Maak een selectie

408 van 408

   

Een contactbegeleider heeft het eindverslag op bepaalde punten onvoldoende evenwichtig opgesteld. Daarnaast zijn in het eindverslag afspraken geformuleerd die niet schriftelijk en in overleg met de betrokkenen zijn opgesteld.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw S.M.C. Bremmer-van de Kooij, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[de vader], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 3 juni 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als contactbegeleider bij [instelling], hierna te noemen: [instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn vertrouwenspersoon als gemachtigde, [gemachtigde].

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, mevrouw mr. C.G. Versteeg, advocaat te Bussum.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:
– het aangepaste klaagschrift ontvangen op 28 juni 2019;
– het verweerschrift ontvangen op 20 augustus 2019.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder is een tweede secretaris van het College aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een minderjarige zoon. De zoon is geboren in 2014.

2.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de zoon, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2018 uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. Op dit moment is er geen zorg- en contactregeling tussen de vader en de zoon. De zoon verblijft bij de moeder.

2.3 Op 18 juni 2018 heeft de moeder de vader verlaten, zij en de zoon verblijven dan een aantal dagen op een acute opvang. Op 25 juni 2018 zijn zij naar de [naam opvang] [plaatsnaam] ([naam opvang]) gegaan.

2.4 Op 2 augustus 2018 heeft de Intensief Ambulante Gezinsbehandelaar (de IAG-medewerkster) vanuit de [naam opvang] het gezin per e-mailbericht bij [instelling] aangemeld voor het traject [traject 1]. Bij dit traject wordt onder begeleiding toegewerkt naar duurzaam en veilig contact(herstel) tussen ouder en kind. Op het aanmeldformulier van de [naam opvang] d.d. 11 juli 2018 is de hulpvraag als volgt geformuleerd: “Opvoedondersteuning in de thuissituatie in verband met een verleden van huiselijk geweld.”

2.5 Op 5 september 2018 heeft een oriënterend gesprek plaatsgevonden tussen de jeugdprofessional en de ouders, ieder afzonderlijk, om te bezien of [traject 1] kon gaan starten. Bij deze gesprekken was de aanmelder, de IAG-medewerkster, ook aanwezig. Tijdens de gesprekken is besloten om te starten met [traject 1] en besproken dat als tweede aanbod het traject Ouderschap Blijft passend zou zijn. In overleg met de ouders is besloten om het oriënterend gesprek om te zetten in het startgesprek voor [traject 1].

2.6 Tussen de vader en de zoon hebben vier begeleide contactmomenten plaatsgevonden: op 17 september, 24 september, 1 oktober en 8 oktober 2018. De jeugdprofessional heeft deze contactmomenten begeleid. Voorafgaand aan ieder contactmoment heeft een voorgesprek tussen de jeugdprofessional en de vader plaatsgevonden. Het verloop van de contactmomenten is na ieder contactmoment ook geëvalueerd.

2.7 De vader heeft in de periode van september tot en met november 2018 in vele e-mailberichten zijn onvrede over de inhoud en het verloop van de begeleide contactmomenten geuit. Deze e-mailberichten waren onder meer gericht aan de jeugdprofessional. Naar aanleiding van het taalgebruik in/de toonzetting van deze e-mailberichten heeft de directeur van [instelling] op 22 oktober 2018 aan de vader in een e-mailbericht kenbaar gemaakt dat – samengevat – een grens is overschreden en dat [instelling] op dergelijke e-mailberichten niet meer zal reageren.

2.8 Op 8 en 9 oktober 2018 is er in een multidisciplinair overleg (MDO) besloten om de hulpverlening aan het gezin in de vorm van [traject 1] te stoppen en een zorgmelding te doen bij Veilig Thuis. De ouders zijn daarover op 11 oktober 2018 per e-mailbericht geïnformeerd.

2.9 Op 11 oktober 2018 heeft de jeugdprofessional een zorgmelding bij Veilig Thuis gedaan. Veilig Thuis heeft nadien besloten om [naam GI] (hierna te noemen: de GI) in het drangkader als regievoerder voor het gezin aan te wijzen.

2.10 Op 16 oktober 2018 worden de ouders uitgenodigd voor een eindgesprek om het eindverslag te bespreken. De vader heeft kenbaar gemaakt daarvan geen gebruik te willen maken. Op 22 oktober 2018 is het concept eindverslag naar de ouders per e-mailbericht toegezonden. De aanvullingen op het eindverslag van de vader, alsook van de moeder, zijn aan het eindverslag toegevoegd.

2.11 Op 30 oktober 2018 stond een warme overdracht tussen de GI en [instelling] gepland. De vader is op deze afspraak niet verschenen, omdat het voor hem niet duidelijk was dat hij daarvoor uitgenodigd was. De opnieuw geplande overdracht, op 1 november 2018, is niet doorgegaan omdat de GI kenbaar maakte niet akkoord te gaan met de door de vader vooraf gestelde voorwaarde.

2.12 Op 29 november 2018 is, op verzoek van de vader, het dossier omtrent [traject 1] aan hem toegezonden.

2.13 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde elf klachtonderdelen worden besproken en beoordeeld. Het is het College gebleken dat klachtonderdelen 2 en 3 samenhang en/of overlap hebben, beide klachtonderdelen gaan over het startgesprek van 5 september 2018. Zoals tijdens de mondelinge behandeling van de klacht met partijen besproken, heeft het College de bespreking en beoordeling van deze klachtonderdelen samengenomen. Deze klachtonderdelen zullen gezamenlijk beoordeeld worden onder 4.2 van deze beslissing. Ook klachtonderdelen 6 en 7 neemt het College samen, omdat deze gaan over het beëindigen van het traject. Onder 4.5 van deze beslissing worden deze twee klachtonderdelen samen beoordeeld. De overige klachtonderdelen worden afzonderlijk besproken en beoordeeld. De klachtonderdelen en het verweer worden samengevat en zakelijk weergegeven. Daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.
Het volgende is nog van belang. De vader heeft zijn elf klachtonderdelen in een toegevoegde bijlage zeer uitgebreid toegelicht. In deze toelichting staan meer en andersluidende verwijten dan de elf geformuleerde klachtonderdelen. Zoals reeds op 9 juli 2019 per e-mailbericht aan partijen kenbaar is gemaakt, laat het College zich in deze procedure alleen uit over de elf klachtonderdelen die op het digitale klaagschrift geformuleerd en toegelicht zijn. Het is immers niet aan het College om uit de aangeleverde stukken zelf klachtonderdelen, en de onderbouwing daarvan, te formuleren. Het College wijst in dit verband naar hetgeen het College van Beroep heeft overwogen in beslissing 17.028B, d.d. 12 april 2018, in overweging 3.3.10.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Insinuerende en negatief beeldvormende geschriften in omloop brengen.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft de rechtsgang en de sociale hulpverlening op het verkeerde been gezet door aanbevelingen en conclusies te schrijven welke weinig tot geen onderbouwing kennen. Dit heeft desastreuze gevolgen gehad. Bovendien stroken haar verslaglegging en andere stukken nauwelijks met de waarneming zoals zij heeft beschreven. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat in het eindverslag geconcludeerd wordt dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, terwijl de onderbouwing daarvoor ontbreekt. Ook komen de waargenomen positieve zaken tussen de vader en zoon niet terug in het eindverslag. Bijvoorbeeld dat de vader en zoon elkaar omhelzen, dat de zoon veel vertelt aan de vader en dat de vader daarbij goed aansluit. Deze zaken zijn wel omschreven in de contactjournaals van de contactmomenten van de jeugdprofessional, maar komen niet terug in het eindverslag. Het gevolg daarvan is langdurige oudervervreemding.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft zorgvuldig en professioneel, met respect voor beide ouders gehandeld, ook ten aanzien van de verslaglegging. Zij heeft niet bewust aangestuurd op een contactbreuk, integendeel. Bij de begeleiding van de vader heeft de jeugdprofessional steeds opnieuw geprobeerd uit te leggen wat er van hem als ouder in het belang van zijn zoon werd verwacht. Ondanks meerdere pogingen, bleek het voor de vader na vier contactmomenten niet mogelijk voldoende mee te werken. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional aangevoerd dat zij na de contactmomenten met de vader heeft besproken wat positief verliep alsook de situaties waar zij zich zorgen over maakte. De vader bleek niet tot nauwelijks open te staan voor feedback, omdat hij van mening was dat hij in het belang van de zoon handelde en geen begeleide omgang nodig had. Naar mate de contactmomenten vorderden, nam de jeugdprofessional meer situaties waar die zij niet in het belang van de zoon achtte. Zij achtte het noodzakelijk, in het belang van de zoon, om deze situaties in het eindverslag te omschrijven.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Op grond van de toelichting van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) dient verslaglegging en dossiervorming conform de beroepsstandaard plaats te vinden. Hier vloeit naar het oordeel van het College onder meer uit voort dat verslaglegging evenwichtig wordt opgesteld. Specifiek in deze casus houdt dat in dat zowel positieve als opbouwende aspecten van de begeleide contactmomenten tussen de vader en de zoon omschreven worden, zodat een volledig beeld kan ontstaan van de waarnemingen van de jeugdprofessional gedurende de contactmomenten.
Voor wat betreft de verslaglegging wordt de jeugdprofessional samengevat verweten dat zij in het eindverslag ongefundeerd concludeert dat in het verleden huiselijk geweld heeft plaatsgevonden en dat de positieve zaken, die door haar gedurende de contactmomenten zijn waargenomen, niet zijn opgenomen. Voor wat betreft de passage over het huiselijk geweld, overweegt het College als volgt. In het eindverslag is onder het kopje “Verloop van de aanmelding bij [instelling]” onder meer vermeld dat vanuit de voorinformatie vanuit de [naam opvang] duidelijk werd dat sprake is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders, waarvan de zoon getuige is geweest. Het College overweegt dat het noodzakelijk is dat een dergelijke aantijging (zeer) genuanceerd geformuleerd wordt. In de formulering op het aanmeldformulier, zoals opgenomen onder 2.4 van deze beslissing, staat allereerst niet vermeld dat de zoon aanwezig is geweest bij het huiselijk geweld. Ten tweede is het voldoende duidelijk geworden dat de vader een andere visie heeft op wat al dan niet in het verleden heeft plaatsgevonden, hetgeen gedurende het traject ook meermaals aan de jeugdprofessional kenbaar is gemaakt. Teneinde een evenwichtig verslag op te stellen, had het volgens het College op de weg van de jeugdprofessional gelegen om in het eindverslag ook de visie van de vader over het huiselijk geweld op te nemen.
Ten aanzien van het ontbreken van positieve waarnemingen in het eindverslag, overweegt het College als volgt. Uit de overgelegde contactjournaals stelt het College vast dat de jeugdprofessional meerdere positieve aspecten tijdens de begeleide contactmomenten heeft waargenomen. Zo is over het eerste contactmoment in het contactjournaal onder meer het volgende opgenomen: “Bij binnenkomst rende [de zoon] op zijn vader af en er volgde een omhelsing. [De zoon] nodigde vader meteen uit om samen in de keuken te spelen. [De zoon] vertelt veel over wat hij aan het doen is tijdens het spelen en vader sluit daar goed bij aan. Het samen spelen zag er goed en ontspannen uit. Vader en zoon lachten veel. Bij het afscheid had [de zoon] het moeilijk. Hij begon te huilen en liet zich troosten door vader.” In de contactjournaals over het derde en vierde contactmoment is onder meer het volgende opgenomen: “[De zoon] wil direct naar vader en laat zich knuffelen door vader”, Vader en [de zoon] hebben samen gebouwd in de kleine ruimte. Ze hebben samen een soort van Efteling gemaakt en vader helpt hem hier goed bij. Hij geeft hem complimenten en stimuleert hem om het zelf te doen.” Het College is van oordeel dat deze positieve waarnemingen in het eindverslag onvoldoende terugkomen. In het eindverslag is volstaan met een korte positieve beschrijving van de ontvangst tussen de vader en de zoon. Daarnaast is over het verloop van de contactmomenten in positieve zin slechts opgenomen dat de zoon blij was om zijn vader te zien en dat er samen veel gespeeld was met het bouwmateriaal. Daarentegen wordt in het eindverslag (zeer) uitgebreid stilgestaan bij de situaties die volgens de jeugdprofessional niet in het belang van de zoon zijn geweest. Het College merkt op dat de jeugdprofessional in haar standpunt gevolgd wordt dat het noodzakelijk is dat dergelijke waarnemingen in het eindverslag worden opgenomen. Wanneer er echter voor wordt gekozen om dergelijke waarnemingen in het eindverslag uitvoerig te beschrijven, dienen waargenomen positieve aspecten ook uitgebreider beschreven te worden. Te meer gelet op de inhoud van de hiervoor beschreven contactjournaals.
Het College is van oordeel dat het eindverslag onvoldoende evenwichtig is opgesteld voor wat betreft de passage over het huiselijk geweld en omdat de waargenomen positieve aspecten gedurende de contactmomenten onvoldoende beschreven zijn. Dit maakt dat de jeugdprofessional in strijd gehandeld heeft met artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het voert volgens het College echter te ver om te concluderen dat de jeugdprofessional insinuerende en negatief beeldvormende geschriften in omloop heeft gebracht, zoals het klachtonderdeel luidt. Het College verklaart het klachtonderdeel daarom gedeeltelijk gegrond, namelijk voor wat betreft de onevenwichtige verslaglegging.

4.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat het eindverslag onevenwichtig is opgesteld. Voor het overige verklaart het College het klachtonderdeel ongegrond.

4.2 Klachtonderdelen 2 en 3

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Liegen en daarmee het vertrouwen in de jeugdzorg ernstig schaden (klachtonderdeel 2). De vader is onder druk gezet en onder valse voorwendselen overgehaald akkoord te gaan met [traject 1]/begeleid contact en is daardoor voor het blok gezet (klachtonderdeel 3).

Toelichting:
Het besluit dat [traject 1] het beste traject zou zijn, is niet, zoals de jeugdprofessional stelt, tot stand gekomen in samenspraak met de ouders. De informatie over hoe de daadwerkelijke aanmelding heeft plaatsgevonden, wordt tot op heden onthouden. De vader is op 5 september 2018 tijdens het startgesprek voor het blok gezet. Hij kon meewerken met het traject of het zou nog langer duren voordat hij zijn zoon kon zien. Tevens heeft de jeugdprofessional gelogen over dat tijdens het startgesprek de-escalatie afspraken zijn gemaakt. Deze afspraken zijn niet gemaakt, maar vervolgens stelt de jeugdprofessional wel in het eindverslag dat de vader de “gemaakte” afspraken niet nakomt. Daaraan wordt gekoppeld dat de jeugdprofessional de veiligheid van de zoon tijdens de begeleide contactmomenten niet kon waarborgen en is het traject [traject 1] beëindigd. Bovendien heeft de jeugdprofessional tijdens het startgesprek op meerdere vlakken gelogen. Ter onderbouwing van dat verwijt draagt de vader in de toelichting op klachtonderdeel 2 vier voorbeelden aan.
In klachtonderdeel 3 wordt nader toegelicht dat de jeugdprofessional tijdens het startgesprek valse hoop en verwachtingen bij de vader heeft gecreëerd. Zo heeft de jeugdprofessional beweerd niet bevooroordeeld te zijn door het verblijf van de moeder op de [naam opvang] en dat zij casussen heeft meegemaakt waarbij het na twee contactmomenten al duidelijk was dat begeleid contact niet in het belang van het kind zou zijn. Desondanks weigerde de jeugdprofessional het traject te stoppen met als reden dat zij gehoord had dat huiselijk geweld had plaatsgevonden. Het traject zou ook de plek zijn om te laten zien dat niks mis was met het contact tussen de vader en de zoon, terwijl na vier contactmomenten het traject beëindigd is, met de insinuatie dat de vader de zoon in gevaar zou brengen.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Na uitleg over de inhoud van het traject [traject 1], is in overleg met de ouders besloten het traject op te starten, daar had [instelling] niets mee van doen. Ten onrechte stelt de vader dan ook dat hij gedwongen is deel te nemen aan het traject. Zoals herhaaldelijk aan de vader uitgelegd betreft het een vorm van vrijwillige hulpverlening.  De vader heeft vervolgens, steeds vrijwillig, deelgenomen aan de vier begeleide contactmomenten. Er is geen sprake geweest van liegen.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional erkend dat de in het eindverslag opgenomen de-escalatie afspraken niet als zodanig met de vader zijn besproken, althans in ieder geval niet schriftelijk aan hem zijn bevestigd. Inmiddels is de werkwijze bij [instelling] daarop aangepast en krijgen cliënten na het startgesprek een aanmeldformulier toegestuurd. Daarin worden onder meer gemaakte afspraken en de doelen van het traject opgenomen.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
Het College merkt allereerst op dat het standpunt van de vader niet gedeeld wordt dat hij onder druk gezet is om [traject 1] te laten starten. Voor alle partijen lag in september 2018 de prioriteit bij het herstellen van het contact tussen de vader en zijn zoon. In overleg met de ouders is dan ook op 5 september 2018 besloten dat [traject 1] daarvoor het best passende traject was. Van een andere aanmelding dan het e-mailbericht van 2 augustus 2019, zoals de vader stelt, is het College niet gebleken. Het is voor het College dan ook niet duidelijk geworden of de ouders al dan niet in eerste instantie zijn aangemeld voor Ouderschap Blijft, hetgeen de vader heeft aangevoerd. Voor wat betreft het traject [traject 1] geldt in ieder geval dat het een vrijwillig traject is waardoor het niet gestart had kunnen worden zonder toestemming van beide ouders.
Voor wat betreft de al dan niet gemaakte (de-escalatie) afspraken in het startgesprek, is daarover in het eindverslag het volgende opgenomen onder het kopje “Situatieschets aanmelding [traject 1]”: “Gemaakte afspraken vanuit het startgesprek: – Ouders hebben geen contact met elkaar tijdens het [traject 1] traject. Dit is om een eventuele escalatie tussen ouders te voorkomen. – [De zoon] wordt niet belast met de spanningen tussen ouders – Het contact wordt begeleid totdat de contactbegeleider een professionele inschatting heeft gemaakt dat het niet langer begeleid hoeft te worden – Na [traject 1] zal worden gestart met Ouderschap Blijft om te werken aan de communicatie tussen ouders en zullen verder afspraken gemaakt worden rondom de verloop van de zorg en het contact.” De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat zij in de veronderstelling was dat de doelstelling van het traject en de gemaakte afspraken voor alle betrokkenen helder waren. Ook heeft zij toegelicht dat tijdens het startgesprek tenminste één afspraak gemaakt is, namelijk dat zij de zoon zowel voor als na de contactmomenten naar de moeder zou brengen zodat er tussen de ouders geen contact zou zijn. De vader heeft daarop tijdens de mondelinge behandeling gereageerd dat hij het had begrepen alsof deze afspraak alleen voor het eerste omgangsmoment zou gelden. Ten aanzien van de andere gemaakte afspraken, heeft de jeugdprofessional aangevoerd dat bij de aanmelding van 2 augustus 2018 in het e-mailbericht is opgenomen dat de ouders op dat moment er niet aan toe waren om samen in gesprek te gaan. Dat standpunt van de moeder is ook één van de redenen geweest waarom voorgesteld werd om met [traject 1] te starten en vanuit daar toe te werken naar Ouderschap Blijft. De jeugdprofessional heeft met deze verklaringen inzichtelijk gemaakt wat voor haar de grondslagen waren van de in het eindverslag geformuleerde afspraken. De jeugdprofessional heeft echter erkend dat deze afspraken nooit schriftelijk aan de vader zijn teruggekoppeld. Het College overweegt dat het niet schriftelijk – en in overleg – vaststellen van deze afspraken (en de doelstelling van het traject) met zich meebrengt dat het voor de betrokkenen, in het bijzonder de vader, heeft ontbroken aan helderheid over het traject, en daardoor ook aan handvatten en structuur. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional onvoldoende met de vader in overeenstemming is gekomen voor wat betreft de in het eindverslag geformuleerde afspraken en acht artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden. Het voert volgens het College echter ook met betrekking tot deze klachtonderdelen te ver om te concluderen dat de jeugdprofessional heeft gelogen, evenmin dat de vader onder valse voorwendselen overgehaald is akkoord te gaan met het traject, zoals de klachtonderdelen luiden. Tot slot voor wat betreft de overige verwijten in deze klachtonderdelen is gebleken dat partijen van visie verschillen over hetgeen al dan niet heeft plaatsgevonden. Het College is van oordeel dat de door de vader gestelde verwijten onvoldoende feitelijk onderbouwd zijn, waardoor voor het overige de klachtonderdelen niet gegrond worden bevonden. De feiten die ten grondslag liggen aan de verwijten, kunnen immers niet worden vastgesteld. De klachtonderdelen worden dan ook gedeeltelijk gegrond verklaard.

4.2.4 Het College verklaart de klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond, namelijk voor zover de verwijten betrekking hebben op de in het eindverslag geformuleerde afspraken. Voor het overige verklaart het College de klachtonderdelen ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel 4

4.3.1. De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Belangrijke informatie achterhouden.

Toelichting:
Over drie zaken heeft de jeugdprofessional informatie achtergehouden. Over het verloop van de aanmelding, over informatie waarop zij haar conclusies baseert dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden en over de overleggen waarin besloten is het traject te beëindigen. Ondanks vele verzoeken ontbreken deze stukken nog altijd in het dossier. Ten aanzien van het overleg met collega’s heeft de vader tijdens de mondelinge behandeling van de klacht nog toegelicht dat over het MDO van 8 oktober 2018 slechts een korte passage in het dossier terug te vinden is. Daaruit valt af te leiden dat dit overleg spontaan ’s avonds na het contactmoment van 8 oktober 2018 tot stand is gekomen. De vader trekt dan ook in twijfel dat het besluit om te stoppen weloverwogen en in collegiaal overleg tot stand is gekomen.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Er is geen sprake van achterhouden van informatie. Op zijn verzoek is aan de vader op 29 november 2018 alle informatie en het volledige dossier toegezonden. Zoals aan de vader en tevens aan zijn advocaat is bericht, zijn er geen andere stukken.
De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat met de ouders was afgesproken dat naar aanleiding van het verloop van [traject 1] zou worden toegewerkt naar Ouderschap Blijft. Tijdens het begeleiden van de contactmomenten bleek echter dat de vader onvoldoende kon meewerken aan wat de jeugdprofessional in het belang van de zoon van hem verwachtte. De jeugdprofessional had meermaals haar zorgen geuit richting de vader, maar hij is onvoldoende in staat geweest op zijn eigen handelen te reflecteren. Tijdens het afscheid van het contactmoment van 8 oktober 2018 hield de vader zich voorts niet aan de afspraak dat hij met de moeder geen contact zou hebben, omdat hij bij het hek is gaan staan waar de moeder en de zoon samen langs zouden lopen. De jeugdprofessional heeft toen direct met de vader besproken dat de situatie voor de zoon verwarrend was en zijn (emotionele) veiligheid daardoor niet gewaarborgd kon worden. Aan de vader is kenbaar gemaakt dat zij intern zou overleggen of [traject 1] nog vervolgd kon worden. Dezelfde dag heeft de jeugdprofessional met twee gedragswetenschappers de casus besproken en is geconcludeerd dat [traject 1] beëindigd zou worden. Tijdens het MDO van 9 oktober 2018 is vervolgens besproken op welke wijze de ouders daarover geïnformeerd zouden worden en welke vervolgstappen gezet zouden worden.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:
De jeugdprofessional wordt allereerst verweten dat zij informatie heeft achtergehouden voor wat betreft de aanmelding. Het College verwijst naar het eerste gedeelte van het oordeel ten aanzien van klachtonderdelen 2 en 3 onder 4.2.3 van deze beslissing. Het College laat dit verwijt dan ook buiten beschouwing, omdat daarover reeds geoordeeld is dat van een andere aanmelding dan het e-mailbericht van 2 augustus 2018 niet gebleken is.
Ten tweede voor wat betreft de informatie waarop de jeugdprofessional haar conclusie baseert dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, overweegt het College als volgt. Het is voldoende duidelijk geworden dat deze informatie is overgenomen uit het aanmeldformulier van de [naam opvang]. Over de wijze waarop deze informatie is opgenomen in het eindverslag, is reeds een oordeel gegeven ten aanzien van klachtonderdeel 1 onder 4.1.3 van deze beslissing. Ook dit verwijt laat het College daarom in dit klachtonderdeel buiten beschouwing.
Tot slot wordt de jeugdprofessional verweten dat zij informatie heeft achtergehouden over zowel het MDO van 8 oktober 2018 als die van 9 oktober 2018. Het College overweegt dat de jeugdprofessional op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet verplicht is een dossier in te richten met betrekking tot de verlening van jeugdhulp, dat geldt slechts voor zover dat voor een goede hulpverlening aan de betrokkenen noodzakelijk is. Daar waar de vader stelt dat de jeugdprofessional informatie heeft achtergehouden met betrekking tot het besluit om het traject te beëindigen, heeft de jeugdprofessional een eigen afweging te maken welke informatie noodzakelijk in het belang van de goede hulpverlening is om in het dossier op te nemen. Het College overweegt dat in het dossier zowel het contactmoment van 8 oktober 2018, het daaropvolgende MDO en het MDO van 9 oktober 2018 is opgenomen. De beweegredenen waarom het traject gestopt werd, staan beschreven in het contactmoment van 8 oktober 2018. Ook de uitkomsten van de twee overleggen staan beschreven. Van het achterhouden van informatie is het College dan ook niet gebleken en de vader heeft onvoldoende aangevoerd welke noodzakelijke informatie in het dossier ontbreekt rondom de afsluiting van het traject. De jeugdprofessional kan geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.

4.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 5

4.4.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Met valse voorwendselen en insinuaties over de veiligheid van de zoon [traject 1] beëindigen en bewust vrijwel alle positieve waarnemingen verzwijgen.

Toelichting:
Het traject is op valse gronden beëindigd. Voorts is in het verslag van de jeugdprofessional niks opgenomen over de woorden die zij en de vader hebben gehad. Dit is volgens de vader de reden dat [traject 1] is beëindigd. Er staat opgenomen dat de vader zich niet laat coachen. Overigens is dit correct, maar daarbij dient te worden opgemerkt dat ook geen enkele reden bestond waarom de vader coaching nodig zou hebben. Tijdens de intake heeft de vader dat al aangegeven en daarover gezegd: “als jij tips hebt waardoor ik van de prima vader die ik reeds bewezen ben een nóg betere vader kan worden, dan hoor ik deze graag van je. Maar ik zal zelf beslissen of ik jouw tips ter harte neem of niet.” Tevens heeft de vader aangegeven dat het enige doel van het traject voor hem was om zijn zoon weer even te zien. Ter onderbouwing van het verwijt dat de jeugdprofessional vrijwel al haar positieve waarnemingen in het verslag heeft verzwegen, verwijst de vader naar de aantekeningen van de jeugdprofessional over het verloop van de contactmomenten. Hierin staat bijvoorbeeld opgenomen dat de zoon bij binnenkomst zonder enige aarzeling bijna in tranen direct op de vader afrende en hem knuffelde.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional kan zich goed voorstellen dat de vader veel moeite had met het feit dat hij zijn zoon zo lang niet had gezien, en daarna alleen onder begeleiding. Ook voor zijn mailverkeer heeft de jeugdprofessional tot op zekere hoogte begrip gehad. Zij heeft steeds geprobeerd de vader uit te leggen wat van hem als ouder in het belang van zijn zoon verwacht werd. De jeugdprofessional stelt dat zij zorgvuldig en professioneel, met respect voor beide ouders heeft gehandeld. Zowel ten aanzien van de inhoud van de verslaglegging en de beëindiging van de hulpverlening.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft het verwijt dat het in het eindverslag ontbreekt aan positieve waarnemingen, verwijst het College naar het oordeel ten aanzien van klachtonderdeel 1 onder 4.1.3 van deze beslissing. Het College laat dat verwijt dan ook buiten beschouwing, omdat daarover reeds geoordeeld is.
Ook wordt de jeugdprofessional verweten dat zij op valse gronden [traject 1] beëindigd heeft. Het College volgt de vader niet in dat standpunt en overweegt daartoe als volgt. De jeugdprofessional heeft voldoende inzichtelijk gemaakt wat de gronden zijn geweest waarop zij – in overleg met haar collega’s – heeft besloten om [traject 1] te beëindigen. Het College verwijst daarvoor naar het verweer zoals aangevoerd tegen klachtonderdeel 4 onder 4.3.2 van deze beslissing. Zoals gebleken zijn de beweegredenen om het traject te stoppen ook in het dossier opgenomen, en wel onder het contactmoment van 8 oktober 2018 en het MDO van gelijke datum. Daarnaast is de vader blijkens het dossier per e-mailbericht van 11 oktober 2018 over dat besluit afdoende geïnformeerd. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in overeenstemming van artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode.

4.4.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.5 Klachtonderdelen 6 en 7

4.5.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Zij heeft geweigerd [traject 1] op een passende wijze te beëindigen zodra de doelen van het traject behaald waren. Bovendien kon hierdoor het door de rechter opgelegde traject van Ouderschap Blijft niet starten (klachtonderdeel 6). Het ontnemen van de mogelijkheid om zelf tot oplossingen te komen, ondanks het feit dat beide ouders daartoe zeer bereid waren (klachtonderdeel 7).

Toelichting:
De algemene doelen van [traject 1] zijn beschreven als: herstel van het contact tussen ouder en kind en herstel van de gehechtheidsrelatie. De ouders hebben voortdurend aangegeven dat zij Ouderschap Blijft wilden volgen om zelf tot goede oplossingen te komen. De algemene doelen van [traject 1] waren reeds bereikt. De jeugdprofessional heeft deelname aan Ouderschap Blijft echter onmogelijk gemaakt door te stellen dat de vader niet naar haar luistert en zelf eerst hulp moet zoeken alvorens een ander traject kan beginnen. Deze aanbeveling is ook overgenomen door de rechter. De vader is inmiddels vier psychologen verder die allen zeggen hem niet te kunnen helpen waardoor de ouders en de zoon tot op heden in een onmogelijke impasse zitten. Dit nog altijd zonder dat de vader ooit iets heeft misdaan, anders dan het niet luisteren naar de jeugdprofessional en hoe zij dit gegeven geheel ten onrechte heeft gekoppeld aan de (on)veiligheid van de zoon.
In klachtonderdeel 7 wordt nog toegelicht dat de jeugdprofessional zonder enige onderbouwing heeft gesteld dat de vader niet kan reflecteren op zijn handelen. Daarom zou de kans van slagen bij Ouderschap Blijft gering zijn. Zelfs als zij haar stelling wel had kunnen onderbouwen, dan nog had zij de ouders de kans moeten geven om het traject bij Ouderschap Blijft te beginnen. Al was het maar omdat het in het belang van de zoon zou zijn geweest. Niet alleen om afspraken te maken over de omgang, maar ook omdat, zoals de jeugdprofessional zelf in haar verslag stelt, het belangrijk is dat de ouders met elkaar in gesprek treden om tot een eenduidig verhaal te komen dat aan de zoon kan worden verteld. De kinderpsycholoog benadrukt ook het belang daarvan in haar verslag.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De beëindiging van het traject is in het MDO van 9 oktober 2018 besloten, omdat het gedrag van de vader richting de zoon niet verbeterde, maar schadelijker werd, terwijl de medewerking van de vader verminderde. Volgens de jeugdprofessional kan niet gesteld worden dat de doelen van [traject 1] gehaald zijn. Ten aanzien van het verwijt dat Ouderschap Blijft niet kon starten, stelt de jeugdprofessional dat er met de ouders was afgesproken dat naar aanleiding van het verloop van [traject 1] zou kunnen worden toegewerkt naar Ouderschap Blijft . Gelet op het verloop van [traject 1], is (intern) besloten dat niet gestart kon worden met Ouderschap Blijft en dat advies bij Veilig Thuis zou worden ingewonnen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional nog toegelicht dat intern dezelfde gedragswetenschappers aan beide trajecten verbonden zijn. Het besluit welke vervolgstappen te nemen is in overleg met deze collega’s genomen. Tot slot zijn in het eindverslag de bevindingen van de jeugdprofessional en de redenen om [traject 1] te stoppen uitgebreid toegelicht. Ook is daarbij aangegeven dat en waarom een verwijzing naar Ouderschap Blijft vooralsnog niet aan de orde was.

4.5.3 Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional geweigerd heeft het traject op passende wijze te beëindigen, overweegt het College dat de jeugdprofessional gemotiveerd aangevoerd heeft dat de doelen van [traject 1] niet bereikt waren, hetgeen ook in het dossier en eindverslag terug te lezen is. De vader heeft zich – samengevat – volgens de jeugdprofessional gedurende het traject onvoldoende reflectief opgesteld en heeft zich niet aan de afspraak gehouden dat hij gedurende het traject geen contact met de moeder zou hebben. Dat de vader het niet eens is met deze visie van de jeugdprofessional, betekent nog niet dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het College is van oordeel dat zij haar overwegingen om het traject te beëindigen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt en haar overwegingen zowel intern als met de vader besproken heeft. Eveneens heeft zij de te nemen vervolgstappen met haar collega’s in het MDO van 8 en 9 oktober 2018 uiteengezet. Het College concludeert dat het buiten de invloedsfeer van de jeugdprofessional valt dat Ouderschap Blijft niet van start is kunnen gaan.

4.5.4 Het College verklaart de klachtonderdelen ongegrond.

4.6 Klachtonderdeel 8

4.6.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Niet in staat gebleken om constructief te communiceren.

Toelichting:
De wijze van communiceren van de jeugdprofessional heeft er toe geleid dat er grote misverstanden zijn ontstaan over de aanleiding en het verloop van het [traject 1] traject bij nagenoeg alle hulpverleners die betrokken zijn. Daarnaast kan de jeugdprofessional niet goed luisteren naar wat de ander zegt. Zo zijn er tijdens het startgesprek een tweetal momenten geweest die dit illustreren. De vader vertelde dat de moeder zich het laatste half jaar steeds meer distantieerde en weigerde met de vader te praten, waarop de jeugdprofessional hem onderbrak en vroeg of hij zei dat hij de zoon toen ook al niet mocht zien. Daarnaast heeft de jeugdprofessional de woorden van de vader verkeerd geïnterpreteerd en gesteld dat hij dingen zou zeggen die hij niet gezegd heeft.
Tevens heeft de jeugdprofessional geschreven dat er een “warme overdracht” zal plaatsvinden en daarbij de aanwezigen genoemd. De vader was hiervoor niet uitgenodigd en de jeugdprofessional kwam ook niet voor in de lijst van aanwezigen. Nadat de vader haar hier op gewezen had, heeft de jeugdprofessional zichzelf wel op aanwezig gezet, maar de vader niet uitgenodigd. Vervolgens wordt de vader op zijn werk gebeld met het verwijt dat hij niet bij de overdracht aanwezig is. De vader meent dat communicatie een zeer belangrijk onderdeel is van het vakgebied van de jeugdprofessional en niet in dat van de vader. De jeugdprofessional dient hier dan ook rekening mee te houden en effectief te anticiperen op communicatieproblemen tussen haar en de vader. De vader heeft dit wel gedaan door de jeugdprofessional erop te wijzen dat zij niet op de lijst van aanwezigen stond voor de warme overdracht.

4.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Op 25 oktober 2018 is de vader uitgenodigd voor een warme overdracht naar de GI. Hoewel de vader had aangegeven hierbij aanwezig te zijn, verscheen hij niet. De vader stuurde vervolgens een e-mailbericht aan de hulpverleners waarin hij ernstige bedreigingen uitte. Op 30 oktober 2018 werd de vader opnieuw uitgenodigd voor een gesprek bij de GI. De vader stuurde daarvoor en daarna 25 e-mailberichten. Na bericht van de vader dat hij zijn best zou doen aanwezig te zijn, stelde hij in zijn e-mailbericht als voorwaarde voor zijn aanwezigheid dat eerst een aantal vragen zouden worden beantwoord. Hierop is door de [jeugdbeschermer] bericht dat de GI niet met deze voorwaarde akkoord ging en dat het gesprek niet door zou gaan.

4.6.3 Het College overweegt als volgt:
Het is het College gebleken dat in de communicatie tussen partijen over en weer sprake is geweest van onjuiste aannames en verkeerde interpretaties. Partijen hebben elkaar op bepaalde momenten onvoldoende begrepen. Het voert volgens het College te ver om daardoor te spreken van een tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van de jeugdprofessional. Voor wat betreft de warme overdracht is daarnaast ook vastgesteld dat de vader, direct toen bleek dat hij dacht dat hij niet uitgenodigd was, opnieuw en op zeer korte termijn uitgenodigd is.

4.6.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.7 Klachtonderdeel 9

4.7.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Zij is niet in staat gebleken zich als een professional te gedragen.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft vastgehouden aan haar vooroordeel zonder enig feitelijk onderzoek en/of sluitend bewijs daarvan te hebben, maar durft haar vooroordeel/aanname wel ongenuanceerd tot een bewezen feit te verheffen. Om het klachtonderdeel te onderbouwen verwijst de vader naar de informatie die de jeugdprofessional van de [naam opvang] heeft gekregen en hoe deze informatie is gebruikt in het eindverslag, namelijk dat volgens de voorinformatie blijkt dat sprake was van huiselijk geweld. Daarnaast heeft zij de vader niet de mogelijkheid gegeven om fouten in haar verslaglegging te corrigeren.

4.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft zorgvuldig en professioneel, met respect voor beide ouders gehandeld. Zowel ten aanzien van de hulpverlening alsook met betrekking tot de communicatie, de inhoud van de verslaglegging en de beëindiging van de hulpverlening. De aanvullingen op het eindverslag van de vader, alsook van de moeder, zijn aan het eindverslag toegevoegd.

4.7.3 Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft de informatie waarop de jeugdprofessional haar conclusie baseert dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, is het voldoende duidelijk geworden dat deze informatie is overgenomen uit het aanmeldformulier van de [naam opvang]. Over de wijze waarop deze informatie is opgenomen in het eindverslag, is reeds een oordeel gegeven ten aanzien van klachtonderdeel 1 onder 4.1.3 van deze beslissing. Dit verwijt laat het College daarom in dit klachtonderdeel buiten beschouwing.
Ten aanzien van het verwijt dat de vader niet de mogelijkheid heeft gehad fouten in het verslag te corrigeren, oordeelt het College als volgt. De vader heeft het eindverslag bij zijn klaagschrift overgelegd. Aan dit eindverslag is zowel de zienswijze van de vader als van de moeder gehecht. Tevens is uit de overgelegde contactjournaals gebleken dat de vader door de jeugdprofessional is uitgenodigd om het eindverslag mondeling te bespreken. Van deze uitnodiging heeft de vader geen gebruik gemaakt. Het College concludeert dat de vader de gelegenheid heeft gekregen om zijn zienswijze op het eindverslag te geven. Het is in de praktijk gebruikelijk dat slechts feitelijkheden in verslaglegging gecorrigeerd kunnen worden en dat de reacties van ouders worden toegevoegd aan verslagen. De jeugdprofessional heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

4.7.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.8 Klachtonderdeel 10

4.8.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Zij heeft geen respect en acceptatie getoond voor de opvoedkundige keuzes en kwaliteiten die beide ouders gezamenlijk hebben gemaakt, noch voor de persoonlijke eigenschappen, kunde, visie en omstandigheden van de vader.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft geen rekening gehouden met de opvoedvisie van beide ouders. Ook heeft zij een verschil van inzicht met de vader over zijn reacties op bepaalde situaties tijdens de contactmomenten. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat de zoon altijd door de ouders als een volwaardig persoon is behandeld en benaderd. De ouders hebben voor een opvoeding op basis van Afrikaanse inzichten gekozen. Tijdens een contactmoment heeft de zoon de vader willen troosten wat de jeugdprofessional als belastend heeft aangemerkt, terwijl de zoon altijd is aangeleerd dat volwassenen ook emoties hebben. De vader acht het helemaal niet schadelijk als een kind iemand troost. De jeugdprofessional mag niet proberen om de vader te veranderen in een heel ander soort vader wie hij nooit voor de zoon is geweest en weigerde voor de jeugdprofessional te worden.

4.8.2 De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht het volgende aangevoerd:
De jeugdprofessional heeft met respect voor de opvoedvisie gehandeld en toegelicht dat de opvoedstijl van de ouders altijd een rol speelt. Voor wat betreft het aangehaalde voorbeeld heeft de jeugdprofessional waargenomen dat sprake was van een rolverdeling die zij niet in het belang van de zoon achtte. Dat heeft zij benoemd aan de vader en uitgelegd wat van hem verwacht werd. De jeugdprofessional betwist dat zij daarmee is ingegaan tegen de opvoedvisie van de ouders.

4.8.3 Het College overweegt als volgt:
Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional tegen de opvoedvisie van de ouders is ingegaan. Evenmin dat zij geen respect voor de vader zou hebben getoond. Het behoort tot de verantwoordelijkheden van de jeugdprofessional om gedurende (en na) de contactmomenten op basis van haar expertise de situaties te benoemen die zij niet in het belang van de zoon acht. Dat de vader daarover van visie verschilt, betekent nog niet dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft.

4.8.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.9 Klachtonderdeel 11

4.9.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Aansturen op een langdurige schadelijke contactbreuk tussen de vader en de zoon.

Toelichting:
De begeleide contactmomenten wezen er voortdurend op dat het begeleid contact (ook) niet in het belang van de zoon was. Daarom moesten de ouders zo spoedig mogelijk weer met elkaar in gesprek komen om over de contactmomenten tussen de vader en de zoon afspraken te maken.
De jeugdprofessional heeft tevens geconcludeerd dat de ouders met elkaar in gesprek moesten om tot een eenduidig verhaal naar de zoon te komen. De jeugdprofessional heeft dit zelf onmogelijk gemaakt door te stellen dat de vader eerst zelf een behandeling nodig heeft om te leren te reflecteren op zijn eigen aandeel. De jeugdprofessional onderbouwt deze stelling niet, maar dit heeft geleid tot contactbreuk tussen de vader en de zoon. Met als direct gevolg de onvermijdelijke emotionele en psychische ernstige schade voor de vader en de zoon. De vader heeft tot op de dag van vandaag niets gekregen om op te kunnen reflecteren, daarvoor hadden de ouders juist om de tafel gemoeten. De vader verwijst ter onderbouwing naar de meegestuurde positieve getuigenverklaringen vanuit zijn netwerk. Tegenwoordig is het verhaal dat de vader eerst zijn boosheid onder controle moet krijgen voordat hij zijn zoon kan zien. De boosheid blijft echter elke dag groeien, net als de schade die de jeugdprofessional aan hem en zijn zoon heeft toegebracht. [Traject 1] was nooit passend, maar de jeugdprofessional had nooit de deur naar Ouderschap Blijft mogen sluiten.

4.9.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Zij heeft niet bewust aangestuurd op een contactbreuk, integendeel. Bij de begeleiding van de vader heeft de jeugdprofessional steeds opnieuw geprobeerd uit te leggen wat er van hem als ouder in het belang van zijn zoon werd verwacht. Ondanks meerdere pogingen, bleek het voor de vader na vier contactmomenten niet mogelijk hieraan voldoende mee te werken.

4.9.3 Het College overweegt als volgt:
Uit het voorgaande (zie onder 4.4.3 en 4.5.3 van deze beslissing) blijkt dat de jeugdprofessional voldoende inzichtelijk gemaakt heeft wat de gronden zijn geweest waarop zij – in overleg met haar collega’s – heeft besloten [traject 1] te beëindigen. Ook zijn de te nemen vervolgstappen in het MDO van 8 en 9 oktober 2018 uitgezet. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional heeft aangestuurd op contactbreuk tussen de vader en zijn zoon.

4.9.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.10 Conclusie

4.10.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen 1, 2 en 3 (gedeeltelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het eindverslag is op bepaalde punten onvoldoende evenwichtig opgesteld. Daarnaast is onvoldoende overeenstemming bereikt over de in het eindverslag geformuleerde afspraken. Gebleken is dat deze in ieder geval niet schriftelijk aan de vader zijn teruggekoppeld. De jeugdprofessional heeft volgens het College in strijd gehandeld met artikelen G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

4.10.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de zwaarte van de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional ten aanzien van meerdere klachtonderdelen (gedeeltelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het wordt de jeugdprofessional aangerekend dat het eindverslag, voor wat betreft de passages over het huiselijk geweld en haar waarnemingen van de contactmomenten, onvoldoende evenwichtig is opgesteld. Temeer omdat informatie, zoals opgenomen in documentatie, afkomstig van een hulpverlener of hulpverlenende instantie, (langdurige en ernstige) gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben. Het is belangrijk dat een jeugdprofessional zich hiervan bewust is en mede met het oog daarop informatie over (een) cliënte(n) zorgvuldig documenteert. Het College gaat ervan uit dat de jeugdprofessional lering uit deze casus heeft getrokken en in komende situaties de verslaglegging evenwichtiger opstelt. Ook is gebleken dat aan het begin van het traject de verwachtingen onvoldoende helder waren, omdat de afspraken niet schriftelijk en in overleg met de betrokkenen zijn opgesteld. Op dat punt is echter inmiddels de werkwijze bij [instelling] aangepast, in die zin dat cliënten na het startgesprek een aanmeldformulier toegestuurd krijgen waarin de gemaakte afspraken en doelen van het traject staan opgenomen. Het College houdt tot slot rekening met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional heeft moeten handelen. Geconstateerd wordt dat gedurende het traject de vader zich in de e-mailcorrespondentie veelvuldig grievend heeft uitgelaten richting onder meer de jeugdprofessional. Het College kan daarvoor geenszins begrip opbrengen. Alles overwegende acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen 1, 2 en 3 gedeeltelijk gegrond;
– verklaart voor het overige klachtonderdelen 1 tot en met 11 ongegrond;
– legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 13 november 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris