Maak een selectie

718 van 718

   

Een jeugdbeschermer heeft aan de vader onvoldoende relevante informatie verschaft voor een goede professionele relatie. De vader is in aanloop naar en tijdens een belangrijk gesprek onder meer niet geïnformeerd over het achterliggende doel van het gesprek en in verband daarmee een reeds genomen kernbesluit.

Klager is [de vader], hierna te noemen: de vader. Zijn gemachtigde is [gemachtigde], vertrouwenspersoon bij AKJ.

Beklaagde is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugd- en gezinswerker bij [de GI], hierna te noemen: de GI. De jeugdprofessional is van [datum] 2017 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanaf [datum] 2018 staat zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd. Haar gemachtigde is mevrouw mr. I.J.M. Schepens, jurist bij &jeugd.

De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 22 november 2021 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

Het College gaat uit van het klaagschrift (ontvangen op 23 november 2020), het verweerschrift (ontvangen op 1 februari 2021) en wat besproken is tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De vader heeft één minderjarige dochter. De dochter is geboren in 2015.

1.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de dochter, zijn sinds maart 2016 uit elkaar. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De dochter woont bij de moeder en zij heeft een zorgregeling met de vader. 

1.3 De dochter is in ieder geval sinds 31 juli 2018 onder toezicht gesteld van de GI. De jeugdprofessional was in de periode van 20 mei 2019 tot 16 november 2020 belast met de uitvoering hiervan.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht die de vader heeft ingediend wordt hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld.

3.1 De klacht

3.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij onprofessioneel heeft gehandeld door op basis van één incident een verzoek tot wijziging van de zorgregeling in te dienen bij de rechtbank. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1.2 Uit de toelichting bij de klacht maakt het College op dat de vader de jeugdprofessional verwijt dat zij onprofessioneel heeft gehandeld, omdat zij op basis van het gesprek op 23 mei 2019 een verzoek tot wijziging van de zorgregeling heeft ingediend bij de rechtbank. Het College overweegt hierover als volgt.
De voorganger van de jeugdprofessional heeft op 20 mei 2019 het volgende e-mailbericht aan de ouders gestuurd: “N.a.v. verschillende contacten vandaag, hebben wij intern besloten, dat [de jeugdprofessional] de uitvoering van de OTS gaat overnemen. [De vader] heeft [de jeugdprofessional] vandaag ook aan de telefoon gehad. [De jeugdprofessional] heeft jullie uitgenodigd om donderdag 23 mei om 14.00 met elkaar in gesprek te gaan. Donderdag kunnen jullie kennismaken met [de jeugdprofessional] en kijken hoe jullie afspraken kunnen maken om weer tot omgang te komen en zo met elkaar een nieuwe start te maken.” De jeugdprofessional stond in de cc van dit e-mailbericht. Uit de inhoud van het overgelegde dossier maakt het College echter ook op dat diezelfde dag de voorganger van de jeugdprofessional in samenwerking met een gedragswetenschapper van de GI een kernbesluit heeft genomen. In dit kernbesluit is onder meer het advies van de gedragswetenschapper opgenomen om eerst met de vader in gesprek te gaan, omdat er meer zicht moet komen op de veiligheid van de dochter. Tevens zou het wellicht goed zijn om de grootmoeder vaderszijde te spreken, omdat zij mogelijk voor veiligheid kan zorgen. In het advies is eveneens opgenomen dat als de omgang stopgezet wordt, dit juridisch geregeld moet worden. Vervolgens heeft op donderdag 23 mei 2019 het gesprek plaatsgevonden tussen de vader, de moeder en de jeugdprofessional op het kantoor van de GI. Beide partijen hebben hun visie op het verloop van dit gesprek met het College gedeeld. Op de vraag van het College of de jeugdprofessional tijdens het gesprek op de hoogte was van de inhoud van het kernbesluit van 20 mei 2019, antwoordde de jeugdprofessional ontkennend. De jeugdprofessional verklaarde dat de gedragswetenschapper haar op de inhoud van het kernbesluit wees na het gesprek van 23 mei 2019. De jeugdprofessional betreurde het dat zij deze overwegingen niet eerder wist en/of bespreekbaar had kunnen maken tijdens het gesprek op 23 mei 2019. Op 14 juni 2019 heeft de jeugdprofessional het verzoek tot wijziging van de zorgregeling ingediend bij de rechtbank.
Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Immers, artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode bepaalt dat de jeugdprofessional de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de voor een goede professionele relatie relevante informatie verschaft. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional hierin is tekortgeschoten, nu zij in aanloop naar en tijdens het gesprek van 23 mei 2019 de vader niet heeft geïnformeerd over het achterliggende doel van het gesprek. Dat zij hierover zelf ook pas achteraf is geïnformeerd, zoals zij aanvoerde tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht, maakt dit oordeel niet anders. Het was namelijk de jeugdprofessional zelf die akkoord is gegaan met een koude overdracht en die kort na dit gesprek het verzoek tot wijziging van de zorgregeling heeft ingediend. De jeugdprofessional had andere alternatieven kunnen overwegen. Hoewel uit de motivering van het verzoek tot wijziging van de zorgregeling blijkt dat meerdere factoren hebben geleid tot het indienen hiervan, kan het College de vader volgen in zijn verwijt dat het op hem is overgekomen dat op basis van alleen het gesprek van 23 mei 2019 het verzoek is ingediend, nu aan hem onvoldoende relevante informatie was verschaft. Zo is de vader niet geïnformeerd over het kernbesluit van 20 mei 2019 en, in het verlengde daarvan, wat voor consequenties bepaald gedrag mogelijk zou hebben voor de omgang met zijn dochter. Dat op het moment van het gesprek al een wijziging van de zorgregeling serieus werd overwogen, wist de vader niet. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de vader hierover had moeten informeren. Dat de jeugdprofessional dit niet gedaan heeft en kort na het gesprek van 23 mei 2019 een verzoek tot wijziging van de zorgregeling heeft ingediend, acht het College een schending van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Daarnaast is het College van oordeel dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en artikel E (Respect) van de Beroepscode, omdat het onvoldoende aansluiting zoeken bij de vader en het onvoldoende informeren van de vader zijn vertrouwen in de jeugdhulp heeft geschonden en getuigt van weinig respect.

3.1.3 Het College is van oordeel dat de klacht gegrond is.

4     Maatregel: waarschuwing

4.1 Het College ziet onder de gegeven omstandigheden aanleiding om de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen. De klacht is gegrond en de jeugdprofessional heeft met haar handelen de artikelen D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), E (Respect) en F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden. Daarnaast heeft zij zich in het verweerschrift en tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht weinig reflectief opgesteld ten aanzien van de gevolgen van haar handelen en heeft zij met haar handelen te veel geleund op anderen in de organisatie. De jeugdprofessional is weliswaar slechts voor een korte periode betrokken geweest, maar haar handelen heeft nadelige gevolgen (gehad) voor de vader. Het College gaat ervan uit dat deze beslissing bijdraagt aan de verdere bewustwording van de jeugdprofessional van haar eigen verantwoordelijkheden.

5     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • de klacht is gegrond;
  • aan de jeugdprofessional wordt opgelegd de maatregel van waarschuwing.

Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht is aan partijen medegedeeld dat de termijn voor het verzenden van deze beslissing is verlengd met twee weken, tot 17 januari 2022, conform artikel 10.3 van het Tuchtreglement, versie 1.4.

Deze beslissing is op 17 januari 2022 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van mevrouw mr. E.M. Jacquemijns (voorzitter), de heer H.K. Blok en de heer W.L. Scholtus (beiden lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. S. Pijper (secretaris). Mevrouw mr. T.S.A. Kloos was als tweede secretaris aanwezig bij de digitale mondelinge behandeling van de klacht.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. S. Pijper, secretaris