een andere jeugdbeschermer toe te wijzen. De GI heeft dit verzoek deels gehonoreerd. Naar aanleiding van het bemiddelingsgesprek van 19 december 2019 is een tweede jeugdbeschermer aan de zaak toegevoegd. De jeugdprofessional zou de gesprekken met de dochter blijven voeren en haar collega fungeerde als gesprekspartner voor de volwassenen en sparringpartner van de jeugdprofessional. Deze constructie zou in januari 2020 worden geëvalueerd.

2.13 Op 9 januari 2020 heeft de teammanager van de jeugdprofessional de vader per e-mail bericht dat de jeugdprofessional van de zaak is gehaald en vanaf die datum niet meer bij de casus betrokken zal zijn.

2.14 op 21 januari 2020 heeft naar aanleiding van een klacht van de vader een gesprek plaatsgevonden tussen de teammanager van de jeugdprofessional en een medewerker van de politie. In het door de teammanager van de jeugdprofessional opgestelde gespreksverslag is, onder meer, het volgende opgenomen:

“Volgens de politie was het wellicht niet handig om überhaupt iets te zeggen over het verhoor, maar heeft en zal de mededeling geen invloed hebben op het resultaat van het onderzoek of de voortgang hiervan.”

2.15 In een e-mail van 15 mei 2020 heeft de leidinggevende van de betrokken medewerker van de politie de jeugdprofessional, onder meer, als volgt bericht:

“U bent zelf vanuit uw werk betrokken geweest bij deze casus. Na de bevindingen van de politie maar voor het definitieve besluit van de officier, heeft u kennelijk aan de opa kenbaar gemaakt dat er van geen strafbaar feit is gebleken. Dit is voorbarig geweest maar het heeft op geen enkele wijze invloed gehad op de procedure of de besluitvorm in deze zaak bij de politie of justitie.”

2.16 De jeugdprofessional is van [datum] 2016 tot en met [datum] 2018 als pedagoog geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft de privacy van de dochter geschonden.

Toelichting:

Op 20 november 2019 heeft de jeugdprofessional aan de verdachte (de grootvader van moederszijde) in de dan nog lopende zedenzaak de kern van de verklaringen van de dochter medegedeeld. Dit volgt volgens de vader uit het verslag van het netwerkoverleg van 19 november 2019 en het verslag van het bemiddelingsgesprek van 19 december 2019. Daarin bevestigt de jeugdprofessional dat zij deze informatie heeft gedeeld met de verdachte. Het betreft informatie die de jeugdprofessional telefonisch heeft ontvangen van de zedenpolitie. De jeugdprofessional concludeert uit die informatie dat er geen strafbare feiten zijn gepleegd en deelt dit ook mede aan de verdachte. Volgens de vader heeft de jeugdprofessional onbevoegd en onjuist gehandeld. Een wettelijke grondslag ontbreekt. Het is niet aan de jeugdprofessional om in het kader van een lopende strafzaak de verklaringen van de dochter kenbaar te maken aan de verdachte. De kwalificatie of sprake is van een strafbaar feit in de zedenzaak is voorbehouden aan de officier van justitie.
Evenmin is volgens de vader gebleken van een noodzaak om de verklaringen van de dochter te delen met de verdachte. De schade aan de lopende strafzaak is groot nu de verdachte op de hoogte is van de verklaring van het slachtoffer en zo zijn verklaring kan aanpassen. Bovendien zijn de handelingen van de jeugdprofessional in strijd met het uitgangspunt dat uitgaat van de bescherming van de privacy van het slachtoffer ten opzichte van de verdachte en de openbaarheid. Deze handelswijze van de jeugdprofessional is dan ook in strijd met het belang van het kind. Tevens kwalificeert het handelen van de jeugdprofessional volgens de vader als een onrechtmatige daad in zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional voert aan dat zij op 19 november 2019 aan het einde van haar werkdag gebeld werd door een medewerker van de politie. Daarbij is aan de jeugdprofessional medegedeeld dat de politie van mening was dat de dochter de waarheid heeft gesproken en dat zij niet het idee hadden dat in dit gesprek iets gezegd is wat strafbaar zou zijn. De politie heeft daarbij niet aangegeven dat deze informatie vertrouwelijk moest worden behandeld en niet bekend mocht worden gemaakt. De jeugdprofessional heeft tijdens het geplande netwerkoverleg op 20 november 2019 voorgaande mededeling van de politie herhaald. Zij heeft daarbij wel een mededeling gedaan, maar niet de kern van de verklaring van de dochter medegedeeld en geen eigen conclusies getrokken ten aanzien van de strafbaarheid. De jeugdprofessional heeft verder aangegeven dat de politie het zal terugkoppelen aan het Openbaar Ministerie en iedereen moet afwachten wat hieruit voortkomt. Van privacy schending is geen sprake.
Uit het verslag van het bemiddelingsgesprek op 28 november 2019 volgt dat de teammanager van de jeugdprofessional in dit gesprek heeft aangegeven dat de jeugdprofessional zich ervan bewust is geworden dat zij helemaal niets had moeten zeggen over wat de politie haar medegedeeld heeft. De teammanager wijst er op dat dit een leermoment is geweest voor de jeugdprofessional. In het bemiddelingsgesprek met de vader op 19 december 2019 heeft de jeugdprofessional er melding van gemaakt dat zij over het delen van de informatie contact heeft gezocht met de politie en daarbij uit zichzelf openheid hierover richting de politie heeft gegeven. In het gesprek met de politie op 21 januari 2020 is door de politie ontkracht dat de schade aan de lopende strafzaak groot zou zijn. De politie geeft aan dat het geen invloed heeft gehad.
De jeugdprofessional acht het van belang dat de informatie door en op instigatie van de politie met de jeugdprofessional is gedeeld. De politie deelde deze informatie volgens de jeugdprofessional omdat zij het van belang vonden dat de jeugdprofessional deze informatie kende en dit mogelijk in de uitvoering van de ondertoezichtstelling kon meenemen. Daarnaast acht de jeugdprofessional het van belang dat zij de mededeling heeft gedaan in het netwerkoverleg, waarbij familie aanwezig was en geen (al dan niet professionele) derden. Dit netwerk zou – weliswaar niet op dat moment – maar wel op enig later moment van de uitkomsten van dit verhoor op de hoogte zijn gebracht of gekomen. Dat de mededeling in het bijzijn van de grootvader is gedaan, is wellicht niet handig te noemen. De jeugdprofessional meende echter dat het doorgeven van de informatie van de politie in het kader van de doelen van de ondertoezichtstelling op dat moment noodzakelijk was om met de direct betrokkenen uit te wisselen. Op die manier kon de belemmering in het contact worden weggenomen, zodat de weg vrijkwam om in het belang van de dochter te werken aan herstel van de onderlinge verhoudingen; één van de doelen van de ondertoezichtstelling. De door de politie verstrekte informatie was daarnaast in lijn met eerdere verklaringen van de dochter. De dochter heeft meerdere malen tegen de jeugdprofessional verklaard dat zij nooit op een onzedelijke manier is betast door haar grootvader en de jeugdprofessional heeft uit eigen observatie geen aanwijzingen dat er bijzonderheden zijn in het onderlinge contact.
De jeugdprofessional heeft nooit de bedoeling gehad het politieonderzoek te verstoren. Zij heeft het belang van de dochter voorop gesteld. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat zij op één moment in een complexe situatie onhandig heeft gehandeld en zij erkent dit ook. De jeugdprofessional heeft gereflecteerd op haar handelen, heeft lering hieruit getrokken en heeft de consequenties van haar handelen aanvaard. Het is voor de jeugdprofessional de eerste keer dat zij wordt geconfronteerd met een dergelijke klacht en zij heeft zich het haar gemaakte verwijt sterk aangetrokken. De jeugdprofessional komt tot de conclusie dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, dan wel dat bij (gedeeltelijk) gegrondverklaring oplegging van een maatregel achterwege moet blijven.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

Voor het College staat vast dat de jeugdprofessional in het netwerkoverleg van 20 november 2019 mededelingen heeft gedaan over het studioverhoor van de dochter. Dat de jeugdprofessional, zoals de vader stelt, mededelingen heeft gedaan over de inhoud van de verklaringen van de dochter en eigen conclusies heeft getrokken ten aanzien van de strafbaarheid van de grootvader, kan het College op basis van de stukken niet vaststellen. Verder staat vast dat bij het netwerkoverleg derden aanwezig waren, namelijk de grootouders en de tante van moederszijde. Op grond van artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna: de Beroepscode) dient een jeugdprofessional informatie over de jeugdige cliënt, diens ouders en/of opvoeders en hun omstandigheden vertrouwelijk te behandelen. Hieruit vloeit voort dat de jeugdprofessional in beginsel toestemming moet vragen aan de jeugdige cliënt, en afhankelijk van zijn of haar leeftijd diens wettelijke vertegenwoordiger(s), indien de jeugdprofessional meent dat het noodzakelijk is om vertrouwelijke informatie met derden uit te wisselen. Deze regeling is nader uitgewerkt in artikel 7.3.11 lid 1 van de Jeugdwet en artikel 15 leden 1 en 2 van het Privacyreglement gecertificeerde instelling (hierna: het Privacyreglement). Uit artikel 15 lid 2 van Privacyreglement volgt onder meer dat de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger vereist is, indien de cliënt jonger is dan twaalf jaar. Gelet hierop had de jeugdprofessional toestemming aan de vader moeten vragen voor het delen van de informatie. Nu die toestemming niet gevraagd en verkregen is, heeft de jeugdprofessional in strijd gehandeld met artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode, artikel 7.3.11 lid 1 van de Jeugdwet en artikel 15 leden 1 en 2 van het Privacyreglement.
Het College acht het voorstelbaar dat het bij de vader tot zorgen heeft geleid dat de jeugdprofessional de informatie over het studioverhoor in het netwerkoverleg heeft gedeeld, temeer nu de grootvader waartegen de aangifte van de vader was gericht daarbij aanwezig was. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat zij met het delen van de informatie hoopte de obstakels tussen de vader en de familie van moederszijde weg te nemen, zodat zij meer zouden samenwerken en er voor de dochter meer rust en duidelijkheid zou komen. Hoewel het College inziet dat de jeugdprofessional het belang van de dochter voor ogen had, had zij naar het oordeel van het College het vertrouwelijke karakter van de informatie moeten begrijpen en hier terughoudend mee moeten omgaan. Zij had moeten inzien dat haar mededelingen in het licht van het lopende politieonderzoek voorbarig waren. Het had volgens het College op haar weg gelegen om de zedenpolitie te berichten dat zij het aan de zedenpolitie zou laten om (te zijner tijd) de resultaten van het politieonderzoek met betrokkenen te bespreken. Daarbij had zij ook op andere manieren kunnen proberen om meer duidelijkheid voor de dochter te bewerkstelligen, bijvoorbeeld door de zedenpolitie te verzoeken het onderzoek, in het belang van de dochter,  spoedig af te ronden.

4.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Er is sprake van machtsmisbruik door de jeugdprofessional.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft de dochter voorafgaand aan het studioverhoor op 19 november 2019 beïnvloed, door aan te geven dat wanneer de dochter bepaalde dingen zou verklaren aan de zedenpolitie (zoals dat de grootvader haar borsten en billen heeft aangeraakt) er geen contact meer zal zijn met de familie van de moeder. De dochter wil juist graag in contact blijven met de familie van de moeder en is door deze uitlatingen van de jeugdprofessional ernstig beïnvloed. Dit heeft zij ook geuit richting de vader. De jeugdprofessional is deze gesprekken soms ook zelf aangegaan met de dochter.
Daarnaast stelde de jeugdprofessional in haar verweer in de kort geding procedure bij het gerechtshof van 15 oktober 2019 dat het allerminst zeker was dat het studioverhoor ging plaatsvinden, terwijl alle betrokkenen (de vader, de jeugdprofessional en de zedenpolitie) al wisten dat dat ging gebeuren.
Verder voert de vader aan dat de jeugdprofessional in beroep bij de rechtbank (de verzoeken tot omgangsregeling met de familie van de moeder) de lopende zedenzaak niet heeft betrokken in haar advies. De jeugdprofessional heeft er alles aan gedaan om de zedenzaak te bagatelliseren, dan wel te saboteren.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional ontkent met klem dat zij de dochter heeft beïnvloed of willen beïnvloeden ten aanzien van de inhoud van haar verklaring tegenover de politie, dan wel de consequentie daarvan. Zij heeft de dochter nooit meegedeeld dat zij bij bepaalde verklaringen geen contact meer zou krijgen met haar familie. Vanaf de aanvang van het contact tussen de jeugdprofessional en de dochter benoemt de dochter zelf in gesprekken haar angst om de familie van de moeder niet meer te mogen zien. Hierover is onderling gesproken en dit behoort ook tot de taken van de jeugdprofessional.
Het argument van de vader dat de dochter hem verteld heeft dat zij door de jeugdprofessional is beïnvloed, is onvoldoende om deze verstrekkende stelling te kunnen rechtvaardigen. Zowel uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming als de beschikking van de kinderrechter volgt dat de dochter klem zit tussen haar vader en de familie van haar moeder, waardoor zij zich in een loyaliteitsconflict bevindt. Niet valt uit te sluiten (maar ook valt niet met zekerheid te zeggen) dat de angst van de dochter om het contact met de familie van de moeder te verliezen zo groot is dat ze hier een eigen invulling aan heeft gegeven. Evenzeer valt niet uit te sluiten dat de dochter in het licht van dit loyaliteitsconflict op een bepaalde wijze informatie met de vader heeft gedeeld.
Anders dan de vader aangeeft, is in de gesprekken tussen de jeugdprofessional en de dochter niet gesproken over het studioverhoor.
Het is volgens de jeugdprofessional een gegeven dat de dochter – voor zover dat overigens van een kind van haar leeftijd kan worden verwacht – niet consequent heeft verklaard omtrent haar grootvader. In de richting van de jeugdprofessional heeft de dochter meerdere malen aangegeven dat zij nooit op een onzedelijke manier betast is door haar grootvader. De dochter heeft daarbij ook aangegeven dat zij het de jeugdprofessional zou vertellen als er wel iets gebeurd zou zijn. Tijdens de begeleide contacten heeft de jeugdprofessional geen bijzonderheden gezien in het contact tussen de dochter en haar grootvader. De dochter oogde ontspannen in zijn bijzijn. De jeugdprofessional voert aan dat dit niet betekent dat door de jeugdprofessional geen rekening is gehouden met het vermeende misbruik. Zo adviseerde de jeugdprofessional bijvoorbeeld in haar brief van 3 juli 2019 aan de rechtbank om de bezoeken begeleid te laten plaatsvinden en in haar e-mail van 8 november 2019 aan de vader meldt zij dat de dochter niet alleen zal zijn met haar grootvader. De jeugdprofessional ontkent dan ook met klem dat zij de zedenzaak gebagatelliseerd of gesaboteerd heeft. Dergelijk zware beschuldigingen vragen volgens de jeugdprofessional om een gedegen onderbouwing en die ontbreekt.
Verder voert de jeugdprofessional aan dat het onjuist is dat dat de jeugdprofessional in het hoger beroep bij het gerechtshof de lopende zedenzaak niet heeft betrokken in haar advies. Dit aspect speelde zowel in de procedures in eerste aanleg als in hoger beroep een rol. De vader wijst er verder op dat de jeugdprofessional in het verweer in de kort geding procedure bij het gerechtshof nog stelde dat het allerminst zeker was dat het studioverhoor ging plaatsvinden, terwijl de vader en de zedenpolitie al wisten dat dit ging gebeuren. Dat de vader hiervan kennelijk op de hoogte was, maakt nog niet dat de jeugdprofessional hiervan op de hoogte was. In dit kader is het volgens de jeugdprofessional van belang op te merken dat de vader in de zomer van het voorval op de hoogte zou zijn gebracht en dat de aangifte van de vader dateert van 3 december 2018. Daarna heeft het politieonderzoek langere tijd stilgelegen, waarbij het (voor de jeugdprofessional in elk geval) niet duidelijk was of een verhoor zou plaatsvinden. De jeugdprofessional heeft hierover niets medegedeeld en heeft in het verweer niet meer gemeld dan wat zij op dat moment wist.
Daarbij heeft de jeugdprofessional de zorgen van de vader niet ontkend. Zij heeft de risico’s onderkend en meegenomen in de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het gestelde misbruik is serieus genomen en er is rekening mee gehouden. Daarmee is het verwijt dat sprake zou zijn van sabotage en bagatelliseren volgens de jeugdprofessional misplaatst. De jeugdprofessional is zich zeer bewust geweest van de kwetsbare positie van de dochter en heeft haar positie niet misbruikt. De jeugdprofessional heeft de dochter serieus genomen en gesteund in haar wens tot contact met de familie van haar moeder. Daarbij stond haar veiligheid voorop.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:

Voor zover de jeugdprofessional in dit klachtonderdeel wordt verweten dat zij de dochter voorafgaand aan het studioverhoor van 19 november 2019 beïnvloed heeft, stelt het College vast dat partijen elkaar op dit punt tegenspreken. Nu de vader ter onderbouwing van zijn klacht geen stukken heeft overgelegd en aan het woord van de één niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander, kan het College niet de feiten vaststellen die ten grondslag liggen aan het verwijt. Dit onderdeel van de klacht kan dan ook niet gegrond worden bevonden.
Tevens heeft de vader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de jeugdprofessional ten tijde van het indienen van het verweerschrift van 15 oktober 2019 bij het gerechtshof wist dat de dochter op 19 december 2019 verhoord zou worden door de zedenpolitie. Ook dit onderdeel van de klacht kan derhalve niet slagen.
Daarnaast biedt het dossier geen aanknopingspunten om te oordelen dat de jeugdprofessional de zedenzaak heeft gebagatelliseerd. Het College maakt juist uit de stukken op dat de jeugdprofessional de aangifte van de vader heeft meegenomen bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zo heeft zij de rechtbank bij brief van 3 juli 2019 geadviseerd de omgang met de grootouders begeleid te laten plaatsvinden. Ook in het door haar namens de GI ingediende verweerschrift van 15 oktober 2019 bij het gerechtshof leest het College dat de jeugdprofessional aandacht heeft besteed aan de aangifte van de vader. Hierin heeft zij naar het oordeel van het College zorgvuldig gemotiveerd waarom er naar haar mening geen aanwijzingen zijn dat de dochter door de grootvader misbruikt is. Tevens schrijft zij: “Als er aanwijzingen zijn, dan wil [de GI] die serieus nemen, maar op dit moment zijn die er niet. Om elk risico uit te sluiten is [de GI] van mening om tijdens de onbegeleide contacten de afspraak te maken dat [de dochter] niet alleen met grootvader mz is.” Vervolgens heeft de jeugdprofessional de vader op 8 november 2019 bericht dat de dochter tijdens het eerstvolgende onbegeleide bezoek niet alleen zal zijn met de grootvader. In het licht van de (destijds) bestaande verdenkingen, acht het College het zorgvuldig dat de jeugdprofessional een veiligheidsafspraak heeft gemaakt ten aanzien van de onbegeleide omgangsmomenten met de grootouders. Het College oordeelt dan ook dat de jeugdprofessional in dit kader zorgvuldig heeft gehandeld en geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.3 Conclusie

4.3.1 Op grond van het vorengaande komt het College tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 1 tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De jeugdprofessional heeft tijdens het netwerkoverleg van 20 november 2019, in het bijzijn van derden, mededelingen gedaan over het studioverhoor van de dochter, zonder dat zij daartoe vooraf aan de vader toestemming had gevraagd en verkregen. De jeugdprofessional heeft daarmee in strijd gehandeld artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode, artikel 7.3.11 lid 1 van de Jeugdwet en artikel 15 leden 1 en 2 van het Privacyreglement.

4.3.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid houdt het College er rekening mee dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de dochter voorop heeft willen stellen. De jeugdprofessional werkte daarnaast in een complexe situatie en haar handelen heeft geen direct ernstige gevolgen gehad. Bovendien heeft zij gereflecteerd op haar handelen en verantwoording voor haar handelen afgelegd. Zij is het gesprek aangegaan met de vader en heeft de zaak besproken met haar leidinggevende en de politie. Daarnaast heeft zij desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat zij in het vervolg bij een soortgelijke situatie anders zal handelen. Het College gaat er dan ook van uit dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit deze casus en dat het een eenmalige misslag betreft. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 24 augustus 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                          mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                         secretaris