Maak een selectie

727 van 727

   

Een jeugdbeschermer heeft nagelaten open te communiceren met de pleegouders in aanloop naar de uithuisplaatsing van de pleegkinderen. Na de uithuisplaatsing heeft de jeugdbeschermer de professionele relatie onvoldoende zorgvuldig beëindigd en de pleegouders niet betrokken bij het vaststellen van een omgangsregeling met de pleegzoon.

Klagers zijn [de pleegmoeder] en [de pleegvader], hierna respectievelijk te noemen: de pleegmoeder en de pleegvader, gezamenlijk te noemen: de pleegouders. De gemachtigde van de pleegouders is [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

Beklaagde is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, voorheen werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], hierna te noemen: de GI. Vanaf [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd.

De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op vrijdag 28 januari 2022 in aanwezigheid van de pleegouders, hun gemachtigde en de jeugdprofessional.

Het College gaat uit van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 16 augustus 2021;
  • het verweerschrift ontvangen op 8 oktober 2021;
  • de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 28 december 2021;
  • wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht en de in dit kader overgelegde pleitnota van de pleegouders.

1     De feiten

1.1 De pleegouders vormden samen met drie pleegkinderen een (pleeg)gezin. De oudste pleegdochter (geboren in 2005) en de jongste pleegdochter (geboren in 2008) woonden vanaf augustus 2008 bij de pleegouders. De pleegzoon (geboren in 2009) vanaf april 2010.

1.2 Sinds april 2011 is de GI belast met de voogdij over de pleegdochters en sinds april 2013 over de pleegzoon.

1.3 Op 13 juli 2020 zijn de pleegkinderen uit huis geplaatst.

1.4 De jeugdprofessional was vanaf 6 mei 2020 tot en met 31 december 2020 belast met de uitvoering van de voogdij over de pleegkinderen. Vanaf juni 2020 was ook een tweede jeugdbeschermer betrokken.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit tien klachtonderdelen. Deze worden hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld. Het College bespreekt en beoordeelt de volgende klachtonderdelen gezamenlijk vanwege de nauwe samenhang:

  • klachtonderdeel 1 en 2;
  • klachtonderdeel 3 en 4;
  • klachtonderdeel 5, 6 en 8.

3.1 Klachtonderdelen 1 en 2

3.1.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional dat zij niet met hen als opvoeders heeft overlegd over de hulpverlening (klachtonderdeel 1) en dat zij voorafgaand aan de uithuisplaatsing niet met hen heeft gepraat over de zorgen die zij had die hebben geleid tot de uithuisplaatsing (klachtonderdeel 2). De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1.2 Het College leest in de klachtonderdelen het overkoepelende verwijt dat de communicatie van de jeugdprofessional onvoldoende was richting de pleegouders over de hulpverlening en het proces rond de totstandkoming van het besluit om de pleegkinderen uit huis te plaatsen.
Het is het College gebleken dat de voorganger van de jeugdprofessional en de betrokken pleegzorgwerker in maart 2020 een Veiligheidsplan hebben opgesteld. Hierin waren onder andere omschreven de zorgen over het pleeggezin, de ingezette of in te zetten hulpverlening en de gemaakte afspraken. Daarnaast stonden in het Veiligheidsplan de gevolgen opgenomen voor als de afspraken niet werden nageleefd: “Als betrokkenen zich niet aan de afspraken houden of de situatie escaleert wederom, zal een vorm van spoedhulp worden ingezet (Spoedhulp, [intensieve crisishulp])”. Ook stond hierin opgenomen dat: “Wanneer de situatie niet verbeterd en de situatie blijft gepaard gaan met onveilige situaties, o.a. veroorzaakt door het huiselijk geweld, zal de veiligheid van de kinderen onvoldoende gewaarborgd kunnen worden en staat de plaatsing van (één van de) kinderen op het spel.”. Op 30 april 2020 is ambulante spoedhulp ([intensieve crisishulp]) ingezet. Op 6 mei 2020 is de jeugdprofessional betrokken geraakt en bij de tussentijdse evaluatie van de spoedhulp op 14 mei 2020 was de jeugdprofessional aanwezig. Het traject van [intensieve crisishulp] is op 28 mei 2020 afgesloten en het advies was onder meer om intensieve ambulante gezinsbegeleiding gericht op pleeggezinnen in te zetten. Deze hulp kwam niet (op tijd) op gang. Naar aanleiding van de gezinssituatie die niet verbeterde heeft de jeugdprofessional, samen met haar collega, in de maanden juni en juli 2020 overleg gevoerd met de gedragswetenschapper van de GI, de pleegzorgwerker en de gedragswetenschapper van de pleegzorgorganisatie. Zij zijn gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat een uithuisplaatsing noodzakelijk was. De veiligheid van de individuele gezinsleden kon niet – ook niet na een maand intensieve begeleiding – worden gegarandeerd. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd verklaard dat de pleegouders niet zijn meegenomen in het proces rond de totstandkoming van het besluit om de pleegkinderen uit huis te plaatsen.
Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In de ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ (hierna te noemen: de richtlijn Pleegzorg) (pagina 41 e.v.) wordt benadrukt dat stabiliteit en continuïteit van pleegzorgplaatsingen essentieel zijn voor de ontwikkeling van pleegkinderen. In het hele pleegzorgproces zou dan ook moeten worden ingezet op het voorkomen van verplaatsingen van pleegkinderen. In het verlengde hiervan benadrukt de richtlijn Pleegzorg dat het van groot belang is dat ouders, pleegkinderen (vanaf twaalf jaar), pleegouders, belangrijke personen uit het netwerk en de professionals om hen heen goed samenwerken om de stabiliteit voor het pleegkind te bevorderen, onder andere, door regelmatig bijeen te komen. Open communicatie wordt genoemd als voorwaarde voor de samenwerking: transparant zijn, naar elkaar luisteren, overleggen over beslissingen en elkaar informeren (bijvoorbeeld in mailcontact). Het College is van oordeel dat over de hulpverlening en het proces rondom de totstandkoming van het besluit om de pleegkinderen uit huis te plaatsen, onvoldoende sprake is geweest van open communicatie met de pleegouders door de jeugdprofessional. Weliswaar waren de zorgen, de hulpverlening en de mogelijke consequentie (uithuisplaatsing) opgenomen in het Veiligheidsplan dat is opgesteld door de voorganger van de jeugdprofessional en de betrokken pleegzorgwerker (ook in overleg met de pleegouders). Het is het College echter niet gebleken dat de jeugdprofessional hierover zelf in gesprek is gegaan met de pleegouders in aanloop naar de totstandkoming van het besluit om alle drie de kinderen uit huis te plaatsen. Desgevraagd heeft de jeugdprofessional tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat dit besluit in een korte periode tot stand is gekomen ook met het oog op de naderende zomervakantie. Het College ziet in dat structurele onveiligheid acuter wordt naarmate het langer voortduurt, maar het is voor het College onvoldoende aannemelijk geworden dat er sprake was van een dermate acute en (levens)bedreigende situatie dat er geen ruimte (meer) was om het gesprek met de pleegouders aan te gaan en de zorgen te bespreken alvorens te besluiten de kinderen uit huis te plaatsen. Het had naar het oordeel van het College op de weg van de jeugdprofessional gelegen om het gesprek hieromtrent met de pleegouders aan te gaan om een breakdown te voorkomen. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional door na te laten open te communiceren met de pleegouders onvoldoende de samenwerking opgezocht met de sociale omgeving van de pleegkinderen en hiermee gehandeld in strijd met artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode. Door op deze wijze te handelen heeft zij ook nagelaten de voor een goede professionele relatie relevante informatie te verschaffen, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met artikel F (Informatievoorzieningen over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Tot slot acht het College artikel E (Respect) van de Beroepscode geschonden, omdat het bovengenoemde handelen van de jeugdprofessional van weinig respect naar de pleegouders toe getuigt.

3.1.3 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond zijn.

3.2 Klachtonderdelen 3 en 4

3.2.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional dat zij geen goede redenen had voor de uithuisplaatsing (klachtonderdeel 3) en dat zij bij de uithuisplaatsing in strijd heeft gehandeld met de regels (klachtonderdeel 4). De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.2 Het College merkt allereerst op dat voor zover de pleegouders hebben bedoeld dat de beslissing om de pleegkinderen uit huis te plaatsen onjuist was, namelijk naar hun mening niet gebaseerd op goede redenen, het niet aan de tuchtcolleges van SKJ is om in de beoordeling van dergelijke kernbeslissingen te treden. Het College kan echter wel beoordelen, en leest dit ook in de klachtonderdelen, of de jeugdprofessional zorgvuldig heeft gehandeld rondom de uithuisplaatsing. In dit kader neemt het College in overweging dat de jeugdprofessional intern regelmatig overleg heeft gehad. Uit de inhoud van het dossier maakt het College op dat zij meermaals overleg heeft gevoerd met de gedragswetenschapper van de GI, de pleegzorgwerker en diens gedragswetenschapper. Ook is de casus besproken tijdens één of meerdere casuïstiekbesprekingen. Naar het oordeel van het College had de jeugdprofessional de pleegouders echter ook dienen te betrekken. Het College benadrukt (nogmaals) het belang van open communicatie voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen en verwijst hiervoor naar het op dit punt reeds gegeven oordeel onder 3.1.2 van deze beslissing.
Alles overziend is het College van oordeel dat de jeugdprofessional onder de gegeven omstandigheden met haar handelen rondom de uithuisplaatsing binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven door intern overleg te voeren en gezamenlijk te besluiten op welke manier uitvoering gegeven moest worden aan de uithuisplaatsing, maar dat haar handelen op punten beter had gekund. In het bijzonder met betrekking tot de samenwerking met de pleegouders en de overeenstemming om vorm te geven aan de feitelijke uithuisplaatsing. Zo hebben de pleegouders tijdens het gesprek van 13 juli 2020 ingestemd met de uithuisplaatsing van de pleegkinderen, maar het is het College niet gebleken dat met de pleegouders expliciet het blokkaderecht is besproken. Tevens had beter de samenwerking gezocht kunnen (en moeten) worden met de pleegouders over het vormgeven van de wijze van de uithuisplaatsing, hetgeen ook nog had gekund tijdens het gesprek op 13 juli 2020.

3.2.3 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen 3 en 4 ongegrond zijn.

3.3 Klachtonderdelen 5, 6 en 8

3.3.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional dat zij na de uithuisplaatsing niet met hen wilde praten (klachtonderdeel 5), niet meer met hen heeft samengewerkt (klachtonderdeel 6) en niet bereid was tot nazorg (klachtonderdeel 8). De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.2 Het is het College gebleken uit de overgelegde stukken en tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht dat de pleegouders na de uithuisplaatsing van de pleegkinderen meermaals aan de jeugdprofessional hebben gevraagd om met hen in gesprek te gaan. In een e-mail van 26 oktober 2020 aan de pleegouders schrijft de jeugdprofessional vanuit de GI geen meerwaarde te zien voor een gesprek. Voor nazorg verwijst de jeugdprofessional de pleegouders meermaals naar de pleegzorgorganisatie. Zo staat in een e-mail van de jeugdprofessional van 24 november 2020 aan de pleegouders: “In mijn eerdere mails heb ik jullie ook verwezen naar pleegzorg als het gaat om nazorg als het gaat om vragen ten aanzien van jullie uitgevoerd pleegouderschap. Bij deze[n] doe ik dat opnieuw.”. Ook in haar verweerschrift heeft de jeugdprofessional aangegeven dat de nazorg is belegd bij de pleegzorgorganisatie en dat het contact tussen de GI en de pleegouders bij een uithuisplaatsing stopt. Op 18 december 2020 heeft uiteindelijk een gesprek plaatsgevonden tussen de pleegouders en de jeugdprofessional, de gebiedsmanager en de betrokken pleegzorgwerker.
Gelet op het vorenstaande overweegt het College als volgt. In artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode staat dat de jeugd- en gezinsprofessional verantwoordelijk is voor een zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening als zij niet (meer) kan voldoen aan de hulpvraag. De jeugdprofessional verantwoordt de beslissing tegenover de cliënt, begeleidt deze eventueel bij een verwijzing en is bereid tot nazorg. Tegen deze achtergrond is het College van oordeel dat de jeugdprofessional na de uithuisplaatsing ook een rol had in de nazorg, waarbij een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de evaluatie van de pleegzorg (hetgeen aan de pleegzorgorganisatie is) en uitleg over of toelichting op het besluit tot uithuisplaatsing (hetgeen aan de jeugdprofessional is). Zeker gelet op de vragen van de pleegouders over (de totstandkoming van) het besluit tot uithuisplaatsing van de pleegkinderen. Hierbij neemt het College ook de bijzondere positie van de pleegouders in overweging. De pleegouders waren al bijna twaalf jaar lang de dagelijkse verzorgers/opvoeders van de pleegkinderen. Nu de jeugdprofessional in eerste instantie heeft geweigerd met de pleegouders in gesprek te gaan, zij de pleegouders voor nazorg meermaals heeft doorverwezen naar de pleegzorgorganisatie en in het verlengde hiervan na de uithuisplaatsing niet meer met de pleegouders heeft samengewerkt, acht het College artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode geschonden.

3.3.3 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen 5, 6 en 8 gegrond zijn.

3.4 Klachtonderdeel 7

3.4.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional dat zij zonder met hen te overleggen een omgangsregeling met de pleegzoon heeft vastgesteld. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.2 Uit de inhoud van het dossier maakt het College op dat voorafgaand aan de vaststelling van de omgangsregeling de pleegouders alleen op de hoogte zijn gesteld van het feit dat aan een omgangsregeling gewerkt werd. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd erkend niet met de pleegouders te hebben overlegd over de omvang van de omgangsregeling.
De richtlijn Pleegzorg (pagina 68) beveelt aan het contact tussen pleegkinderen en pleegouders na een breakdown warm te houden (indien gewenst vanuit het kind). De richtlijn Pleegzorg (pagina 47) benadrukt ook het belang van het respecteren en bewaken van de eerdere gehechtheidsrelaties – los van de kwaliteit – voor pleegkinderen in alle leeftijden bij een overplaatsing. “Voortbestaan van contacten met de eerdere gehechtheidspersonen dient zo veel mogelijk gewaarborgd te zijn en kan bijdragen aan het bredere gehechtheidsnetwerk van het pleegkind. Zij vormen een mogelijk belangrijke bron van steun in moeilijke of minder moeilijke tijden. Daarnaast is het cruciaal voor het zelfbeeld en de zelfwaardering van pleegkinderen dat volwassenen hen de moeite waard vinden op een of andere manier in hun leven te blijven.” Hierbij is het College van oordeel dat gelet op de duur van de plaatsing van de pleegzoon bij de pleegouders, de jeugdprofessional de pleegouders had moeten betrekken bij het vaststellen van de omgangsregeling als ware het de biologische ouders. Dit neemt niet weg dat de uitkomst wat betreft de omvang van de omgangsregeling gelijk had kunnen zijn. Nu de jeugdprofessional niet met de pleegouders heeft overlegd om tot overeenstemming dan wel instemming te komen over de omgangsregeling met de pleegzoon alvorens de omgangsregeling is vastgesteld, acht het College artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden. Daarnaast is het College van oordeel dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode, omdat het van weinig respect getuigt gelet op de positie van de pleegouders om hen niet te betrekken bij het vaststellen van de omgangsregeling met de pleegzoon.

3.4.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.5 Klachtonderdeel 9

3.5.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional dat zij niet heeft gezorgd voor een goede dossiervorming. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5.2 Uit de toelichting bij dit klachtonderdeel maakt het College op dat de pleegouders het verwijt in grote mate baseren op de inhoud van het klachtgesprek met de GI van 16 februari 2021. Daarentegen heeft de jeugdprofessional in het kader van haar verweer in de onderhavige procedure meerdere fragmenten uit het dossier van de GI overgelegd. Alles in overweging nemende is het College van oordeel dat uit de inhoud van het dossier en wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht onvoldoende aanknopingspunten naar voren zijn gekomen dat de verslaglegging en dossiervorming van de jeugdprofessional niet heeft plaatsgevonden conform de beroepsstandaard, zoals ook is bepaald in artikel M (Verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

3.5.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.6 Klachtonderdeel 10

3.6.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional dat zij niet op een respectvolle manier met hen is omgegaan. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.6.2 Het College acht het verwijt van de pleegouders in dit klachtonderdeel verstrekkend. Naar het oordeel van het College ligt het dan ook op de weg van de pleegouders om een dergelijk verwijt met voldoende stukken te onderbouwen. De pleegouders hebben dit nagelaten.
Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel neemt het College eveneens in overweging dat onder 3.1.2 en 3.4.2 van deze beslissing is geoordeeld dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met, onder andere, artikel E (Respect) van de Beroepscode.
Dit alles overziend is het College van oordeel dat de jeugdprofessional weliswaar niet op alle onderdelen in het proces rondom de uithuisplaatsing van de pleegkinderen respectvol heeft gehandeld richting de pleegouders, maar het voert te ver om in zijn algemeenheid te oordelen dat de jeugdprofessional niet op een respectvolle manier met de pleegouders is omgegaan.

3.6.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4     Maatregel: berisping zonder openbaarmaking

4.1 Het College ziet aanleiding om de jeugdprofessional de maatregel op te leggen van berisping zonder openbaarmaking. De jeugdprofessional is verwijtbaar tekortgeschoten in haar handelen in aanloop naar en na de uithuisplaatsing van de pleegkinderen, waarmee zij meerdere artikelen uit de Beroepscode heeft geschonden. Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid houdt het College ook rekening met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional heeft gehandeld. Op het moment dat de jeugdprofessional (tijdelijk) betrokken raakte, bestonden er reeds zorgen over de veiligheid in het pleeggezin, was een Veiligheidsplan opgesteld en was ambulante spoedhulp ingezet. Het College heeft oog voor de complexe situatie waarbinnen de jeugdprofessional heeft moeten handelen. Het is het College ook gebleken dat de jeugdprofessional gereflecteerd heeft op haar handelen, eveneens met ondersteuning van haar werkbegeleider en haar intervisiegroep. Het College had echter graag meer reflectie van de jeugdprofessional gezien wat betreft de open communicatie richting de pleegouders. Het College benadrukt (nogmaals) het belang hiervan voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen, in het bijzonder om de stabiliteit en continuïteit van een plaatsing te bevorderen en een breakdown te voorkomen. Het College gaat ervan uit dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit de casus en dat de onderhavige beslissing bijdraagt aan de verdere bewustwording van de jeugdprofessional betreffende haar eigen verantwoordelijkheid.

5     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • klachtonderdelen 3, 4, 9 en 10 zijn ongegrond;
  • klachtonderdelen 1, 2, 5, 6, 7 en 8 zijn gegrond;
  • aan de jeugdprofessional wordt opgelegd de maatregel van berisping zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Deze beslissing is op 11 maart 2022 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van de heer mr. R. Orie (voorzitter), de heer E.A.J. Ouwerkerk en de heer W.L. Scholtus (beiden lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. S. Pijper (secretaris) en mevrouw mr. T.S.A. Kloos (secretaris).

de heer mr. R. Orie, voorzitter

mevrouw mr. S. Pijper, secretaris