Maak een selectie

727 van 727

   

Een jeugdbeschermer heeft in beroep overtuigend gereflecteerd op haar handelen. Dit laat onverlet dat het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen in deze casus fors is en de jeugdbeschermer de moeder en haar gezin heeft benadeeld.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Nikocevic, lid-beroepsgenoot,
de heer H.G.A. van Schaik, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], hierna te noemen: de GI,

tegen:

[klager], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door mevrouw mr. G.R. Dorhout-Tielken, advocaat te Soest. 

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door de heer mr. I. Mercanoğlu, advocaat te Almelo.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
–  de klaagschriften ontvangen op 10 april 2020 (20.137Ta) en 19 mei 2020 (20.186Ta);
–  de verweerschriften ontvangen op 3 juni 2020 (20.137Ta) en 3 augustus 2020 (20.186Ta);
– de beslissing van het College van Toezicht in de zaaknummers 20.137Ta en 20.186Ta van 26 februari 2021;
– het pro forma beroepschrift dat de jeugdprofessional op 7 april 2021 heeft ingediend, gevolgd door het aanvullend beroepschrift dat is ontvangen op 23 april 2021;
– het verweerschrift dat de moeder op 5 juli 2021 heeft ingediend;
– de pleitnota die de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft overgelegd en voorgedragen.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van berisping opgelegd, met openbaarmaking van deze maatregel.

1.3 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op maandag 4 oktober 2021 in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden.

1.4 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd.

2     De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft twee minderjarige dochters. De oudste dochter is geboren in 2009 en de jongste dochter is geboren in 2012. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de beide kinderen. De kinderen hebben een andere vader.

2.2 De moeder is van 2012 tot 2017 getrouwd geweest met de vader (vader A.) van de jongste dochter. Vader A. is gezamenlijk met de moeder belast met het gezag over de jongste dochter.

2.3 De vader (vader B.) van de oudste dochter heeft zijn dochter erkend, maar is niet gezamenlijk met de moeder belast met het gezag over haar.

2.4 De kinderrechter heeft op 14 oktober 2019 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van zes maanden, tot 14 april 2020. De jeugdprofessional is samen met een collega, jeugdprofessional in zaaknummer 21.002B, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de kinderen. Formeel is de jeugdprofessional belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de oudste dochter en haar collega met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de jongste dochter. Het doel van de maatregel was in de kern in het belang van de kinderen om zich vrijelijk te bewegen tussen de moeder en de beide vaders, en het verkrijgen van zicht op de opvoedsituatie bij de moeder.

2.5 Op 31 maart 2020 heeft de kinderrechter ter zitting de ondertoezichtstelling verlengd voor een periode van zes maanden, tot 14 oktober 2020. De jeugdprofessional stelt dat de moeder na deze zitting dezelfde dag aan de beide vaders heeft laten weten dat de kinderen voortaan bij hen konden wonen. Om deze reden zou de moeder aan de vaders hebben gevraagd of zij de kinderen wilden ophalen. Op het moment dat de vaders – na overleg met de GI – de kinderen kwamen ophalen, zou de moeder op haar beslissing zijn teruggekomen. De moeder heeft weersproken dat zij dit tegen de vaders zou hebben gezegd.

2.6 Op 31 maart 2020 ontvangt de politie een anonieme zorgmelding die aan Veilig Thuis is doorgegeven. Diezelfde dag heeft de politie ook de jeugdprofessional hierover bericht. Op 1 april 2020 heeft de jeugdprofessional hierover met Veilig Thuis contact opgenomen voor overleg. Op 2 april 2020 heeft Veilig Thuis deze zorgmelding schriftelijk aan de jeugdprofessional gerapporteerd.

2.7 Op 1 april 2020 heeft de jeugdprofessional overleg gepleegd met de gedragswetenschapper van de GI en is besloten om aan de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken, om de kinderen tijdelijk bij hun biologische vaders te plaatsen. In het verzoekschrift heeft de jeugdprofessional de inhoud van de anonieme zorgmelding opgenomen.

2.8 Op vrijdag 3 april 2020 om 11:55 uur heeft de kinderrechter op verzoek van de GI de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee weken. Dat weekend verbleven de kinderen in het kader van de omgang bij hun vaders vanaf 14:15 uur. Na dit weekend zijn zij hier gebleven op basis van de afgegeven machtiging.

2.9 Op vrijdag 3 april 2020 om 16:33 uur heeft de GI de moeder per e-mailbericht geïnformeerd over de uithuisplaatsing. In dit e-mailbericht heeft de jeugdprofessional het volgende opgenomen: “Wij hebben geprobeerd met jou in contact te komen, maar helaas is dit niet gelukt. Wij hadden jou graag persoonlijk gesproken om je het volgende mede te delen: N.a.v. de gebeurtenis van afgelopen woensdag en de zorgen die er al waren hebben wij helaas een machtiging uithuisplaatsing moeten verzoeken bij de kinderrechter. De rechter heeft deze machtiging afgegeven voor de komende 2 weken. De kinderen verblijven sowieso de komende twee weken bij [vader A] [jongste dochter] en [vader B] [oudste dochter]. Binnen twee weken komt het er een zitting. Wij begrijpen heel goed wat dit voor jou betekent en wij vinden het uiterst vervelend dat het op deze manier moet, maar we hebben geen andere keus. Wij maken ons ook zorgen om jou en wij hopen dat jij hiervoor hulp/ondersteuning kan zoeken/krijgen in jouw persoonlijke kring en/of op professioneel gebied. Van ons secretariaat ontvang je via de mail en per post het spoedverzoek machtiging uithuisplaatsing en een aankondiging schriftelijke aanwijzing. In die aankondiging schriftelijke aanwijzing staat met name dat je dient mee te werken met (ambulante) hulpverlening. Deze kan aanstaande maandag een startgesprek inplannen. Graag willen wij met jou in contact om een tijdstip af te spreken.”

2.10 Op 15 april 2020 heeft de jeugdprofessional aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven met daarin vier instructies. Kort weergegeven diende de moeder toestemming te geven aan de jeugdprofessional voor: 1. het zien van de kinderen, 2. contact met de school, 3. contact met de kinderpsycholoog van de oudste dochter. De vierde aanwijzing zag op het accepteren van de (ambulante) hulpverlening van [de instelling]. Tevens waren er drie voorwaarden geformuleerd met betrekking tot de thuisplaatsing, met daarin een minimumeis gericht op het aantal gesprekken van [de instelling] met de moeder en met de kinderen. Onderdeel hiervan was viermaal een omgangscontact tussen de moeder en de kinderen, onder begeleiding van [de instelling].

2.11 Op 16 april 2020 heeft kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing verlengd voor de duur van één maand, tot 17 mei 2020.

2.12 Op 17 april 2020 heeft de moeder een verzoekschrift ingediend tot vervanging van de GI. Op 29 april 2020 heeft de moeder tevens een verzoekschrift ingediend tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing die op 15 april 2020 aan de moeder was verzonden. Deze twee verzoeken zijn door de kinderrechter gezamenlijk behandeld en afgewezen op 7 mei 2020.

2.13 De machtiging tot uithuisplaatsing is meerdere malen voor korte perioden verlengd totdat de kinderen in augustus 2020 bij de moeder werden teruggeplaatst: de oudste dochter op 7 augustus 2020 en de jongste dochter op 14 augustus 2020. De maatregel ondertoezichtstelling is verlengd tot medio oktober 2021.

2.14 De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional bij het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen 1, 2, 4 & 6, 5, 7, 8,9 en 10 die het College van Toezicht gegrond heeft verklaard. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional de grief tegen klachtonderdeel 1 ingetrokken. Met de grieven gericht tegen de klachtonderdelen 5, 9 en 10 heeft de jeugdprofessional enkel een nadere toelichting willen geven, maar erkent het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen. De klachtenonderdelen behoeven om die reden geen bespreking door het College van Beroep waardoor in deze beslissing alleen een inhoudelijk oordeel zal worden gegeven op de grieven gericht tegen de klachtonderdelen 2, 4 & 6, 7 en 8.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1.1 Hierna zullen de vijf in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een (al dan niet in samenhang) worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1.2 Het College van Beroep wijst er nog op dit college reeds in de beslissing in zaaknummer 18.003B heeft bepaald dat het niet mogelijk is om beroep in te stellen tegen (de zwaarte van) de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel. Voor zover een grief hiertegen is gericht, geeft het College van Beroep daar dan ook geen oordeel over.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 2 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij geen deugdelijk en voldoende feitelijk onderzoek heeft verricht, waarbij zij heeft nagelaten de ontvangen zorgen expliciet met de moeder te delen.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] begrijpt uit de toelichting bij dit klachtonderdeel dat het verwijt met betrekking tot onvoldoende feitelijk onderzoek zich richt op het ontbreken van enig onderzoek naar de anonieme zorgmelding bij de politie, die deze heeft doorgezet naar Veilig Thuis. Het College [van Toezicht] stelt vast dat de jeugdprofessional na 31 maart 2020 geen onderzoek heeft gedaan naar de anonieme zorgmelding en dat -tot op de dag van de behandeling- de inhoud van de zorgmelding niet met de moeder is besproken. Het feit dat een eerdere zorgmelding in 2019 als vals is weerlegd acht het College [van Toezicht] in dit verband relevant, omdat deze informatie de nieuwe anonieme zorgmelding in een breder perspectief plaatst. Toch heeft de jeugdprofessional de anonieme zorgmelding vrijwel integraal opgenomen in het verzoekschrift tot machtiging uithuisplaatsing, zonder verwijzing naar de weerlegde zorgmelding in 2019. Dit handelen acht het College [van Toezicht] in strijd met artikel 3.3. Jeugdwet, waarin de verplichting van de jeugdprofessional staat omschreven om relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit is wetgeving die jeugdzorgwerkers in het kader van een deskundige beroepsuitoefening behoren te kennen. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat het opnemen van een niet geverifieerde anonieme zorgmelding, zonder deze context, aan dit vereiste niet voldoet. Dat de anonieme zorgmelding mogelijk niet ten grondslag heeft gelegen aan de beslissing van de rechtbank is voor dit oordeel van geen belang. De zorgmelding had met de moeder moeten worden besproken. Zoals vastgesteld, dit is niet gebeurd: niet voorafgaand of op de dag van de uithuisplaatsing van 3 april 2020, maar ook niet na de brief van 6 april 2020 waarin de moeder concrete vragen hierover heeft gesteld. Niet alleen handelt de jeugdprofessional hiermee in strijd met de beroepstandaard, maar ook in strijd met het gegeven dat de moeder recht heeft te weten wat over haar is gezegd en wat haar positie is. De anonimiteit van de melder hoeft het delen van de zorgen niet in de weg te staan, omdat dit mogelijk is zonder de identiteit van de melder prijs te geven. In reactie op de vragen van de moeder had de jeugdprofessional eventueel kunnen verwijzen naar Veilig Thuis of een ander regulier meldpunt. Het feit dat de jeugdprofessional in het geheel niet op deze brief van de moeder heeft gereageerd acht het College [van Toezicht] onzorgvuldig en in strijd met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.”

4.2.3 De jeugdprofessional is van mening dat uit het oordeel van het College van Toezicht blijkt dat er is ingezoomd op de zorgmelding. Hierdoor wordt de klacht smaller dan hoe de moeder deze heeft geformuleerd. De klachtbeoordeling is daarentegen niet smaller dan het oorspronkelijk geformuleerde klachtonderdeel, terwijl het College van de Toezicht het klachtonderdeel wél in zijn geheel gegrond heeft verklaard. In dit kader acht de jeugdprofessional de onderbouwing van het College van Toezicht niet juist.

4.2.4 De moeder stelt dat uit de beroepsgrond niet blijkt wat de jeugdprofessional duidelijk wenst te maken. Zij stelt enkel dat de beoordeling van het College van Toezicht niet juist zou zijn. Het gaat om een blote ontkenning tegen een inhoudelijke afweging van het College van Toezicht. De beroepsgronden worden dan ook niet of onvoldoende van de feitelijke grondslag voorzien.

4.2.5 Het College volgt ten aanzien van dit klachtonderdeel het standpunt van de moeder en overweegt hierover als volgt. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College van Beroep onvoldoende aannemelijk gemaakt wat er ontbreekt in het oordeel van het College van Toezicht. Een enkele verwijzing naar de formulering van het oorspronkelijke klachtonderdeel is onvoldoende ter onderbouwing. Gelet hierop slaagt de grief van de jeugdprofessional niet.

4.2.6 De grief faalt.

4.3 Klachtonderdelen 4 en 6

4.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht zijn de klachtonderdelen 4 en 6 vanwege de overlap en samenhang gezamenlijk behandeld. Deze klachtonderdelen zijn als volgt geformuleerd:  “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat de kinderen bij haar zijn weggehaald op grond van één anonieme zorgmelding, zonder dat de jeugdprofessional hierover met de moeder een gesprek heeft gevoerd en zonder nader onderzoek of navraag te hebben gedaan (klachtonderdeel 4, eerste deel). De jeugdprofessional heeft onvoldoende de belangen van de kinderen vooropgesteld, door geen betekenis toe te kennen aan de later overgelegde informanteninformatie (klachtonderdeel 4, tweede deel). Tevens verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij onprofessioneel en vooringenomen heeft gehandeld, door de informatie van de informanten te negeren (klachtonderdeel 6).”

4.3.2 Het College van Toezicht heeft over deze klachtonderdelen – voor zover relevant – als volgt geoordeeld: “[..]Het tweede deel van klachtonderdeel 4 en klachtonderdeel 6 richten zich kortgezegd op het verwijt dat de jeugdprofessional de informatie van informanten heeft genegeerd althans daar geen betekenis aan heeft toegekend. Het College [van Toezicht] acht deze klachtonderdelen gegrond en overweegt daartoe als volgt. Na de uithuisplaatsing heeft de moeder op 6 april 2020 de informatie van vier informanten aan de jeugdprofessional overgelegd ter onderbouwing van haar verzoek om de uithuisplaatsing te beëindigen. Vervolgens heeft de moeder in het e-mailbericht van 8 april 2020 zes voorstellen aan de jeugdprofessional voorgelegd om te komen tot een spoedige thuisplaatsing. De jeugdprofessional heeft op 9 april 2020 dit verzoek beantwoord met: “Ons standpunt wat betreft de uithuisplaatsing is onveranderd”, zonder nadere motivering. Tijdens de behandeling heeft de jeugdprofessional haar reactie toegelicht met de vaststelling dat ze de machtiging uithuisplaatsing niet meer ongedaan kon maken, omdat ze de brief van de psycholoog pas ná de uithuisplaatsing van 3 april 2020 had ontvangen. ‘Het kwaad was al geschied’, aldus de jeugdprofessional. Echter, het College [van Toezicht] is van oordeel dat bij een tijdelijke maatregel als een crisisuithuisplaatsing sprake is van een proces van voortdurende beweging. Kinderen en gezinnen zijn dynamische structuren in ontwikkeling. Binnen een tijdelijke maatregel als een crisisuithuisplaatsing mag van de jeugdprofessional een flexibele houding worden verwacht, waarin de jeugdprofessional blijft reageren op nieuwe informatie. Nieuwe informatie dient iedere keer weer een aanleiding te zijn om bijstelling van de genomen beslissing te overwegen. Met name de verklaring van de psycholoog van de oudste dochter acht het College [van Toezicht] hierin relevant, omdat de jeugdprofessional zowel in haar verweerschrift onder randnummer 31 als tijdens de behandeling heeft erkend dat de uithuisplaatsing (voor de oudste dochter) traumatisch kan zijn. Aan de jeugdprofessional is het dan de taak om inzichtelijk te maken op welke wijze de informatie is meegewogen in haar beslissing. Echter, het College [van Toezicht] heeft bij de jeugdprofessional geen bereidheid gezien om op basis van nieuwe informatie eventueel tot een andere afweging te komen. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] heeft de jeugdprofessional onvoldoende aandacht besteed[.] aan de door moeder overgelegde informatie van informanten. Door geen betekenis toe te kennen aan deze informanteninformatie heeft de jeugdprofessional onvoldoende de belangen van de kinderen vooropgesteld. Het negeren van deze informatie is daarmee naar het oordeel van het College [van Toezicht] onprofessioneel. Dit handelen van de jeugdprofessional levert naar het oordeel van het College [van Toezicht] een schending op van artikel E (Respect) van de Beroepscode. Of deze houding van de jeugdprofessional al dan niet voortkomt uit vooringenomenheid kan het College [van Toezicht] niet beoordelen, op grond waarvan dit deel van klachtonderdeel 6 ongegrond wordt geacht.

4.4.4 Het College [van Toezicht] is van oordeel dat klachtonderdeel 4 deels gegrond is, zover deze ziet op het verwijt dat de jeugdprofessional onvoldoende de belangen van de kinderen voorop heeft gesteld door geen betekenis toe te kennen aan de later overgelegde informanteninformatie. Tevens is het College [van Toezicht] van oordeel dat klachtonderdeel 6 deels gegrond is, zover deze ziet op het verwijt dat de jeugdprofessional onprofessioneel heeft gehandeld door informatie van informanten te negeren.”

4.3.3 In de optiek van de jeugdprofessional heeft het College van Toezicht de gedeeltelijke gegrondverklaring van twee klachtonderdelen onderbouwd op (min of meer) hetzelfde verwijt. De jeugdprofessional is van mening dat het niet juist is dat haar tweemaal hetzelfde wordt aangerekend.

4.3.4 De moeder is van mening dat de klachtonderdelen 4 en 6 uit twee verschillende aspecten bestaan. Ten eerste dat de jeugdprofessional geen betekenis toekent aan de (later) overgelegde informanteninformatie. Dat betreft volgens de moeder inhoudelijke kritiek. Ten tweede duidt het negeren van de informanten op een bepaalde een beroepshouding. Het College van Toezicht heeft deze twee bestanddelen aan de orde gesteld. De moeder is van mening dat de jeugdprofessional niet tweemaal hetzelfde is aangerekend.

4.3.5 Het College van Beroep volgt het standpunt van de jeugdprofessional dat het College van Toezicht ten onrechte de gedeeltelijke gegrondverklaring van klachtonderdeel 4 en 6 heeft onderbouwd op hetzelfde verwijt. Beide verwijten zien namelijk in de kern op het negeren van dan wel geen betekenis toekennen aan informatie van informanten. Het College van Beroep ziet onvoldoende dat deze verwijten uit verschillende bestanddelen bestaan, zoals de moeder heeft betoogd. Om die reden zal het College van Beroep de gegrondverklaring van klachtonderdeel 4 handhaven, maar de moeder in klachtonderdeel 6 deels niet-ontvankelijk verklaren omdat over dit deel van de klacht al eerder is geoordeeld.

4.3.6 De grief slaagt. Het College van Beroep zal de moeder deels-niet ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel 6 voor de jeugdprofessional hierin wordt verweten dat het onprofessioneel is dat zij de informatie van informanten heeft genegeerd.

4.4 Klachtonderdeel 7

4.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 7 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij heeft gehandeld in strijd met de juridische kaders van de ondertoezichtstelling, de uithuisplaatsing en de ouderlijke gezagsuitoefening.”

4.4.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel – voor zover relevant – als volgt geoordeeld: “[..]Wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met de juridische kaders van het ouderlijk gezag, heeft de jeugdprofessional tijdens de behandeling van de klacht erkend dat zij de toestemming nodig heeft van de moeder om de kinderen op een andere school te kunnen plaatsen. In de situatie dat die toestemming ontbreekt heeft de jeugdprofessional de mogelijkheid de kinderrechter om vervangende toestemming te vragen. Zonder deze (vervangende) toestemming heeft de jeugdprofessional gehandeld in strijd met de juridische kaders van de ouderlijke gezagsuitoefening. Dit derde deel van de klacht acht het College [van Toezicht] daarom gegrond. Op basis hiervan is het College [van Toezicht] van oordeel dat de jeugdprofessional haar beroep onvoldoende deskundig heeft uitgeoefend op basis van actuele kennis en in nauwe aansluiting op ontwikkelingen in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Dit levert een schending op van artikel B (Deskundige beroepsuitoefening) van de Beroepscode.”

4.4.3 De jeugdprofessional is van mening dat de vraag gesteld kan worden of de gegrondverklaring wel op de juiste gronden is beoordeeld. De jeugdprofessional wijst erop dat dit deel van de klacht als volgt is geformuleerd: “De moeder heeft het eenhoofdig gezag over de oudste dochter, en zij is gezamenlijk met vader A. belast met het gezag over de jongste dochter. Desondanks heeft de jeugdprofessional de kinderen op een andere school (doen) inschrijven, zonder overleg met de moeder en zonder haar toestemming.”
Het woord ‘doen’ inschrijven, wijst er evenwel op dat het inschrijven ook door de vader(s) kan zijn gebeurd. De alsdan verzorgende vaders hebben de kinderen op een andere school ingeschreven, toen de kinderen bij hun vader(s). In het kader van artikel 2 van de leerplichtwet ligt de bevoegdheid tot inschrijving namelijk ook bij de verzorgers. De jeugdprofessional wijst erop dat de wetgever uitdrukkelijk ook de verzorger(s) aanwijst die de verplichting heeft om het kind in te schrijven. In dit geval dat de vaders. In dit kader acht de jeugdprofessional dat dit klachtonderdeel niet in omvang zoals door het College van Toezicht is aangegeven, gegrond is. De jeugdprofessional legt ter onderbouwing van haar standpunt twee verklaringen over van de basisscholen van de kinderen waaruit naar haar mening blijkt dat de kinderen door hun vaders op deze scholen zijn ingeschreven. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional toegelicht dat er ten tijde van de uithuisplaatsing van de kinderen nog sprake was van afstandsonderwijs. Doordat het kabinet besloot dat de scholen weer opengingen, is ervoor gekozen om de kinderen naar een school in de woonplaats van hun vaders te laten gaan. Er is toen ook contact opgenomen met de gemeente en de leerplichtambtenaar om te bespreken hoe dat vormgegeven moest worden. Er is ook gesproken over een vervangende toestemming vragen aan de kinderrechter, maar dat is uiteindelijk niet gebeurd omdat ook de verzorgende ouder een kind mag inschrijven op school. Een juridische procedure duurt lang en vanuit de jeugdprofessional en de GI is besloten om deze weg niet te volgen. Terugkijkend op haar handelen zou de jeugdprofessional toch vervangende toestemming hebben gevraagd aan de kinderrechter om zo de moeder niet te passeren.

4.4.4 De moeder is van mening dat de jeugdprofessional moet erkennen dat zij een actieve rol heeft gespeeld bij de inschrijving van de kinderen op een andere school. De jeugdprofessional is op de hoogte van de verplichtingen die uit het gezagsrecht voortvloeien. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de eerste e-mail waarin de jeugdprofessional zelfs benadrukt dat beide ouders toestemming moeten geven voor de inschrijving. De moeder heeft medegedeeld dat zij niet akkoord gaat met de inschrijving van de kinderen op een andere school. De moeder wist dan ook niet dat de kinderen op een andere school waren ingeschreven. De jeugdprofessional heeft zich actief met deze inschrijving(en) bemoeid en dit blijkt uit de e-mail die zij zelf heeft overgelegd. De directeur van de nieuwe school richt zich tot de jeugdprofessional en noemt haar voornaam. De wijze waarop de directeur verslag uitbrengt, maakt duidelijk dat de jeugdprofessional een belangrijke positie inneemt. Voor zover de jeugdprofessional stelt dat haar geen verwijt treft omdat de vaders de inschrijvingen hebben geregeld, vergeet zij te melden dat zij het proces gefaciliteerd heeft. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de moeder betwist dat de vaders de kinderen konden inschrijven op school. Het artikel uit de leerplichtwet ziet op situatie waarin kinderen nog niet ingeschreven zijn op een school en is niet bedoeld om kinderen te laten wisselen van school.

4.4.5 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de jeugdprofessional niet slaagt en overweegt hiertoe als volgt. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep erkend dat de moeder onvoldoende is meegenomen in het proces rondom de aanmelding van de kinderen op school en dat zij terugkijkend anders zou hebben gehandeld. Het is het College van Beroep gebleken dat de jeugdprofessional, in ieder geval in het begin, een duidelijk regierol heeft gehad met betrekking tot de inschrijving op school. De jeugdprofessional erkent ook dat zij in een toekomstige vergelijkbare situatie anders zou handelen. Het College van Beroep volgt de jeugdprofessional erin dat de inschrijving op school bij de (gezaghebbende) ouders dient te liggen en als dit niet lukt, de daartoe geëigende middelen in hadden moeten worden gezet, zoals het inschakelen van de kinderrechter om de knoop door te hakken. Het College van Beroep volgt dan ook het oordeel van het College van Toezicht dat de jeugdprofessional ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.4.6 De grief faalt.

4.5 Klachtonderdeel 8

4.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 8 als volgt geformuleerd: “De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij sinds 3 april 2020 geen feitenonderzoek meer heeft gedaan naar de informatie van de anonieme zorgmelding. De expliciete verzoeken van de moeder om de anonieme melding bij de rechtbank in te trekken heeft de jeugdprofessional afgewezen.”

4.5.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] heeft onder klachtonderdeel 2 vastgesteld dat de jeugdprofessional na de anonieme zorgmelding van 31 maart 2020 geen deugdelijk en voldoende feitelijk onderzoek heeft verricht respectievelijk heeft laten verrichten. Het College [van Toezicht] stelt verder vast dat de jeugdprofessional na 3 april 2020 de anonieme zorgmelding van 31 maart 2020 nog steeds niet heeft onderzocht. Het College [van Toezicht] overweegt dat Veilig Thuis in beginsel ‘eigenaar’ is van de zorgmelding, maar de regie ligt bij de jeugdprofessional vanaf het moment dat de zorgmelding bij haar is neergelegd. In dit kader overweegt het College [van Toezicht] dat onduidelijkheid in de taakverdeling is op te lossen door eenduidige werkafspraken te maken, waarbij helder is wie welke verantwoordelijkheid draagt. Eventueel had de jeugdprofessional de zorgmelding ook weer terug kunnen leggen bij Veilig Thuis, zodat zij wellicht een ingang konden vinden om met de moeder tot samenwerking te komen. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] heeft de jeugdprofessional onvoldoende haar verantwoordelijkheid genomen om de anonieme zorgmelding tot een afronding te brengen. Het (laten) doen van deugdelijk onderzoek en het uitvoeren van een grondige risicotaxatie is nodig, ofwel omdat de gemelde zorg aanleiding vormt voor interventie, ofwel om de zorgen als vals te weerleggen. Het College [van Toezicht] acht het klachtonderdeel gegrond voor zover deze betrekking heeft op het verwijt dat de jeugdprofessional na 3 april 2020 geen feitenonderzoek meer heeft gedaan naar de anonieme zorgmelding. Met dit handelen acht het College [van Toezicht] artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.

Het tweede deel van dit klachtonderdeel gaat over het expliciete verzoek van de moeder aan de jeugdprofessional om de anonieme zorgmelding bij de rechtbank in te trekken, en de weigering terzake van de jeugdprofessional. Zoals het College [van Toezicht]  onder klachtonderdeel 2 heeft overwogen is de jeugdprofessional niet in de positie om een zorgmelding in te trekken die door Veilig Thuis is ontvangen. Evenmin ziet het College [van Toezicht] een grondslag voor de jeugdprofessional om een anonieme zorgmelding bij de rechtbank in te trekken. Om die reden acht het College [van Toezicht] dit deel van het klachtonderdeel ongegrond. [.]”

4.5.3 De jeugdprofessional vindt het opmerkelijk dat het College van Toezicht enerzijds verwijst naar klachtonderdeel 2 wat betreft de overlap, maar het klachtonderdeel toch als een andere klacht/apart klachtonderdeel heeft benoemd. De jeugdprofessional merkt in dat kader op dat de klacht dat er geen feitenonderzoek is verricht al door het College van Toezicht onder klachtonderdeel 2 gegrond is verklaard.

4.5.4 De moeder is van mening dat klachtonderdeel 8 een zelfstandige betekenis heeft. In dit klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij geen feitenonderzoek heeft uitgevoerd vóór de machtiging uithuisplaatsing. In klachtonderdeel 8 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij ná de uithuisplaatsing geen feitenonderzoek heeft gedaan. De relevantie van dit onderscheid is groot.

4.5.5 Het College van Beroep volgt de moeder niet in haar standpunt dat klachtonderdeel 8 een zelfstandige betekenis heeft. Bij de beoordeling van klachtonderdeel 2 heeft het College van Toezicht geoordeeld dat de jeugdprofessional ná 31 maart 2020 geen feitenonderzoek heeft gedaan naar de anonieme zorgmelding. Het is het College van Beroep dan ook niet gebleken dat er een specifiek onderscheid is gemaakt in het doen van feitenonderzoek voor en na de uithuisplaatsing. In zoverre is het College van Beroep dan ook van oordeel dat de grief slaagt omdat het College van Toezicht in klachtonderdeel 2 en 8 (deels) hetzelfde handelen gegrond heeft verklaard. Om die reden is het College van Beroep van oordeel dat de moeder alsnog deels niet-ontvankelijk moet worden verklaard in klachtonderdeel 8.

4.5.6 De grief slaagt. Het College van Beroep zal de moeder deels niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel 8 voor zover het klachtonderdeel ziet op het niet doen van feitenonderzoek.

4.6 Conclusie

4.6.1 Het College van Beroep komt tot de slotsom dat de grieven van de jeugdprofessional ten aanzien van de klachtonderdelen 4&6 en 8 slagen. Als gevolg hiervan wordt de moeder deels niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen 6 en 8, waardoor de deels gegrondverklaring van deze klachtonderdelen wordt vernietigd. Het College van Beroep dient zich aldus nog te buigen over de vraag of er aanleiding bestaat om aan de jeugdprofessional een lichtere maatregel op te leggen. Het College van Beroep overweegt hierover als volgt.

4.6.2 De jeugdprofessional heeft ten aanzien van de klachtonderdelen 1, 2, 4, 5, 7, 9 en 10 (deels) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het College van Toezicht heeft de jeugdprofessional het vermeende gebrek aan reflectief vermogen zwaar aangerekend in de op te leggen maatregel. Anders dan bij het College van Toezicht heeft het College van Beroep, door versoepeling van de coronamaatregelen, de mogelijkheid gehad om partijen te horen tijdens een reguliere mondelinge behandeling. Het College van Beroep heeft de overtuiging dat de jeugdprofessional hierdoor beter in staat is geweest om onder woorden te brengen hoe zij reflecteert op haar handelen, dan zij kon doen tijdens de procedure bij het College van Toezicht. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep overtuigend gereflecteerd op haar handelen. Zo heeft zij kenbaar gemaakt dat zij tot op de dag van vandaag nog buikpijn heeft van deze casus en dat zij is geschrokken van de beslissing van het College van Toezicht. Het heeft haar echter ook gebracht dat zij nu (nog) kritischer naar haar eigen werkwijze kijkt en dingen anders aanpakt. Desgevraagd noemt de jeugdprofessional hierbij als voorbeeld het vooraf inlichten van ouders met betrekking tot de stappen die genomen (moeten) worden, niet pas achteraf. Daarnaast legt zij gemaakte afspraken vast, ondanks dat de GI het maken van contactjournaals heeft afgeschaft. In haar laatste woord tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional zich rechtstreeks tot de moeder gericht en haar excuses aangeboden en nogmaals benadrukt hoe erg zij het vindt hoe het in deze casus is gelopen.

4.6.3 De jeugdprofessional heeft zoals al overwogen overtuigend gereflecteerd op haar handelen. Dit laat onverlet dat het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen in deze casus fors is. Niet in geschil is dat de jeugdprofessional met haar handelen de moeder en haar gezin ernstig heeft benadeeld. Om die reden is het College van Beroep van oordeel dat een zware tuchtrechtelijke maatregel op zijn plaats is. Het College van Beroep zal onder intrekking van de maatregel van berisping met openbaarmaking, aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping opleggen, zonder openbaarmaking van deze maatregel. Hiertoe heeft het College van Beroep besloten omdat het onder andere rekening houdt met het feit dat het de eerste klacht is die tegen de jeugdprofessional is ingediend, zij overtuigend heeft gereflecteerd op haar handelen en blijk heeft gegeven lering getrokken te hebben uit deze casus.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – de moeder deels niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 6 en 8 en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 26 februari 2021 in zaaknummer 20.137Ta en 20.186Ta;
  • legt onder intrekking van de maatregel van berisping met openbaarmaking, aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op, zonder openbaarmaking van deze maatregel;
  • handhaaft voor het overige de beslissing van het College van Toezicht, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 15 november 2021 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. M.M. Brink,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris