Maak een selectie

191 van 191

   

Een gezinshuisouder heeft zich tot tweemaal toe op zeer ongepaste wijze uitgelaten richting, of in het bijzijn van, de twee bij haar geplaatste kinderen. Bij de op te leggen maatregel wordt rekening gehouden met de kwetsbare en complexe positie van een gezinshuisouder.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:
mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw A. van de Haar, lid-beroepsgenoot,
mevrouw T. van der Leest-Folkerts, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[naam moeder], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [plaatsnaam],

op 15 mei 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[naam jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gezinshuisouder bij [naam gezinshuis] te [plaatsnaam 1] hierna te noemen: het gezinshuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar vertrouwenspersoon als gemachtigde, [naam gemachtigde].

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar vertrouwenspersoon als gemachtigde, [naam gemachtigde].

1     Het verloop van de procedure

1.1 Op 27 mei 2019 hebben partijen ingestemd met een bemiddelingsgesprek onder leiding van de bemiddelaar van het College. Het bemiddelingsgesprek heeft plaatsgevonden op 5 juni 2019. Daarbij zijn voorts aanwezig geweest: de betrokken jeugdbeschermer vanuit de gecertificeerde instelling [de GI], de ambulant begeleider vanuit [instelling 1] en de gemachtigde van de moeder. Op 24 juni 2019 heeft de moeder het College laten weten dat zij de klacht tegen de jeugdprofessional voortzet. Op 25 juni 2019 is de moeder op grond van artikel 7.7 van het Tuchtreglement in de gelegenheid gesteld het ingediende klaagschrift aan te passen.

1.2 Het College heeft kennisgenomen van:
– het aangepaste klaagschrift ontvangen op 8 juli 2019;
– de separaat toegestuurde geluidsopnames, inclusief transcripties en beschrijvingen, ontvangen op 8 juli 2019;
– het verweerschrift ontvangen op 9 september 2019.

1.3 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2019 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder is een tweede secretaris van het College aanwezig geweest.

1.4 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft twee minderjarige dochters. De oudste dochter is geboren in 2004 en de jongste dochter in 2006, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. Bij de oudste dochter is dyslexie vastgesteld en ook zijn kenmerken vastgesteld van ADHD en kenmerken in het autismespectrumstoornis.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de kinderen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn in 2011 gescheiden. Vanwege de echtscheidingsproblematiek wonen de kinderen sinds september 2017 niet meer bij een van de ouders. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders.

2.3 De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 april 2018 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd.

2.4 De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 september 2018 een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien verlengd.

2.5 In september 2018 zijn de jeugdprofessional en haar partner, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de gezinshuisouders, het gezinshuis gestart. Vanaf 29 december 2018 wonen de kinderen in het gezinshuis.

2.6 Op 5 maart 2019 heeft het jaarlijks evaluatiegesprek tussen de gezinshuisouders en hun contractpartners ([instelling 1] en [instelling 2]) plaatsgevonden. Uit het verslag van dat gesprek blijkt dat de samenwerking tussen de gezinshuisouders en de contractpartners tot dan toe niet goed en onduidelijk is verlopen. De jeugdprofessional heeft tijdens het gesprek het vertrouwen uitgesproken dat het goedkomt, maar dat het niet langer op de huidige manier door moet gaan. Een eerstvolgend gesprek wordt daarom binnen drie maanden gepland, op 3 juni 2019.

2.7 Op 1 mei 2019 wordt de opdrachtgever, [instelling 1], door de gezinshuisouders geïnformeerd dat zij tot de conclusie zijn gekomen niet de zorg en begeleiding te kunnen bieden die de oudste dochter nodig heeft. Op 15 mei 2019 wordt ook de GI daarover geïnformeerd. [instelling 1] en de GI achten een overplaatsing van de oudste dochter echter niet wenselijk. De oudste dochter wordt niet overgeplaatst en blijft in het gezinshuis wonen.

2.8 Op 7 mei 2019 heeft een incident plaatsgevonden tussen de jeugdprofessional en de oma (moederszijde) van de kinderen, hierna te noemen: de oma. De jeugdprofessional heeft na een discussie tweemaal tegen de oma “donder op” gezegd en haar een duw gegeven. De kinderen zijn daarbij aanwezig geweest. Van een gedeelte van het incident is een video-opname gemaakt.

2.9 Op 28 mei 2019 is de ambulant begeleider vanuit [instelling 1] in het gezinshuis langsgekomen om de situatie tussen de gezinshuisouders en de kinderen te observeren. Tussen de jeugdprofessional en de jongste dochter is vervolgens sprake van een woordenwisseling waarbij de jeugdprofessional uiteindelijk tegen haar zegt “blijf jij maar zwervend, dat gun ik je”. Van het gesprek is een geluidsopname gemaakt.

2.10 De jeugdprofessional is vanaf [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

In het klaagschrift zijn drie klachtonderdelen geformuleerd. Het is het College gebleken dat de drie klachtonderdelen te koppelen zijn aan de twee incidenten zoals verwoord onder 2.8 en 2.9 van deze beslissing. Om die reden heeft het College de drie klachtonderdelen tot twee klachtonderdelen samengevoegd. De twee klachtonderdelen worden hierna besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Haar taalgebruik en fysieke gedragingen op 7 mei 2019, hetgeen onprofessioneel is geweest.

Toelichting:
Tijdens een incident op 7 mei 2019 heeft de jeugdprofessional tegen de oma “donder op” geschreeuwd en fysiek geweld gebruikt. Ook heeft zij over/tegen de kinderen kwetsende opmerkingen opgemaakt, terwijl zij kwetsbare pubers zijn. De jeugdprofessional heeft haar geduld verloren en uit boosheid heeft zij de oma een duw gegeven. De moeder acht dit een overspannen, onprofessionele en niet pedagogische reactie. Ter onderbouwing van dit verwijt verwijst de moeder naar de meegestuurde video-opname van het incident.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de moeder nog het volgende kenbaar gemaakt. In het verweerschrift van de jeugdprofessional omschrijft deze dat oma’s verzoek op 7 mei 2019, of zij de jongste dochter kon helpen bij het afscheid nemen, haar in het verkeerde keelgat schoot. Bij aanvang van de plaatsing in het gezinshuis was echter al bekend dat de jongste dochter moeite heeft met afscheid nemen. Daarom is destijds de afspraak gemaakt dat altijd een van de gezinshuisouders de jongste dochter ondersteunt bij een afscheidsmoment. De moeder stelt zich op het standpunt dat nu de jeugdprofessional op 7 mei 2019 het heeft toegestaan dat de oma langs mocht komen, dit ook de verplichting met zich meebracht om de jongste dochter te ondersteunen bij het afscheidsmoment. De jeugdprofessional heeft dat geweigerd en daarmee de afspraak geschonden. Het doet de moeder pijn om vervolgens te moeten lezen dat het – logische – verzoek bij de jeugdprofessional in het verkeerde keelgat is geschoten.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Onder druk van de oma heeft de jeugdprofessional – tegen de afspraken in – toegelaten dat de oma in de avond na 19:30 uur mocht langskomen om nieuw gekochte kleding aan de oudste dochter te geven. Om 20:50 uur was de oma nog steeds aanwezig waarop de jeugdprofessional geïrriteerd begon te raken, er zou immers alleen ‘even’ kleding gebracht worden. Vervolgens vroeg de oma aan de jeugdprofessional of de kinderen een aantal dagen later bij haar langs konden komen. De jeugdprofessional heeft op een boze toon geantwoord en de oma verzocht weg te gaan. In reactie daarop heeft de oma een saluut gebaar gemaakt en “ai ai kapitein” geantwoord. Deze reactie heeft de jeugdprofessional als respectloos ervaren. Vervolgens zijn de oma en de kinderen naar buiten gelopen om afscheid van elkaar te nemen. Na tien minuten kwamen zij echter weer naar binnengelopen, omdat het de jongste dochter niet lukte afscheid te nemen. De jeugdprofessional werd verzocht te helpen met het afscheid. Dat is haar in het verkeerde keelgat geschoten. De regels werden genegeerd, er werd langer gebleven dan afgesproken, op de jeugdprofessional werd clownesk gereageerd en vervolgens werd haar hulp ingeroepen. De oma en de jeugdprofessional zijn in aanwezigheid van de kinderen in een discussie verzeild. De jeugdprofessional is boos geworden, omdat zij zich onheus bejegend voelde door de oma. Uiteindelijk heeft de jeugdprofessional twee keer “donder op” tegen de oma gezegd en haar bij de tweede keer een duw gegeven. Uiteindelijk heeft volgens de jeugdprofessional de politie de jongste dochter geholpen bij het afscheid nemen van de oma.
Achteraf ziet de jeugdprofessional in dat zij de oma teveel ruimte heeft gegeven waardoor zij moedwillig getriggerd is. De boze reactie is onprofessioneel, waarvoor de jeugdprofessional nogmaals haar excuses aanbiedt. De jeugdprofessional is het met de moeder eens dat zij andere woorden had moeten gebruiken. Ook had zij de oma niet moeten duwen. Op 22 mei 2019 heeft de jeugdprofessional in een telefoongesprek haar excuses aan de moeder aangeboden en dit heeft zij tijdens het bemiddelingsgesprek op 5 juni 2019 herhaald. De dag na het bemiddelingsgesprek heeft zij ook telefonisch haar excuses aan de oma aangeboden, hetgeen niet geaccepteerd werd. De jeugdprofessional heeft ter lering het incident besproken met haar individuele coach.
De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht nogmaals erkend dat zij niet professioneel heeft gehandeld, maar daarop heeft gereflecteerd en daarvan geleerd heeft. De jeugdprofessional geeft nu eerder en duidelijker haar grenzen aan.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Het College stelt uit de overgelegde video-opname vast dat de jeugdprofessional op 7 mei 2019 in reactie op de oma tweemaal de woorden “donder op” gebruikt heeft en bij de laatste keer haar een duw heeft gegeven. Ook heeft zij de kinderen “twee dramkonten” genoemd en gezegd dat de oma één van hen direct maar met haar mee moest nemen. Dit alles heeft zich afgespeeld in het bijzijn van de kinderen. De jeugdprofessional heeft het handelen erkend en heeft toegegeven dat haar optreden die dag niet professioneel is geweest. Gedurende de onderhavige procedure heeft de jeugdprofessional de omstandigheden geschetst die haar reactie heeft doen uitlokken. Wat ook van die omstandigheden zij, het College oordeelt dat het taalgebruik en de fysieke gedraging van de jeugdprofessional dermate onheus zijn geweest, dat zonder meer de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening zijn overtreden. In een situatie waar de jeugdprofessional om hulp verzocht werd, heeft zij zich onbetamelijk gedragen door zich zowel verbaal als fysiek (zeer) grof uit te laten. Deze reactie richting de oma, in het bijzijn van de kinderen, wordt de jeugdprofessional ernstig kwalijk genomen. Temeer omdat aan een gezinshuisouder de zorg over (veelal) kwetsbare kinderen wordt toevertrouwd en daarom te allen tijde een de-escalerende opstelling verwacht wordt. Het College concludeert dat de jeugdprofessional met haar optreden haar gezag en invloed niet ten positieve heeft aangewend, waardoor allereerst in strijd gehandeld is met artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional, hierna te noemen: de Beroepscode. Voorts is voldoende vast te komen staan dat de jeugdprofessional nagelaten heeft de samenwerking aan te gaan met de sociale omgeving van de kinderen, concreet zijnde met de oma, waardoor ook artikel A (jeugdige client tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode geschonden is. In dat verband wordt nog opgemerkt dat het College het bevreemdt dat de jeugdprofessional pas na het bemiddelingsgesprek, een maand na het incident, (telefonisch) haar excuses aan de oma aangeboden heeft. Van een jeugdprofessional wordt verwacht dat zij zich tijdig reflectief opstelt en uit eigen beweging excuses aanbiedt voor onbetamelijk/onheus gedrag. Tot slot acht het College het voldoende aannemelijk geworden dat de jeugdprofessional met haar optreden het vertrouwen in de jeugdhulp ernstig geschaad heeft, hetgeen strijdig is met artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode.

4.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Haar taalgebruik op 28 mei 2019, hetgeen opnieuw onprofessioneel is geweest.

Toelichting:
Tegen de jongste dochter heeft de jeugdprofessional op 28 mei 2019 gezegd dat zij haar een zwervend bestaan toewenst. Opnieuw blijkt dat de jeugdprofessional onprofessioneel en niet pedagogisch handelt. Haar woordkeuze is niet pedagogisch verantwoord. Uit dit tweede incident blijkt dat in stressvolle situaties sprake is van herhaling. Ter onderbouwing van dit verwijt verwijst de moeder naar de meegestuurde geluidsopname van de woordenwisseling.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de moeder nog aangevuld dat zij het  betreurt dat de jeugdprofessional onvoldoende blijk heeft gegeven van wat haar handelen voor invloed heeft gehad op de kinderen. De kinderen hebben daar nog steeds veel last van, hetgeen de jeugdprofessional zich onvoldoende realiseert, althans zij geeft daar onvoldoende blijk van.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Aangezien al langere tijd sprake was van ruzies in het gezinshuis, hebben de gezinshuisouders aan hun contractpartners kenbaar gemaakt dat zij steun nodig hadden. Daarop was besloten dat de ambulante begeleider vanuit [instelling 1] zou komen eten op 28 mei 2019, zodat hij de situatie kon observeren en onderzoeken waar ruimte voor veranderingen mogelijk was. Volgens de jeugdprofessional gedroegen de kinderen zich tijdens het bezoek bijzonder vreemd en provocerend. De jongste dochter maakte kenbaar dat de gezinshuisouders verantwoordelijk waren voor de gezelligheid in het gezinshuis en dat zij de problemen moesten oplossen, zij nam geen enkele verantwoordelijkheid. De jeugdprofessional reageerde daarop dat ze het op die manier in het gezinshuis niet met de kinderen wilde, waarop de jongste dochter vroeg of ze uit het gezinshuis weg mocht gaan. De jeugdprofessional werd onaangenaam verrast door deze reactie en was inmiddels geïrriteerd door het onredelijke gedrag en de weerstand. Deze omstandigheden maakten dat de jeugdprofessional vervolgens tegen de jongste dochter heeft gezegd “blijf jij maar zwervend, dat gun ik je”.
Achteraf is de jeugdprofessional door de ambulante begeleider aangesproken op de opmerking richting de jongste dochter, hetgeen hij stellig afkeurde. De jeugdprofessional erkende dat hij gelijk had en heeft toegegeven dat zij zich door de jongste dochter op de kast heeft laten jagen. Zij heeft in een gesprek met de jongste dochter haar excuses aangeboden en begrip uitgesproken voor haar wens om het gezinshuis te verlaten.
Op 3 juni 2019 heeft de directeur van [instelling 1] haar ongenoegen richting de jeugdprofessional uitgesproken over de gedane uitspraak. Op 6 juni 2019 is daarom afgesproken dat een systeemtherapeut een aantal systeemgesprekken met de gezinshuisouders zou voeren en dat de ambulante begeleider frequenter in het gezinshuis aanwezig zou gaan zijn. Afhankelijk van de uitkomst van dat traject zou worden besloten of de samenwerking met het gezinshuis zou worden voortgezet. Op 24 juli 2019 is het traject positief afgerond. Het contact met de systeemtherapeut is blijven bestaan om zowel de kinderen en de ontwikkelingen binnen het complexe gezinssysteem goed te kunnen monitoren en te begeleiden. In september 2019 heeft de jeugdbeschermer van de GI kenbaar gemaakt dat hij tevreden is over hoe de gezinshuisouder(s) na de incidenten de veiligheid van de kinderen hebben gewaarborgd, met extra hulp voor het gezinssysteem, de kinderen en de individuele gezinshuisouder(s).
Concluderend laat de jeugdprofessional weten dat het haar spijt dat zij zich tweemaal heeft laten provoceren. Inmiddels zoekt zij samen met haar partner en de contractpartners naar mogelijkheden om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen en de sfeer in het gezinshuis te verbeteren. De gezinshuisouders hebben zich altijd ingezet om met beide ouders tot een constructieve samenwerking te komen en het wordt dan ook betreurd dat zij onderdeel van een complexe echtscheiding zijn geworden.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
Het College stelt uit de overgelegde geluidopname vast dat de jeugdprofessional op 28 mei 2019 na een woordenwisseling over de verblijfplaats van de jongste dochter tegen haar gezegd heeft “blijf jij maar zwervend, dat gun ik je”. Ook dit heeft de jeugdprofessional erkend en wederom toegegeven niet professioneel gereageerd te hebben. Opnieuw heeft de jeugdprofessional in deze procedure de omstandigheden geschetst wat heeft geleid tot haar handelen. Samengevat stelt zij zich op het standpunt dat de jongste dochter haar op de kast heeft gejaagd en zich provocerend heeft opgesteld. Door de wijze waarop de jeugdprofessional verweer heeft gevoerd, heeft het College zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat de jeugdprofessional de schuld buiten zichzelf probeert te leggen. Het College wijst daarom ten eerste op de eigen verantwoordelijkheid van een jeugdprofessional om onder alle omstandigheden boven dergelijk gedrag te (kunnen) staan. In dat verband wordt verwezen naar de richtlijn “Richtlijn Problematische gehechtheid voor jeugdhulp en jeugdbescherming” waarin “voor alle professionele opvoeders” de eerste aanbeveling op pagina 3 als volgt luidt: “1. reageer invoelend en voorspelbaar op de jeugdige die aan je zorg is toevertrouwd. Zo kan de jeugdige een veilige gehechtheidsrelatie opbouwen.” Het College oordeelt dat de opmerking van de jeugdprofessional richting de jongste dochter geenszins een invoelbare en voorspelbare reactie is geweest en acht de reactie in alle opzichten ongepast en kwetsend. Doordat zij zich op dusdanige wijze heeft uitgelaten richting de jongste dochter, heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College artikel E (respect) van de Beroepscode geschonden. Ook met deze uitlating heeft de jeugdprofessional in strijd gehandeld met artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode. Zij heeft immers haar gezag en invloed niet ten positieve aangewend, en wederom is met dit optreden het vertrouwen in de jeugdhulp ernstig geschaad.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.3 Conclusie

4.3.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot beide klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft zich zowel fysiek als verbaal onheus gedragen richting de oma, in het bijzijn van de kinderen. Ook heeft de jeugdprofessional een ongepaste en kwetsende opmerking gemaakt richting de jongste dochter. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met de artikelen A (jeugdige client tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), E (respect), en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode.

4.3.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. Allereerst wordt het de jeugdprofessional ernstig kwalijk genomen dat zij zich tot tweemaal toe op dergelijk ongepaste wijze heeft uitgelaten, richting of in het bijzijn van de kinderen. Dergelijke gedragingen passen geenszins binnen de structuur van een veilig leef- en opvoedklimaat, hetgeen een gezinshuis hoort te bieden. Het College heeft echter ook oog voor de kwetsbare en complexe positie van een gezinshuisouder. Van een gezinshuisouder wordt verwacht dat zij volgens het 24×7-principe opvoeding, ondersteuning en zorg bieden aan bij hen geplaatste (kwetsbare) kinderen. Als gevolg van het 24×7 beschikbaarheidsprincipe is het voor een gezinshuisouder niet mogelijk ‘even’ uit de situatie te stappen. De functie van een gezinshuisouder mag dan ook niet onderschat worden. Daarnaast is de jeugdprofessional pas sinds kort – samen met haar partner – het gezinshuis gestart en hebben zij in mei 2019 aan de contractpartners kenbaar gemaakt dat zij niet de benodigde zorg voor de oudste dochter konden bieden. Ook is na het tweede incident, in overleg met de contractpartners, een verbetertraject ingezet, inhoudende dat systeemtherapie is ingezet en dat de ambulante begeleider frequent in het gezinshuis aanwezig is (geweest). Ook is de jeugdprofessional in maart 2019 met een LVSC supervisietraject gestart van tien tot twaalf gesprekken van één tot anderhalf uur met als doel te reflecteren op het verder ontwikkelen van haar professioneel gezinshuisouderschap. Dat dit traject gevolgd (en afgerond) wordt, onderschrijft het College. In dat verband wordt gewezen op de noodzaak van continue reflectie op de balans tussen draagkracht en draaglast, temeer omdat de in het gezinshuis geplaatste kinderen in grote mate afhankelijk zijn van de vitaliteit en veerkracht van de gezinshuisouder(s). Dit vormt volgens het College een leerpunt voor de jeugdprofessional en het College gaat ervan uit dat de twee incidenten en dit oordeel bijdragen aan een verdere bewustwording daarover. Concluderend acht het College het gelet op de ernst van het handelen passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen. Het openbaar maken van de maatregel van berisping zou met zich mee brengen dat deze maatregel, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanwege de geschetste (verzachtende) omstandigheden ziet het College voldoende aanleiding om daarvan af te zien. Aan de jeugdprofessional wordt dan ook de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen 1 en 2 gegrond;
– legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 9 december 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris